Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer

Dovnload 80.48 Kb.

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer



Datum05.12.2018
Grootte80.48 Kb.

Dovnload 80.48 Kb.


Vlaamse Overheid

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer

Graaf de Ferrarisgebouw

Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 BRUSSEL

tel: 02-553.80.79 fax: 02-553.80.75

www.mervlaanderen.be


Richtlijnen milieueffectrapportage


Vervolgstudie Seine-Schelde (deel 4)

Waterwegen en Zeekanaal NV

Afdeling Bovenschelde

Nederkouter 28

9000 Gent

21 september 2009

PRMER-0399-RL



  1. Inleiding

Dit milieueffectrapport wordt opgesteld met het oog op de vergunningsaanvraag voor de verdieping van de Leie, van Wervik tot Deinze en de lokale verbredingen op de Leie (Wervik – Deinze) en het Afleidingskanaal (van Deinze tot kruising kanaal Gent-Brugge). Dit project maakt deel uit van het Seine-Schelde plan, waarbij men de realisatie beoogt van een volwaardige binnenvaarverbinding voor klasse Vb schepen tussen het Seine en het Schelde bekken via de Leie.

Het project is gelegen op het grondgebied van Wervik, Menen, Wevelgem, Kortrijk, Kuurne, Harelbeke, Waregem, Wielsbeke, Dentergem, Zulte, Deinze en Nevele.
Voor het Seine-Schelde plan werd reeds een plan-MER opgesteld, en goedgekeurd door de dienst Mer op 14 augustus 2008. De plan-MER leidde tot de selectie van het meest milieuvriendelijk alternatief, met name het basisalternatief. Het plan-MER dient als basis voor de verschillende project-MER-plichtige projecten die hieruit vloeien. Deze project-MER’s (of ontheffingen tot project-MER) zullen systematisch worden opgesteld volgens een concreet uitvoeringsprogramma.
Volgens de bepalingen van art. 4.3.3§3 van het decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage (B.S. 13/02/2003) en het uitvoeringsbesluit van 10 december 2004 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (B.S. 17/02/2005) valt dit project onder de hieronder voornoemde categorieën van projecten:


  • Bijlage I:

    • 11) aanleg van waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1350 ton.

    • 26) wijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding aanleiding geeft tot de overschrijding van de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.

  • Bijlage II:

    • 10h) werken inzake kanalisering, met inbegrip van de vergroting of verdieping van de vaargeul, en ter beperking van overstromingen, met inbegrip van de aanleg van sluizen, stuwen, dijken, overstromingsgebieden en wachtbekkens, die gelegen zijn in of een aanzienlijke invloed kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied.

De dienst Mer van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid heeft het kennisgevingsdossier volledig verklaard op 8 juni 2009. Het kennisgevingsdossier lag ter inzage in de volgende steden en gemeenten: stad Wervik (24 juni tem 24 juli 2009), stad Menen (25 juni tem 24 juli 2009), gemeente Wevelgem (25 juni tem 24 juli 2009), stad Kortrijk (27 juli tem 25 augustus 2009), gemeente Kuurne (26 juni tem 27 juli 2009), gemeente Harelbeke (23 juni tem 23 juli 2009), gemeente Waregem (24 juni tem 23 juli 2009), gemeente Wielsbeke (22 juni tem 22 juli 2009), gemeente Dentergem (19 juni tem 18 juli 2009), gemeente Zulte (25 juni tem 25 juli 2009), stad Deinze (17 juni tem 17 juli 2009) en de gemeente Nevele (19 juni tem 20 juli 2009).

Parallel heeft de dienst Mer de adviezen bij de betrokken administraties en openbare besturen ingewonnen (zie bijlage).
Deze richtlijnen stelt de dienst Mer op, met het oog op de inhoudsafbakening van het op te stellen MER, na een overlegvergadering met alle betrokken partijen op 26 augustus 2009 in Gent. Zij verwerkt de ontvangen relevante inspraakreacties en adviezen in deze richtlijnen.
Tijdens het opstellen van het MER dient gebruik gemaakt te worden van de disciplinespecifieke delen van het Richtlijnenboek m.e.r..



