Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Deel 1: situering van de bestuurskunde hoofdstuk 1: inleiding tot de bestuurskunde

Dovnload 286.22 Kb.

Deel 1: situering van de bestuurskunde hoofdstuk 1: inleiding tot de bestuurskunde



Pagina1/5
Datum16.04.2017
Grootte286.22 Kb.

Dovnload 286.22 Kb.
  1   2   3   4   5

DEEL 1: SITUERING VAN DE BESTUURSKUNDE

HOOFDSTUK 1: INLEIDING TOT DE BESTUURSKUNDE

  1. INLEIDING

Bestuurskunde is zowel een descriptieve als een prescriptieve wetenschap
→ descriptief: wil weten hoe het openbaar bestuur in mekaar zit
→ prescriptief: schrijft voor hoe het openbaar bestuur beter ingericht kan worden

  1. DEFINITIES VAN BESTUURSKUNDE

Definities in de loop van de jaren:
- definities zijn ruimer geworden
- ook de wisselwerking met de omgeving wordt meer benadrukt
- verschillende in nadruk op prescriptieve wetenschap

  1. CASE: DE ASIELCRISIS

In feite hebben asielzoekers volgens de wet recht op opvang. Fedasil moet hier voor zorgen, maar medio 2008 kon Fedasil deze opdracht niet meer aan en ontstond er opvangtekort. Dit kwam door enerzijds door de opvangwet en anderzijds door de in de media breed aangekondigde regularisatiecampagne die dan ook in het regeerakkoord Leterme I werd ingeschreven. Door het tekort plaatsten ze ook vele mensen in hotels. Maar toch heeft in 2010 Fedasil zo’n 6000 mensen niet kunnen toewijzen. Hierdoor stapten sommigen naar de arbeidsrechtbank met grote dwangsommen tot gevolg. Legerkazernes werden een optie, maar ook hierover ontstond er onenigheid tussen de burgemeesters, staatssecretaris Courard en De Crem.
In het vervolg van dit hoofdstuk zullen we deze case gebruiken om de verschillende aspecten uit de definitie van bestuurskunde te illustreren.

  1. HET STUDIEOBJECT VAN DE BESTUURSKUNDE

Het studieobject van de bestuurskunde = het openbaar bestuur
→ Het openbaar bestuur is “het geheel van organisaties en activiteiten die gericht zijn op de besturing van de maatschappij”
→Het openbaar bestuur kan dus zowel opgevat worden als een geheel van organisaties als een proces van besturen.

  • Geheel van organisaties :
    Het openbaar bestuur dekt een veelheid aan instellingen en diensten (bv. Ministeries, overheidsbedrijven, PPS’en). De bestuurskunde zal zich minder toeleggen op organisaties die behoren tot de wetgevende of rechterlijke macht.

  • Proces van besturen van het maatschappelijk bestel :
    Een aaneenschakeling van verschillende activiteiten om binnen de samenleving gewenste ontwikkelingen en effecten te bewerkstelligen.

→ bestuurskunde legt zich vooral toe op de ‘inrichting en werking’ van openbare besturen
→ openbare besturen zijn op verschillende niveaus georganiseerd: lokaal, provinciaal,
regionaal, federaal, Europees, internationaal

Toepassing: case Asielcrisis:

Wat gaat een bestuurskundige doen om een probleem als dit te begrijpen?


- inzicht proberen te verkrijgen op de asielprocedure en de actoren die hierbij betrokken zijn
- duidelijke omschrijving van ‘asiel’
- stappen van de asielprocedure
- vanuit de procedure nagaan welke instellingen er betrokken zijn bij asiel
- informatie over deze organisaties inwinnen om zicht te krijgen op hun inrichting en werking

  1. DE OMGEVING VAN HET OPENBAAR BESTUUR

De omgeving van het openbaar bestuur zijn alle aspecten die een grote impact hebben op de inrichting en de werking van het openbaar bestuur.
politiek-institutionele aspecten
Bijvoorbeeld, in tegenstelling tot een presidentieel regime, zal het openbaar bestuur
vooral afhangen van de regering.
we leven in een rechtsstaat
Het komt aan de wetgevende macht toe zelf uit te maken tot hoever het openbaar
bestuur in de samenleving kan ingrijpen, welke omgeving de openbare sector zal
hebben en welke actiemiddelen ter beschikking staan om de genomen
beleidsmaatregelen concreet uit te voeren en te doen naleven. “rule of law”. Burgers
hebben grondrechten.
oog voor brede maatschappelijke omgeving
Het openbaar bestuur ondergaat permanent de invloed vanuit de maatschappij. Het
openbaar bestuur is dus een open systeem dat via input en output verbonden is met
de omgeving.
In de politieke systeemtheorie van Easton wordt dit als volgt voorgesteld:

àde outcome wordt via een systeem van feedback de nieuwe input
àhier wordt het openbaar bestuur beschouwd als deel van het politiek systeem

Toepassing: case Asielcrisis:

  • Politiek-institutionele omgeving: is belangrijk om de asielcrisis te begrijpen. Gaat over betrokken partijen, over de betrokkenheid van verschillende bestuursniveaus (multi-level governance).

  • Juridische omgeving: asiel is een fundamenteel recht dat vastgelegd is in de Conventie van Genève.

  • Maatschappelijke omgeving: asiel maakt deel uit van bredere problematiek van migratie.
    INPUT: demands worden groter, meer instroom + support van bevolking neemt af
    DUS: hoeveelheid “sans papiers” stijgt, hierdoor nood aan regularisatie
    MAAR: hierdoor lijkt België ‘makkelijk’ toegankelijk en dus zorgt dit voor een aanzuigeffect.


  1. EMPIRISCHE, NORMATIEVE EN PRESCRIPTIEVE BESTUURSKUNDE

Bestuurskunde poogt vier soorten kennis te produceren:
1) beschrijving van de bestuurlijke instellingen en praktijk (descriptie)
2) verklaringen waarom de situatie is wat ze is
3) beoordelingen van de sterke en zwakke punten van het openbaar bestuur (normatieve
analyse, evaluatie)
4) beredeneerde voorstellen voor de verbetering van het openbaar bestuur (prescriptie)
à Het eerste luik: beschrijven en verklaren = de empirische bestuurskunde
Het tweede luik: beoordelen = de normatieve bestuurskunde
Het derde luik: aanbevelingen = de prescriptieve bestuurskunde

Kwaliteitsmaatstaven voor het openbaar bestuur:

  • We verwachten van het openbaar bestuur:
    - dat het zich democratisch opstelt en responsief is tav de verwachtingen in de samenleving
    - dat het overheidsoptreden rechtmatig is en dus berust op een wettelijke grondslag
    - dat de overheid doeltreffend en doelmatig is en dus prestatiegeoriënteerd
    - dat de overheid onkreukbaar is en een voorbeeldfunctie vervult op vlak van integriteit


  • Maes zegt dat men over de kwaliteit van het openbaar bestuur kan redeneren op 3 niveaus:
    Elk van deze niveaus kan controverses oproepen:
    1) Het macroniveau verwijst naar de institutionele vormgeving van het openbaar bestuur
    alsook naar de eisen die zich stellen ivm bestuurskracht en legitimiteit.
    -> Discussies over hoe de optimale bevoegdheidsverdeling is, moeten provincies bestaan?
    2) Het mesoniveau verwijst naar de beleidsprocessen waardoor beslist wordt om
    maatschappelijk relevante acties en realisaties op te zetten; hier stelt men zich de vraag
    of de overheid de goede dingen doet.
    -> Dient de overheid het algemeen belang?
    3) Het microniveau verwijst naar de bedrijfsvoering binnen de overheid; hier stelt zich de
    vraag of de overheid de dingen goed doet.
    -> Discussies over de optimale organisatiestructuur of het personeelsbeleid.

Toepassing: Case Asielcrisis:

In eerste instantie proberen we om een beter inzicht te krijgen op het probleem. Wat is de omvang van de asielcrisis en hoe kunnen we dit verklaren? Hiervoor gebruiken we cijfers. Dan gaan we na hoe de asielcrisis verklaard kan worden. Naast een beschrijving en verklaring van het probleem, zal de bestuurskundige ook de situatie beoordelen vanuit een normatief kader van goed bestuur. Hierbij staan drie vragen centraal:


1) Is de institutionele vormgeving van het asielbeleid zodanig dat een krachtig en legitiem beleid
kan gevoerd worden?
2) Doet de overheid de goede dingen of maw is er sprake van een democratische en rationele
besluitvorming?
3) Doet de overheid de dingen goed of maw wordt het asielbeleid gerealiseerd volgens de
principes van een goede bedrijfsvoering?

  1. KENNISINTEGRATIE EN MULTI- OF INTERDISCIPLINARITEIT

Bestuurskunde onderscheidt zich van andere bestuurswetenschappen door haar theoretische oriëntatie. De bestuurskunde heeft immers de ambitie om kennis te integreren en het openbaar bestuur vanuit verschillende gezichtshoeken en disciplines te bekijken.
Voor de studie van het openbaar bestuur is kennis nodig van verschillende domeinen.
Deze kennis is afkomstig van verschillende disciplines. Te vermelden zijn in elk geval:
- de rechtswetenschap : belang van rechtsregels als ordeningskader
- de economische wetenschap : omgaan met schaarse middelen
- de sociologie : aandacht voor sociale handelen en vraagstukken van orde en ongelijkheid
- de politologie : heeft denken omtrent macht en invloed van verschillende actoren versterkt
- de politieke filosofie : basis van bestuurskundig denken over de staat
- de psychologie : veel inzichten voor het beheer van de human resources in de overheid
- de communicatiewetenschappen : aandacht voor interne en externe communicatie

Een belangrijke uitdaging voor de bestuurskunde is om deze kennis te integreren zodat het geheel groter is dan de som van de delen. Dit is het verschil tussen multidisciplinariteit en interdisciplinariteit:


* Bij multi- wordt de kennis uit verschillende disciplines gebruikt om een probleem te
bestuderen, maar verschillende interpretaties blijven naast elkaar bestaan.
* bij inter- wordt deze kennis binnen een eigen denkkader verder ontwikkeld en
geïntegreerd en krijgt aldus een nieuwe verwerking en inhoud.

Toepassing: Case Asielcrisis:

Kennis nodig van asielwetgeving, van het politieke systeem, van internationale relaties en van het management van openbare besturen. De bestuurskundige gaat deze kennis trachten te integreren vanuit het oogpunt van goed bestuur.



  1. TIJDSCHRIFTEN EN VERENIGINGEN BESTUURSKUNDE

De bestuurskunde is een discipline, dit komt tot uiting in specifieke verenigingen en tijdschriften.
Bv. Vereniging voor bestuur en beleid, vereniging voor bestuurskunde, American society for public administration,…

  1. BESLUIT

Dus, definitie van de bestuurskunde:
De bestuurskunde bestudeert, binnen de maatschappelijke, politieke en juridische omgeving die bepalend zijn voor het overheidsbeleid, de inrichting en werking van het openbaar bestuur. Naast een empirische wetenschap is de bestuurskunde tevens een normatieve en prescriptieve wetenschap met aandacht voor toegepaste bestuurskundige vraagstukken. Zij beoogt een kennisintegratie met het oog op het verbeteren van de kwaliteit van het openbaar bestuur.

  1. VRAGEN EN OEFENINGEN

Zie boek pagina 23-27

HOOFDSTUK 2: PUBLIEKE VERSUS PRIVATE ORGANISATIES

  1. INLEIDING

Het onderscheid tussen publiek en privaat is één van de definiërende kenmerken van de discipline. Bestuurskunde houdt zich bezig met het beleid en beheer van de publieke sector, en dus niet van de private.
à de grens tussen publiek en privaat is echter zeer doorlaatbaar!
Bv. Publiek : douane
Privaat : wisselkantoor
Beide : VDAB, BIAC, Centra voor Volwassenonderwijs
àHet betreft niet alleen onderscheid tussen publieke en private organisaties, ook domeinen!
Bv. Er zijn private organisaties die mee spoorlijnen aanleggen en mee luchthavens uitbaten en
dus mee vormgeven aan het publieke domein.

  • Discussie over publiek en privaat is dus zeker niet vrijblijvend. Het is vooral een debat over waar we overheidsinterventie verwachten of toch ten minste accepteren.


  1. PUBLIEKE EN PRIVATE INVLOEDSSFEREN

    1. Publiek en privaat domein

  • ‘domein’ heeft een ruimtelijke en een psychologische betekenis
    → ruimtelijke betekenis: heeft ruimtelijke grenzen. Het publieke domein is dat deel van het grondgebied waar het publiek vrij kan rondlopen, maar waar er ook een collectieve verantwoordelijkheid is om het domein te onderhouden
    → psychologische betekenis: heeft psychologische grenzen. We hebben een eigen, private belevingswereld waarvan we niet willen dat ze publiek is. Mogen lijsten van pedofielen op internet staan?

  • Tussen duidelijk privaat en publiek zit een brede schakering aan mengvormen. De tuin is meer publiek dan de huiskamer.

  • Publieke en private domeinen hebben ook impact op elkaar. Zo kan in geval van huiselijk geweld een publieke actie worden ondernomen door een tussenkomst van de politie.

