Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Dienst op zondag, 20 april 2014 Doopsgezinde Gemeente te Arnhem, 10. 00 uur

Dovnload 38.36 Kb.

Dienst op zondag, 20 april 2014 Doopsgezinde Gemeente te Arnhem, 10. 00 uur



Datum14.09.2017
Grootte38.36 Kb.

Dovnload 38.36 Kb.
    Navigeren deze pagina:

Dline 4IENST OP ZONDAG, 20 april 2014

Dgroup 20oopsgezinde Gemeente te Arnhem, 10.00 uur


Organist: Wijnand Klaver 2014.11

line 5

Aansteken van de kaars Openen van de bijbel Welkom

Zingen: 212: 1 t/m 4: Laten wij zingend deze dag beginnen


Bemoediging en Groet
Zingen: Ik zing voor God mijn morgenlied (Iona nr.2, alle 4)
Gebed
Bijbellezing: Matteüs 28:1-10
Zingen: 631 (alle 4): Tussen waken, tussen dromen

Preek Paul F. Thimm
Lieve gemeente op deze Paasochtend, de eerste dag van de week!

I.

Paastijd is vakantietijd. Veel mensen gaan een weekend weg of langer. Wie het zich kan veroorloven reist naar een skigebied met sneeuwgarantie of naar een land met aangenamere temperaturen. Even erop uit.


Dat Pasen het belangrijkste christelijke feest is, speelt bij veel mensen in onze samenleving niet zo’n belangrijke rol.

En dat is ook heel goed te begrijpen. Want kerken vieren met Pasen iets, wat moeilijk voor te stellen en te begrijpen is.


Zelfs de vier evangelisten die ieder op eigen wijze over Pasen en de Opstanding van Christus vertellen, kunnen niet beschrijven maar alleen omschrijven en naar woorden en beelden zoeken voor iets wat ons verstand en hun en onze alledaagse ervaring te boven gaat. Maar ik ben blij, dat de evangelisten geprobeerd hebben de verhalen op te schrijven. Dat ze niet gezegd hebben: “Ach, dat is veel te moeilijk, daar brand ik mijn vingers liever niet aan. Laten we het maar over makkelijkere onderwerpen hebben.”
II.

Waar gaat het bij Pasen eigenlijk om? – We hebben samen het Paasverhaal van Matteüs gehoord. En ik ben verbaasd dat je in oude vertrouwde verhalen elke keer toch weer nieuwe dingen kunt ontdekken.
Wat me opvalt aan het Paasverhaal van Matteüs is hoeveel beweging en hoeveel emoties erin zitten. Het is heel dramatisch – dramatischer dan je denkt.

“Plotseling was er een grote aardbeving.” Met zoiets als een aardschok begint Pasen.

De aarde trilt en beeft en de mensen trillen en beven. Zusters en broeders, ik realiseer me, dat aardbevingen grote angst en paniek bij mensen oproept. Dat is in alle aard-bevingsgebieden zo: in Italië, in Japan, in Indonesië en ook in onze provincie Gronin-gen. - Mensen krijgen het doodsbenauwd, rennen in paniek hun huis uit op zoek naar een veilige plek en zijn in schoktoestand. Ik zie de beelden voor me.

Pasen begint in het evangelie blijkbaar niet met een heerlijk paasontbijt met paaseieren, paasbrood en paashazen. – Gelukkig komt dat later wél. Maar het begint er niet mee.


Het begint met twee diep geschrokken Maria’s en met stoere grafbewakers die meetrillen van angst – en het in hun broek doen. (Soldaten zijn ook maar mensen). Matteüs zegt zelfs dat ze flauw vallen en als dood blijven liggen.

Als dat niet zo ernstig was, zou je om dit ironische detail moeten lachen:

de soldaten hebben de taak om een dode te bewaken, zodat zijn aanhangers zijn lichaam niet kunnen stelen. Maar nu zijn de rollen omgedraaid: zij zijn als dood en de dode leeft. Hoe is het mogelijk! – Dit is het begin van een lange traditie van “risus paschalis” – het lachen van Pasen. Dat is het oude gebruik dat christenen elkaar met Pasen moppen vertellen, om uit te breken in het bevrijdende lachen, het lachen van Pasen – omdat tranen en verdriet uiteindelijk omgekeerd worden in lachen en vreugde. Het is de humor van inzien: de dood wordt uitgelachen, omdat hij het verloren heeft tegen het leven en ook tegen God.