  1. Vorm en presentatie

Met betrekking tot de vorm en presentatie vraagt de dienst Mer:



  • recent kaartmateriaal te gebruiken voorzien van een duidelijke bronvermelding, schaalaanduiding, noordpijl en legende;

  • het kaartmateriaal zodanig te presenteren dat het van goede kwaliteit is, m.n. overzichtelijk, duidelijk, bruikbaar (voldoende detailniveau), hanteerbaar (bij voorkeur A4, maximaal A3) en gemakkelijk begrijpbaar, ook voor een niet-deskundige;

  • een verklarende woordenlijst, lijsten met figuren en tabellen, afkortingenlijst en literatuurlijst bij het rapport op te nemen, in deze literatuurlijst steeds volledige referenties te vermelden;

  • achtergrondinformatie in de bijlagen op te nemen;

  • het MER te controleren op tikfouten, spellingsfouten en grammaticale fouten;

  • het MER te controleren op onnodige herhalingen.

Meer bepaald voor dit project-MER vraagt de dienst Mer:



  • de nummering van de bochten, gegeven in tabel 4.1 van de kennisgeving, ook op het kaartmateriaal aan te duiden;

  • de grenscorrectie van 7 april 1998 tussen de gemeente Waregem en Wielsbeke aan te duiden op elke relevante kaart;

  • het kleurgebruik op de kaarten 3.1 aan te passen, teneinde de leesbaarheid te verhogen.



  1. Doelstelling, verantwoording en besluitvorming

Art. 4. 2. 7. §1, 1°, a en b
De doelstelling bestaat erin de milieueffecten van de verdieping en plaatselijke verbreding van de Leie aan te tonen en dit t.b.v. de verdere besluitvorming. Dit milieueffectrapport dient bij de vergunningsaanvraag (stedenbouwkundige vergunning) gevoegd te worden.
Het MER zal de rol en de noodzaak van dit project binnen het gehele Seine-Schelde plan toelichten. Eveneens zal een toelichting gegeven worden omtrent de inhoud van vervolgstudies 1, 2 en 3.
Gezien de Leie ook in Wallonië (t.h.v. Comines) en Frankrijk zal aangepast dienen te worden teneinde de doelstelling van het Seine-Schelde plan te halen, zal in het MER de nodige informatie (en indien mogelijk de stand van zaken) opgenomen worden omtrent de rapportage van mogelijke milieueffecten in Wallonië en Frankrijk.
Alle benodigde vergunningen moeten worden aangegeven, incl. een korte beschrijving van de vergunningsprocedure en van de inspraakmogelijkheden. De rol van het MER in dit vergunningsproces moet duidelijk aangegeven worden.
Het MER is niet alleen een hulp bij de besluitvorming maar volgens art. 4.1.7. van het decreet moeten ook de conclusies “doorwerken in de besluitvorming”. Het MER zal bij de formulering van mogelijke alternatieven, milderende of compenserende maatregelen hiermee rekening houden.



  1. Voorgenomen project en alternatieven

Art. 4.3.7. §1, 1°, c , d en e
Het voorgenomen project bestaat uit de volgende ingrepen:

    • de realisatie van het gewenste profiel van de vaarweg, m.n. verdieping tot 4,5 m en plaatselijke verbreding voor passeerstroken en bochtverbredingen (luik binnenvaart);

    • de plaatselijke verbreding van de oevers t.h.v. aantal parallelle meanders (luik rivierherstel);

    • het afgraven van overbodige dijken (luik rivierherstel);

    • de aanleg van natuurvriendelijke oevers in het buitengebied (luik rivierherstel).

In de kennisgeving werd verwezen naar de projectnota van 2006, waarin technische detailplannen voor de ingrepen beschikbaar zijn. Gezien deze nota niet publiek beschikbaar is en omwille van de leesbaarheid en hanteerbaarheid van het MER zullen waar nodig de detaillistische plannen opgenomen worden in het MER.


