Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Demografische ontwikkelingen internationale politieke ontwikkelingen macro-economische ontwikkelingen

Dovnload 1.36 Mb.

Demografische ontwikkelingen internationale politieke ontwikkelingen macro-economische ontwikkelingen



Pagina7/13
Datum28.10.2017
Grootte1.36 Mb.

Dovnload 1.36 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13

Macro-economische Ontwikkelingen



omgevingsfactor: macro-economische ontwikkelingen

Inhoud

1. Deelfactoren p. 53

2. Samenvatting hypothesen p. 54

3. Buitenlandse en binnenlandse evoluties p. 56

4. Mogelijke exogene factoren p. 66

5. Scenario’s p. 68




1. Deelfactoren

- Bruto Binnenlands Product (BBP), inflatie


- uitvoer, investeringen, consumptie
- loonkosten, arbeidsproductiviteit en arbeidskwaliteit
- werkgelegenheid, werkloosheid
- arbeidsorganisatie
- de euro
- onderzoek en ontwikkeling / technologische innovatie
- opstarten en groei van ondernemingen
- delokalisatie

2. Samenvatting hypothesen
Het economisch herstel dat zich medio 1996 manifesteerde, zet zich door. Ook de groeivooruitzichten blijven aantrekkelijk.”

Het Bruto Binnenlands Product per inwoner bevindt zich in België (en zeker in Vlaanderen) een stuk boven het Europees gemiddelde. De capaciteitsbezettingsgraad is de jongste jaren sterk toegenomen. De inflatie is structureel laag. De meeste economische groeivooruitzichten geven op middellange termijn, niettegenstaande de crisis in Azië, Latijn-Amerika en Rusland, een positief beeld.
De uitvoergroei zal, weliswaar beperkt, aan elan inboeten onder invloed van de negatieve effecten van de financiële crisis in Zuid-Oost Azië, Rusland en Latijns-Amerika.

De consumptie en de investeringen winnen aan belang als groeimotoren van de economie”

De stijging van de export zal waarschijnlijk aan kracht verliezen. De financiële crisis in Zuid-Oost Azië, Rusland en Latijns-Amerika is hiervan de hoofdoorzaak. Van een echte inzinking zal er waarschijnlijk geen sprake zijn, daar de crisis slechts beperkte repercussies teweeg zal brengen voor de Verenigde Staten en de Europese Unie. Terzelfdertijd zal de binnenlandse consumptie aanwakkeren en zullen de investeringen stijgen.
De stijging van de loonkosten richt zich naar de evolutie in de buurlanden.

België en Vlaanderen kampen echter nog steeds met een belangrijk loonkostenverschil.

Anderzijds behoren de arbeidsproductiviteit en de arbeidskwaliteit van ons land tot de beste ter wereld.”

De uitdaging van de loonkostenverschil is dubbel. Enerzijds is er de nood aan loonmatiging.

Anderzijds heeft de federale overheid in het loonkostendebat een rechtstreekse verantwoordelijk­heid, met name in het bepalen van de RSZ-bijdrage, die de basisfinanciering van de sociale zekerheid uitmaakt. Het loonkostenverschil wordt echter in mindere of meerdere mate gecompenseerd door de arbeidsproductiviteit en de arbeidskwaliteit, die behoren tot de beste ter wereld.
De initiatieven om de tewerkstelling op te krikken dragen bij tot een werkloosheidsdaling.

De komende jaren zullen er echter nog gevoelige inspanningen geleverd moeten worden om de arbeidsvraag en het arbeidsaanbod nog beter op elkaar af te stemmen.”

De meeste indicatoren met betrekking tot de tewerkstelling en de werkloosheid kennen een gunstige evolutie. Problemen manifesteren zich nog inzake het aantal langdurige UVW’s (uitkeringsgerechtigde volledig werklozen): een niet onbelangrijk gedeelte van deze groep zit al langer dan 5 jaar zonder een baan. Ook met betrekking tot de jeugdwerkloosheid moeten nog bijkomende initiatieven genomen worden. Mogelijks kunnen acties in het kader van de sociale economie hier positieve repercussies hebben. Een ander euvel is dat een stijgend aantal (knelpunt)-vacatures niet ingevuld geraken.
Een nieuwe werkorganisatie manifesteert zich. ”

Een werkorganisatie waar wordt afgestapt van de traditionele, gestandaardiseerde arbeidspatronen en waar ondernemer en medewerker op een soepele wijze inspelen op elkaars veranderende behoeften zal zich meer en meer manifesteren. De roep naar een werkorganisatie waarbij een beroep wordt gedaan op arbeidsvormen die een meer efficiënte toewijzing van de factor arbeid mogelijk maken wordt luider. Deeltijdarbeid, variabele werktijden, jobrotatie,... staan op de agenda. Daarnaast creëren technologische en maatschappelijke evoluties ook kansen om de vernieuwing van de werkorganisatie te realiseren (telewerken, mobiliteitsinnovaties,...). Informatica, robotica en telecommunicatie bieden de mogelijkheid om het arbeidsproces op kosteneffectieve wijze te reorganiseren. De keerzijde van de medaille is dat hierdoor (laagge­schoolde) arbeidsplaatsen verloren dreigen te gaan, alhoewel ook andere gecreëerd kunnen worden.

De euro zal onze macro-economische structuur grondig beïnvloeden.”



Het betalen in één munt, zonder valutakosten en wisselkoersschommelingen, kan publieke en privé huishoudens winst opleveren en de economische groei aanwakkeren. Bovendien moeten de gesaneerde overheidsfinanciën van de Europese staten, de beheersing van de inflatie en het monetair beleid - dat zich niet langer om wisselkoersconvergentie moet bekommeren - het mogelijk maken de rentevoeten laag te houden50 De euro kan binnen de vijf jaar een even grote internationale rol gaan spelen als de dollar, zeker indien het Verenigd Koninkrijk met zijn grote kapitaalmarkt toetreedt tot de monetaire unie en de crisis in Kosovo niet blijft aanslepen51. De kapitaalmarktvoordelen kunnen de jaarlijkse economische groei in Europa verhogen.
Inzake technologische ontwikkeling zijn cruciale factoren het aanwenden van onderzoek en ontwikkeling in concrete toepassingen en het verstevigen van de gerealiseerde voorsprong op niche-markten (focusstrategieën).”

Een zwakte van Europa situeert zich op het vlak van de overgang van wetenschappelijk onderzoek naar innovaties en van innovaties naar producten en processen die zich vertalen in een sterkere economische positie (technologiediffusie). Ook in Vlaanderen moet het wetenschappelijk en technologisch potentieel worden versterkt en de verworven kennis beter gevaloriseerd. Het bestaand instrumentarium is gericht op strategisch basisonderzoek en de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Het moet gekoppeld worden aan effectieve implementatie van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling. Deze moeten gericht zijn op enerzijds de technologische opwaardering van bestaande producten en/of processen en anderzijds de introductie van nieuwe. Daarnaast moeten nieuwe spitstechnologische toepassingen voldoende groeimogelijkheden krijgen. Specifiek verwijzen we hierbij naar de spraaktechnologie, de bio-technologie, de milieu-technologie,...
Er is in Vlaanderen genoeg (risico)kapitaal aanwezig om bedrijven op te starten en te laten groeien, maar er is een tekort aan goede projecten en aan goede entrepreneurs (ondernemerschap) ”

De financiële wereld is volop in beweging. Banken en verzekeringsmaatschappijen fuseren, nieuwe risicokapitaalfondsen en participatiemaatschappijen melden zich. Steeds meer bedrijven vinden de weg naar de beurs. Er worden nieuwe krijtlijnen getrokken voor het ondernemingsbeleid (corporate governance). Het probleem in Vlaanderen is echter niet (meer) het aanbod aan risicokapitaal, wel het aanbod aan goede projecten en aan mensen die gedreven zijn om deze projecten te concipiëren en te realiseren. Nieuwe ondernemingen die doorgroeien zijn doorslaggevend voor de toename van de werkgelegenheid.
Delokalisatie is reëel, maar mag niet overroepen worden.”

Delokalisatie is een typisch economisch verschijnsel dat in grote mate samenhangt met de comparatieve voor- en nadelen van landen en regio's en dat mee in de hand wordt gewerkt door de mondialisering van de economie. Toch mag delokalisatie niet overroepen worden52. De uitwijking van activiteiten uit België kost ons land op jaarbasis enkele duizenden arbeidsplaatsen. Centraal- en Oost-Europa worden als uitwijkingsoorden steeds geliefder (vaak laaggeschoolde tewerkstelling en goedkopere basisinfrastructuur).Er dient echter opgemerkt te worden dat in de meeste gevallen de hoofdzetel in eigen land blijft, waardoor de Vlaamse know-how verankerd is en hoogwaardige jobs in eigen land gecreëerd worden.

3. Buitenlandse en binnenlandse evoluties
Hypothese 1: economisch herstel en groeivooruitzichten

Het economisch herstel dat zich medio 1996 manifesteerde, zet zich door. Ook de groeivooruitzichten blijven aantrekkelijk.”


Het Bruto Binnenlands Product (BBP) blijft groeien.