  • Grenzen tussen publiek en private domein verschuiven volgens plaats en in de tijd. Zo is het in Amerika bijvoorbeeld de normaalste zaak om te informeren naar het inkomen, terwijl we dit in België iets meer voor de privé-sfeer vinden.
    Eén van de belangrijkste verschuivingen in de tijd wordt door de informatisering van de maatschappij aangedreven. GPS systemen kunnen naadloos reconstrueren aar we overal geweest zijn. In de tijd bijvoorbeeld de aanslagen van 9/11 die van het thema veiligheid een topprioriteit hebben gemaakt.


    1. Weintraub over publiek en privaat

  • Weintraub vertrekt vanuit twee fundamentele manieren om ‘privaat’ te contrasteren met ‘publiek’:
    1) geheim versus open [visibility]
    2) individueel versus collectief [collectivity]

    MODEL

    PRIVAAT

    PUBLIEK

    SOC-HIS
    REFERENTIE

    Liberaal-economisch

    Vrij markteconomie

    Overheid

    Kapitalisme

    Republikeins

    Markt en overheidsadministratie

    Politieke gemeenschap

    Polis

    Dramaturgisch

    Domesticiteit

    sociabiliteit

    Ancien régime

    Feministisch (Marxistisch)

    familie

    Markteconomie

    kapitalisme

  • Hij stelt vier hoofdinterpretaties van het onderscheid tussen publiek en privaat voor:


  1. PUBLIEKE EN PRIVATE ORGANISATIES

    1. Het klassieke liberaal-economische onderscheid

In dit model wordt de rol aan de overheid toegekend wanneer de markt niet in de productie van goederen en diensten kan voorzien (marktfalen). De marktsturing is dus de regel en overheidsingrijpen de uitzondering. De markt faalt volgens deze theorie om 2 redenen:
1) omdat marktwerking niet mogelijk is voor bepaalde goederen en diensten
→ publieke goederen zijn onmogelijk via de markt te werken. Zo kan iedereen van een dijk
mee profiteren, ook al wil er iemand niet mee betalen voor de aanleg ervan.
2) omdat marktwerking imperfect is
→ Mensen steunen hun consumptiebeslissing meestal enkel op de kosten en baten voor het
individu, en niet de bredere gevolgen voor de maatschappij. Deze externaliteiten kunnen
positief of negatief zijn. De positieve externaliteiten worden door de overheid
aangemoedigd (bv.onderwijs), de negatieve worden ontmoedigd (bv.roken).
Classificatie goederen en diensten volgens Savas:




INDIVIDUELE CONSUMPTIE

GEMEENSCHAPPELIJKE CONSUMPTIE

GROTE MATE VAN UITSLUITING

Particuliere goederen
bv. Brood, kleding, auto,…

Tolgoederen
bv. Tolbruggen, kabeltv, zwembad,…

KLEINE MATE VAN UITSLUITING

Gemeenschappelijke gebruiksgoederen
bv. Rivieren, visbestand,…

Publieke goederen
bv. nationale defensie, straten,vrede



    1. Multidimensionale modellen

Onderscheid op basis van eigendom, financiering en aansturing van Perry en Rainey

TYPE

EIGENAAR

FINANCIERING

AANSTURING

VOORBEELDEN

MINISTERIES

Publiek

Publiek

Politieke hierarchie

Vlaams Ministerie voor Onderwijs en vorming

INTERN AUTONOOM AGENTSCHAP ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID

Publiek

Publiek

Politieke hierarchie

Luchthaven van oosdtende, federale musea

INTERN AUTON.AGENTS. MET PUBLIEKE RECHTSPERSOONLIJKHEID

Publiek

Publiek

Politieke hierarchie

Kind en gezin


EXTERN AUTONOOM AGENTSCHAP MET PUBLIEKE RECHTSPERSOONLIJKHEID

Publiek/ privaat

Publiek/ privaat

Politieke hierarchie + markt

VRT, De Lijn

EXTERN AUTONOME ORGANISATIES MET PRIVATE RECHTSPERS.

Publiek /privaat

Publiek/ privaat

Politieke hierarchie + markt

NMBS, BPost, Belgacom

PRIVAATRECHTERLIJKE ORGANISATEIS MET PUBLIEKE OPDRACHT

Privaat

Privaat

Markt

Rode Kruis

PRIVAATR.BURGELIJKE OF HANDELSVENNOOTSCH.

Privaat

Privaat

Markt

Colruyt, BASF

Publiek-Privaat Profiel volgens Montfort

DIMENSIES

‘PUBLIEK’

‘PRIVAAT’

  1. Rechtsvorm

Publiekrechterlijk

Privaatrechterlijk

  1. Eigendom

100% overheid

100% particulier

  1. Autonomie

Afhankelijk

Onafhankelijk

  1. Taken/activiteiten

Wettelijke/formele taak

Marktactiviteit

  1. Financiering

100% overheid (publ. middelen)

100% markt (private middelen)

  1. Marktomgeving

Monopolie

Concurrentie

  1. Waarden

Algemeen belang

Commercieel belang

Publicness


à Perry en Rainey zien dit als een evenwichtig samenspel tussen 3 dimensies
à Montfort onderscheidt 7 dimensies
à Niet iedereen is overtuigd van deze multidimensionale indelingen
à Bozeman meent dat politieke controle of aansturing de essentie is van ‘publicness’
bv. Bpost, met 50,01% vd aandelen in publieke handen, speelt meer en meer op een
markt waar de overheid nog weinig sturing geeft. Hoe ‘publiek’ is de Post dan nog?

    1. Gevolgen van het ‘publiek zijn’

  • Dwingend, monopolistisch en onvermijdbaar

  • Daarom: Uitgebreide formele en wettelijke beperkingen
    - checks and balances
    - Scheiding der machten
    - Hoge verwachtingen over rechtvaardigheid, eerlijkheid, transparantie,openheid,…

  • Daarom: Gevoelig voor intensieve externe politieke invloed

àDe publieke organisaties zijn de ‘zichtbare hand’ van de politieke overheid. Dit
heeft ook een impact op de stucturen en processen binnen de publieke organisaties:

  • Vage, veelvuldige, conflicterende doelstellingen

  • En: Overheidsmanager heeft een meer politieke rol

  • En: Publieke organisaties hebben meer te maken met ‘red tape’
    Het gaat om een onnodige, contraproductieve obsessie met regels in plaats van
    resultaten, met processen in plaats van resultaten.