--

De Pruisische koning Frederik (II.) de Grote (1712-86) had blijkbaar een fijne neus voor zulke humor. Hij was bekend voor zijn godsdienstige tolerantie, maar hij vond veel rituelen van de religies bijlgeloof en onzin. Hij kon heel ongeduldig worden, als kerk-leiders hem in godsdienstige ruzies om hulp vroegen.



Op een dag bijvoorbeeld vroeg een gemeente koning Fredrik om hun dominee te ont-slaan, omdat die zogenaamd niet geloofde in de Opstanding.

Frederik de Grote reageerde erg geprikkeld, omdat hij geen begrip had voor zulke meningsverschillen.

Hij nam direct een beslissing in dit conflict en gaf tot antwoord: “Uw dominee blijft! En als hij aan het einde der tijden niet wil opstaan, dan moet hij maar rustig blijven liggen.”

--

III.



‘Het lachen van Pasen’: toch is dat niet het eerste wat ons te binnen schiet als we het Paasverhaal horen. Maria van Magdala en de andere Maria zullen niet direct in de stemming zijn om te lachen en blij te zijn – de schrik zit er nog te diep in. Pas later dringt de vreugde van Pasen tot hen door.
De sabbat is voorbij, de zondag, eerste dag van een nieuwe week, begint met het ochtendgloren. Maar het is niet meteen “Vrolijk Pasen!”
Maria van Magdala en de andere Maria zijn vroeg opgestaan. Zo gauw mogelijk willen ze naar het graf van Jezus gaan. Het is goed dat je ergens naar toe kunt, als je een dierbaar iemand hebt verloren: om te rouwen, om je tranen te laten lopen, misschien om wat bloemen op het graf te leggen en iets te zeggen.

De beide Maria’s komen, niet omdat ze iets bovennatuurlijks verwachten. Nee, ze gaan naar het graf om te rouwen om iemand die ze – zo voelen ze dat – voor altijd hebben verloren.

Zij waren namelijk Jezus en zijn leerlingen een paar jaren gevolgd. Dat was voor hen geweest als een prachtige nieuwe lente. “Het Koninkrijk van God komt eraan, ja het is al midden onder jullie!” had Hij gezegd. Daar hadden ze in geloofd.

Zij hadden begrepen, dat Jezus over het leven hier en nu praatte: over het leven dat wij hier op aarde met elkaar leven; over het leven waarin we ons verheugen over de bloemen op het veld en de vogels van de hemel. Dit leven is een geschenk van God. En zij hadden met Jezus gesproken en geleefd en samen met het merkwaardig bonte gezelschap van mensen om hem heen: vissers en ambachtslieden, tollenaars en zondaars waar de meesten zo’n hekel aan hadden. En vrouwen en kinderen waren er bij.


Deze beide Maria’s hadden van Jezus geleerd, dat ieder mens die je ontmoet, een betekenis heeft. Niemand is voor God overbodig of niet gewenst. Dat had Jezus steeds weer benadrukt in alles wat hij deed en wat hij zei; in hoe hij mensen in de naam van God beter maakte en in wat hij in zijn gelijkenisverhalen over God ver-telde.

Zij waren getuige geweest van de heftige discussies en meningsverschillen tussen Jezus en religieuze leiders van zijn volk. Zij hadden met grote zorg gezien, hoe de weerstand tegen Jezus was gegroeid uit zijn volk, maar juist ook vanuit de Romeinse bezetters.


En toch was het een enorme schok voor hen - en onverwachs, toen Hij op donder-dagavond werd gearresteerd. Zij wisten nu dat een van zijn naasten, Judas, hem aan de Romeinse politie verraden had. Ze hadden gehoord dat zijn vertrouweling Petrus glashard ontkend had dat hij een vriend en volgeling van Jezus was. Zelfs drie keer!

Zij hadden gezien hoe allen gevlucht waren uit angst om ook opgepakt te worden.


De Maria’s hadden uit de verte meegemaakt hoe Jezus op vrijdag geëxecuteerd, terechtgesteld werd. Ze hadden zijn lijden en zijn gruwelijke dood gezien aan het kruis.

Zij waren erbij geweest, toen de Joodse raadsheer Jozef van Arimathia toestemming kreeg van de Romeinse stadhouder Pilatus om Jezus van het kruis af te halen en hoe hij Jezus liefdevol in zijn eigen grafkamer legde. Dat hadden ze allemaal mee-gemaakt.

En nu komen ze om hun rouw en vertwijfeling uit te drukken over het leven dat verloren gegaan was.

IV.