Het Bruto Binnenlands Product (BBP) van de EU nam in 1998 toe met 2,9%, tegenover 2,7% in 1997. De mooie groeinoteringen waren vooral te danken aan een stevige uitvoer en een verhoging van de binnenlandse vraag in tal van lidstaten. De Verenigde Staten blijven dank zij een verschroeiende binnenlandse vraag de belangrijkste motor van de wereldeconomie (groei BBP VSA 1999: 3%). Daarna volgen Singapore en Finland53.

België bevindt zich bij de Europese middenmotors met een groei van 2,9% (NBB) in 199854. Naar het einde van 1998 daalde de groei echter sterk. Het valt wel te noteren dat België, samen met Zwitserland, in de loop van de jaren negentig, de traagst groeiende economie van alle OESO-landen kende. In het Vlaamse Gewest steeg het Bruto Geografisch Product in 1996 tot iets meer dan 5.000 mld. BEF. Het Vlaamse aandeel in het BBP van België vergroot jaar na jaar. Bij een vergelijking van het BBP/capita op Europese niveau legde Vlaanderen in 1996 enkel de duimen voor Luxemburg en Denemarken55. Vanaf 1996 klom de capaciteitsbezettingsgraad in de verwerkende nijverheid snel naar een hoog peil. De vrijwel volledige benutting van de productiecapaciteit staat in schril contrast met de situatie op de arbeidsmarkt, waar nog steeds een belangrijke werkloosheid te noteren valt. De voorbije jaren waren er vooral rationaliseringsinvesteringen gericht op de vervanging van arbeid door kapitaal en vielen er minder uitbreidingsinvesteringen te noteren. In het vierde kwartaal van 1998 stegen de investeringen in de Belgische ondernemingen met 4,7% (jaar op jaar vergelijking -NBB). De omzet steeg in 1998 op jaarbasis met 4,3%. Cijfers over de industriële productie bevestigen dat 1998 een productief jaar was (+4,25%)56. Recentelijk wordt er een lichte daling geconstateerd (EU: november 1998 - januari 1999: -0,4%). Ook de industriële productie in België (excl. bouw) kent volgens het Nationaal Instituut voor de Statistiek in februari 1999 een jaar op jaar daling van 3,2%. Op regionaal niveau liet het laatste kwartaal van 1998 in Vlaanderen een daling optekenen van 0,6% en in Wallonië van 2,8%.
De inflatie is structureel laag.

De inflatie blijft wereldwijd laag, al zal de recente stijging van de olieprijzen wel voor een lichte opwaartse druk zorgen. Volgens de ‘Spring forecast’ van Eurostat bedroeg de EU-inflatie in februari 1999 1,3% op jaarbasis (februari 1997: 2,1% ; februari 1998: 1,5%). De inflatie in eigen land is structureel laag. De inflatie-afkoeling die sinds september 1997 in België op gang kwam, heeft zich in 1998 voortgezet. De loonnorm en de matige importprijzen zullen de inflatie in 1999 verder doen afnemen (februari 1999: 1,0%(Eurostat) ; 1,2% (FPB))57.


De Belgische concurrentie-index evolueert in negatieve zin.

Volgens de concurrentie-index58 van het managementinstituut IMD bekleedt ons land de 22ste plaats op 47 onderzochte landen op wereldschaal. Drie jaar geleden stond België nog op de 17de plaats. Gezien de loonmatigingsinspanningen kan deze index in de loop van 1999 verbeteren59. Met betrekking tot de economische situatie staat België op de 32ste plaats. Ons land scoort goed inzake management (15de

plaats), wetenschap en technologie (16de plaats ) en internationalisering (9de plaats). De Verenigde Staten bekleden de pole-position. Het concurrentierapport van het World Economic Forum plaatst België op de 27ste plaats60.

Hypothese 2: uitvoer, consumptie en investeringen

De uitvoergroei zal, weliswaar beperkt, aan elan inboeten onder invloed van de negatieve effecten van de financiële crisis in Zuid-Oost Azië, Rusland en Latijns-Amerika.



De consumptie en de investeringen winnen aan belang als groeimotoren van de economie.”
De Vlaamse uitvoer heeft nog steeds de wind in de zeilen, maar de groei wordt afgeremd.

Het handelsoverschot in de eurozone met de rest van de wereld bedroeg in 1998 3.336 BEF (82,7 miljard EUR) of - 242 milard BEF (- 6 miljard EUR) ten opzichte van 1997. Steunende op gegevens van de Wereldhandels-organisatie groeide het gezamenlijk exportvolume in de handelsnaties in 1998 met 3,5% (1997: 10%). De uitvoer van goederen en diensten is volgens Eurostat in het laatste kwartaal van 1998 in de Europese Unie geslonken met 2,3% en in de eurozone met 2,5%. Of dit zal bestendigd worden zal onder andere afhankelijk zijn van de persistentie van de crisis in Zuid-Oost Azië, Latijns-Amerika en Rusland. Steunende op berekeningen van het Internationaal Arbeidsbureau in Genève gingen er tot april 1999 door de crisis in Azië alleen al minstens 24 miljoen arbeidsplaatsen verloren. De Belgische uitvoer naar Azië daalde in 1998 met 14,6. De bijdrage van de Vlaamse export aan het Bruto Geografisch Product wordt geraamd op 85% à 90% . Ondanks de problemen verwacht het Federaal Planbureau voor 1999 een toename van 6,2 procent (2000: 6,2% ; 2002: 5,9%). Recentelijk zit het importvolume sterk in de lift (4de kwartaal van 1998: +9,4%), onder andere door de daling van de grondstofprijzen61. De voorbije jaren zou de internationalisering van de economie ruim honderdduizend extra arbeidsplaatsen hebben opgeleverd in de Belgische industrie62. Tussen 1978 en 1994 zorgde de hogere uitvoer voor ongeveer 122.000 jobs en gingen door invoerconcurrentie circa 8.000 arbeidsplaatsen verloren. Dat de industriële werkgelegenheid in die periode niettemin significant (-28 %) is gedaald, valt toe te schrijven aan andere factoren, zoals de investeringen en de innovaties in productiemethoden.


De investeringen en de consumptie zitten in de lift.

De daling van de uitvoer zal (gedeeltelijk) gecompenseerd worden door de binnenlandse vraag (vnl. particuliere consumptie en bedrijfsinvesteringen). De investeringen in de Europese Unie, zowel privé- als overheidsinvesteringen, daalden in 1996 tot op een historisch laag peil van 18,4% van het BBP (1990: 21,1%). Opvallend is dat tijdens het laatste kwartaal van 1997 de investeringen in de nijverheid voor het eerst een sprong vooruit maken. De hoge capaciteitsbezettingsgraad moest inderdaad vroeg of laat leiden tot een investerings-toename. België heeft geen probleem qua spaarquota, maar wel om het spaarvolume te kanaliseren naar binnenlandse investeringsprojecten. Het is paradoxaal dat de grote Belgische spaaroverschotten, tot voor kort, hun bestedingsmogelijkheden moesten zoeken in het buitenland, terwijl tegelijkertijd een aantal binnenlandse bedrijven werden overgenomen door buitenlandse investeerders63. Sinds 1990 investeert de Belgische overheid het minst van alle EU-landen. De trend van de Vlaamse investeringen klimt met ongeveer 5%/jaar. Opmerkelijk is de sterke stijging van de investeringen in de niet-industriële bedrijven (+6,5% in 1998). Voor 1999 verwacht de NBB, steunende op de investeringsenquête, dat de investeringen in de industrie sneller zullen stijgen: gezien de neerwaartse aanpassing van de groei-vooruitzichten is dit zeker nog niet als verworven aan te duiden. In het recordjaar 1998 werden er volgens het jaarverslag van de DIV 128 buitenlandse investeringsprojecten in Vlaanderen geteld voor een totaal bedrag van 73 miljard BEF (1,8 miljard EUR) en een gerelateerde jobcreatie van 7.408 eenheden. In het eerste kwartaal van 1999 zijn er reeds 53 buitenlandse investeringen geregistreerd voor een totaal bedrag van 49 miljard BEF (1,2 miljard EUR). Meer dan de helft van de buitenlandse investeringen zijn afkomstig uit de Verenigde Staten (58%). Het internationaal vertrouwen in de Vlaamse kredietwaardigheid wordt tevens in de verf gezet door de Aa1 rating van Moody’s64.

De Vlaamse expansiesteun (10 miljard BEF of 247 miljoen EUR) die investeringen aanmoedigt, in 1997 goed voor 13.500 nieuwe banen, wordt verhoogd met 2,8 miljard BEF (69 miljoen EUR)65.

Hoewel globaal genomen het consumentenvertrouwen in vergelijking met lage cijfers voor de vertrouwensindex van de industriëlen de afgelopen jaren zowel internationaal als nationaal aan belang wint (2,4%) heeft de oorlog in Kosovo een (tijdelijk) nadelig effect (april 1999: eurozone: -3 ; België: -2).


Hypothese 3: loonkosten, arbeidsproductiviteit en arbeidskwaliteit

De stijging van de loonkosten richt zich naar de evolutie in de buurlanden.



