Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina5/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42

2. De beide andere kinderen.





Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou.

Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt Mijn volk niet en Ik zal de Uwe niet zijn.

Hosea 1:6,7,8

Het tweede kind van Gomer was een meisje.

In normale gevallen zou dit grote vreugde hebben verschaft.

Nietwaar? Eerst een zoon, dan een dochter, het geluk van de ouders kan niet op!

In het huwelijk van Hosea en Gomer was dit echter niet het geval. Met vreugde was de geboorte van dit meiske niet tegemoet gezien, maar er heerste veeleer een gedrukte stemming. Door Gomers ontrouw was er een scheur getrokken in het jonge geluk, en het mooiste van de echt was door haar kapot gemaakt.

Dus noemde Hosea — alweer op goddelijk bevel — deze dochter Lo-Ruchama. Dat is, overgezet zijnde: Zij vindt geen ontferming.

Dit wil niet zeggen, dat Hosea zich over dit meisje, wier vader hij niet kende, niet ontfermd zou hebben. Integendeel heeft hij haar in roerende en ontroerende liefde als zijn eigen dochter geadopteerd, en als hoofd van het gezin de plicht der naamgeving vervuld.

Ze kreeg naast haar broertje Jizreël een veilige plaats onder Hosea's dak! Maar die naam wilde wèl zeggen, dat God Zich voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen zou, zoals er verklarend bijstaat, maar dat de Here ze zekerlijk zou wegvoeren. Met haar vreselijke naam, waarmee ze straks door de mensen zou worden genoemd en aangesproken, moest ze een voortdurende herinnering zijn aan en een levende prediking van het komende gericht!

Men zou zo zeggen: dit klopt niet helemaal!

Immers, het huwelijk van Hosea en Gomer moest afbeelden de ver­houding tussen God en Zijn volk. Het moest er een aanschouwelijke pre­diking van zijn. En nu ontfermde zich Hosea wèl over dit kind èn over de moeder, maar de Here zou Zich niet ontfermen over Zijn volk? Is de Here minder barmhartig dan Zijn profeet? Neen, natuurlijk niet.' Wat Hosea deed met deze adoptatie had de Here juist herhaaldelijk gedaan.

Altijd en altijd wéér had Hij de trouweloze "dochter Israëls" aangenomen. Alles was dan weer vergeven en vergeten. In zijn doen beeldde Hosea pre­cies Gods doen in de historie af.

Maar dit kan niet zo voortgaan natuurlijk.

De liefde kan niet van één kant komen.

"Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen", laat de Here zeggen. "Ik zal niet meer voortgaan Mij te ontfermen", vertalen anderen. Een vol­dongen feit is het dus nog niet. Nóg rust de ontferming Gods op Israël. Nog altijd. Ook nu nog, ondanks duidelijk gebleken ontrouw. In de naam Lo-Ruchama wordt de band dus nog niet onherroepelijk doorgesneden. De barmhartigheid roemt er in tegen het oordeel. Maar die naam is wèl een waarschuwing. Een waarschuwingssein aan alle posten. Aan de zonen zowel als aan de dochters des volks, want dat zal de afwisseling van dochter en zoon wel betekenen, dat ze allen zijn afgeweken, en tezamen onnut zijn geworden. Een ernstig vermaan: laat het nu de laatste maal zijn, want Ik zal en Ik kan niet voortgaan Mij te ontfermen.

De liefde is lankmoedig.

Zij is goedertieren.

Zij handelt niet lichtvaardiglijk.

Maar toornen kan ze ook, als ze immer wordt genegeerd.... "Ik zal Mij niet meer ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou".

Dit is wel het ergste, wat het volk des Heren kan overkomen, dat de Here niet meer is "Israëls Ontfermer".

Laat Hij mij m'n gezondheid, m'n bezit, m'n kinderen ontnemen, maar Zijn liefde en ontferming niet terugtrekken. Dan wordt alles zo verschrik­kelijk donker. Daarom betekent de naam van dit tweede kind, "Lo-Rucha­ma", verzwaring van het oordeel. Door "Jizreël" zeide de Here nog niet meer, dan dat Hij Israëls boog verbreken, en z'n spies in tweeën zou slaan, maar door Lo-Ruchama profeteert Hij dat Hij Zijn aangezicht voor Israël zou verbergen. Sommigen vinden het eerste erger dan het laatste. Ze kunnen — menen zij — beter Gods vriendelijk aangezicht dan hun rijkdom missen. De naam Jizreël, die van het tanen van uitwendige glorie spreekt, verschrikt hen veel meer dan de naam "Lo-Ruchama", die voor­spelt dat dè glorie van Israëls glorie zal verdwijnen.

Dat Gods ontferming Israëls rijkste bezit was, de zenuw van het volks­bestaan, dat hebben de besten van het volk echter steeds goed begrepen.

Israëls profeten, zangers en historieschrijvers hebben in poëzie en proza steeds de roem gezongen van Israëls Ontfermer.

"Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de Here over wie Hem vrezen" [Ps. 103:13] had reeds David geweten. En Jesaja voegt aan die vaderlijke ontferming de moederlijke bewogenheid toe: "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet" [Jes. 49:15].

En dat die ontferming des Heren niet alleen maar bestond in een dich­terlijke verbeelding of in profetische extase, dat bewijzen Israëls prozaïs­ten die van de nuchtere feiten getuigenis geven:

"Maar de Here was hun genadig, erbarmde Zich over hen, en keerde Zich weer tot hen, terwille van Zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob; Hij wilde hen niet verdelgen en had hen nog niet van voor Zijn aangezicht verworpen" [2 Kon. 13:23], zo vertelt de man die dorre kronieken schrijft van de koningen van Israël. En zelfs tot de dagen van de profeet Hosea en zijn goddeloze koninklijke tijdgenoten was dat zo doorgegaan, want: "de Here had gezien, dat de ellende van Israël zeer bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor Israël. Maar de Here had niet gezegd, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel zou uitwissen" [2 Kon. 14:26].