Maar buiten bij het graf, vonden ze niet wat ze verwachtten: namelijk een dood lichaam. Maar ze hoorden de boodschap van de opstanding uit de mond van een – ja wat was het – een engel, een tolk, een ambassadeur, een trooster in het wit?
En weer merk ik, hoe Matteüs zoekt naar beelden en kleuren en symbolen om onder woorden te brengen wat nauwelijks onder woorden te brengen is: een bliksem-flits, een boodschapper van de Heer in kleren zo wit als sneeuw.
De grafsteen is weggerold en daar gaat die boodschapper op zitten – de eerste preekstoel zeg maar. Stel je voor een predikant die de aandacht trekt (niet in een donker pak of een toga) maar met een wit gewaad dat oogverblindend bliksemflitsen afgeeft. Dat is nog wat anders dan die sfeervolle led-lampjes in het witte kruis van “the Passion” in Groningen op Witte Donderdag voor duizenden mensen.

Een stralende witte engel voor maar een handvol mensen: twee Maria”s en een paar grafwachters die op hetzelfde moment uitgeschakeld worden als belachelijke overbodige figuranten; want er is geen dode meer te bewaken. Sneu…zij spelen geen rol meer.

De twee vrouwen, de beide Maria’s spelen wel een belangrijke rol.

“Wees niet bang! Jullie zoeken de gekruisigde, de terechtgestelde dode. Jullie moeten je heroriënteren, want die dode is er niet meer - niet meer als dode maar als de Levende, als de Opgestane zoals Hij gezegd heeft.


Lieve gemeente, misschien begint het ons te dagen, dat Pasen niet alleen een verhaal maar veelmeer nog een boodschap is – een boodschap die nieuw vertrouwen en geloof wil wekken in de beide Maria’s, in de andere leerlingen, ja ook in ons.
Engelen – dat zijn de experts op het gebied van goed nieuws brengen aan geschrok-ken mensen. “Wees niet bang!” of: “Vrees niet!” daarmee begint de Paasboodschap voor de vrouwen.
Pasen is het grote “Ja” van God voor het leven en het “Nee” tegen de dood. Dat klinkt vreemd in een wereld waar op veel fronten de dood het voor het zeggen heeft.

Waar oorlog en ziekte en ongelukken het bestaan van miljoenen raken en verwoesten, waar ook wij sterfelijk zijn en rouwen om mensen die we verliezen - midden in die wereld klinkt die merkwaardige, tegendraadse boodschap van Pasen, van de opstanding uit de dood.


In de oude, eeuwenoude geloofsbelijdenis wordt het zo gezegd: “Wij geloven in de vergeving van zonden, de opstanding uit de doden en het eeuwig leven.”

Dat kun je met je pure mensenverstand alleen niet begrijpen, maar het is heerlijk om daarover te zingen zodat ons hart er vol van wordt, zoals we het in deze dienst ook doen. We onderschatten God te gemakkelijk.


De beide vrouwen, de twee Maria’s mogen het van die paasengel overnemen. Zij worden gestuurd – terug naar Galilea waar het allemaal begonnen is. Waar Jezus ooit zijn eerste volgelingen en leerlingen heeft geroepen en waar hij zijn boodschap begon uit te dragen. De twee vrouwen geven het door aan de discipelen.

En zo komt de bal aan het rollen. De discipelen hebben de bevrijdende Paasbood-schap van hun opgestane Heer ook doorgegeven. De onherroepelijke macht van dood en verderf is opengebroken.


En zo heeft de Paasboodschap ook ons bereikt: Jezus is ons niet alleen voorgegaan door de dood. Maar hij is ons ook voorgegaan naar een bestaan dat hier en nu op aarde begint, en daarmee nog niet afgelopen is. Dat is de wending in de geschiedenis tussen God en ons. Pasen betekent dat God alle ruimte geeft aan het leven, omdat hij ons liefheeft. Liefde neemt het altijd op voor het leven. Liefde vergeeft en schept nieuwe kansen en liefde heeft altijd met toekomst en leven te maken.
En daarom eindig ik nu met die wens: “Vrolijk Pasen!” of zoals katholieken zeggen: “Zalig Pasen!” AMEN.
Muziek OPEN RUIMTE
PAUZE om met elkaar te praten bij een paas-tractatie

Een nieuw paasverhaal

(uit: Onderweg naar Pasen, Vallen en … toch opstaan. Lees en meditatieboekje’, uitg. Berne media)