België en Vlaanderen kampen echter nog steeds met een belangrijk loonkostenverschil.

Anderzijds behoren de arbeidsproductiviteit en de arbeidskwaliteit van ons land tot de beste ter wereld.”
In eigen land zijn de loonkosten, in vergelijking met onze buurlanden, hoog.

Over de periode 1987-1998 zijn de loonkosten in België met 6,9% (= 200 miljard BEF of een kleine 5 miljard EUR) sneller gestegen dan bij de drie buurlanden66. Tegenover de 7 belangrijkste handelspartners werd sinds 1987 een verschil opgelopen van 3,9%. De wet ter vrijwaring van de concurrentiekracht en de bevordering van de werkgelegenheid schrijft voor dat de Belgische loonkosten in nationale munt de komende twee jaar niet sneller mogen stijgen dan in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Ook in het kader van het door Europa gevraagde meerjarenprogramma voor de werkgelegenheid verbindt België zich ertoe om de loonkosten over een periode van vijf tot zes jaar te verlagen tot op het peil van de buurlanden. De recentste gegevens tonen aan dat de lonen in de eurozone in het vierde kwartaal van 1998 stegen met 2,4%, waar men in België een stijging noteerde van 1,3%67.

De uitdaging van het loonkostenverschil is dubbel. Er is enerzijds de nood aan loonmatiging waartoe we ons verbonden hebben t.o.v. Europa. Die is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sociale partners, al kan de overheid hier een sturende rol spelen68. Anderzijds heeft de overheid in het loonkostendebat een rechtstreekse verantwoordelijkheid, met name in het bepalen van de RSZ-bijdrage, die de basisfinanciering van de sociale zekerheid uitmaken. Een analyse van de Nationale Arbeidsraad (NAR) toont aan dat de RSZ-werkgeversbijdragen in België voor het brutojaarloon van 900.000 BEF (22.310 EUR) zeven procentpunt boven het DFN69-gemiddelde liggen. Het verdrag van Leuven stelt een verlaging van de RSZ-werkgeversbijdragen met 7 procent of 140 miljard BEF (3,5 miljard EUR) voorop, bovenop de bestaande loonkostenmaatregelen. Uit een analyse van Fabrimetal blijkt dat voor een brutoloon van 900.000 BEF (22.310 EUR) België 34,4% verplichte wettelijke RSZ-werkgeversbijdrage heft t.o.v. 26,4% voor DFN, dus een verschil van 8 procentpunt of 160 miljard BEF (een kleine 4 miljard EUR). De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid komt dan weer tot de conclusie dat de werkgeversbijdrage in ons land 3,4% van de arbeidskosten boven het gemiddelde van de buurlanden ligt (110 miljard BEF of 2,7 miljard EUR).

Uit onderzoek van het Vlaams Economisch Verbond is - enigzins verassend - gebleken dat wat het specialisatiepatroon betreft, Vlaanderen relatief meer op de industrie is gericht dan Wallonië (35% van het BGP tegen 27%). De Vlaamse economie is erg gebonden aan de industriële sectoren waar de internationale concurrentiedruk sterk doorweegt. Vandaar ook dat de problematiek van de loonkosten meer nog dan in Wallonië een Vlaams probleem vormt70.


Onze arbeidskwaliteit en -productiviteit staan internationaal hoog aangeschreven.

De arbeidsproductiviteit en de -kwaliteit in België behoren tot de beste ter wereld. Op een geheel van 49 geselecteerde landen bekleedt ons land een derde plaats (zowel volgens de BERI-indeling als volgens de indeling van het Kiel Institute of World Economics)71. Belangrijke factoren waren de productiviteit, de technische vaardigheden, de arbeidswetgeving, de arbeidsattitudes en het absenteïsme. Positief is tevens het succes van de toepassing van de principes van integrale kwaliteitszorg in de Belgische, in casu Vlaamse ondernemingen, waardoor een concurrentieel voordeel kan worden geboekt. België is een geschikte lokatie voor kapitaalintensieve bedrijven die hooggeschoolde arbeidskrachten nodig hebben voor complexe productie-, onderhouds- en ontwerpprocessen.


Hypothese 4: werkgelegenheid en werkloosheid

De initiatieven om de tewerkstelling op te krikken dragen bij tot een werkloosheidsdaling.



De komende jaren zullen er echter nog gevoelige inspanningen geleverd moeten worden om de arbeidsvraag en het arbeidsaanbod nog beter op elkaar af te stemmen.”
Naast enkele knelpunten kunnen er inzake werkgelegenheid goede cijfers voorgelegd worden.

Op basis van de EU Labor Force Survey hebben momenteel ongeveer 150 miljoen mensen binnen de Europese Unie een baan. Geraamd wordt dat de werkgelegenheid in de Europese Unie verder zal toenemen. Het Federaal Planbureau verwacht dat jaarlijks tot 2004 de Belgische werkgelegenheidsaanwas 35.000 FTE zal bedragen. Voor 1999 verwacht het federaal planbureau een stijging met 33.000 jobs. De arbeidsparticipatie van de Vlamingen is, in vergelijking met andere landen, laag, omdat jongeren laat intreden en ouderen vroeg uittreden72. De Vlaamse bijdrage aan het Belgisch actieplan voor de uitvoering van de Europese werkgelegenheids-richtsnoeren ligt vast. De komende drie jaar trekt de Vlaamse regering in totaal 3,25 miljard BEF (80,6 miljoen EUR) uit voor haar actieplan. Het aantal ontvangen werkaanbiedingen gaat in Vlaanderen met rasse schreden vooruit. Enerzijds toont dit de goede vorm van de economie; anderzijds is het geen onbekende dat bepaalde knelpuntvacatures (een kleine dertigduizend) gewoonweg niet ingevuld raken, wegens het niet voorhanden zijn van de gepaste kwalificaties en doordat bepaalde werkgevers mogelijks hun vraag niet hebben aangepast aan bepaalde kraptes op de arbeidsmarkt.73 74. Het Steunpunt Tewerkstelling van de K.U. Leuven heeft onderzocht dat in 1993 er nog 4 werklozen/vacature waren, waar in 1998 het cijfer onder de 2 is gedoken. Verder werden volgens de VDAB in 1998 de helft van de vacatures op 28 dagen ingevuld, waar dit in mei 1999 reeds 35 dagen bedraagt. Uit een studie van CEVORA (april 1999) blijkt dat met betrekking tot interimkantoren in 29% van de gevallen sprake is van een knelpuntberoep. Er wordt gehoopt dat het samewerkingsprotocol tussen Upedi (uitzendarbeid) en de VDAB enig soelaas zal bieden.


De werkloosheidssituatie wordt rooskleuriger, maar vergt blijvende aandacht.

Niettegenstaande de werkloosheid in de industrielanden de jongste jaren is afgenomen, is het nog steeds op mondiaal vlak één van de hardnekkigste problemen. De statistieken van Eurostat laten zien dat in de Europese Unie de werkloosheid in maart 1999 9,6% bedroeg (EMU-landen: 10,4%). In Nederland ligt het cijfer op 3,6% en in Luxenburg op 2,8%. België telt eind april 1999 ongeveer 400.000 uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW) wat een daling op jaarbasis van 8,5% betekent. Voor 1999 voorspelt Eurostat een federale werkloosheidsgraad van 8,3% van de beroepsbevolking.. De jongerenwerkloosheid daalde tussen maart 1998 en maart 1999 met 7,4%. De terugloop was het significantst in Vlaanderen nl. 5,3%. Circa 70.000 werklozen zijn jonger dan 25 jaar. In 1998 steeg de deeltijdarbeid met 6,5%. Opmerkelijk is de onevenwichtige verhouding tussen de sexen: 36,8% van de vrouwelijke werkgelegenheid en slechts 4% van de mannelijke werkgelegenheid is deeltijds75. Recentelijk worden de werkverwachtingen van de werklozen echter rooskleuriger. In Vlaanderen waren er in april 1999 ongeveer 148.000 UVW (excl. schoolverlaters en vrij ingeschreven werkzoekenden), of een daling van 12,7% op jaarbasis. De jaar op jaar-evolutie van de jeugdwerkloosheid is ronduit gunstig. Het aantal langdurig werklozen daalde tussen februari 1998 en februari 1999 met 18,1%. Ter vergelijking: in Wallonië waren er 191.440 UVW’s (-6,0% op jaarbasis) en in Brussel 53.830 (-4,9%). Het aantal langdurig werklozen is op jaarbasis teruggevallen met 17.037 eenheden. Onder de oudere werklozen tekent zich echter een opmerkelijke stijging af. Een goede maatstaf voor de werkelijke omvang van het aantal werkzoekenden is de groep van de NWWZ. Vlaanderen telt minder dan 200.000 NWWZ (-10,6% ten opzichte van april 1998 ; vrouwen: -12,7%, mannen: -7,5%)76. 58,4% van de werklozen zijn vrouwen. Jongeren vormen een steeds groter segment binnen de groep van de werkzoekenden (april 1999: 22,8% t.o.v; 21.3% in april 1998). De daling van de Vlaamse werkloosheid zakt op jaarbasis onder de 10%. De reële daling is evenwel iets kleiner, omdat ook hier de uitschrijving van oudere werklozen en het aantal schorsingen het beeld enigszins vertekenen. Volgens het Hoger Instituut voor de Arbeid dringt zich, om redenen van efficiëntie en effectiviteit, op lokaal niveau een afstemming op van de federale en Vlaamse banenplannen voor langdurig werklozen (PWA’s, WEP’s, Art.60, Smetbanen,...). Dit kan kaderen in het lokaal arbeidsmarktbeleid (lokale werkgelegenheidconvenanten).