Op de figuren 3.1 (uit de kennisgeving) zal t.h.v. de Grensleie, indien mogelijk, duidelijk aangegeven worden welke ingrepen door Frankrijk en welke ingrepen door Vlaanderen zullen uitgevoerd worden. In de richtlijnenvergadering werd aangegeven door de initiatiefnemer dat een studie in opmaak is die moet leiden tot een nieuw convenant met afspraken. De afspraken zullen, indien voorhanden, opgegeven worden in het MER.
In het MER zal specifiek aangeduid worden waar de natuurvriendelijke oevers worden aangelegd en welk type van oever op deze plaatsen zal nagestreefd worden.
Het MER zal de verschillende mogelijke stappen in de realisatie van de geplande ingrepen procesmatig beschrijven. De aanpak en wijze waarop van de baggerwerken zullen beschreven worden.
Alle voorgestelde ingrepen dienen in voldoende detail te worden uitgewerkt, teneinde een gedegen effectbeoordeling te kunnen uitvoeren en in te schatten welke milderende maatregelen toepasbaar worden.
Indien tijdens de werken aanpassingen zouden nodig zijn aan de jaagpaden, dient er rekening gehouden te worden met bereikbaarheid. Eveneens zal dan aangegeven worden hoe die aanpassingen kunnen interfereren met de visie van alternerende jaagpaden langsheen het Leietraject.
In het MER zal eveneens opgave worden gedaan van mogelijke sites die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden waarvan de locaties nog niet zijn gekend (bv. voor het plaatsen van de werfkeet, de aanleg van een extra werfweg). Dit is noodzakelijk t.b.v. het inschatten van locatiegebonden effecten (vb. tijdelijk biotoopverlies).
De verschillende type oevers, beschreven op p.48 – 52 in de kennisgeving kunnen als mogelijke inrichtingsalternatieven beschouwd worden. Voor de oeverzwaluwwanden dient de specifieke locatie en de afmetingen opgenomen worden in het MER. Indien deze locaties nog niet gekend zijn, zal het MER aangeven welke locaties de voorkeur dragen en waarom. De aanleg van de oeverzwaluwwanden dient eveneens afgestemd te worden op de beheerscriteria en voorgestelde locaties uit de nota van het INBO (Raman, M. & Decleer, K. (2009)).
De opmerkingen van de gemeente Wielsbeke zullen afgetoetst worden op relevantie in het MER.
Volgende relevante punten inzake het project dienen bijkomend te worden aangepast, opgevolgd of aangevuld:

  • de nota ‘Werkgroep Specieberging, uit paragraaf 4.1.1. van de kennisgeving, dient meer verduidelijkt te worden in het MER. De gegevens omtrent de verbreding en de verdieping zullen geactualiseerd worden. Technische details omtrent de baggertechnieken zullen aangevuld worden.

  • de afbakening van de werkzone en het aanduiden van leidingen en andere infrastructuurwerken dienen weergegeven te worden op kaart.

  • de resultaten van het verkennend grondonderzoek zullen geïntegreerd worden in het MER.

  • n.a.v. een inspraakreactie zal nagegaan worden welke bochtverbredingen een extra effectieve ruimte-inname betekenen en welke impact dit mogelijks heeft op nabijgelegen woningen.

  • de specifieke ligging en aanleg van de passeerstroken en de bochtverbredingen, alsook de specifieke ligging en inrichting van de plaatselijke verbredingen uit tabel 4.1, 4.2 en paragraaf 4.2 van de kennisgeving dienen geactualiseerd, besproken en aangeduid te worden op kaart. Er zal tevens aangegeven worden hoeveel extra ruimte-inname nodig is voor de verschillende ingrepen. Door de initiatiefnemer werd op de richtlijnenvergadering aangegeven dat getracht zal worden om de noodzakelijke verbredingen hoofdzakelijk onder water te verwezenlijken door het onderwatertalud af te graven.

  • in het MER zal een motivering toegevoegd worden inzake de keuze van de ligging en afmetingen van de passeerstroken, alsook de bochtverbredingen. Naar de studies, waaruit dit gebleken is, dient verwezen te worden.

  • Figuur 4.2 uit de kennisgeving gaf aanleiding tot verwarring. Het betreft echter een theorethische illustratie. Dit zal verduidelijkt worden in het MER.

  • de realisatie van 500 ha natte natuur zal toegevoegd worden in de opgave van de ingrepen voor het luik rivierherstel uit het Seine-Schelde plan. De verschillende inrichtingsprojecten voor deze 500 ha natte natuur zal in de toekomst onderzocht worden in aparte MER’s of ontheffingen tot MER’s.