In een hoekje van een winkelpui zat de oude muzikant, zijn bouzouki stond slordig tegen de muur. Hij was niet van hier, de muzikant, dat zag je aan zijn weemoedige ogen. De venijnige aprilwind waaide door de straten. Hij was opgehouden met spelen. Hij had het koud, ook van binnen. Uit de verte naderde een moeder met haar kind. De ballon in haar hand waaide alle kanten op. Het meisje kon hem maar net houden. Toen ze langs hem liepen, bleef het meisje staan en keek hem onderzoekend aan. Hij glimlachte. In een opwelling zei ze: “Jij bent lief, ze zijn het alleen vergeten tegen je te zeggen”, en gaf hem haar ballon. Verbluft pakte hij de ballon aan en voor hij wat had kunnen zeggen, huppelde ze vrolijk naar haar moeder. “Nou ben je je ballon kwijt”, hoorde hij haar moeder zeggen. “Nee hoor”, zei ze, “ik heb hem aan iemand doorgegeven.”
Het begon zachtjes te regenen en het werd al een beetje donker. sloom pakte hij zijn instrument in. Wat zou hij gaan doen? Het was te vroeg voor de nachtopvang. Met zijn instrument op de rug en de ballon in de hand slenterde hij op weg naar…. dat wist hij niet. Verderop bij de bakkerij, die nog laat open was, kocht hij een broodje. De bakker was de etalage met de paasversieringen al aan het leeghalen. Hij had goed verkocht, alleen in het midden van de etalage stond nog een grote chocoladepaashaas, die overgebleven was. Wat een enorme haas, dacht hij, geen wonder dat hij niet verkocht was. De bakker ving zijn blik, greep de haas en drukte die in zijn handen. “Zalig Pasen”, zei hij. Verbouwereerd stond hij met de haas, én de ballon, in zijn handen. “Dank u wel”, stamelde hij. Zo stapte hij de regen weer in. Straat na straat liep hij af, doelloos. Af en toe keek een passant bevreemd naar de haas. Bij een grote etalageruit bekeek hij zichzelf. Daar stond hij, Nikos de muzikant, met een paashaas in de linker- en een ballon in de rechterhand. Hij was zo bepaald geen reclame voor de geslaagde zakenman, maar toch moest hij een beetje lachen om zichzelf. Twee mensen hadden hem gezien, het meisje en de bakker: het deed hem goed. Zachtjes neuriënd ging hij verder.
De kerkklokken van de grote kerk begonnen te luiden. mensen, op hun paasbest gekleed, kwamen naar buiten, het kerkplein op. Het was Pasen. Aangestoken door het feestelijke geluid van de klokken ging hij tegenover de kerk in een portiek staan en haalde zijn instrument tevoorschijn. Hij zong een Grieks paaslied. Het klonk heel mooi met de bouzouki als begeleiding. Een groep mensen passeerde hem en spontaan zei hij in het Grieks: “Christos Anesti!” Bijna direct klonk het antwoord van een oude dame die hem stralend aankeek: “Alithos Anesti!” De kleine jongen aan haar hand vroeg: “Wat zeggen jullie tegen elkaar, oma?” “Christus is opgestaan! Hij is waarlijk opgestaan”, vertaalde zijn oma. “Dat zeggen alle Grieken tegen elkaar met Pasen”. Nu zei Nikos tegen het jongetje: “Christos Anesti”. En het jongetje antwoordde trots: “Alithos Anesti.” Direct liep hij naar de pastoor en zei tegen hem: “Weet u het al? ‘Christos Anesti!’” En hij zei de pastoor voor wat hij moest antwoorden.
Inmiddels waren er mensen om Nikos heen stil blijven staan en ze vroegen hem nog eens zijn Griekse paaslied, zijn hymne te zingen. Nikos zong het zo goed als hij kon en met elke ademteug stroomde er kracht in zijn lijf. Hij zong en hij zong zich het leven tegemoet, omdat het Pasen was. Iedereen luisterde vol aandacht. Toen het lied uit was, riep het jongetje: “Christos Anesti”. En alle omstanders antwoordden “Alithos Anesti”, terwijl ze Nikos een voor een de hand kwamen schudden. Langzaam vertrok iedereen naar huis. Het jongetje zwaaide nog naar hem.
Met een glimlach op zijn gezicht ging Nikos naar de nachtopvang: hij was gezien, hij had iets ontvangen, hij had zijn lied gegeven, hij was ook een beetje opgestaan, Christus was in hem opgestaan: het was waarlijk Pasen. En de paashaas zou hij daar met alle mensen samen opeten.
Felicia Dekkers.
Zie voor het Paasverhaal in het Grieks met het lied Christos Anesti op www.wlh.nl bij Onderweg naar Pasen.

Zingen: 642:1,2,3,7,8: Ik zeg het allen, dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan…


Gebed en Onze Vader
Collecten
Zingen: 634 (alle 2): U zij de glorie

Zegen Zingen als antwoord op de zegen: 425 Vervuld van uw zegen…


  • Dovnload 38.36 Kb.