Verder dient opgemerkt te worden dat de conjunctuur-vertraging stilaan zichtbaar wordt op de arbeidsmarkt. Het relatieve tekort aan arbeidskrachten wordt nijpend, waardoor het aantal werklozen in bepaalde sectoren nauwelijks nog lager kan. De participatiegraad blijft in Vlaanderen internationaal gezien laag.

Hypothese 5: arbeidsorganisatie

Een nieuwe werkorganisatie manifesteert zich.”


De roep naar een werkorganisatie waar wordt afgestapt van de gestandaardiseerde arbeidspatronen wordt luider.

In haar sociaal actieprogramma 1998-2000 onderlijnt de Europese Unie het belang van de veranderende werkwereld. Hoofdaccenten zijn: een moderne arbeidsorganisatie en meer soepel inzetbare arbeiders, het anticiperen op industriële veranderingen, het benutten van de mogelijkheden van de informatiemaatschappij en het creëren van een veilige en gezonde werkplek. De Commissie stelt dat de EU-landen dienen over te schakelen van passieve op actieve maatregelen om werklozen arbeidsgeschikt te maken en te helpen een baan te vinden. Deeltijdswerken, het stimuleren van arbeidsplaatsen in de sociale economie, adequate vormingsprogramma’s,... staan op de agenda.

De roep naar een werkorganisatie waar wordt afgestapt van de traditionele, gestandaardiseerde arbeidspatronen en waar ondernemer en medewerker op elkaars veranderende behoeften inspelen, wordt luider. Het succes van de samenwerking tussen de ondernemingsleider en zijn medewerkers moet steunen op eendracht, op de wil om samen de continuïteit van de onderneming te bewerkstelligen met duurzame werkgelegenheid als doelstelling. Ondernemingen hechten meer en meer belang aan de opbouw van ‘human capital’ (o.a. via verhoogde vormingsinspanningen van hun personeel). Om dit menselijk kapitaal optimaal aan te wenden wordt een beduidende flexibiliteit van de werknemers gevraagd77. Om deze win-win situaties te realiseren, vragen medewerkers steeds nadrukkelijker een deelname in de ondernemingsbaten (winstdeelname, stock-options,...) die mede ontstaan door hun betrokkenheid en creativiteit (‘ondernemende medewerkers)78.

Daarnaast creëren technologische en maatschappelijke evoluties ook kansen om de vernieuwing van de werkorganisatie te realiseren (telewerken, mobiliteitsprojecten,...) op kosteneffectieve wijze. De andere zijde van de medaille is dat hierdoor heel wat (laaggeschoolde) arbeidsplaatsen verloren dreigen te gaan, alhoewel ook nieuwe job’s gecreëerd kunnen worden.


Deeltijdarbeid, variabele werktijden, jobrotatie, thuisarbeid,... worden meer en meer gemeengoed.

België heeft relatief weinig deeltijdswerkenden (14%). Zoals algemeen bekend is Nederland, met 36,5% deeltijdsen, op dit gebied koploper. Daarna volgen het Verenigd Koninkrijk (22,1%), Duitsland (16,3%) en Frankrijk (16,0%).

Hoewel zowel het aantal uitzendkrachten als het aantal in uitzendarbeid gepresteerde uren in ons land de laatste tien jaar verdrievoudigd is, hinkt België (en Vlaanderen) op dit gebied nog sterk achter op onze buurlanden. Waar in ons land uitzendarbeid 1,4% van de werkgelegenheid vertegenwoordigt, is dit in het Verenigd Koninkrijk en Nederland bijna 4% (resp. 3,9% en 3,7%).

Werknemers met tijdelijke contracten zijn in ons land nog steeds beperkt in aantal. Slechts zes procent van de werknemers heeft geen contract van onbepaalde duur, terwijl dit aandeel in Frankrijk (12,5%), Nederland (12,0%) en Duitsland (11,0%) zowat het dubbele bedraagt. Enkel het Verenigd Koninkrijk kent een gelijkaardig beeld met 6,9% tijdelijke contracten. Wel tellen België en Vlaanderen relatief veel personen die in ploegen, ‘s nachts en tijdens het weekend werken.

Van de overheid wordt niet alleen deregulering, herregulering en administratieve vereenvoudiging verwacht, maar ook een flankerend beleid. Dat moet het voor ondernemingen mogelijk maken om meer flexibiliteit en differentiatie in het arbeidsproces in te bouwen en voor de werknemers om flexibel te werken. Anderzijds kan flexibilisering in conflict raken met het persoonlijk levensritme, met sociale en culturele levensritmes,...79. Stemmen gaan op dat de sociale zekerheid en de fiscaliteit aan herziening toe zijn, waarbij enerzijds het sociaal en fiscaal stelsel arbeidsvriendelijker wordt gemaakt en anderzijds meer rekening wordt gehouden met de diversiteit en veranderlijkheid van de leef- en arbeidspatronen.

Hypothese 6: de euro

De euro zal onze macro-economische structuur grondig beïnvloeden.”


De euro: een instrument tot aanwakkeren van de economische groei.

Op basis van de economische resultaten voor 1997 werden in mei 1998 elf lidstaten geselecteerd om aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie deel te nemen. Het zijn: Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Oostenrijk, Finland, Spanje, Portugal, Italië, Ierland en Luxemburg. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken verkozen hun deelname vooralsnog uit te stellen. Griekenland voldoet niet aan de Maastricht-criteria inzake inflatie, begrotingstekort en schuldvermindering, maar men verwacht dat het land eind 1999 wel zal voldoen80. Zweden neemt nog maar sinds kort deel aan het Europees wisselkoersmechanisme en blijft daardoor vooralsnog buiten de club.

De euro moet het sluitstuk worden van de Europese interne markt, met 370 miljoen consumenten de grootste markt in de westerse wereld. De voltooiing van de Europese Monetaire Unie (EMU) kenmerkt zich door vier eigenschappen:


  • definitief vaste wisselkoersen;

  • één gemeenschappelijke munt, de euro;

  • één gemeenschappelijke centrale bank voor het monetair beleid;

  • de coördinatie van sommige andere delen van het economisch beleid, zoals het begrotingsbeleid.

Om een asymmetrische schok of relatieve verschillen in concurrentieposities op te vangen, moet een muntzone over een drietal interne aanpassingsmechanismen beschikken: kapitaalmobiliteit en inwoners met geografisch gediversifieerde verspreide activa, transfers van belastingsgelden tussen de regio’s en arbeidsmobiliteit en/of loonflexibiliteit81. In tegenstelling tot de VS beleggen Europeanen nog relatief weinig buiten hun landsgrenzen, zorgen culturele verschillen voor een relatief geringe arbeidsmobiliteit en rigide arbeidsmarkten voor geringe neerwaartse loonflexibiliteit.


Op macro-economisch vlak wordt België door de Europese Commissie aangemaand elke budgettaire ontsporing de kop in te drukken.. De EU suggereert een handhaving van het primair saldo (begrotingsoverschot exclusief rentelasten) op een passend peil te houden, overeenkomstig de bepalingen van het stabiliteitspact. Voor België betekent dit een bevriezing op 6% van het BBP82. Indien de overheid in 1999 in deze operatie slaagt, kunnen de dalende rentelasten het overheidstekort doen dalen tot 1% van het BBP83 (1998: 1,3% van het BBP - laagste peil sinds 1957). Voor de EU bedroeg volgens Eurostat het overheidstekort in 1998 1,5% van het BBP (1997:2,3%) en in de eurozone 2,1% van het BBP (1997:2,5%).

Finaal moeten de begrotingen via schuldverminderingsstrategieën minder kwetsbaar gemaakt worden. In België heeft 42% van de bedrijven initiatieven genomen met het oog op de introductie van de euro84. In al onze buurlanden ligt dit percentage hoger.



Hypothese 7: onderzoek en ontwikkeling/technologische innovatie

Inzake economische ontwikkeling zijn cruciale factoren het aanwenden van onderzoek en ontwikkeling in concrete toepassingen en het verstevigen van de gerealiseerde voorsprong op niche-markten (focusstrategieën).”


De Europese technologiemarkt is bezig aan een inhaalbeweging.

De welvaart van een regio is in toenemende mate afhankelijk van onderzoek en ontwikkeling, van technologische vernieuwingen, van de gecoördineerde inzet en de weloverwogen verspreiding en implementatie van kennis en technologie.

