Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina9/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   42

LOKKEN IN DE WOESTIJN





Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar lei­den in de woestijn, en spreken tot haar hart.

Hosea 2:13.


Dit woord betekent oordeel.

Het redegevende "daarom" laat geen andere verklaring toe. Waarom zal God dit volk in de woestijn voeren? Omdat "zij" — Israël is nog al­tijd de "vrouw" des Heren — "Mij vergat, luidt het woord des Heren" (vs 12) .... daarom. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over, en niemand hoeft straks Gods oren met z'n "waaroms" te vermoeien, als al het voorzegde leed komen gaat. Leed! Want met die "woestijn", waarin God ze voeren zal, is niets minder bedoeld dan de ontzaglijke ellende der ballingschap, die nu onder Jerobeams succesvolle regering nog wel héél ver buiten de gezichtskring ligt, maar die toch onafwendbaar is. Die "woes­tijn" is dus niet letterlijk, maar figuurlijk te verstaan. Toen Israël in bal­lingschap ging, kwam het niet in letterlijke zin in een woestijn te wonen, maar bedoeld wordt, dat Israël weer precies even arm zal worden, als het vóór z'n intocht in Kanaän was. Toen was het een berooid woestijn­kind, en het zal dat weer wórden straks. Al de zegeningen en schatten, die de Here het had gegeven, zal Hij het weer afnemen, Israël zal weer even berooid worden als voorheen. "Ik zal haar leiden in de woestijn" — dat woord is even zwaar van oordeel als wat Hosea zopas gedreigd had: "An­ders zal Ik haar naakt uitkleden en haar laten staan als ten dage toen zij geboren werd, haar maken als een woestijn, haar doen worden als een dor land, en haar doen sterven van dorst" (vs 2).

Dit komt er dan van!

Wie de gaven, die de Here schonk, aan de afgoden wijdt, en dan God vergeet en verlaat, heeft smart op smart te vrezen.

Hoor, Israël, de Here, uw God, is een ijverig God.... daarom zie, Ik zal haar leiden in de woestijn.

Dit zou allemaal heel verklaarbaar zijn, en geen enkele moeilijkheid op­leveren, als Hosea zich nu maar aan dat "leiden in de woestijn" gehouden had. Maar zie, nu gaat hij zich — op Gods bevel natuurlijk — heel won­derlijk uitdrukken. Wonderlijk, om hetgeen voorafgaat, en om hetgeen volgt. Vooraf gaat het woordje "lokken". Ik zal haar lokken, en haar lei­den in de woestijn. Dat leiden of wegvoeren in ballingschap wordt dus zowaar een "lokken" genoemd. Dat "lokken" roept heel andere gedachten op dan het "leiden". We denken dan ineens aan een liefelijk nodigen; zo­als we spreken van de lokstem van het Evangelie. En nu komen de vragen los: wat bedoelt God nu: oordeel of voordeel? Betekent die woestijntocht in ballingschap afbraak of opbouw, vernieling of herstel, vloek of zegen? Moet Israël zich nu verblijden, dat het door God gelokt wordt in de woes­tijn, of moet het zich bedroeven, dat het gevoerd wordt in ballingschap? Dit "lokken" en wegvoeren in één adem, dat ja en nee tegelijk moet Ho-sea's hoorders wel danig in de war gebracht hebben. Moeten ze er nu om lachen of schreien?

En dezelfde tegenstrijdigheid doet zich voor bij hetgeen volgt: "en Ik zal spreken tot haar hart". Sichem had Dina lief, "en hij sprak tot het hart van het meisje" (Gen. 34:3). God zal Israël in ballingschap ellendig om doen zwerven, en.... Ik zal spreken tot haar hart? Maar, Hosea, dit moet toch wel een vergissing wezen! Ge bedoelt zeker: "en Ik zal zwijgen in Mijn grimmigheid"? Of is dit soms bitter sarcasme? Het wordt al on­begrijpelijker! Tegenstrijdigheid in de woorden: lokken èn wegvoeren! Tegenstrijdigheid in de conclusie: wegvoeren èn tot haar hart spreken. Inderdaad, voor de exegeet die alleen Gods mond en niet Gods hart hoort spreken, om er radeloos onder te worden. Zo'n dorre Schriftgeleerde gaat hier natuurlijk schrappen en zeggen: dit past niet en dat past niet! Want de "tegenstrijdigheden" zijn nog gemakkelijk te vermenigvuldigen! Iemand zou namelijk kunnen opmerken: dat "lokken" in de woestijn klopt niet met de historische feiten. God heeft Israël niet in de ballingschap gelokt, maar gesméten! Niet anders! De lokkende stem van de profeten hielp immers niet, en toen moest Israël wel gesleurd worden! Precies als Lot, die ook niet horen wilde, en daarom met geweld moest worden losgeslagen van z'n mooie Sodom! Precies als.... wij! We moeten immers talloze malen ondervinden, dat voelen moet, wie niet horen wil? En dan zitten we in de narigheid, in de woestijneenzaamheid. Zijn we er in gelokt? Nee, we zijn er in neergeplóft!