Dat heeft Hij dan nu wèl gezegd.

Door de mond van de zoon van Been.

En door de naam van de dochter van Gomer.

Lo-Ruchama!

Ik zal niet voortgaan Mij te ontfermen.

Er zal dan een tijd komen, dat niemand meer Psalm 103 kan meezingen, en dat iedere Jood, die in de tempel de profeten hoort lezen, toegekomen aan Jesaja 49, zal mompelen: zó was het vroeger; dat hoorde bij een schoon verleden. Een tijd, dat de harpen aan de wilgen gehangen moesten worden, en de liederenschat van vroeger eeuwen onder het stof bedolven lag.

De Here zal niet voortgaan Zich te ontfermen, als Israël voortgaat met van de Here weg te lopen. Als! Er is dus nog een deur der hoop. Een tenzij! Tenzij Israël zich bekeert.

Dat die bekering niet gekomen is; dat men maar wat lachte om al die sombere profetische dreigingen, en eigenlijk schik had in die gekke na­men van Hosea's kinderen — dat bewijst het derde kind, dat de naam Lo-Ammi moest dragen.

Hosea verhaalt:

"Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt Mijn volk niet en Ik zal de Uwe niet zijn".

Iedereen wist natuurlijk, dat "Lo-Ammi" betekende: niet-Mijn-volk. De diepere betekenis van die naam van Hosea's derde kind drong echter tot Hosea's tijdgenoten niet door. Allicht hebben ze er wat mee gespot, en gedacht dat Hosea die zoon zo noemde, omdat hij de vader niet was. Daar­om voegt de profeet er een verklaring aan toe. Hij onthult, dat nu de tijd gekomen is, dat Israël niet meer Gods volk zal genoemd worden. Dat was altijd zo geweest, en daar gingen ze ook erg prat op, maar 't was nu dan ook geweest, 't Sprak ook vanzelf trouwens. Israël tóónde duidelijk genoeg door z'n levensgedrag, dat het niet bij God hoorde. God trekt daaruit de voor-de-hand-liggende conclusie: dan zal Ik ook de Uwe niet zijn. De straf is de eenvoudige consequentie van de zonde. Gelijk dat zo vaak het geval is.

Het oordeel in de naam Lo-Ammi opgesloten, overtreft alle voorgaande in verschrikking.

Lo-Ammi, niet-Mijn-volk, betekent verwerping. Finale huwelijksontbin-ding. Het zal nu dan helemaal uit zijn tussen God en Israël. Elke band zal worden doorgesneden!

Jizreël betekende nog slechts, dat God de boog zou breken en Israël z'n glorie zou ontnemen.

De liefde bleef nog. Want God dééd dat uit liefde. Hij verarmt Zijn kind niet omdat Hij het haat, maar omdat Hij het lief heeft.

Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen.

Toen werd Lo-Ruchama geboren.

God trok Zijn ontferming in, en 't werd dus nog erger.

Maar Israël kermde geen kyrie-eleis, ontferm U onzer.

Israël verliet Mij en Mijn geboón: 't heeft zich andere goón naar Zijn lust verkoren.

Toch was alles nog niet verloren. De boog was wel gebroken, en Gods vriendelijk aangezicht verspreidde geen vrolijkheid meer en licht, maar er bleef toch nog iets over: de band des verbonds.

Israël was een verstoten kind geworden; een kind dat geen ontferming meer vond, maar toch nog.... kind.

Nu komt de finale.

God snijdt de laatste band door.

Er blijft nu niets meer over! Lo-Ammi: gij zijt Mijn volk niet meer, dus zal Ik de Uwe niet meer zijn.

O, dat het toch zover komen moest!

Men kan niet zeggen, dat de Here met Zijn volk in drift gehandeld heeft, en geen geduld genoeg heeft geoefend.

Op treffende manier laat Hosea dit voelen.

Lo-Ammi werd namelijk geboren, zo tekent hij aan "nadat zij Lo-Ru­chama gespeend had". Lo-Ruchama kan toen reeds drie jaar oud geweest zijn. Van Izak heet het: "en het kind groeide op en werd gespeend" [Gen. 21:8]. Dat duurde dus vrij lang in het Oosten. Deze simpele datering van Lo-Ammi's geboorte, het stilzwijgend aangeven van de tijdsduur die er was tussen de geboorte van beide kinderen, de opmerking, dat Lo-Ammi met z'n vreselijke naam niet direct al binnen de kortst mogelijke tijd op Lo-Ruchama volgde, is tevens een zwijgend getuigenis van Gods lankmoedig­heid.

Lang wacht de Here tot het voldragen gericht moet losbarsten.

Hij wacht één jaar, en Hij wacht twee jaar, en Hij wacht drie jaar! De geschiedenis van de onvruchtbare vijgeboom heeft zich reeds in het Oude Testament afgespeeld: laat hem ook dit jaar; laat hem nog een jaar en ... gij zult hem namaals uithouwen!

Zou het met ons ook zover moeten komen?

De naam van de Drieënige God is over ons gedoopte voorhoofd uit­geroepen !

Komt, tracht eens te ontcijferen, welke naam er nu op te lezen valt. Jizreël? Of Lo-Ruchama? Of Lo-Ammi?

Drijft het in elk geval niet tot het uiterste.

Bekeert u van uw ontrouw.

God is liefde.

Maar het is een liefde die toornen kan.

Vergeet dat niet.

En mij dunkt — ik zie al kinderen met zulke vreemde namen rondlopen in de straten van ons kerkelijk Jeruzalem.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.