De praktijk toont aan dat de Europese productie nog teveel stoelde (en stoelt) op producten met een lage graad van technologie en toegevoegde waarde. Als gevolg van het relatief beperkter aandeel van hoog-technologische producten in het uitvoerpakket, waarnaar een sterkere vraag uitgaat, heeft de Europese Unie marktaandelen verloren. Een zwakte van Europa situeert zich vooral op het vlak van de overgang van wetenschappelijk onderzoek naar innovaties en van innovaties naar producten en processen (o.a. via de universitaire interface-acties)85. Na jarenlang achterop te hebben gelopen op de VS, is de Europese technologiemarkt bezig aan een inhaalbeweging. Dit blijkt onder andere uit de investeringen in informatietechnologie die in 1997 in West-Europa met 8,2% aandikten tot 7.059 miljard BEF (175 miljard EUR). In 1999 zullen zij naar verwachting met 9,6% toenemen86.

De Europese Commissie trekt in haar begroting 1998-1999 ongeveer 140 miljard BEF (3,5 miljard EUR) uit voor initiatieven inzake onderzoek en ontwikkeling.


In eigen land zou het wetenschappelijk en technologisch potentieel versterkt kunnen worden en de verworven kennis zou beter gevaloriseerd kunnen worden.

De Belgische uitgaven aan informaticatechnologie per capita, gerelateerd naar het BBP, liggen beneden het Europees gemiddelde87. Met betrekking tot de pc-penetratiegraad noteren we in België op 100 inwoners 7 pc’s voor particulier gebruik. Dit is minder dan het Europees gemiddelde, dat 9 pc’s bedraagt. Uit cijfers van het Europees statistisch bureau blijkt dat Vlaanderen zich op een eerbiedwaardige derde plaats situeert in het lijstje van hoogtechnologische regio’s in de Europese Unie. Bij de vergelijking, waarbij enkel het tewerkstellingspercentage in hoogtechnologische sectoren t.o.v. de totale tewerkstelling in aanmerking genomen wordt, behaalt Vlaanderen 4,1%. Dit is net iets minder dan Rijnland-Paltz en Hessen scoren (respectievelijk 4,8% en 4,6%). In termen van de werkgelegenheid in hoogtechnologische sectoren die het meest wetenschappelijk onderzoek vergen, bekleedt het Vlaamse Gewest de 5de plaats met 96.000 eenheden. Toch moet ook in Vlaanderen het wetenschappelijk en technologisch potentieel nog versterkt worden en de verworven kennis beter gevaloriseerd. Hierbij moet het bestaand instrumentarium, dat gericht is op strategisch basisonderzoek en de ontwikkeling van nieuwe technologieën, gekoppeld worden aan de effectieve implementatie van O &O inzake enerzijds de technologische opwaardering van bestaande producten en/of processen en anderzijds de introductie van nieuwe. Alhoewel de Vlaamse overheid geen verwaarloosbare bedragen spendeert ter stimulering van O & O, ligt het bedrag in functie van het BGP laag ten opzichte van andere landen88. Deze bedenking kan doorgetrokken worden naar het Vlaamse bedrijfsleven. Zo wordt slechts 1,63% van het BGP besteed aan O & O -uitgaven (België: 1,59%). Dit percentage ligt onder het Europees gemiddelde89.

Verder heeft Vlaanderen een duidelijke voorsprong opgebouwd in zgn. nichemarkten, zoals de spraaktechnologie (Flanders Language Valley met Lernout en Hauspie, ), de bio-technologie (Innogenetics, Devgen, Thromb X,...), de milieutechnologie (Biotim, Aquatool, Seghers Engineering...),... .

Het is evident dat alles in het werk gesteld moet worden om deze Vlaamse know-how optimale ontplooiingskansen te verschaffen.




Hypothese 8: opstarten en groeien van ondernemingen

Er is in Vlaanderen genoeg (risico)kapitaal aanwezig om bedrijven op te starten of te laten groeien, maar er is een tekort aan goede projecten en aan goede entrepreneurs (ondernemersschap).”


In tegenstelling tot de Europese situatie, steeg in België tot voor kort het aantal faillissementen gestaag.

In Europa werden in gans het jaar 1997, 201.891 faillissementen uitgesproken. Dit is een historisch laag punt, als we de voorbije vijf jaar beschouwen. In tegenstelling tot de Europese situatie, steeg in België de jongste jaren het aantal faillissementen gestaag. In 1997 werden er meer dan 7.500 faillissementen genoteerd. Volgens de Commissie voor Preventief Bedrijfsbeleid is de toename van het aantal faillissementen de voorbije jaren in belangrijke mate toe te schrijven aan de oprichtingsboom van bedrijven in de periode 1985-1990. Gedurende 1998 boog de evolutie zich onder andere door bedrijfsvriendelijke maatregelen van de overheid, in positieve zin om. Recentelijk stijgt het aantal faillissementen echter terug sterk (in het eerste kwartaal van 1999 gingen meer dan 2000 bedrijven op de fles, + 16,6% ten opzichte van het eerste kwartaal van 1998)90: Naar de gewesten toe is de verdeling als volgt: Vlaanderen 47%, Wallonië 29% en Brussel 24%91. Het aantal bedrijven dat opgericht wordt - een veelvoud van het aantal bedrijven dat in faling gaat - valt fel terug.


Durfkapitaal komt steeds meer beschikbaar.

In vergelijking met de VS vormen in de meeste Europese landen de belastingen op vermogenwinst en aandelenopties een barrière voor durfkapitalisten. Toch zit het durfkapitaal in de lift. De belangrijkste durfkapitalisten in Europa zijn de onafhankelijke bankgroepen (banken, persioenfondsen,...) met 56,2% van de markt. Het toenemend aantal beursintroducties en het ontstaan van het eerste Privak-fonds zijn vermeldingswaardig92. In 1997 investeerde de durfkapitaalmarkt en de sector van het privé-kapitaal in België een kleine 7,26 miljard BEF (180 miljoen EUR) vers geld. Dat is 64,6% meer dan in 1996. Ongeveer 87% is Vlaams risiciokapitaal93. Er hebben zich de jongste jaren veel nieuwe risicokapitaal-verschaffers op de markt gemeld94. Er is dus geld genoeg. Het probleem zit hem vooral in de kwaliteit van de projecten, de ‘drive’ van de ondernemers en het gebrek aan netwerking95.


Groeibeurzen brengen voor jonge en snel groeiende ondernemingen een oplossing inzake het bijeenbrengen van de nodige financiële middelen.

Voor jonge en snel groeiende ondernemingen is het bijeenbrengen van de vereiste financieringsmiddelen geen sinecure. Groeibeurzen bieden een oplossing. Naast een vlotte en rechtstreekse toegang verschaffen ze een geschikte uitstapmogelijkheid voor kapitaalverschaffers. Genoteerde ondernemingen kunnen er de noodzakelijke fondsen aantrekken om hun verdere ontwikkeling mee te financieren. De eerste en veruit de grootste groeibeurs is de Amerikaanse NASDAQ. Minder succesvol waren de Europese ‘tweede markten’ in de jaren tachtig. Met de creatie van de EASDAQ (nog in volle ontwikkeling) en Euro-NM (meer dan 60 noteringen) nam Europa halfweg de jaren negentig nieuwe initiatieven, waarvan de slaagkansen beduidend hoger mogen worden ingeschat.


Ondernemerschap verder aanzwengelen.

Vlaanderen heeft nood aan meer en goede ondernemers. Ondernemerschap is meer dan een technische vaardigheid. Het gaat om een attitude, een waarde die het best op jonge leeftijd wordt bijgebracht. Enkele van de initiatieven om het ondernemerschap te stimuleren betreffen de mini-ondernemingen, het Schumpeter-project, het ‘ Center for Entrepreneurship’ van de Vlerick school,... Ook het openstellen van de bedrijven zelf (cfr. de Vlaamse open bedrijvendag) draagt bij tot het aanmoedigen van potentiële onder­nemers. Andere interessante en succesvolle initiatieven vormen de peterschapsprojecten en het clusterbeleid.


Hypothese 9: delokalisatie

Delokalisatie is reëel, maar mag niet overroepen worden.”


Delokalisatie is een typisch economisch verschijnsel dat in grote mate samenhangt met de comparatieve voor- en nadelen van landen en regio's en dat mee in de hand wordt gewerkt door de mondialisering van de economie. Het is sectorieel gebonden en heeft voornamelijk betrekking op niet-kernactiviteiten.

Het fenomeen waarbij bedrijven met een beslissingscentrum in het buitenland hun vestiging in ons land sluiten om ergens anders hun tenten op te slaan, kent sinds de sluiting van Renault Vilvoorde in Vlaanderen ruime belangstelling. Het verschuiven van de productie naar lage loonlanden (Azië, Midden- en Oost-Europa), met als gevolg desindustrialisering en werkloosheid voor vooral laaggeschoolden is genoegzaam bekend en vaak sectorieel gebonden. Deze situatie is vooral in de kleding- en confectiesector onrustwekkend, waar uitgeweken wordt naar Oost-Europese en Noord-Afrikaanse landen96. Drie kwart van deze bedrijven met buitenlandse productie realiseert meer dan 50% van de omzet door productie in het buitenland. Ook de bedrijfsverplaatsingen van vooral West-Vlaamse ondernemingen naar Henegouwen en Noord-Frankrijk haalden de pers97. De loonkosten blijven een determinerende factor bij de keuze van het uitwijkingsbestemming.