Maar — en dat schijnt nog het ernstigste bezwaar — is dat lokken in de woestijn niet in strijd met het wezen Gods?

Lokken, dat doet de listige vogelaar, die de arme vogeltjes met het lok­aas in z'n klapnet vangt. Lokken, dat doet de duivel, als hij de mensen een paradijs voorspiegelt, en het loopt uit... . op een woestijn; die een hemel belooft: gij zult als God wezen, en het wórdt een gevloekte aarde, een woestijn! Maar zó doet God toch niet? Dat de Here lokt naar de he­mel, en nodigt dat Zijn huis vol worde, dat gaat, maar.... lokken in de woestijn, doet God dat ook al?

We zullen nu maar ophouden met het opsommen van "tegenstrijdig­heden", want met ons verstand komen we er toch niet uit!

De verklaring vindt alleen hij, die in Gods verborgen omgang heeft geleerd, dat 'n woestijn zégen kan betekenen, dat het dal der moerbeziënbomen kan worden tot een fontein van heil, en dat de tegenspoed en een­zaamheid van het leven tot onze zaligheid dienen kunnen. Wie dit ver­staan heeft, klaagt niet meer over, doch dankt die God, Die in wonder­baarlijk tegenstrijdige en onbegrijpelijke levenswegen 'n mens in 'n woes­tijn lokt, om hem 'n paradijs te geven, hem alles doet verliezen, opdat hij alles zou winnen, en Die zo alle dingen, en niet het minst de woestijnuren, doet medewerken ten goede degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Zó is het ook bedoeld!

Het is volkomen waar, dat Israël met geweld de ballingschap, de woes­tijn is ingedreven, maar God laat Zijn profeet het woord "lokken" ge­bruiken, om Israël te zeggen, dat in en achter die ellende school de liefde van Zijn goddelijk hart.



Zij had de Here wel vergeten, maar de Here haar niet!

De Here wilde Zijn "bruid" o zo graag weer terug hebben.

Daarom zal Hij haar achterna lopen en lokken; om weer haar liefde te winnen!

O, wondere liefde des Heren!

En nu zal Hij haar lokken.... in de woestijn.... geen betere methode van de Here om Zijn doel te bereiken!

Dat had de historie geleerd!

God had ze al eens eerder gelokt in de woestijn, toen ze slavin was van Egypte. Toen had God ze vrijgemaakt — tot Zijn vrouw verkozen.... in de woestijn! Ze móest in de woestijn. Ze mocht ook in de woestijn. En die woestijn met z'n zand en nog eens zand en eindeloze eenzaamheid en hitte is toen tot een waar feestoord geworden. Herschapen in een bruilofts­zaal! Daar is de bruiloft gehouden, het huwelijksfeest gevierd! Wat heeft de Here haar feestelijk ontvangen en verzorgd met honing uit de rotssteen. Wat heeft Hij haar liefelijk omhelsd, en gesproken naar haar hart!

Dat alles gebeurde in de woestijn!

Nu is Israël van God weggelopen, en ze is wéér slavin geworden!

Slavin, nu niet van Egypte, maar van Baal. In zijn netten is ze verstrikt.

Dus moet Israël weer de woestijn in! Of mag ze naar de woestijn? Ze moet het oordeel ondergaan! Of zal het voordeel zijn? God zal ze in bal­lingschap werpen! Of zal Hij haar weer ter bruiloft voeren? Inderdaad, het laatste! Het wegvoeren wordt een lokken, de woestijn tot een feestoord, de eenzaamheid tot gemeenschap, het oordeel tot een zegen! Wat moet Is­raël nu doen op het horen van deze woorden van Hosea? Moet het schrei­en of lachen; of beide tegelijk?

Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn!

De kwestie is, dat de Here Zijn volk wel eens in de eenzaamheid wil hebben. In de woestijn is het stil. Daar kan de Here met Israël alléén zijn. Het rumoer van de Baaisfeesten klinkt er niet door. De stem des Heren gaat niet verloren in het "aards gedruis". Hij is er met haar onder vier ogen. Zij zal er tot bezinning komen. De woestijn zal voor Israël zijn, wat de zwijnen waren voor de verloren zoon! Wel niet allen, maar toch enkelen zullen "tot zichzelf" komen in de woestijn. Zij zullen bij zoveel ellende tot de geloofsconclusie komen: ik heb gezondigd; ik zal wederkeren!

Zij zullen in de benauwdheid tot de Here roepen.

En de Here zal antwoorden.

"En Ik zal spreken tot haar hart."

En zo zal die troosteloze woestijn tot een onuitsprekelijke zegen worden.

De woestijn is — ge merkt het dus — nog zo'n verkeerde plaats niet. Ze is in vele gevallen profijtelijker dan 'n feestzaal en dan volle schuren, waarbij iemand zegt: mijn ziel, neem rust, eet, drink en wees vrolijk.

Hetzij nu die woestijn is het eenzame en soms jarenlange ziekbed, waar de mensen u vergeten schijnen; of de rouw van de beroofde weduwe of de weduwnaar, door God in de eenzaamheid gezet; of de ontbering van het leven, als door werkloosheid of tegenslagen alles zo triest en troos­teloos om u heen wordt als in een woestijn — er zijn vele woestijnen en vele eenzame woestijnkinderen in deze wereld —, in elk geval, die woestijn is nog zo verkeerd niet, goed bezien.

Wij kunnen dat zo niet inzien, dat 'n woestijn heilzaam is. Er is ook niet veel bekoring aan. Hitte, dorst, droogte, zand! Melk en honing lijken ons beter toe!

En toch is alle eeuwen door de woestijn Gods grote smidse geweest, waar Hij de instrumenten bereid heeft voor Zijn dienst!

Vóór Midians woestijn denkt Mozes dat hij alles kan, en hij kan slechts stukken en brokken maken, en mensen doodslaan.



In die woestijn leert hij dat hij niets kan, en God het alléén kan.

In Gileads woestijn wordt Elia "Israëls wagen en voerman".

In de woestijn van Juda wordt Johannes adventsheraut en wint Jezus Zijn eerste, zware strijd.

In zijn blinde eenzaamheid te Damascus wordt Paulus Gods "uitver­koren werktuig" 13.

In de woestijn der ballingschap zal Israël z'n God weer terugvinden.

Hoevelen hebben God al niet gevonden in de woestijn, en hebben boven­dien ervaren dat het er feestelijk kan zijn — het is geen makkelijke, maar een onbezorgde weg, waar God elke dag z'n dagmaat van manna geeft, en water doet vloeien uit de rotsen.

Verschrikkelijke, gezegende, heerlijke woestijn!

Maar behalve heerlijk is de woestijn ook eerlijk. En daarom voor me­nigeen misschien minder begeerlijk.

Wie van Jeruzalem naar Jericho gaat, moet door de woestijn van Juda. In die woestijn is natuurlijk geen publiek; geen mensen keken naar je; daarom behoefden noch de priester, noch de leviet zich te schamen omdat ze de halfdode man lieten liggen. In Jeruzalem hadden ze natuurlijk de filantroop gespeeld. Ja, eenzaamheid is eerlijk! Die maakt precies open­baar, wat en wie we innerlijk zijn.

Zou het daaruit misschien ook te verklaren zijn, dat schier iedereen de eenzaamheid schuwt, alle gelegenheden om met zichzelf en met God alleen te zijn ontloopt, het gesprek onder vier ogen ontwijkt, en zich hals over kop werpt in het rumoer van alle dag?

Indien dat zo is, dan lokke God nog velen in de woestijn!

VAN DAL TOT DEUR




Het dal Achor tot een deur der hoop.

Hosea 2:14 m.