  1. STEREOTIEPEN OVER DE OVERHEID : pollit




  1. De publieke sector zou minder efficiënt zijn dan de private sector
    → Hier is nauwelijks bewijs voor. Misschien hangt het meer af van de omstandigheden of een organisatie al dan niet efficiënt is, en niet zozeer van het publieke of private karakter van een organisatie?
    → 20% regel: Een vuistregel stelt dat de kostenbesparing ten gevolge van private uitbesteding ongeveer 20% bedragen.

  2. De rol van de publieke sector zou meer ‘bemoeienis’ inhouden
    → Deze is waar én belangrijk. Het zijn voornamelijk publieke organisaties die controletaken uitoefenen, deze zijn nodig.

  3. Overheidspersoneel moet steeds rekening houden met een bepaalde vorm van politiek correct denken
    → Er wordt inderdaad verwacht dat de overheid het goede voorbeeld geeft, maar in hoever hebben bedrijven het recht om die ethische standaarden zo maar naast zich neer te leggen?

  4. De private sector heeft concurrenten die zorgen voor efficiëntie en de publieke sector niet
    → Is de private sector steeds competitief en de publieke sector niet? Nee. Zie zo maar naar het quasi-monopolie van Microsoft.
    → Leidt competitie steeds tot meer efficiënte en goede prestaties? Vaak word dit voor waar genomen, maar ze steunt niet op een stevige empirische basis. Competitie kan immers allerlei effecten hebben, afhankelijk van de omstandigheden.


  1. PUBLIEK/PRIVAAT: EEN DOORLAATBARE GRENS

    1. Publieke versus private rechtspersonen: een duidelijk onderscheid?

Een rechtspersoon is een actor die door het gerecht herkend en erkend kan worden. Elke rechtspersoon heeft rechten en plichten en moet zich inschakelen in het juridisch stelsel.

  • PUBLIEKRECHTERLIJKE RECHTSPERSOON:
    zijn opgericht met het oog op de behartiging van het algemene belang en hebben daarvoor soms bijzondere perogatieven.
    Bv. ministeries

  • PRIVAATRECHTERLIJKE RECHTSPERSOON:
    zijn het resultaat van een privaat initiatief en kunnen allerlei doelen hebben: winst, cultureel, wetenschappelijk, godsdienstig,…
    Bv. BVBA, VZW

  • In theorie lijkt er een duidelijk onderscheid te zijn. Maar in de bestuurspraktijk blijkt dit onderscheid echter minder verhelderend:
    - Enerzijds vervullen veel private instellingen taken van algemeen belang. (G4S)
    - Bovendien doet de overheid beroep op allerlei bestuursvormen waarin private instellingen deelnemen of tot stand komen. Dit gaat van uitbesteding tot PPS of sale-and-lease-back.
    - Anderzijds zijn sommige publieke instellingen soms sterk commercieel gericht. (Electrabel)


  • Er is dus een belangrijke grijze zone waarin de kenmerken van beide rechtsvormen elkaar op diverse manieren (on)bewust ontmoeten en vermengen.


    1. PPS: vervlechting van publiek en privaat

PPS = Publiek-private samenwerking (bv.Oosterweel verbinding)
= een samenwerkingsverband waarin de publieke en private sector, met behoud van hun
eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project realiseren om
meerwaarde te realiseren, en dit op basis van een heldere taak- en risicoverdeling. De
meerwaarde kan financieel, maatschappelijk of operationeel zijn.

→ Volgens sommigen is de PPS een grote kredietkaart waarmee overheden projecten kunnen realiseren zonder de belastingen te verhogen of de overheidsschuld te vergroten.


→ PPS is een relatief nieuw bestuursfenomeen in Vlaanderen.
→ PPS zorgt voor:
- betere taak en risicospreiding
- budgettaire ‘alchemie’
- Vlaanderen; kenniscentrum + PMV (Participation comany Flanders)
- Alliantie-PPS vs Contract/Concessie PPS

    1. Publiek en privaat: communicerende vaten of vliegwieleffect?

Sommigen denken dat publiek en privaat communicerende vaten zijn: dat minder kwalitatieve private sector gecompenseerd moet worden door een sterkere, meer kwalitatieve publieke sector. In realiteit lijken publiek en privaat elkaar te versterken. Er is een vliegwieleffect waarbij een goede publieke sector een goede private sector aantrekt, en vice versa.
→ Een concreet mechanisme dat dit vliegwiel in beeld brengt is het fenomeen van regelcompetitie. Jurisdicties staan met elkaar in competitie om inwoners en economische activiteit. Het regelgevend kader is een van de determinanten om zich te vestigen in een bepaalde locatie. Lakse regelgeving trekt industrieën aan die van deze regelgeving willen profiteren. (bv. Belastingparadijzen)
→Het mechanisme hoeft niet noodzakelijk een spiraal naar beneden te veroorzaken. Grote handelsblokken met grote marktmacht kunnen regels opleggen die kleinere landen vervolgens kunnen volgen.

  1. BESLUIT

Men moet publiek en privaat onderscheiden maar niet scheiden.
Het onderscheid is gradueel, complex en dynamisch van aard.

  1. VRAGEN EN OEFENINGEN

Zie boek p.51

HOOFDSTUK 3: MAATSCHAPPIJ, BESTUUR EN BESTUURSKUNDE: HISTORISCHE SCHETS

  1. INLEIDING

Dit hoofdstuk geeft een ruwe historische schets van de laatste twee eeuwen en gaat na hoe maatschappelijke condities, de rol van de overheid en de bestuurskundige visie op deze maatschappij met elkaar verweven zijn.

  1. EEN DRIEHOEK VAN WEDERZIJDSE BEÏNVLOEDING

De geschiedenis, en dus ook het heden, van het bestuur kan best begrepen worden door de studie van drie factoren:
1. Maatschappelijke factoren en trends:
Bijvoorbeeld de Amerikaanse cultuur van wantrouwen, globalisering,…
2. Verschuivingen in het bestuurssysteem en de rol van de overheid:
Omvang, taakstelling en organisatie van de overheid
3. Bestuurskunde:
Met welke denkkaders wordt er nagedacht over de overheid en haar rol in de
maatschappij.

MAATSCHAPPIJ OVERHEID



BESTUURSKUNDE
è De causale relaties binnen de driehoek zijn wederzijds en moeilijk uit elkaar te halen.

  1. ARTEFACTEN VAN BESTUUR

    1. HET DOMESDAY BOOK (1085): BASIS VOOR BELASTINGSHEFFING

Het Domesday book: bracht in kaart welke bezittingen iedereen had, hoeveel deze waard waren en hoe veel belastingen Willen de Veroveraar kon eisen op basis van zijn koninklijke rechten. Het werd ook gebruikt als bron om conflicten over eigendom op te lossen.
Een vergelijkbare inspanning om de belastingsbasis te registreren kwam niet meer voor tot men in de 19e eeuw volkstellingen begon te houden. Ook vandaag is het vaststellen van de belastingsbasis een statistische en administratieve uitdaging.