Vlaamse ondernemingen kunnen voordeel halen uit delokalisatie indien zij hiermee effectieve kostenbesparingen kunnen realiseren98.
Toch mag delokalisatie niet overroepen worden99. De uitwijking van bedrijven met afbouw van activiteiten in België kost ons land op jaarbasis 2.000 à 4.000 arbeidsplaatsen (of ongeveer 0,1% van het totaal).

Slechts 10% van de vestigingen van Belgische bedrijven in het buitenland leidden tot afvloeiing van personeel in het moederland100.

Verder moet ook onderlijnd worden dat in de meeste gevallen de hoofdzetel van het respectievelijke bedrijf, de know-how en de hoogwaardige jobs in eigen land blijven, waardoor een duurzame verankering reëel is. Belgische ondernemingen die opteerden voor een directe investering in het buitenland gaven in de periode 1990-1996 de voorkeur aan de oprichting van een dochteronderneming (35%), de overname van een buitenlandse firma (28%) en een joint venture (20%)101. Het leeuwendeel van de directe buitenlandse investeringen had betrekking op het opzetten of de overname van een distributienetwerk of verkooppunt (41%) en de productie van niet-hoogtechnologische goederen (28%). De keuze van het land is afhankelijk van de activiteit die men er wil ontplooien. Zuid-Europa en vooral Noord-Afrika en Oost-Europa zijn geliefkoosde investeringslanden voor laagtechnologische goederen102. Voor investeringen in diensten of in verkoop en distributie gaat de voorkeur uit naar onze rijke afzetmarkten-buurlanden, respectievelijk 80% en 40%.

Inzake de motivatie van de directe buitenlandse investeringen stellen 69% van de ondervraagde bedrijfsleiders dat de aanwezigheid op nieuwe of groeiende markten de belangrijkste factor was. Daarna volgt de lagere arbeidskost.



4. Mogelijke exogene factoren
1. Moeilijk controleerbare kapitaalstromen

De invoering van de euro en permanente verbreding van telecommunicatie mogelijkheden, zullen het steeds moeilijker maken kapitaalstromen te sturen of zelfs te controleren. Dit kan grote investeringscapaciteiten in een minimum van tijd van bestemming doen veranderen (schermenmarkten).

2. Uitbreiding van de binnenlandse markt tot al de euro-landen

Na de introductie van de euro worden meer dan 70 % van de nu nog als export gecatalogeerde transacties als transacties binnen de eigen markt aanzien.

3. Versnelde afbouw van de staatsschuld

Niettegenstaande het netto financieringstekort van de totale overheid beneden de 3%-norm zal liggen, zal België vooral het duurzaam karakter van het sober budgettair beleid moeten aantonen. De Belgische overheidsschuld is dubbel zo hoog als de referentiewaarde uit het Verdrag van Maastricht. Tegen 2020-2030 zal er budgettaire ruimte nodig zijn om de gevolgen van de veroudering van de bevolking te kunnen dragen. Het convergentieprogramma moet worden nageleefd.

4. Concentratie op kernactiviteiten

Unieke vaardigheden zijn de kritische succesfactoren om nieuwe markten/producten te genereren of bestaande te handgaven. Kerncompetenties spelen hierbij een belangrijke rol (HAMEL, G., en PRAHALAD, C.K., 1993, p.75-84). Het concurreren op basis van kerncompetenties geeft de mogelijkheid tegelijkertijd te profiteren van de focus (schaal) als van de diversificatie (scope). Door competenties meervoudig in te zetten zijn aan de ene kant verschillende diversificaties mogelijk, anderzijds blijft de samenhang bestaan.

5. Uitbreiden van de fiscale en parafiscale bevoegdheden

De (para)fiscaliteit beïnvloedt rechtstreeks de netto-winst en is daarom een determinerende factor voor het concurrentievermogen. Bovendien lijkt het een geschikt middel om beter het hoofd te kunnen bieden aan dreigende delokalisatie. De Gewesten beschikken voorlopig niet over voldoende (para)fiscale bevoegdheden. Een ruimere (para)fiscale autonomie, die de gewesten en gemeenschappen een grotere financiële onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid geeft en waardoor zij via een marktconform instrument meer richting kunnen geven aan hun economisch beleid, moet naar waarde geschat worden103.

6. Culturele verschillen blijven bestaan

Naast de ‘global economy’ is er ook meer en meer sprake van ‘ a global culture’. Er kan inderdaad gewag gemaakt worden van een zekere internationale spreiding van bepaalde ideeën en waarden en van vormen van populaire cultuur. Anderzijds merken we een groeiende aandacht voor de performantie en de eigenheid van de specifieke regio’s, die zich in toenemende mate op cultureel vlak wensen te manifesteren, zelfs transregionaal.


7. Verder vrijmaken van de economie

Na de telefonie worden andere economische sectoren onder de loupe genomen voor liberalisatie en privatisatie. Ook de Europse Commissie stelt dat, naast een volgehouden begrotingsdiscipline en een actief werkgelegenheidsbeleid, ons land verzocht wordt om de overheidsmarkten (transport, post, energie,...) versneld open te breken. Bij dergelijke bewegingen zijn de winnaars gewoonlijk deze landen die de trend eerst ingezet hebben en die een grote thuismarkt hebben.

8. Toenemend belang van vrijetijd

In de huidige post-modernistische maatschappij kunnen steeds meer mensen genieten van steeds meer vrijetijd. De groeiende vrijetijdsparticipatie (grotere economisch niet actieve bevolking, meer dagen verlof, technologische innovaties,...) vergt een adequaat economisch en maatschappelijk weefsel om aan de wensen tegemoet te komen.

9. Brede aandacht voor (integrale) kwaliteitszorg

Klanten worden steeds kritischer met betrekking tot de kwaliteit van het aanbod. Zo’n kwaliteitsgarantie kan worden waargemaakt met een uitstekende dienstverlening of service die afhankelijk is van een goed functionerende organisatiestructuur en een organisatiecultuur waarbij sprake is van gemotiveerde medewerkers. De aandacht voor het kwaliteitsdenken krijgt een steeds ruimer draagvlak in profit en non-profit bedrijven.

10. Netwerken en partnerships

Op verschillende geografische beleidsniveaus kunnen via economische samenwerkingsverbanden (netwerken) een reeks specifieke vaardigheden worden gebundeld en uitgewisseld, die tot een concurrentieel voordeel kunnen leiden. Tevens kennen bepaalde niches nog veel ontwikkelingspotentialiteiten.

11. Het stijgend belang van een duurzame samenleving

Steeds meer mensen zijn zich ervan bewust dat indien een ongebreidelde socio-economische roofbouw op grondstoffen en goederen zich doorzet, de economische groei op lage termijn in het gedrang zal komen en de draagkracht overschreden zal worden. Wereldwijd wordt dan ook gepleit voor een duurzame samenleving waarbij de ruimte wordt beheerd ten behoeve van de huidige generatie, zonder de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen.



5. Scenario’s
Hypothese 1: economisch herstel en groeivooruitzichten

Het economisch herstel dat zich medio 1996 manifesteerde, zet zich door. Ook de groeivooruitzichten blijven aantrekkelijk.”