  1. Juridische en beleidsmatige context

art.4.3.7.§ 1,f
De kennisgeving heeft opgave gedaan van het juridische/beleidsmatige kader dat voor het project in dit MER van belang is. Het MER zal zorgvuldig nagaan waar de projectrelevantie zich situeert en in het bijzonder ook aangeven of de voorwaarde onderzoekssturend kan zijn dan wel procedurebepalingen bevat of de combinatie van beide. De juridische en beleidsmatige randvoorwaarden met een duidelijke ruimtelijke component worden duidelijk cartografisch gepresenteerd. Het is van belang om ook tijdens het opstellen van het MER de stand van zaken hiervan op te volgen.
Volgende relevante randvoorwaarden dienen bijkomend te worden aangepast, opgevolgd of aangevuld:

  • De watertoets.

  • HAG Leiestreek.

  • De relevante BPA’s en RUP’s in het studiegebied dienen allen opgelijst, geactualiseerd en correct gelokaliseerd te worden op kaart. De informatie omtrent het GRUP ‘Leievallei en open ruimte omgeving Kortrijk’ (met aanduiding van de recent gecreëerde VEN-gebieden) dient geactualiseerd te worden. Het GRUP ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Kortrijk’, het RUP Leiestraat te Menen en de BPA Emiel Clausstraat te Waregem dienen alvast toegevoegd te worden. Deze informatie zal ook elders in het MER aangepast of aangevuld worden.

  • Bij de randvoorwaarde ‘beschermde landschappen, monumenten, stads- en dorpsgezichten’ dient aangegeven te worden dat een formele toestemming nodig is van het Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed indien men werken wenst uit te voeren in een beschermd landschap of aan een beschermd monument.

  • Het decreet op het archeologisch patrimonium regelt meer dan alleen toevalsvondsten. De essentie van het decreet is om te vermijden dat waardevol archeologisch erfgoed ongedocumenteerd verloren gaat.

  • De relevante gemeentelijke natuurontwikkelingsplannen (GNOP’s) van de betrokken gemeenten en steden.

  • De conclusie van de passende beoordeling voor het plan-MER van Seine-Schelde gaf aan dat er geen significante negatieve effecten worden verwacht indien niet wordt gewerkt aan de stuw van de Zeverenbeek. In dit geval dient geen passende beoordeling op projectniveau opgemaakt worden en toegevoegd worden aan dit MER.

De detailopmerkingen die het Agentschap Natuur en Bos en de stad Waregem gemaakt hebben, zullen, indien relevant, eveneens aangepast worden in het MER, zo onder andere:



  • Door een wijziging in het natuurdecreet is de kans klein dat voor alle VEN-gebieden nog natuurrichtplannen zullen opgemaakt worden. Voor Habitat- en Vogelrichtlijngebieden is dit wel nog verplicht;

  • De meander van de Balokken is niet in het beheer van ANB;

  • Het decreet inzake integraal waterbeheer legt het oplossen van alle vismigratieknelpunten op tegen 1/1/2010.



  1. Bestaande toestand en milieueffecten




  • De referentiesituatie, bestaande toestand en ontwikkelingsscenario’s

art.4.3.7.§ 1,1°, g
Als referentiesituatie wordt de huidige toestand van het projectgebied met de onmiddellijke omgeving beschreven. De effecten zullen ten aanzien van deze referentiesituatie beschreven of ingeschat worden.
De beschrijving van de referentiesituatie gebeurt nu grotendeels op basis van de informatie uit de plan-MER. Per discipline en per deelgebied dient nagegaan te worden welke informatie bijkomend dient opgenomen te worden i.f.v. een gedegen effectbeoordeling.
Relevante ontwikkelingsscenario’s dienen te worden uitgewerkt. Naast het voorgenomen project is het ook nodig informatie en kennis te vergaren over activiteiten, projecten of plannen die vergund en/of gepland zijn en redelijkerwijze in de onmiddellijke toekomst worden uitgevoerd in de nabije omgeving en die samen met het voorgenomen project een cumulatief effect kunnen teweegbrengen.
Aquafin en Fluxys hebben in hun inspraakreactie detailinformatie aangeleverd betreffende de ligging van specifieke leidingen, rioleringen en overstorten. Deze informatie zal, indien relevant, gebruikt worden in het MER.
De autonome ontwikkeling van het studiegebied, zijnde de evolutie van het studiegebied zonder enige beïnvloeding van buitenaf, zal ook in beschouwing genomen worden. Het al dan niet realiseren van het project staat daar los van. Indien er tijdens het opstellen van het MER andere ontwikkelingsscenario’s naar voor zouden komen dienen deze toegevoegd te worden aan het afwegingskader.