    1. DE VLAAMSE MIDDELEEUWSE STEDEN: STEDELIJKE AUTONOMIE

12-15e eeuw: Brugge gaf toon aan, meest verstedelijkte regio van Noord Europa
16e eeuw: Antwerpen ontwikkelde zich als handelscentrum (Gouden eeuw)
einde: Spaanse furie.

  • De stedelijke autonomie was opmerkelijk.

  • Ook het immigratiebeleid was opmerkelijk. Steden probeerden hooggeschoolde en/of kapitaalkrachtige inwijkelingen naar de stad te lokken met fiscale voordelen en gratis infrastructuur. Men maakte dus een onderscheid tussen gewenste en niet-gewenste immigranten.

  • Ook vandaag staan de lokale besturen in Vlaanderen, en vooral dan de steden, op hun autonomie.

  • Het laatste decennium lijkt het imago van de Vlaamse steden versterkt. Vernieuwingen aan stations, de A van Antwerpen,… Deze trend noemt men het ‘stedelijk activisme’.


    1. POLDEREN BIJ DE VERENIGDE OOST-INDISCHE COMPAGNIE

Poldermodel: In het naoorlogse Nederland waren de bestuurders het eens dat omwille van haar geschiedenis van de strijd tegen het water, Nederlanders elkaar steeds in consensus zullen vinden.
Pim Fortuyn entte zich op een onderstroom van kiezers die dit niet zo zagen en die het niet zo eens waren met de harmonieuze maatschappij.

  • Poldermodel in de 17e-18e eeuw bij het VOC:
    VOC was grootste onderneming, en besluitvorming was hier wel degelijk op consensus gebaseerd. Maar dit kon echter maar werken doordat er achter de schermen een aantal sterke figuren de besluiten voorbereidden.
    Ging uit van een stakeholder model, waar de belanghebbenden mee in het bestuur werden betrokken.

  • EIC (Britse East Indian Company):
    De besluitvorming hier was meer conflictueus, maar ook heel wat transparanter. Ging uit van een aandeelhoudersmodel, met een onafhankelijk bestuur dat vooral aandeelhouderswaarde moest creëren.


    1. NAPOLEON’S CODE CIVIL EN ZIJN GRONDPLAN VOOR HET BELGISCHE BESTUUR

Begin 19e eeuw vielen het huidige Nederland en België onder Napoleontisch bewind.
Niettemin voerde hij enkele belangrijke hervormingen door:
- Napoleon codificeerde het bestuur waarbij alles werd neergeschreven
- Napoleon bouwde infrastructuur
- Napoleon voerde de burgerlijke stand in
- Bestuurlijke gebiedsindeling in departementen en arrondissementen vastgelegd.

  1. DE NACHTWAKERSSTAAT (1800-1870)

    1. MAATSCHAPPELIJKE CONDITIES

  • Industrialisering (met uitvinding van de stoommachine)

  • Verlichtingsdenken uit 18e eeuw dat zich verzette tegen autoriteit die op traditie was gestoeld. Dit leidde in het begin van de 19e eeuw tot een democratiseringstrend.


    1. ROL VAN DE OVERHEID

  • Nachtwakerrol : de overheid intervenieert slechts minimaal in de maatschappij en de economie. De belangrijkste taak is een minimale veiligheid garanderen.

  • De overheid beperkt zich tot de definiërende functies:
    - verdediging van de territoriale integriteit van de staat
    - garanderen van interne orde door politie en rechtbanken
    - innen van belastingen en het uitgeven van geld om de voorgaande functies
    te kunnen vervullen

  • De staat is een monopolist voor wat deze definiërende functies betreft.

  • Kleine overheid met slechts enkele ministeries.


    1. BESTUURSKUNDE

  • Was in deze periode nog niet sterk ontwikkeld.

  • Meer aandacht ging uit naar bestuursrecht, en dit over de codificering van het bestuur.

  • Besturen = toepassen van wetten


  1. DE INFRASTRUCTUURSTAAT (1870-1919)

    1. MAATSCHAPPELKIJKE CONDITIES

  • 2E industriële revolutie: een technologische revolutie met staalovens, dieselmotoren, elektriciteit.

  • Door deze industrialisering volgde ook een sterke urbanisering.

  • Immigratie: Specifiek voor de VS was de migratie van vooral Europeanen op de vlucht voor armoede, honger en vervolging. Deze immigranten vormden mee de arbeidsreserve voor de Amerikaanse industriële revolutie.

  • Bossism: Er waren grote corruptieproblemen in de Amerikaanse steden, waar lokale baronnen in ruil voor politieke steun allerhande gunsten uitdeelden op kosten van de stad. Deze extreme vorm van clientelisme noemen we het Bossism.


    1. ROL VAN DE OVERHEID

  • Bovenop de nachtwakerrol, wendde de overheid haar stijgende belastingsinkomsten aan om fysieke infrastructuur uit te bouwen. (kanalen, wegen, nutsvoorzieningen)

  • - Settlement Houses: zij hielpen migranten zich te vestigen in Amerika.
    - Progressive Movement: pleitte voor sterke staatsinterventie met meer rechten en
    bescherming voor de arbeidersklasse.
    - Coöperatieven: Een maatschappelijke zelforganisatie in België die door sociale
    bewegingen werd ondersteund. (Vooruit in Gent)


    1. BESTUURSKUNDE

  • Moderne bestuurswetenschap: Amerika rond 1900 vormde hiervoor de maatschappelijke achtergrond. Deze smeekte om meer overheidsinterventie en om een bureaucratische, niet gecorrumpeerde overheid. Enkel zo kon de economische schaalvergroting ondersteund worden.

  • Max Weber: Zag bureaucratie als antwoord op de maatschappelijke uitdagingen van die tijd. Tijdens Bismarck werd het land geleid door ambtenaren die zonder veel visie het land in hun greep hielden (het “Beamtenherrschap”).

  • Scientific management: dit nam de werkprocessen op de werkvloer onder de loepen. Men gaat de taken uitsplitsen en iedere werknemer specialiseert zich. Denk hierbij ook aan Taylor en Ford.


  1. DE WELVAARTSTAAT (1919-1976)

    1. MAATSCHAPPELIJKE CONDITIES

  • Interbellum waarin de fundamenten werden gelegd voor de substantiele groei van de welvaartstaat

  • De economische groei en betere sociale bescherming zorgde voor de ontwikkeling van een maatschappelijke middenklasse. Economie boomde (Expo 58).