Het dal Achor, ten Zuidwesten van Jericho gelegen, heeft in de geschie­denis van Israël steeds een onheilspellende klank gehad.

De Israëlietische huisvader, die zijn kinderen van het dal Achor ging vertellen, begon dan als vanzelf fluisterend te spreken.

Want het betekent: dal der beroering, ongeluksdal, jammerdal!

Men kent de historie.

Zoals de Here van alles de eerstelingen wilde hebben, eiste Hij ook de eersteling der steden van Kanaän voor Zich op. Heel de rijkdom van Jericho moest als één groot brandoffer Hem worden gewijd. Doch één man was er, Achan —, die het jammer vond al die kostbaarheden in de vlammen te werpen. Met begerige hand griste hij tal van kostbaarheden naar zich toe, en verborg ze heimelijk in zijn tent .... geen haan zou er naar kraaien!

Dit was dus een verborgen zonde, die daarom zo ernstig was, niet om­dat hij er mensen mee benadeelde, maar omdat hij er God mee bestal. Dit is trouwens nóg de meest voorkomende en tegelijk de meest ergerlijke vorm van diefstal binnen het leger van Gods volk. Dat we elkaar bestelen, komt ook nog wel voor onder de "heiligen en beminden Gods" — we denken maar aan de beruchte valse gewichten en ellen uit de Catechismus, maar dat we diefstal plegen aan God, komt zeer veelvuldig voor. Hier is er een, die God Zijn tijd ontrooft, door de bewering "geen tijd" te hebben voor de arbeid in Gods koninkrijk, ginds is een tweede, die God Zijn geld afgraait: hij vindt het zonde van z'n goeie geld om zoveel aan kerk en school en zending en armen te geven, en verstaat niet, dat hij een "rent­meester" is, hij leeft precies of d' aard en alles wat zij geeft, niet het wettig eigendom des Heren, maar zijn wettig eigendom is. Dat alles gebeurt na­tuurlijk in 't verborgen. Geen van deze dieven komt in de gevangenis. Niemand die geen tijd heeft om ouderling of diaken te wezen of zijn krachten voor de evangelisatie te geven, en niemand die z'n contributies opzegt of voor de nooddruft der heiligen met 'n paar onnozele centen voldoet, komt met de politie in aanraking. Men kan er zelfs een braaf en geëerd gereformeerd mens om wezen, en volop z'n critiek oefenen op de werkers en de zwoegers. Ook Achan bleef een dapper soldaat in Gods legioenen zolang z'n zonde verborgen bleef!

Intussen kon Israël niet als een zegevierend leger voorttrekken, zolang dit verborgen kwaad bestendigd bleef, en Achan als een levend bederf onder het volk bleef voortwandelen. Het leed dan ook de nederlaag voor het zwakke Ai, waar de sterke vesting Jericho zonder slag of stoot geno­men was. Dit spreekt vanzelf. De kerk des Heren kan nooit overwinningen boeken, zolang in eigen boezem een kwaad voortvreet gelijk de kanker. De nederlagen der kerk zijn de verborgen zonden der kerk. Het is precies om 't even welke naam dit onbestreden en onuitgeroeide kwaad draagt. Het kan van alles wezen. Of men die naar Achan, naar Mammon, naar Malthus noemt, of naar de duivel zelf (want laster en twisting zijn de eigen werken des duivels), dat doet er niet toe. Zolang een ban in het leger blijft, lijdt de kerk nederlaag op nederlaag. Er worden geen overwinningen naar buiten op de wereld behaald, als er geen overwinningen naar binnen op eigen vlees te vermelden zijn. Niemand kan een heiligende invloed op anderen hebben, die zelf onheilig is. In zulke perioden kan de kerk zich niet doen gelden. Zij trekt niet overwinnend achter haar Koning aan. Zij wordt verslagen en versmaad. Zij is bij niemand in tel.

Het is gelukkig, als de Here dan Zelf de ogen opent voor de ban in het leger.

Dat Hij Zijn volk niet in verblindheid (en soms in zelfvoldaanheid) laat voortleven.

Zó handelde Hij ook met Israël tussen Jericho en Ai.

Zonder sparen heeft Hij — door het werpen van het lot — de rotte plek aangewezen; de zondaar werd ontmaskerd, en de Israëlieten werd de ge­legenheid geboden, de ban uit het midden van hen weg te doen.

