Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door: Fabian Desmicht

Dovnload 457.35 Kb.

Door: Fabian Desmicht



Pagina3/10
Datum06.12.2018
Grootte457.35 Kb.

Dovnload 457.35 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Ryszard Kapuscinski (1932-2007)

Ryszard Kapuscinski staat te boek als één van de belangrijkste conflictjournalisten en vertegenwoordigers van de literaire journalistiek. Hij werd geboren op 4 maart 1932 in het Poolse Pinsk, een stadje dat vandaag in Wit-Rusland ligt (Stroynowski, 1989, p. 526; Zakrzewski, z.j.). De traumatische gebeurtenissen van zijn kinderjaren in oorlogstijd maakten diepe indruk op de jonge Ryszard en zouden bepalend zijn voor zijn carrière en levensvisie. “Op school,” zo schrijft hij in zijn Imperium, “moeten we vanaf de eerste les het Russische alfabet leren. We beginnen met de letter s.” Het is de s van Stalin, wiens Vraagstukken van het leninisme verplichte lectuur zijn (Kapuscinski, 1993, p. 16). De streek Polesië werd op dat moment – september 1939 – bezet door Rode-Legersoldaten en NKVD’ers.1 De Russische overmacht en de deportaties die werden uitgevoerd vormden de voornaamste gespreksonderwerpen. Kapuscinski herinnert zich hoe hij zijn klasgenootjes geleidelijk aan zag verdwijnen, tot de klas gehalveerd was.2 Op die manier maakte hij niet alleen op jonge leeftijd kennis met de communistische idealen, maar ook met de gruwelijke schaduwzijde van het stalinisme, met onrecht en geweld. Daarbij leden hij en zijn familie ook nog eens honger en koude. Tegen de honger konden enkel sigaretten nog soelaas brengen, een noodzakelijk kwaad ter vervanging van een nog groter kwaad (Kapuscinski, 1993, pp. 21-27):

We staken hem op. De rook kietelde in de keel en prikte in de ogen. De wereld begon te draaien, wiegen, stond op haar kop. Ik gaf over, mijn hoofd barstte van de pijn. Maar het zuigende, doffe hongergevoel werd minder, verzwakte. Ondanks de walgelijke smaak in de mond, ondanks de kwellende misselijkheid was dit makkelijker te dragen dan de borende, nooit ophoudende behoefte om de buik te vullen, waardoor je ingewanden werden verscheurd. (Kapuscinski, 1993, p. 27)
Tijdens de Duitse bezetting vluchtte de familie Kapuscinski naar een dorp nabij Warschau en Kapuscinski’s vader ging in het verzet. De jonge Ryszard bespiedde de Duitse executiepelotons vanuit het struikgewas en bracht daarover verslag uit aan zijn vader. Na de oorlog lag Warschau in puin, maar Kapuscinski’s gezin bleef er, na een vergeefse zoektocht naar een nieuwe woonplaats, uiteindelijk toch wonen (Tighe, 1996, 922 en 923).

In 1950 schrijft Kapuscinski zich in aan de Faculteit Geschiedenis van de Universiteit van Warschau, waar hij in 1955 afstudeert. Inmiddels is hij ook aan de slag gegaan op de redactie van de krant Sztandar Młodych (Vaandel van de jeugd), een goede leerschool voor de jonge journalist (Stroynowski, 1989, p. 526). Met zijn artikel 'To tez jest prawda o Nowej Hucie’ ('Ook dit is de waarheid over Nowa Huta’) – over de wantoestanden van de Krakause modelstaalfabriek Nowa Huta – vestigde hij meteen zijn naam als kritisch verslaggever (Buford, 1987). Verder zocht hij in talloze dorpjes lezers op die klaagden over onrecht en armoede (Zakrzewski, z.j.). Tot zijn hoofdredactrice Irena Tarłowska hem naar India3 stuurde. Zij gaf hem daarbij een exemplaar van Herodotos’ Historiën, vanaf dan Kapuscinski’s lijfboek. (Kapuscinski, 2005, pp. 16-18). Die eerste buitenlandse reis was een ware ontdekking, maar ook een cultuurshock. Daarvan getuigt hij in volgende passage uit Reizen met Herodotos:



De ware botsing van beschavingen begon daarentegen een paar uur later, toen ik het hotel verliet. Aan de overkant, op een klein pleintje, begonnen zich al vanaf de dageraad riksjarijders te verzamelen, benige, gekromde mannen met magere, pezige benen. […] De gedachte dat ik comfortabel in een riksja zou zitten, die door een hongerig, zwak, amper ademhalend scharminkel zou worden getrokken, vervulde mij met de grootste afkeer, verontwaardiging, schrik. Een uitbuiter zijn? Bloedzuiger? Een ander mens onderdrukken? Ik was immers in precies omgekeerde geest opgevoed. In die geest namelijk dat die amper levende skeletten mijn broeders waren, mijn kameraden, naasten, vlees van mijn vlees. (Kapuscinski, 2005, p. 25)
In het najaar van 1957 ondernam Kapuscinski zijn tweede reis, deze keer naar China (Kapuscinski, 2005, p. 54). In datzelfde jaar maakt hij de overstap van jeugdkrant Sztandar Młodych naar het weekblad Polityka, waarvoor hij tot 1962 zou blijven werken (Stroynowski, 1989, p. 526). Hij schreef er populaire stukken voor de binnenlandredactie, maar kreeg ook de vrijheid om te reizen. Zijn eerste confrontatie met Afrika vond plaats in Ghana in 1958 (Kapuscinski, 2000, pp. 9-18). Daarna schreef hij onder andere ook over Congo. Het was tijdens zijn ontmoetingen met het Afrikaanse vasteland dat Kapuscinski de microbe van de buitenlandse reportage te pakken kreeg. Hier werd zijn interesse gewekt voor landen die het oude (koloniale) regime achter zich lieten met het oog op een betere toekomst zonder honger en ellende (Zakrzewski, z.j.). Bovendien ging Afrika steeds meer Kapuscinski’s voorkeur genieten boven Azië:
In Afrika is het net als in Azië onrustig: opstanden en revoltes, omwentelingen en ongeregeldheden, maar omdat het dichter bij Europa ligt (het water van de Middellandse Zee is de enige grens), hoor je de stemmen van dat continent directer, alsof ze vlakbij opklinken. […] Ik begon ook de kant van Afrika op te gaan omdat Azië me vanaf het begin in verlegenheid bracht. De beschavingen van India, China en de Grote Steppen waren reuzen voor mij, beschavingen die elk op zich een heel leven eisten om ook maar tot enig begrip ervan te komen, laat staan dat ik er een beter zou leren kennen. Afrika daarentegen leek mij meer versnipperd, gedifferentieerd, een veelheid van miniaturen, en daardoor grijpbaarder, toegankelijker. (Kapuscinski, 2005, p. 100).
1962 betekende een andere belangrijke stap voor Kapuscinski. Zijn eerste boek kwam op de markt: Busz po polsku (Het Poolse woud4), een binnenlandse reportagereeks. Ook ging hij werken voor het Poolse Persagentschap PAP, hoofdzakelijk als correspondent vanuit Afrika. Hij zocht er gedurende zes jaar de brandhaarden op die het einde van de koloniale regimes zouden betekenen en bracht daarbij meermaals zijn eigen leven in gevaar. Keerzijde van de medaille was dat hij unieke reportages leverde over plaatsen waar slechts weinigen heen durfden gaan. Verslagen van die reizen staan te lezen in Czarne gwiazdy (Zwarte Sterren) uit 1963 en in Gdyby cała Afryka (Wanneer gans Afrika) uit 1969. In 1967 brengt zijn wanderlust hem korte tijd later in de zuidelijke republieken van de voormalige USSR: Georgië, Armenië, Azerbaidzjan, Toerkmenistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Oezbekistan. Daarover schrijft hij het boek Kirgiz schodzi z konia (Kirghiz stijgt van zijn paard af, 1968) (Stroynowski, 1989, pp. 526-527; Zakrzewski, z.j.). Jaren later, na de val van de Sovjet-Unie, komt Kapuscinski in Imperium (1993) nog terug op deze reis:
Wat verraste me het meest bij deze derde ontmoeting met het Imperium? Wij stelden ons de Sovjetunie voor als een monolithisch blok, waar alles grauw en somber was, bovendien saai en zonder variatie. Niets mocht hier de verplichtende normen te buiten gaan, zich onderscheiden, individuele trekken aannemen. En nu reisde ik naar de niet-Russische republieken van het toenmalige Imperium en wat zag ik? Ondanks het stijve kazernekeurslijf van het sovjetgezag was het de kleine maar oeroude volkeren hier gelukt iets van hun tradities, van hun geschiedenis, van hun – noodzakelijkerwijs verhulde – trots en zelfrespect te bewaren. Ik ontdekte daar een in de zon uitgespreid oosters tapijt dat op veel plaatsen zijn oude kleuren had bewaard en de aandacht trok door de verscheidenheid van zijn originele patronen. (Kapuscinski, 1993, p. 47)
In 1968 vertrok Kapuscinski voor vijf jaar naar Zuid-Amerika, waar hij verslaggever was in Chili, Brazilië en Mexico. Net als in Afrika was hij daar getuige van bloedige onrust en rellen. De schriftelijke neerslag daarvan vormen de boeken Chrystus z karabinem na ramieniu (Christus met een geweer over zijn schouder, 1975) en Wojna futbolowa (De voetbaloorlog, 1978), waarin hij een bizarre oorlog tussen Honduras en El Salvador beschreef.