  • Doorbraak van de verzuiling: het maatschappelijk publiek leven werd georganiseerd rond het katholieke, socialistische en liberale levensbeschouwelijke gedachtengoed. Hier speelt de socio-economische breuklijn een rol.

  • Er was een trend van Europeanisering. (EGKS °1951) Dit zorgde voor Europese integratie en stijgende mobiliteit.


    1. ROL VAN DE OVERHEID

  • Welzijn van burgers wordt steeds belangrijker. Sociale zekerheid wordt uitgebouwd en er komen ministeries van gezondheidszorg, cultuur, onderwijs,…

  • Geloof in het maakbaarheidsideaal: de samenleving kan gemaakt worden. Dit werd gekenmerkt door een vooruitgangsgeloof en het geloof in rede en wetenschap.

  • Deze groei van de overheid zorgde voor een sterke specialisatie. Er kwamen aparte departementen voor verschillende taken.

  • Specialisatie ging gepaard met professionalisering. Er ontwikkelde zich een professioneel korps rond de specialisaties met eigen opleidingen en universitaire curricula.

  • Specialisatie en professionalisering hebben ook een bestuurlijk neveneffect: verkoking. Meer en meer ontstonden er sectorale beleidssilo’s waarbij de coördinatie van beleid over sectoren heen moeilijker wordt.

    1. BESTUURSKUNDE
      In deze tijd waren er 2 stromingen typerend voor de tijd. Er was er ook een derde die we ook vernoemen, maar vooral de eerste twee waren typerend:

  • Systeemdenken: deze theorievorming past binnen het maakbaarheidsideaal. Om in te grijpen in de maatschappij moest eerst het systeem ontrafeld worden. Denk aan de ontwikkeling van PPBS: een alomvattend systeem van programmering, planning, budgettering.

  • Beleidswetenschappen: Men ging het beleid analyseren en probeerde militaire en economische,…planning wetenschappelijk te onderbouwen. In deze periode werden ook de eerste beleidsgerichte think-tanks opgericht.

  • Politiek-ambtelijke verhouding onderzoeken: Het bleek dat men politici en ambtenaren geen duidelijke rolafbakening hadden. Politici moeiden zich wel degelijk met concrete uitvoering, en ambtenaren doen ook heel wat beleidswerk.


  1. GRENZEN AAN DE GROEI (1973-2000)

    1. MAATSCHAPPELIJKE CONDITIES

  • Oliecrisissen van 1973 en 1979 zorgden voor economische crisis. Deze economische schok werd voornamelijk opgevangen door het overheidsbudget, waardoor staatsschulden sterk opliepen.


    1. ROL VAN DE OVERHEID

  • Overheid komt onder druk te staan. Er zijn grenzen aan de groei van de overheidsinterventie.

  • Er moest bespaard worden. En verschillende landen werden deze anders georganiseerd. In België bespaarde men op infrastructuur en niet zo veel op overheidspersoneel. Deze desinvesteringen in infrastructuur voelen we vandaag nog.

  • Er was ook een legitimiteitscrisis . ’The government is not the solution to our problems, it is the problem’.

  • In de jaren ’90 ging het privatiseren door, zij het in een lager ritme.

  • De taakinvulling van de overheid verschoof van ‘zorgen dat’ naar ‘zorgen voor’.


    1. BESTUURSKUNDE

  • Principal-Agent modellen wonnen aan belang. De theorie van Niskanen stond voorop: topambtenaren (agents) zijn maar op één ding uit, en dat is het maximaliseren van de omvang van de organisatie die ze leiden.

  • Het neo-insititutionalisme won terrein. Het oude institutionalisme suggereert dat ons gedrag niet onze eigen keuze en verantwoordelijkheid is, maar bepaald is door maatschappelijke formele en informele regels en normatieve instituties.
    De neo-variant nuanceerde dit door te wijzen op de reactieve rol van het handelen van individuen en organisaties. We hebben handelingsvrijheid, en het is door dit handelne dat instituties bevestigd of ontkend worden. (“on ne change pas une societé par décret”)


  1. RECENTE TRENDS

    1. MAATSCHAPPELIJKE CONDITIES

  • Globalisering: zowel economische als andere verschijningsvormen van globalisering. (bv.milieu). Een gevolg is dat de toegenomen macht van multinationale bedrijven die overheden tegen elkaar kunnen uitspelen.

  • Lokalisering: Sociologisch is er een tendens om de uniciteit van de eigen identiteit te benadrukken. Dit zien we bijvoorbeeld in onze consumptiepatronen. Dit leidt binnen het publieke domein tot een meer lokale publieke identiteit. Wat lokaal kan, moet lokaal gebeuren.

  • Glocalisering = deze dubbele tendens van enerzijds globalisering en anderzijds lokalisering.

  • Globalisering en lokalisering werden gedragen door de verdere uitbouw van de informatiemaatschappij. De traditionale breuklijnen maken plaats voor de ecologische, de multiculturele en de breuklijn tussen stad en rand.


    1. ROL VAN DE OVERHEID

  • Er komt Globale druk op de natiestaten. De Europese Unie wordt steeds belangrijker.

  • Er komt lokale druk op de natiestaten. Men vraagt de centrale overheid dat er kaders worden gecreëerd die een lokale invulling mogelijk maken.


    1. BESTUURSKUNDE

  • Netwerktheoriën: publieke organisaties zijn in deze theorie geen actoren die buiten en boven het maatschappelijk gewoel beleid maken. Integendeel, publieke overheden maken deel uit van het maatschappelijk spel. Op die manier kan de overheid als regisseur de maatschappij sturen.

  • Governance: gaat over de capaciteit die een maatschappij heeft om zichzelf te sturen. De capaciteit om de maatschappij te sturen is niet langer enkel de verantwoordelijkheid van de overheid of dit hoeft toch niet zo te zijn.

  • Postmodernisme. De overheid moet zich meer bescheiden opstellen; in plaats van een sociaal ingenieur te zijn, probeert de overheid condities te creëren. De maakbaarheid van de maatschappij en het vooruitgangsgeloof komen ook onder druk te staan. De postmodernisten stellen het belang van kleine verhalen en contextuele waarheid.


  1. BESLUIT

De rol van de overheid evolueerde van een beperkte rol in de nachtwakersstaat naar een zeer uitgebreide taakinvulling in de verzorgingsstaat. De verschillende taken sloten elkaar niet uit maar vulden elkaar meer aan, met steeds een groter overheidsbeslag op de economische middelen van een land tot gevolg. In de laatste decennia doet men een groter beroep op de maatschappij. Deze trend word ook wel geduid als de evolutie van government naar governance.