Geen ogenblik heeft het volk toen geaarzeld, het kwaad uit te roeien.

De reformatie was radicaal!

"Daarop nam Jozua, tezamen met geheel Israël, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, de mantel en de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en zijn kleinvee, zijn tent en alles wat hem toebehoorde, en zij voerden hen naar het dal Achor" (Jozua 7:24).

En al deze levende en dode have werd eerst gestenigd en daarna ver­brand, zodat er niets, maar dan ook niets overbleef. Er schemert iets van door van de radicale Catechismuseis, dat de oude mens moet worden ge­kruisigd, gedood, èn begraven!

Dit alles gebeurde in het dal Achor!

Voor de zondaar en z'n medeplichtigen, die niet spontaan, maar ge­dwongen belijdenis deden van hun kwaad, werd dit dal Achor een deur der wanhoop. Met een wanhopige gil en een snik tuimelden ze de eeuwig­heid binnen. Het dal Achor werd hun gesteld tot een deur der hel. Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt. Ongeluksdal, jammerdal!

Maar voor het nu "gereformeerde" en gezuiverde volk werd het dal Achor een deur der hoop.

Ze hadden alle hoop reeds opgegeven, dat ze ooit het Beloofde Land zouden binnentrekken, en Jozua had gekermd: "Ach, Here, Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten?" (Jozua 7:7)

Maar nu de oorzaak was aangewezen en in de kiem gesmoord, veerde men weer op en herleefde de hoop in de harten.

Het dal Achor werd niet de donkere kuil, waarin heel Israël werd ge­slacht. God maakte het ongeluksdal tot een deur. De Here heeft ze een geopende deur gegeven, om Kanaän er door binnen te vallen. Nu het kwaad uit het midden is weggedaan, rust de zege op Israëls banieren. Zij kunnen zich weer doen gelden. Als gelouterd komt het volk uit de gerichts-plaats te voorschijn. Het gaat Israël als de kerk van Philadelphia: Zij is de enige van de zeven Klein-Aziatische kerken, waar het dreigend: "dit heb Ik tegen u" achterwege kan blijven. Daarom kan zij overwinningen behalen op de wereld. Zij kan worden vermeerderd. Haar komt de belofte toe: "Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven". Haar geeft de verhoogde Heiland "sommigen uit de synagoge des Satans", om "zich neder te werpen voor uw voeten" (Openb. 3:8, 9).

De kerk, die gereformeerd héét, maar het niet is, komt in het dal der nederlagen.

De kerk, die het kwaad uitbant in eigen boezem, treedt triumfantelijk door de deur der overwinningen.

Het dal Achor wordt deur der hoop.

Het is nu gemakkelijk te verstaan, waarom de profeet Hosea deze on­geluksgeschiedenis van het jammerdal Achor nog eens ophaalt.

Evenals tóen is er ook nu een groot kwaad in Israël.

Het is de oude geschiedenis: God is bestolen. Israël heeft most en olie, goud en zilver, dat van de Here was, aan Baäl gewijd.

Op de regelmaat der zonde volgt de regelmaat der straf. Er is geen ont­komen aan: naar het dal Achor! Gans Israël moet nu naar het gerichtsdal. Het moet in het ongeluksdal van de ballingschap afdalen. God zal gericht oefenen met Zijn Achansvolk.

Maar nu komt het wonder!

Het dal Achor der ballingschap zal ook nu geen totale ondergang be­tekenen. God kan immers van Zijn volk niet meer af? Hij zal het dal Achor niet maken tot een donkere kuil, waar het volk eeuwig in ondergaat, maar .... tot een deur! Het dal wordt een deur, een dóórgang. Geen óndergang. De ballingschap zal dienen als louteringsvuur. Ze zal een door­gangshuis worden. Het volk gaat er in, maar het komt er aan de andere kant weer uit. Getuchtigd, vernieuwd, gelouterd.