1974 bracht Kapuscinski opnieuw in Afrika en Azië. Het jaar daarop reisde hij doorheen het Midden-Oosten en verbleef hij tot november 1975 in Angola (Zakrzewski, z.j.). In Jeszce dzien zycia (Nog een dag), verschenen in 1976, beschreef hij hoe Angola zich moeizaam ontdeed van zijn Portugees-koloniale juk. Het begin van het boek typeert Kapuscinski, zowel qua attitude als qua literaire stijl. De schijnbare eenvoud verhult in feite een geniale evocatie van de algehele chaos en wanhoop:


Dit is een zeer persoonlijk boek, een boek over eenzaamheid en verlatenheid. In de zomer van 1975 zei mijn baas tegen me (ik was toen correspondent voor een persbureau): “Dit is je laatste kans om naar Angola te gaan. Heb je er zin in?” In zo’n situatie zeg ik altijd ja. […] De oorlog was in de lente van dat jaar begonnen toen de nieuwe machthebbers van Portugal na het omverwerpen van Salazars dictatuur Angola en de andere Portugese koloniën het recht op onafhankelijkheid toekenden. In Angola waren verschillende politieke partijen, elk tot de tanden gewapend, met elkaar in strijd gewikkeld, en elk van deze partijen wilde de macht veroveren, hoe hoog de prijs – bijna altijd het bloed van hun broeders – ook mocht zijn. De oorlog die deze partijen met elkaar voerden was smerig, hardnekkig en wreed. Iedereen had iedereen tot vijand, niemand was zeker van zijn leven, niemand wist wie hem zou kunnen doden, wanneer en waar. En waarom. Wie kon vluchtte weg uit Angola. Ik ging er juist heen. (Kapuscinski, 1976, pp. 9-10)
In 1978 verscheen naast De voetbaloorlog ook nog Cesarz (De Keizer), een boek over de laatste dagen van de Ethiopische keizer Haile Selassie I (Zakrzewski, z.j.). De combinatie van een wereldwijd bekend, recent en tot de verbeelding sprekend onderwerp en de unieke, anekdotische compositie van het boek zorgde voor Kapuscinski’s internationale doorbraak. Bovendien kon het boek gelezen worden op diverse niveaus, waardoor de boodschap enorm veel mensen aansprak. Het boek was de vrucht van een jarenlange studie. Wanneer zijn dagelijkse journalistieke taak er op zat, ging hij op zoek naar Selassies hoflieden. Hij begint zijn boek als volgt: “Avonden lang heb ik geluisterd naar mensen die bekend waren geweest met het hof van de Keizer. Eens hadden zij behoord tot de paleisbevolking of hadden zij daar het recht van toegang. Slechts weinigen zijn overgebleven” (Kapuscinski, 1984, p. 11). Zo ontdekte hij de andere kant van de waarheid waarover hij dagelijks berichtte. Overdag was hij de buitenstaander-journalist, tijdens de avonduren werd hij onderzoeksjournalist en vertrouwenspersoon van Sellasies naaste medewerkers. Op die manier legde hij de kern van de Ethiopische problemen bloot en die ging terug tot de hoogste staatsorganen. Daarnaast is het werk ook een allegorie op de waanzin en de determinatie tot uitdoven van autoritaire regimes en – meer specifiek – op de dingen die op dat moment in Polen aan de gang waren. Vele Polen gingen de wantoestanden aan het Ethiopische hof lezen als een verborgen kritiek op het Poolse staatsbestel (Tighe, 1996, 927; Weschler, 1990, p. 20). Volgende (vaak geciteerde) getuigenis komt van een hofmedewerker met een waanzinnig beroep. Bij een eerste lectuur overheerst het humoristische effect ervan, maar naderhand wordt duidelijk hoe ook dit detail betrekking heeft op de waanzinnige capriolen van de absolutistische vorst:
Het was een klein hondje van een Japans ras. Het heette Lulu. Het mocht in het bed van de Keizer slapen. Bij diverse gelegenheden ontsnapte het aan de keizerlijke knieën en plaste dan op de schoenen van de hoogwaardigheidsbekleders. Het was die hoge heren niet toegestaan om iets te laten merken, om ook maar een gebaar te maken wanneer ze voelden dat er vocht in hun schoenen doordrong. Ik had tot taak tussen de daar staande hoogwaardigheidsbekleders door te gaan om hun de urine van de schoenen te vegen. Daarvoor gebruikte ik een satijnen doek. Dat was gedurende tien jaar mijn functie. (Kapuscinski, 1984, pp. 13-14).
Net als zijn collega’s moest Kapuscinski oppassen voor censuur, maar aangezien De Keizer nergens rechtstreeks naar Polen verwijst, kon men hem moeilijk iets ten laste leggen. Wanneer censoren zich toch vragen begonnen te stellen bij zijn tekst, wist hij de aanklacht om te buigen in het nadeel van de censor zelf. Dat leren we uit volgende passage uit een interview met Kapuscinski. Het fragment vertelt veel over Kapuscinski’s persoonlijkheid. Als auteur was hij bekommerd om de integriteit van zijn tekst. Om die te beschermen komt hij bijzonder combattief en vindingrijk uit de hoek:
The Emperor was published in a serialisation in Kultura. It started very innocently and nobody noticed. First piece, second piece, third, fourth. Then the censor and the Central Committee began to complain that something had ‘gone wrong’ with this text. We decided that if anybody in censorship tried to make trouble for us we would report them to the Party Control Bureau, saying there is somebody who dares to compare this corrupt fascist dictatorship of Haile Salassie [sic] with the excellent leadership of Comrade Gierek. Who could say such a thing? Who could dare to see the text in this way? We were going to make a case against this censor and get him sacked from the Party. We said: ‘Take away a piece of this text and next day you will be before the Party Control Bureau.’ […] When the book appeared, of course, there was an outcry: ‘How did such a thing happen?’ It’s a good example of how we turned these handicaps to our own advantage.5 (Tighe, 1991, p. 103; Tighe, 1996, 934).
Tot in 1981 zou hij nog schrijven voor het PAP, het maandblad Kontynenty en het weekblad Kultura (Stroynowski, 1989, p. 527). Ondertussen was Kapuscinski een gevierd journalist geworden. Hij behoorde tot een generatie bekende en gerespecteerde journalisten (waaronder Hanna Krall en Jerzy Lovell) die ongeveer dezelfde leeftijd hadden, opgegroeid waren met de jeugdbeweging van de Partij en een harde, maar subtiele en allusieve stijl hadden ontwikkeld als antwoord op de censuur en op hun toenemende teleurstelling in de Partij (Tighe, 1996, 925).