  1. VRAGEN EN OEFENINGEN

Zie boek p.76

HOOFDSTUK 4: VAN BUREAUCRATIE NAAR POST-NEW PUBLIC MANAGEMENT

  1. INLEIDING

De bureaucratie is het basisorganisatiemodel voor het openbaar bestuur.

  1. HET BUREAUCRATISCH ORGANISATIEMODEL

    1. DE WEBERIAANSE BUREAUCRATIE

  • Ontstaan:
    Weber leefde van 1864 – 1920, maakte de hoogtepunten in het Bismarck-regime mee. Hij had vooral interesse in het begrijpen van de overgang van Gemeinschaft (traditionele vormen van menselijk samenleven) naar Gesellschaft (moderne maatschappij). Hij keek vooral naar GEZAG. Gezag is de kans dat een bevel wordt opgevolgd, degene die gehoorzaamt doet dit uit vrije wil en niet als dwang. Een bevel kan verschillend emotieven hebben, maar Weber keek vooral naar de geldigheidsgronden waarop de gezachtsuitoefening berust.


  • 3 zuivere types van legitiem gezag:
    1) Charismatisch gezag
    = haalt zijn legitimiteit uit het geloof in de buitengewone eigenschappen van
    de charismatische leider.
    2) Traditioneel gezag
    = berust op het geloof in de heiligheid van de van oudsher geldende tradities.
    3) Legaal gezag
    = berust op het geloof in de legaliteit van ene formeel normenstelsel en van
    de regelingsbevoegdheid van degenen die op grond van deze normen tot
    uitoefening van gezag geroepen zijn. Dit is dus onpersoonlijk.
    → In de geschiedenis worden deze ideaal-types van legitiem gezag in combinatie aangetroffen. Ie westerse wereld heeft de legale vorm sedert de 19e eeuw echter sterk aan belang gewonnen.
    → Elk type van legitiem gezag gaat gepaard met een andere structuur van de administratieve staf.


  • Hét instrument voor de uitoefening van legaal gezag is de rationele bureaucratie.
    → de structurele kenmerken van de bureaucratie hebben een aantal consequenties voor de positie van de individuele ambtenaar.


  • Volgens Weber is de bureaucratie de meest rationele vorm van gezagsuitoefening. Hij vermeld volgende kwaliteiten: nauwkeurigheid, berekenbaarheid, betrouwbaarheid, discipline, snelheid, universele toepasbaarheid, deskundigheid,…

  • We moeten ook wel oog hebben voor het probleem van de democratische controle over de bureaucratie. In hoeverre kan een deskundige en omvangrijke bureaucratie nog als neutraal instrument functioneren en zal het zich niet als een zelfstandig machtscentrum ontwikkelen?
    → Weber maakt hiervoor een onderscheid tussen de rol en de persoon van de politicus en die van de ambtenaar. De politieke leider heeft de legale macht om te bevelen, de bureaucraat moet de bevelen uitvoeren.


  • De vastheid van betrekking is volgens Max Weber een rechtswaarborg tegen willekeurig ontslag of verplaatsing van de ambtenaar, met als doel hem de nodige onafhankelijkheid te geven zodanig dat hij zijn deskundigheid ten volle kan beoefenen. Maar dit heeft ook nadelen, namelijk de promotiekansen van ijverige ambtenaren worden verminderd.


    1. KENMERKEN EN VOORDELEN VAN DE BUREAUCRATIE

  1. Hiërarchie en eenheid van leiding

  2. Specialisatie en vakbekwaamheid

  3. Een uitgebreid systeem van regelgeving

  4. Schriftelijke procedures

  5. Loyale en neutrale ambtenaren

  6. Een carrièresysteem


    1. KRITIEK OP HET BUREAUCRATIEMODEL

  1. Weber zou de dysfuncties van de bureaucratie onderschat hebben. In de praktijk bleken bureaucratische organisaties niet zo rationeel te functioneren. (Gouldner)

  2. Men moet rekening houden met de geslotenheid van de bureaucratie. De aanhangers van de open systeemtheorie stellen dat de organisatievorm o.m. afhangt van een aantal omgevingsfactoren. (aanhangers van de contingentietheorie)


      1. Een bestuurssocioloigsche visie op de bureaucratie (Crozier)

  • Gaat in op spanning tussen de rationele organisatie enerzijds en de gedragspatronen van de organisatieleden anderzijds

  • Centralisatie van beslissingen en een uitbreiding van onpersoonlijke maatregelen. Beslissingen nemen wordt zo ver mogelijk gescheiden van de uitvoering ervan.

  • Dialectiek: in de formele structuur wordt tot uitdrukking gebracht hoe processen verlopen, hoe de gezagsverhoudingen liggen. Tegelijkertijd wordt daarmee ook datgene omschreven wat niet vastligt, de onzekerheidszones.

  • Deze zones geven aanleiding tot macht over anderen, ook macht die tegen de bestaande machtsverhouding kunnen ingaan.

  • Verhandelen van macht en informatie

  • Bureaucratie is als een vicieuze cirkel:
    1) onpersoonlijke regels om uitvoeringsruimte te beperken
    2) minder afhankelijkheid van informatie, en aanleiding tot conflicten
    3) uitputting resterende onzekerheidsgebieden door lagere echelons
    (bv.Stiptheidsacties)
    4) reactie door hogere echelons en opnieuw nieuwe regels

  • Echte innovatie enkel mogelijk indien er een cultuurverandering plaats vindt.


      1. Een economische visie op de bureaucratie (Downs)

  • Hier gaat men er van uit dat het gedrag van organisatieleden bepaald wordt door nutsmaximalisatie.

  • ‘public choice’

  • Het politieke proces als een marktgebeuren.

  • Kiezer heeft voorkeuren gebaseerd op nutsmaximalisatie, politici streven naar stemmenmaximalisatie. Ideologische overwegingen zijn slechts instrumenteel.

  • Ook het interne functioneren van de overheidsbureaucratie wordt zo ontleed: een atomisch geheel waarin elke groepering haar eigen doelstelling nastreeft.

  • Niet perse te herleiden tot ‘eigenbelang’

  • Verschillende typen ambtenaren:
    1) ‘purely self-interested officials’:
    - strevers: willen omhoog klimmen in hiërarchie
    - behoudzuchtigen: willen de zekerheid van een vaste baan nastreven
    2) ‘mixed-motive officials’:
    - zeloten: het belang van hun eigen dienst behartigen
    - kosmopolieten: kijken verder dan hun eigen dienst
    - staatslieden: houden belangen van samenleving in het oog
    à leidt tot verschillende gedragingen.

  • De interactie en de gedragingen van deze vijf typen ambtenaren bepalen het functioneren van overheidsorganisaties.