  • Toekomstverwachtingen bij constant beleid en constante tendensen


De economie blijft groeien, weliswaar aan een lager tempo. Voor 1999 wordt op wereldvlak en voor de OESO-landen een economische groei verwacht van 1,8% (2000: 2,4% (wereld) , 2,0% (OESO))104. In het kielzog van de opwaartse herziening van de Amerikaanse groeiprognoses, is het IMF inzake de modiale groei optimistiser (1999: 2,3%, 2000:3,4%)105. Voor de Europese Unie en de EMU-landen komt Eurostat tot volgende prognoses: 1999: 2,0% (ECB), 2,1%(EU), 2,2% (EMU) ; 2000: 2,7% (EU en EMU)106. Deze percentages houden rekening met de economische crisis in Zuid-Oost-Azië, Latijns-Amerika en Rusland. Zo bedroeg volgens de Wereldbank de economische groei in Zuid-Oost Azië in 1998 -7,7%, terwijl voor 1999 de groei maar nipt positief zou zijn (0,1%). Voor 2000 voorspelt de bank opnieuw een beduidende groei van 3,5%107. Gelijkaardige evoluties tekenen zich af in Latijns-Amerika (1998:2,0% ; 1999: -0,8% ; 2000:2,5%)108 en Rusland (1998:-3,4% ; 1999: -5,5% ; 2000: 0,6%). Het BBP zal in eigen land in 1999 groeien met 1,8% (KBC), 1,9% (GB-EC-IMF) ; 2,0% (FPB) ; 2000: 2,3% (FPB), 2,5% (EC), 3,1% (KBC) ; 2002: 1,4% (KBC), 2,4% (FPB)109. Er moet de komende jaren zeker nog gesleuteld worden aan de verhouding overheidsschuld / BBP en verder is een aanhoudende budgetdiscipline noodzakelijk. Het Vlaamse Bruto Geografisch Product zal tot en met 2002 jaarlijks met gemiddeld 2,7% groeien, tegen 2,0% voor Wallonië110. In de provincie Limburg zal de groei het sterkst zijn (3,0%), gevolgd door West-Vlaanderen (2,8%). De groeiverwachtingen voor Brussel zijn bedroevend: 1,9%. De binnenlandse vraag zal in 1999 groeien met 2,2% (2000: 2,0% ; 2002: 2,2%). Dit wordt ook bevestigd door Moody’s. De loonnorm en de matige importprijzen zullen de inflatie in België in 1999 doen vertragen tot 1,1% (FPB), 2 % (Eurostat), 1,3% (KBC)) (EU: 1,3% ; EMU: 1,2%). Griekenland, Portugal en Spanje kennen de hoogste inflatie.Volgens de jongste gegevens van Eurostat is het inflatietempo voor het eerste sinds april 1998 terug toegenomen. Voor 2000 voorspelt men: België: 1,3%; EU: 1,6%, EMU-zone: 1,5%111 .Het renteklimaat blijft gunstig. Door de aanhoudende crisis in Kosovo kent de euro een koersdaling, die de Europese overheidstekorten vergroot en de investeerders aanzet tot het kopen van buitenlandse effecten. In het eerste kwartaal van 1999 heeft de euro al 10% van zijn waarde t.o.v. de dollar verloren ($ 1,05 wordt als een minimumgrens aanzien). In het scenario van de basisprojectie zou het overheidstekort in 2002 verdwijnen en de openbare schuld tot 106,8% van het BBP teruggebracht zijn. De ontwikkeling van het primair overschot toont aan dat er, bij ongewijzigd beleid en naargelang van de gebruikte strategie, geleidelijk een budgettaire ruimte kan ontstaan. De Belgische overheidsschuld is dubbel zo hoog als de referentiewaarde uit het Verdrag van Maastricht. Tegen 2020-2030 zal er budgettaire ruimte nodig zijn om de gevolgen van de veroudering van de bevolking te kunnen dragen. Het convergentieprogramma moet worden nageleefd en het zou aangewezen zijn om de budgettaire teugels niet te vieren in economisch gunstige omstandigheden, om ze dan opnieuw te moeten verstrakken in moeilijke tijden. De budgettaire gevolgen van het EU-akkoord over de financiering van de Unie over de periode 2000-2006 zullen niet mals zijn voor ons land. Vanaf 2004 zal een meerkostprijs van 3 miljard BEF/jaar (74 miljoen EUR) opgehoest moeten worden. Het schadelijk effect wordt echter gecompenseerd door een verhoging van de inningskosten met 10% tot 25% op de douane- en landbouwrechten op ingevoerde producten. Concreet zal ons land vanaf 2004 bijna 600 miljoen BEF (ongeveer 15 miljoen EUR) aan Europa moeten bijpassen. Verder werd ook het landbouwluik, Agenda 2000, goedgekeurd.


  • Alternatieve scenario’s in functie van de exogene factoren

De uitbreiding van de binnenlandse markt tot de Euro-landen zou een algemene groeiversnelling in Europa kunnen veroorzaken, waarvan Vlaanderen zou moeten kunnen profiteren.

Het alignement aan de euro-landen zal ons er toe brengen onze staatsschuld (misschien versneld) terug te dringen wat over de korte periode moeilijkheden kan veroorzaken, maar over de lange periode enkel voordelen zal opleveren.

De inflatie zal gelijklopend zijn binnen de euro-landen en vormt daarom voor België en Vlaanderen geen echte bedreiging voor de toekomst. De inflatie van de euro-landen zal in lijn moeten gehouden worden met deze van de niet-eurolanden om tot een sterke euro te komen. Het is moeilijk denkbaar dat sommige partners (e.g. Duitsland) binnen de euro het tegendeel zouden aanvaarden.


Hypothese 2: uitvoer, consumptie en investeringen

De uitvoergroei zal, weliswaar beperkt, aan elan inboeten onder invloed van de negatieve effecten van de financiële crisis in Zuid-Oost Azië, Rusland en Latijns-Amerika.



De consumptie en de investeringen zullen aan belang winnen als groeimotoren van de economie.”


  • Toekomstverwachtingen bij constant beleid en constante tendensen

De invoer wordt aangewakkerd, terwijl de uitvoer wat aan elan zal inboeten, zodat de groeibijdrage van de netto-uitvoer (aanzienlijk) zal verkleinen. Volgens de economische vooruitzichten van de KBC zullen de Belgische uitvoermarkten in 1999 nog met 4% groeien (FPB: 1999: 4,0 % 2000: 4,6% ; 2002: 5,4%).De financiële en economische perikelen in Zuid-Oost Azië, Latijns-Amerika en Rusland zullen, in een beperkte mate, een domper zetten op de conjunctuurherleving in Europa en in eigen land. Naar verwachting zal de binnenlandse vraag gradueel blijven toenemen, onder impuls van de aanhoudende dynamiek van de overheidsinvesteringen en de particuliere consumptie die aan kracht wint (1999: +3% - KBC). De hoge winstgevendheid, de lage rente en de gunstige vraagvooruitzichten blijven de bedrijfsinvesteringen ondersteunen, maar hun groei zal lager uitvallen dan in 1998. Het Federaal Planbureau verwacht dat de binnenlandse overheidsinvesteringen in België in 1999 zullen stijgen met 3,0% (2000: 3,3%; 2002: 3,4%). Voor 1999 voorspelt men een groei van de privé-consumptie met 2% (2000: 1,9%; 2002: 2,0%)112. De gezinnen kunnen een toename van hun koopkracht verwachten (verbetering van de arbeidsmarkt en toename van het beschikbaar inkomen). Het consumentenvertrouwen kent, niettegen-staande een lichte terugval begin 1999, een duurzame stijging en laat uitschijnen dat de gezinnen hun spaarquote verder zullen terugschroeven (spaarquote 1998: 14,5% (KBC), 1999: 13,9% (FPB) ; 2001: 12,7% (KBC)). De sterkere binnenlandse vraag zal steunende op OESO vooruitzichten de mogelijke verzwakking van de uitvoer (gedeeltelijk) compenseren. Een steeds grotere kloof tussen het het ondernemersvertrouwen (vertrouwensindicator van de industrieëlen in de verwerkende nijverheid: april 1999: -17) en het consumentenvertrouwen (vertrouwingsindicator april 1999:-2) manifesteert zich.




  • Alternatieve scenario’s in functie van de exogene factoren

Door het groeiende belang van de schermenmarkten wordt kapitaal dynamischer en mobieler. Dit kan zowel positieve (grotere beschikbaarheid) als negatieve (grotere volatiliteit) repercussies hebben. Investerings-

acties in het kader van de afbouw van de staatsschuld zullen op langere termijn hun vruchten afwerpen. Op korte termijn zit het gevaar er wel in dat essentiële investeringen (e.g. infrastuctuur) niet gerealiseerd worden. Het goed definiëren van de kerncompetenties en de daaruit voortvloeiende concentratie op de kernactivi-teiten is een kritische suksesfactor om nieuwe markten en producten te generen of bestaande te handhaven. Het geeft de mogelijkheid tegerlijkertijd te profiteren van de focus (scale) als van de diversificatie (scope). Deze concentratie brengt anderzijds ook het gevaar dat niet-kernactiviteiten zullen afgestoten worden en kandidaat worden voor import of delokalisatie. De binnenlandse groei kan onder andere aangewakkerd worden door de (verdere) liberalisering van de economie. Verder zullen, globaal genomen, de prijzen van de nutsvoorzieningen door de liberalisering van de economie dalen wat een nieuwe impuls aan de uitvoer kan geven. Door de groeiende aandacht voor ecologie en duurzame ontwikkeling zal de economie op langere termijn kunnen groeien. Op korte termijn echter, kunnen de ecologische voorwaarden die internationaal opgelegd worden een rem betekenen voor de economie in het algemeen en voor Vlaanderen in het bijzonder. Onze specifieke know-how op gebied van ecologie-technologie geeft ons daarentegen weer een nieuwe en versterkte uitvoermogelijkheid. Een ruimere (para)fiscale autonomie, die de gewesten en gemeenschappen een grotere financiële onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid geeft zal economische vruchten afwerpen.

Door het toenemend belang van vrijetijd is de kans groot dat de concurrentiekracht van Vlaanderen zal dalen, indien arbeidsduur-vermindering zonder loonverlies zal worden doorgevoerd.

Het ontwikkelen van netwerken, partnerships en samenwerkingsverbanden kan vele kleinere Vlaamse KMO’s de schaalvoordelen bieden die onze grote buitenlandse concurrenten bezitten.

Hypothese 3: loonkosten, arbeidsproductiviteit en arbeidskwaliteit

De stijging van de loonkosten richt zich naar de evolutie in de buurlanden.



België en Vlaanderen kampen echter nog steeds met een belangrijk loonkostenverschil.