  • Milieueffecten, geplande toestand en milderende maatregelen

art.4.3.7.§ 1,2°, a, b, c
De volledig verklaarde kennisgeving geeft een beschrijving per discipline van de wijze waarop de effecten zullen onderzocht en beoordeeld worden en geeft aan dat in functie van het effectonderzoek milderende maatregelen zullen worden voorgesteld. Het studiegebied binnen de verschillende disciplines zal voldoende ruim genomen worden t.b.v. de effectbeschrijving. De grenzen worden cartografisch gepresenteerd. Het afbakeningsproces van het studiegebied is een iteratief proces dat bij de redactie van het eindrapport dient afgerond te zijn. Per discipline dient gestreefd te worden naar een duidelijk significantiekader. Hierbij dient aangegeven te worden wanneer een effect als significant beschouwd wordt. Het gebruik van een expertenbeoordeling dient waar mogelijk beperkt te worden.
De toekomstige ingrepen van het luik rivierherstel die geen deel uitmaken van dit MER zullen gebruikt worden als richtkader voor de effectbeoordeling. Dit om toekomstige tegenstrijdige ontwikkelingen die het maximale rivierherstel kunnen hypothekeren, te verhinderen.
In de kennisgeving werd aangehaald dat de effectbespreking van een aantal disciplines hoofdzakelijk zal uitgevoerd worden op basis van informatie uit de plan-MER. In de project-MER zullen de effecten echter ook afgetoetst dienen te worden aan eventuele nieuwe ontwikkelingen, kennis en technieken, indien voorhanden.
Het ingreep-effectschema zal in het MER, waar noodzakelijk verder uitgebreid worden met de diverse effectgroepen die beschreven zullen worden bij de effectbeschrijving in het MER. Een dergelijk ingreep-effectschema heeft namelijk in een MER ook de functie om een “leidraad” te zijn voor de lectuur van de effectbeschrijving en –beoordeling. De tabel wordt dus in de loop van het onderzoek iteratief aangepast en zal in het MER voor het hoofdstuk waarin de beschrijving gebeurt behandeld worden.
Het richtlijnenboek m.e.r deel 2 geeft verdere aanbevelingen met betrekking tot het gebruik van begrippen en de invulling ervan. Tijden het opstellen van het MER dient men ook gebruik te maken van (de recentste versies) van de disciplinespecifieke delen van de Richtlijnenboeken.


  • De Dienst Mer vraagt om bij de beschrijving van de bestaande toestand en milieueffecten, als aanvulling op de volledigverklaarde kennisgeving, voldoende aandacht te besteden aan het volgende:


*Met betrekking tot de discipline bodem en grondwater:

  • De geschatte volumes voor het grondverzet zullen geactualiseerd worden.

  • Structuurwijziging werd in de plan-MER niet in detail bekeken. In de project-MER zal nagegaan worden waar de bodemtypes die gevoelig zijn voor verdichting, gesitueerd zijn. Indien op deze plaatsen ook mogelijk werfzones gepland zijn, zal aangegeven worden welke milderende maatregelen noodzakelijk zijn. Indien de werfzones nog niet gekend zijn, zal aangegeven worden waar men deze het best niet situeert.

  • N.a.v. een inspraakreactie zal nagegaan worden of een wijziging in bodemstabiliteit tijdens de aanlegfase een relevante impact kan hebben op nabijgelegen woningen.

  • Er zal op toegezien worden dat bij verwijzingen naar andere disciplines, bijvoorbeeld voor ‘wijziging bodemgebruik en bodemgeschiktheid’ naar fauna en flora, deze effectief ook besproken en beoordeeld worden op de aangegeven plaats in het MER.

  • Indien er calamiteiten optreden die impact kunnen hebben op de bodem, dienen zo snel mogelijk de nodige acties ondernomen te worden om de verontreiniging weg te nemen. De nodige controlestalen dienen genomen te worden.

  • Bij overdracht van gronden, onteigening, het terug open graven van oude meanders en het verbreden van de Leie dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Bodemdecreet.

  • De nodige aandacht dient te worden geschonken aan de regels van het grondverzet.