  • Theorie van de Niskanen: ambtenaren streven naar budgetmaximalisatie. Dit leidt ook tot de bureaucratische expansie.

  • Het public choice denken heeft onder meer het New Public Management beïnvloed.


  1. HET NEW PUBLIC MANAGEMENT

Het New Public Management (NPM) heeft opgang gemaakt vanaf de jaren ’80. De kern is een meer economische benadering van het openbaar bestuur, met oog op betere prestaties van de openbare diensten. De basiswaarden van het NPM worden samengevat onder de drie E’s:
Economy, Efficiency, Effectiveness. Dit staat tegenover de meer juridische benadering die centraal stond in het Weberiaans model. (Deze juridische benadering wordt soms weergegeven dmv de drie R’s: rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en rechtvaardigheid.)

    1. HET ONTSTAAN VAN HET NEW PUBLIC MANAGEMENT

  • Na WOII was er sterke groei in kader van uitbouw van welvaartsstaat. Door de crisis in de jaren ’70 kwamen er grenzen aan deze groei. Uitweg uit de crisis moest gezocht worden in minder overheid, niet in meer overheid.

  • Nieuwe theoriën maakten sterke opgang. Zoals public choice denken, new institutional economics en de principal-agent theorie. Al deze theorieën nemen de homo economicus als uitgangspunt en gaan ervan uit dat mensen op de eerste plaats hun eigenbelang nastreven.

  • Ook andere dragers van dit nieuwe denken: internationale organisaties zoals de Wereldbank en de OESO.

  • Policy diffusion

  • In praktijk waren de Anglo-Saksische landen zoals VK, VSA, Australië en Nieuw-Zeeland de voorlopers.


    1. KENMERKEN VAN HET NUW PUBLIC MANAGEMENT

  • Volgens Hood (1991):
    1) Meer verantwoordelijkheid voor de managers. (let managers manage)
    à keerzijde: managers moeten meer verantwoording afleggen
    2) Duidelijke meting en normen voor prestaties
    à definiëren van doelen, liefst gekwantificeerd
    3) Grotere nadruk op output-controle
    à benadrukken van resultaten in plaats van procedure
    4) Desaggregatie van grote bureaucratieën
    à kleinere, vlakkere organisaties met enkelvoudige doelstellingen
    5) Meer concurrentie binnen de publieke sector
    à efficiëntie en effectiviteit zal hierdoor toenemen
    6) Nadruk op managementtechnieken uit de private sector
    à behoefte aan ‘succesvolle’ technieken uit de private sector
    7) Nadruk op discipline en zuinigheid bij het gebruik van publieke middelen
    à meer doen met minder

  • Andere auteurs geven soms wel andere invullingen aan het NPM!!


    1. VARIATIES IN NPM-HERVORMINGEN

  • Indeling van hervormingstrajecten van Pollitt en Bouckaert: onderscheid tussen strategie van:
    - maintain: wil status quo bewaren door de huidige structuren en werkwijzen te
    verbeteren zonder fundamentele veranderingen door te voeren. (Duitsland)
    - modernize: nog een belangrijke rol aan staat, maar erkent dat er fundamentel
    wijzigingen nodig zijn in het functioneren van de overheid. (België, Finland)
    - marketize: introductie van meer competitie en markttype mechanismen in de
    publieke sector. (Nieuw-zeeland, VK, Australië)
    - minimal state: zoveel mogelijk privatiseren zodat overheid enkel taken moet doen
    die private sector niet wil of kan doen. (in theorie VSA, niet in praktijk)

  • Angelsaksische variant: hier is NPM zo goed als in zijn zuivere vorm doorgevoerd. Verklaringen zijn dat dit landen zijn met een meerderheidssysteem, een hoge graad van centralisatie, geen typische rechtsstaten.

  • Continentale variant: hier blijft veel belang gehecht aan de rol van de overheid in de samenleving. Het zijn geen ‘achterblijvers’, maar zij vertegenwoordigen een apart model, namelijk het neo-Weberian state model. Dit combineert klassieke Weberiaanse principes met nieuwe elementen zoals burgerparticipatie en de oriëntatie op resultaten.


    1. IMPACT VAN HET NPM: VOOR- EN NADELEN

  • NPM zou leiden tot besparingen, verbeterde processen, een hogere efficiëntie en effectiviteit, en een grotere capaciteit, flexibiliteit en veerkracht van het administratief systeem. Is dit wel bereikt??

  • Kritieken/Dysfuncties:
    1) ‘One size fits all’
    2) Wantrouwen in professionaliteit
    3) Enge focus op efficiëntie
    4) Fragmentatie van de publieke sector door desaggregatie van grote bureacratiën in
    kleinere gespecialiseerde instellingen.
    5) Onrealistische visie op informatie


  1. HET POST-NEW PUBLIC MANAGEMENT

De hype van het NPM is geleidelijk aan verminderd. Er izjn enkele bijsturingen geweest:
1) De trend naar een grotere coördinatie binnen de publieke sector. In NPM was er opsplitsing
die leidde tot meer efficiëntie maar ook fragmentatie. Een oplossing hiervoor is versterking
van de coördinatiecapaciteit van de overheid: Whole-of-Government / Joined-up-
Government.
2) Er zijn nieuwe controlevormen gekomen. Een trend naar een grotere controle vanuit het
centrum.
3) De specificiteit van de publieke sector wordt terug meer benadrukt. Naast de drie E’s moet
de overheid ook andere waarden nastreven zoals democratie, billijkheid, rechtvaardigheid,…
4) Dunleavy: de digital-era-governance: gekenmerkt door 3 thema’s
- reïntegration: opnieuw samenbrengen van elementen die door het NPM opgesplits
werden. (terugschroeven van verzelfstandiging)
- needs-based holism: nieuwe relatie met de burger/klant met meer vereenvoudiging en
flexibliteit. (data warehousing)
- digitization changes: transformatie van de overheid op basis van moderne informatie-
en communicatietechnologie. (elektronische dienstverlening)

  1. BESLUIT

De bureaucratie blijft een basispijler. Na een periode van bureaucratie ‘bashing’ tijdens het NPM, erkent men nu opnieuw het belang van deze waarden. Er is geen terugkeer naar het oude Weberiaanse model, maar wel een zoektocht naar een nieuwe synthese waarbij de waarden van het NPM in balans wordt gezet met de waarden van de bureaucratie.
In de toekomst zal de organisatie van het openbaar bestuur ongetwijfeld nog grote veranderingen ondergaan.

  1. VRAGEN EN OEFENINGEN

Zie boek p.99-100
  1   2   3   4   5


Dovnload 286.22 Kb.