Anderzijds behoren de arbeidsproductiviteit en de arbeidskwaliteit van ons land tot de beste ter wereld.”


  • Toekomstverwachtingen bij constant beleid en constante tendensen

Dat er op lange termijn een positief verband bestaat tussen de matiging van de reële loonkosten en de creatie van werkgelegenheid, staat buiten kijf113. Op korte termijn kan dat verband wel worden overschaduwd door conjuncturele invloeden. Juist daarom is het belangrijk om ook in betere conjunctuurjaren de loonmatiging vol te houden. Matiging van loonkosten kan in principe ook worden bereikt door een verlaging van de sociale zekerheidsbijdragen. Gezien de noodzaak om de overheidsschuld verder terug te dringen, is de budgettaire ruimte daartoe beperkt. De loonwig, het verschil tussen de arbeidskosten en het nettoloon, bedroeg in 1997 nog altijd 55% en moet worden teruggeschroefd114.

In het kader van het door Europa gevraagde meerjarenprogramma voor de werkgelegenheid verbindt België zich ertoe om de loonkosten over een periode van vijf tot zes jaar te verlagen tot op het peil van de buurlanden. Alvast voor 1999 en 2000 is daar jaarlijks 18 miljard voor uitgetrokken. Als de loonnorm correct wordt toegepast en de stijging van de loonkosten beperkt blijft tot 4,8%, is een werkgelegenheidsgroei van gemiddeld ongeveer 1%/jaar in 1999 en 2000 waarschijnlijk115.

De Belgische arbeidsproductiviteit en de arbeidskwaliteit blijven ook in de toekomst behoren tot de beste ter wereld.




  • Alternatieve scenario’s in functie van de exogene factoren

De invloed van de loonhandicap die Vlaanderen heeft t.o.v. de ons omliggende landen zal door

de uitbreiding van de binnenlandse markt zich nog uitdrukkelijker manifesteren.

Echter, door de toespitsing op kernactiviteiten gebaseerd op kerncompetenties, zal deze handicap kunnen afgezwakt worden. Deze toespitsing houdt echter ook het gevaar in dat bepaalde niet-kernactiviteiten afgestoten en eventueel gedelokaliseerd worden.

Het afzwakken van onze loonhandicap kan eveneens gebeuren door een veralgemeende aandacht voor Integrale KwaliteitsZorg (IKZ), zodat onze producten en diensten van superieure kwaliteit blijven beschouwd worden.

De reeds hoge productiviteit, kan nog verhoogd worden door het beter gebruik maken van en het integreren in netwerken, partnerships en samenwerkingsverbanden.

Verder kunnen strengere ecologische vereisten onze productiviteit in de korte periode negatief beinvloeden maar hebben natuurlijk wel een positieve impact op de duurzaamheid van onze economie en van onze tewerkstelling.

Hypothese 4: werkgelegenheid en werkloosheid

De initiatieven om de tewerkstelling op te krikken dragen bij tot een werkloosheidsdaling.



De komende jaren zullen er echter nog gevoelige inspanningen geleverd moeten worden om de kloof tussen de arbeidsvraag en het arbeidsaanbod nog beter op elkaar af te stemmen.”


  • Toekomstverwachtingen bij constant beleid en constante tendensen

Het federaal planbureau verwacht een toename van het aantal tewerkgestelden in 1999 met 34.900 personen. Voor de volgende jaren is men minder optimistisch (2000: +23.300; 2002: +22.600)116.

De Eurostat-prognoses laten een positief beeld zien aangaande de Europese werkloosheid (1999: 9,6% (EU) 10,4% (EMU) ; 2000: 9,2% (EU) 9,9% (EMU))117. Ook op federaal en Vlaams niveau zijn de voorspellingen gunstig. Er manifesteert zich echter een structureel harde kern van langdurig werklozen, laaggeschoolden en jongere werklozen. Een pro-actieve ingesteldheid van deze mensen is aangewezen118. De inzetbaarheid van werkenden en werkzoekenden moet vergroten. Een mogelijke denkpiste zou kunnen zijn dat er geinvesteerd wordt in menselijk kapitaal en in opvoeding tot zelfredzaamheid eerder dan in rechtstreekse uitkering van steungeld119. Door een betere afstemming tussen vraag en aanbod moet het aantal knelpuntvacatures drastisch verminderen.


  • Alternatieve scenario’s in functie van de exogene factoren

De uitbreiding van de binnenlandse markt zal een grotere mobiliteit van de faktor arbeid met zich meebrengen. Er zal dus een betere afstemming kunnen komen tussen de vraag en het aanbod120.

Door een algemene cultuur-nivellatie zal de inzetbaarheid van potentiële werknemers groter worden.

Moest de afbouw van de staatsschuld werkelijk als topprioriteit gesteld worden, kan de financiering van tewerkstellingsinitiatieven in het gedrang komen.

Een verdere regionalisering van de fiscale bevoegdheden zou hieraan kunnen verhelpen, gezien Vlaanderen dan meer armslag krijgt om zijn eigen prioriteiten te leggen.

Het blijven focaliseren op kernactiviteiten kan nog meer hoogwaardige arbeidsplaatsen creëren. Het afstoten van niet-kernactiviteiten geeft de mogelijkheid aan die bedrijven die deze activiteiten zullen uitvoeren, aangepast personeel onder een aangepast statuut in te zetten en hiervoor consistente vormingsprogramma’s te ontwikkelen. In navolging van het jongste interprofessioneel akkoord worden de inversteringen in vorming tegen 2000 opgetrokken van 1,2% naar 1,4% van de loonsom. Op langere termijn moet dit 1,9% worden. In Vlaanderen worden bedrijven daartoe gestimuleerd via Vlamivorm.

Een verdere liberalisering van de economie kan met zich mee brengen dat de concurrentie verhoogt, de prijzen dalen en besparingen op gebied van personeel gebeuren. De marktvergroting die gewoonlijk het gevolg is van verder doorgedreven concurrentie, kan dan weer een positief effect hebben op de tewerkstelling.

Een verdere groei van de vrije tijd zal de vrije tijdsindustrieën (gewoonlijk arbeidintensief) doen bloeien en resulteren in werkgelegenheids creatie. Indien deze vrije tijd dan nog voortvloeit uit werk-herverdeling dan kan dit een positief effect hebben op de tewerkstelling dat dubbel zo groot is.

Een verdere prioritaire aandacht voor de ecologie zou nieuwe werkgelegenheid in deze sector kunnen creëren, dikwijls met lage bekwaamheidvereisten. Het is juist in dit segment dat de werkloosheid het hoogst is. Verdere ecologische investeringen kunnen onze industrie die gespecialiseerd is in de ecologie niche markt verder laten groeien en bijkomende arbeidsplaatsen scheppen.

Hypothese 5: arbeidsorganisatie

Een nieuwe werkorganisatie manifesteert zich.”




  • Toekomstverwachtingen bij constant beleid en constante tendensen

Naar de toekomst toe zal de trend naar een verdere verbetering van de inzetbaarheid van de werkzoekenden, naar vernieuwing en naar kosteneffectieve reorganisatie van de werksituatie door technologische en maatschappelijke evoluties (o.a.tele-werken) zich verder zetten.




  • Alternatieve scenario’s in functie van de exogene factoren

In de huidige post-modernistische maatschappij kunnen steeds meer mensen genieten van steeds meer vrije tijd. De groeiende vrijetijdsparticipatie (grotere economisch niet actieve bevolking, meer dagen verlof, anders invullen van de verloven, technologische innovaties,...) vergt een adequaat economisch en maatschappelijk weefsel om aan de wensen tegemoet te komen. Er zal soepel moeten ingespeeld worden op piek- en dalbezettingen van de infrastructuur.

In navolging van de buitenlandse arbeidsmarkt zal het deeltijdswerk toenemen.

De concentratie op de kerntaken kan ondersteund worden door adequate tewerkstellingsvormen, waarbij flexibel op de vraag ingespeeld zal kunnen worden. De niet-kerntaken kunnen nog meer dan vroeger via outsourcing, afroepcontracten,... ingevuld worden. In deze bedrijven zal eventueel een andere standaard gehanteerd worden qua werkorganistie en -verdeling.

De uitbreiding van de fiscale en parafiscale bevoegdheden zou een positieve stimulans kunnen betekenen voor flexibele arbeidsvormen. Men zou het fiscaal (nog) interessanter kunnen maken om flexibele werkorganisatiestructuren in te voeren121.

De nieuwe culturele tendensen dringen nieuwe werkorganisatievormen meer dan ooit op (office-sharing, tele-arbeid, tele-office,...). In het kader van een duurzame samenleving zal er meer en meer aandacht moeten gaan naar het mobiliteitsvraagstuk. Bedrijfsvervoerplannen op maat kunnen hier stimulerend werken122.

Het predicaat ‘de klant is koning’ veronderstelt een soepele werkorganisatie in functie van de gebruiker van het product of dienstverlening. Het doorgedreven inzetten van deeltijdse en tijdelijke werkkrachten kan de klantendienst echter negatief beinvloeden en leiden tot kwaliteitsdaling.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13


Dovnload 1.36 Mb.