*Met betrekking tot de discipline oppervlaktewater:

  • De ligging van onbevaarbare waterlopen in de nabijheid van het projectgebied zullen worden weergegeven op een kaart. Indien effecten verwacht worden op de afwatering van deze waterlopen in de Leie, dienen deze beschreven te worden.

  • Het mogelijke effect van het baggeren op de waterkwaliteit zal besproken en beoordeeld worden.

  • De gegevens voor de watertoets zullen op een overzichtelijke wijze gebundeld worden in het MER, zodat in een latere fase deze informatie op een eenvoudige wijze raadpleegbaar wordt.

  • De acties die opgenomen zijn in het bekkenbeheerplan voor het studiegebied zullen afgetoetst worden.



*Met betrekking tot de discipline fauna en flora:

  • Bijkomende inventarisaties/controles in het studiegebied zijn noodzakelijk indien de beschikbare informatie ontoereikend, verouderd of achterhaald zou zijn (bijvoorbeeld oudere delen van de BWK-kaart).

  • Tijdens de effectbespreking zullen de mogelijke effecten, in de gebieden die aangeduid zijn voor de realisatie van de 500 ha natte natuur, afgetoetst worden aan deze toekomstige situatie.

  • Geluidseffecten met een invloed op rustverstoring van avifauna werd ruw besproken in de plan-MER. In de project-MER dienen hieromtrent meer gegevens aangeleverd te worden. Kwetsbare gebieden zullen aangeduid worden en milderende maatregelen (bijv. fasering van de werken) zullen voorgesteld worden.

  • Indien er t.o.v. de plan-MER niets gewijzigd is aan het project t.h.v. van de stuw van de Zeverenbeek, dient de passende beoordeling niet hernomen te worden.

  • Biotoopwinsten of –verliezen, tijdelijk of permanent, direct of indirect, worden uitgedrukt in een lengte- en/of oppervlaktemaat (“groene boekhouding”).

*Met betrekking tot de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie:

  • De archeologische verwachtingskaart die i.k.v. van de landschapsstudie werd opgesteld, zal niet gebruikt worden in de project-MER (op vraag van het Agentschap R-O Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen). Het MER zal de archeologische potentie van het gebied wel beschrijven, effecten en knelpunten hierop onderzoeken en milderende maatregelen (bijv. opvolgen van knelpunten) voorstellen.

  • Een methodologie betreffende de wijze waarop de effecten van de afgraving van de dijken en boombegroeiing zullen worden beoordeeld, zal in overleg met het Agentschap R-O Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen uitgewerkt worden. Referentiebeelden van de vallei vóór de kalibratie van de Leie van 1960 en historische kaarten zullen gebruikt worden.

  • De kartering naar de visuele-ruimtelijke kwaliteiten dient verfijnd te worden t.o.v. de plan-MER. Een analyse vanaf de hogere valleiranden, naar of vanaf het Waalse en Franse grondgebied dienen aan bod te komen in het MER.

  • Voor zover mogelijk, zal in het MER meer op de details van het project ingegaan worden: waar zullen de bomen langs de Leie verdwijnen, wat zal hiervoor in de plaats komen, ...

  • Een mogelijke wijziging in landschapsbeleving zal in het MER besproken en beoordeeld worden.


*Met betrekking tot de discipline lucht:

  • Er zal nagegaan worden of een carthografische voorstelling van de gebiedsdekkende luchtkwaliteit mogelijk is, indien voldoende data reeds voorhanden zijn.

  • Indien relevant, zal het MER de eventuele geurimpact tijdens de baggerwerken bespreken en beoordelen.


*Met betrekking tot de discipline geluid en trillingen:

  • Indien relevant, zal het MER de eventuele trillingshinder tijdens de aanlegfase en uitvoeringsfase bespreken en beoordelen.

  • De dichtstbij gelegen woningen dienen gesitueerd te worden op kaart.

  • De methodiek uit de plan-MER zal gebruikt worden om mogelijke geluidseffecten te bespreken en beoordelen.


*Met betrekking tot de discipline mens-mobiliteit:

  • De hinder ten gevolge van mogelijke verkeersgeneratie, stof, geluid en trillingen zal behandeld worden.

  • In de methodologie effectbespreking in de kennisgeving werd aangegeven dat er getoetst wordt aan de streefwaarden vooropgesteld voor 2010 in het Ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen. Dit dateert echter nog van de plan-MER. In de project-MER zal nagegaan worden of er recentere streefwaarden beschikbaar zijn. Indien voorhanden zullen deze recentere streefwaarden gebruikt worden in de effectbespreking.