Niet allemaal. Lang niet allemaal. De meerderheid zelfs vindt er de dood, als Achan. Voor die onbekeerlijken is er géén deur en géén hoop. Maar er zullen er toch zijn die zeggen: ik gedenk heden mijn zonde. Zij zullen het kwaad van de Baälsdienst in de ballingschap radicaal afleren en uitroeien. Ze zullen er mee breken. Ze zullen de ban uit het leger wegdoen. En zo zal de plaats des jammers worden tot een poort des heils en een deur der hoop. Wat vernietiging schéén, zal loutering blijken. Een ver­jongd en vernieuwd Israël zal uit die deur der ballingschap weer zingend het land Kanaän binnentrekken, "als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte" (vs 14b).

God keert in Zijn verbondstrouw de dingen dus precies om.

Van het dal der wanhoop maakt hij een deur der hoop.

Wat Israëls graf scheen wordt de poort der verrijzenis.

Wat op vernietiging scheen uit te lopen is de ontsluiting van een nieuwe toekomst.

Wie is hij, die daar opkomt uit het dal der steniging en het graf van Babel? Het is Jacob, dat z'n zonde wegdeed en zich bekeerde tot de Here!

En zij, die al klagend afdaalden in het dal Achor, zingen nu van dat dal, dat het hun door Gods genade tot een deur der hoop geworden is: Dit is, dit is de poort des Heren: daar zal 't rechtvaardig volk door treên, om hunnen God ootmoedig t' eren, voor 't smaken Zijner zaligheên!

We denken bij dit dal Achor aan het heden en aan de toekomst.

Aan het heden, en bemerken dan, dat de kerk des Heren heden ten dage meer staat in het teken van het dal, dan van de deur. Zij is in het dal der verguizing; met stenen wordt naar haar geworpen. In het dal der ver­smading, waar de vijanden lachen om haar machteloosheid. Velen begeren niet de deur der kerk binnen te treden, omdat ze zich dan wanen in een doodsdal, waar de kilte ze tegemoet slaat.

Hoelang zal het duren, dat zij uit haar dal triumfantelijk naar voren treedt, de deuren der kerk wagenwijd worden opengeworpen, het strij­dende leger Gods naar buiten stormt, om de wereld te annexeren voor haar Koning, en te maken dat ze uit de synagoge des Satans komen om te aanbidden?

Wanneer wordt het dal Achor tot een deur der hoop.... de geopende deur?

Stellig niet, zolang wij klagen, dat de kerk steeds in de hoek staat waar de slagen vallen, maar alleen wanneer we ons bekeren, en de ban uit ons midden wegdoen.

De ban van wereldgelijkvormigheid, van geesteloosheid, van egoïsme, en zoveel meer!

Totdat gij de ban wegdoet!

Anders blijft de ene nederlaag de andere volgen, en ontsluit zich geen deur der hoop.

We denken ook aan de toekomst. Er zit dan in het dal, het ongeluksdal, als vanzelf een schaduw van de vallei des doods.

Om onze zonden zijn wij allen dat dal ingezonden.

Maar — zo belijdt onze Catechismus — ook dat dal is een deur ge­worden, een póórt: onze dood is geen betaling voor de zonde, maar een afsterven van de zonde, en een doorgang tot het eeuwige leven.

Het dal Achor tot een deur der hoop.

Wat is de grond voor de verwachting dat het dal der schaduwen des doods de poort tot het eeuwige leven ontsluiten zal?

Christus alleen!

Omdat Hij onze overtredingen op Zich genomen heeft, is Hij om onze overtredingen gewond. Als een misdadiger. Als een Achan. Niet maar gestenigd, maar gekruisigd. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Het dal, waarin Hij verbrijzeld werd, werd onze deur.... een door­gang tot het eeuwige leven.

Zal die hoop echter gegrond zijn, dan moet door Zijn kracht aan dat­zelfde kruis ook onze oude mens mèt Hem gekruisigd zijn.

Alleen wie zó sterft vóór hij sterft, zal niet sterven als hij sterft.... het dal Achor wordt hem een deur.

De zonde moet niet alleen worden beleden, maar ook bestreden.

De ban moet worden weggedaan.

Die stille, verborgen Achanszonde — ge weet wel welke dat is in uw leven — die mag er niet blijven woekeren, want anders lijdt ge niet alleen in uw leven nederlagen, maar wordt uw sterven een volkomen nederlaag .. . het dal Achor de deur der hel.

Doet daarom om uws levens wil de ban weg!

Hoort aandachtiglijk naar Hem, en uw ziel zal leven.

Hoort Zijn belofte: "Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij aldaar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte".

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.