  • De aanlegfase werd reeds meegenomen in de plan-MER. In de project-MER dient bijkomend aangegeven te worden langs welke weg (land en water) de afvoer zal gebeuren en hoe. Voor verkeerswegen zal aangegeven worden welke wegen het best niet worden gebruikt wegens de nabije aanwezigheid van kwetsbare groepen (kinderen, zieken, ouderen). Er zal tevens aangegeven worden welke transportweg de minste hinder (trillings-, geluid-, ...) veroorzaakt.

  • Eventuele hinder naar de bestaande scheepvaart zal besproken worden. Dit kan tevens vergeleken worden met de mogelijke hinder op land.


*Met betrekking tot de discipline mens-sociaal organisatorische aspecten en landbouw:

  • N.a.v. de inspraakreacties werden een aantal bezorgdheden geuit, onder meer naar toegang tot jaagpad tijdens de aanlegfase. In het MER dient dit kort besproken te worden. Figuur 4.8 in de kennisgeving wordt weggelaten in het MER.

  • In het MER zal aangegeven worden hoe de beschouwde ingrepen al dan niet een impact kunnen hebben op de landbouw. In het geval van een effectieve ruimte-inname, zullen de oppervlaktes en ligging opgegeven worden.

  • Om het draagvlak naar de landbouwsector toe, zullen de relevante zaken uit de landbouwstudie overgenomen worden in het MER. In de inspraakreacties werd echter ook gevraagd om flankerende maatregelen te voorzien. Gezien de ingrepen met grote ruimte-inname van het luik rivierherstel niet inbegrepen zijn in deze project-MER, wordt dit dan ook niet, als relevant op te nemen, beschouwd.




  1. Leemten in de kennis

art.4.3.7.§ 1,4°
Het MER dient opgave te doen van de leemten in kennis die tijdens het uitvoeren van het onderzoek werden vastgesteld. Deze leemten kunnen opgedeeld worden naar aard van de leemte waarbij dan onderscheid dient gemaakt tussen leemten m.b.t. project, m.b.t. inventarisatie en aangaande methode en inzicht.
Het MER zal eveneens aangeven hoe met deze leemten is omgegaan en hoe zij kunnen doorwerken naar de besluitvorming.



  1. Monitoring en evaluatie

art.4.3.7.§ 1,2°, d
In het MER zal per discipline aangegeven worden welke opvolgingsmaatregelen voor te stellen zijn, bijvoorbeeld vanuit de vergunningsreglementering of vanuit de leemte in de kennis. Het MER zal ook aangeven welke maatregelen er dienen genomen te worden indien monitoringsresultaten uitwijzen dat er toch nog negatieve te milderen effecten optreden. (bijv. uitspraken onder de vorm van: als …[waargenomen effect] dan … [te nemen maatregel]). Omdat monitoring ook een gevolg kan zijn van een “Leemte in de kennis” is het uiteraard logisch om het hoofdstuk m.b.t. de postevaluatie/monitoring na het hoofdstuk m.b.t. de leemten in kennis in het MER in te lassen.



  1. Integratie en eindsynthese

art.4.3.7.§ 1,2°, e
In een afzonderlijk deel zal het rapport een disciplineoverschrijdende, leesbare samenvatting geven over de verwachte gevolgen voor het milieu en hoe en in welke mate de voorgestelde maatregelen deze kunnen milderen. Tevens zal men in deze synthese aangeven of het project een voor het milieu haalbaar project is en welke maatregelen minimaal nodig zijn om het project haalbaar te maken indien dit niet het geval zou zijn.
Ook de ‘elementen en informatie ten behoeve van het uitvoeren van de watertoets’ uit het Decreet Integraal Waterbeleid dienen in een hoofdstuk te worden samengevat.



  1. Tewerkstelling, investering en gebruikte materialen

art.4.3.7.§ 5,3°
In dit hoofdstuk geeft het rapport aan welke de verwachte tewerkstellings- en investeringseffecten zijn van de voorgenomen activiteit. Tevens zal worden aangegeven welke materialen er voor dit project gebruikt zullen worden, indien dit nog niet beschreven werd bij de projectbeschrijving.



  1. Niet-technische samenvatting

art.4.3.7.§ 1,5°
De niet-technische samenvatting vormt een afzonderlijk leesbaar deel van het rapport dat de essentie van de overige delen beknopt en correct weergeeft. De tekst moet zodanig geschreven zijn dat hij begrijpelijk is voor een gemiddelde lezer. Figuren, kaarten of tekeningen dienen ter ondersteuning van de tekst in deze samenvatting te zijn opgenomen.
Deze niet-technische samenvatting wordt bij het indienen van de definitieve versie tevens in digitale vorm aangeleverd.

12. Team van deskundigen
Het definitieve rapport zal de handtekening bevatten van alle deskundigen en de initiatiefnemer.

Tenslotte wordt aanbevolen tijdens het opstellen van het rapport contact te houden met de Dienst Mer en met de overige instanties, in het bijzonder in functie van de verwerking in het MER van hun adviezen.


Brussel, 21 september 2009


Paul Van Snick

Algemeen directeur

Afdelingshoofd AMNEB


Bijlage
Inspraakreacties:

  • 1 burger te Zulte


Lijst van reacties administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die opmerkingen hadden op de kennisgeving en/of aanwezig waren op de vergadering, en die een ontwerptekst van het MER zullen ontvangen:

  • Stad Waregem

  • Gemeente Nevele

  • Stad Wervik

  • Gemeente Wielsbeke

  • Gemeente Zulte

  • Stad Menen

  • Stad Kortrijk

  • Dep. LNE, Afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen, buitendienst Gent

  • Dep. LNE, Dienst Hinder en Risicobeheer

  • Dep. LNE, milieuvergunning West-Vlaanderen

  • Provincie Oost-Vlaanderen

  • OVAM

  • VMM, Afdeling Operationeel Waterbeheer

  • Dep. LV, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling

  • ANB Oost- en West-Vlaanderen

  • Agentschap R-O, Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen

  • Aquafin

  • Fluxys

Lijst van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die hebben laten weten geen opmerkingen te hebben op de inhoudsafbakening en methodologie of die zich verontschuldigd hebben voor de vergadering. Deze instanties zullen een ontwerptekst van het MER ontvangen:



  • Stad Deinze

  • Gemeente Harelbeke

Lijst van aangeschreven administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die niet reageerden op het kennisgevingdossier en die geen ontwerptekst van het MER zullen ontvangen (tenzij aangegeven):



  • Gemeente Wevelgem

  • Gemeente Kuurne

  • Gemeente Dentergem

  • Provincie West-Vlaanderen

  • INBO

  • VLM

  • Dep. RWO, afdeling Ruimtelijke Planning

  • Agentschap R-O, Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen

  • Agentschap R-O, Ruimtelijke Ordening West-Vlaanderen

  • Agentschap R-O, Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen

  • Dep. LNE, Dienst Lucht en Klimaat

  • Dep. LNE, milieuvergunningen Oost-Vlaanderen

Op basis van bovenstaande lijst wordt gevraagd 22 exemplaren van de ontwerptekst van het MER toe te sturen.




Dienst Mer - Richtlijnen

PR0399


Vervolgstudie Seine-Schelde (deel 4)

  • Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer
  • Richtlijnen milieueffectrapportage Vervolgstudie Seine-Schelde (deel 4) Waterwegen en Zeekanaal NV Afdeling Bovenschelde
  • Doelstelling, verantwoording en besluitvorming
  • Voorgenomen project en alternatieven
  • Volgende relevante punten inzake het project dienen bijkomend te worden aangepast, opgevolgd of aangevuld
  • Juridische en beleidsmatige context
  • Volgende relevante randvoorwaarden dienen bijkomend te worden aangepast, opgevolgd of aangevuld
  • Bestaande toestand en milieueffecten De referentiesituatie, bestaande toestand en ontwikkelingsscenario’s
  • Milieueffecten, geplande toestand en milderende maatregelen
  • De Dienst Mer vraagt om bij de beschrijving van de bestaande toestand en milieueffecten, als aanvulling op de volledigverklaarde kennisgeving, voldoende aandacht te besteden aan het volgende
  • Integratie en eindsynthese
  • Tewerkstelling, investering en gebruikte materialen
  • Niet-technische samenvatting
  • 12. Team van deskundigen
  • Bijlage Inspraakreacties
  • geen opmerkingen

  • Dovnload 80.48 Kb.