Szachinszach (De Sjah aller Sjahs, 1982) was Kapuscinski’s volgende meesterwerk. Het handelt over de Iraanse revolutie van 1979. Net als De Keizer valt het op door zijn intrigerende compositie. De ontwikkeling van het feitenverhaal loopt samen met de moeizame ordening van de foto’s, papiertjes, brieven, interviewopnamen en andere documentatie die Kapuscinski tijdens zijn verblijf in Iran had verzameld. Intussen is Ayatollah Khomeini aan de macht en de chaos op Kapuscinski’s hotelkamer is evenredig aan de verwarring en de oproer die het religieuze fanatisme met zich meebrengt. Op die manier wordt de lezer niet alleen op de hoogte gebracht van de gebeurtenissen, maar is hij ook getuige van de manier waarop Kapuscinski betekenis tracht te geven aan de wirwar van feiten die hij in een inzichtelijk relaas met de wereld wil delen (Aucoin, 2001, 10).
Tijdens de jaren ‘80 bleef Kapuscinski reizen, schrijven, lezingen geven en prijzen binnenhalen. Niet veel is bekend over deze periode. Belangrijk is dat hij zich in augustus 1980 samen met een kleine groep collega-journalisten verbond aan de Solidarnosc-beweging van Lech Walesa en de stakers in Gdansk.6 Van zijn hand verscheen op 14 september 1980 het artikel ‘Notatki z Wybrzeza’ (‘Nota’s van de Kust’7) in het weekblad Kultura (Ost, 1990, pp. 10 en 224; Tighe, 1996, 936). Daarin beschreef hij het ontstaan van een sterke arbeidersklasse, zoals het communisme die bij zijn oorsprong voor ogen had:
The workers on the Coast have smashed the old stereotypes of the “dumb prole”. […] The young face of a new generation of workers has emerged: thoughtful, intelligent, conscious of its place in society, and most importantly, committed to drawing all the consequences of the ideological foundations of this system, according to which it is their class that plays the leading role in society. (Ost, 1990, p. 10)
In Lapidarium I (1990) beschreef hij zeer scherp de dubbele aard van de staking:
Hoe langer de staking duurde, des te sterker de wil om vol te houden. In die dagen verdronken de poorten van de werf en de ingangen van de andere bedrijven in bloemen. Want de augustusstaking was tegelijk een dramatisch gevecht en een feest. Een gevecht om de eigen rechten en het feest van de Rechte Ruggen en Opgeheven Hoofden (Kapuscinski, 2003, p. 11)
Voor deze en soortgelijke geschriften werd hij door generaal Wojciech Jaruzelski van zijn journalistieke functies beroofd. Daarop besloot hij de dissidente cultuur te ondersteunen met undergroundpublicaties (Kaufman, 2007). Hij ontpopte zich zelfs tot dichter, waarvan de verzameling Notes (Notitieboek) uit 1987 een eerste uiting was (Stroynowski, 1989, p. 527). Ook begon hij freelance te schrijven voor The New Yorker, The New York Times Magazine, Granta en andere Engelstalige bladen (Bernstein, 2007; Kaufman, 2007).

In 1990 verscheen Lapidarium I, een verzameling fragmenten en momentane invallen over een veelheid aan onderwerpen gaande van dagboeknotities en terugblikken tot reflecties op de media en de huidige machtsverhoudingen in de wereld. In 2007 verscheen in Polen Lapidarium VI, voorlopig het laatste deel. Naast begenadigd journalist, auteur en dichter, toont Kapuscinski zich hier ook als onafhankelijk denker, als gevat aforisticus en bovendien als iemand met oog voor politieke tendensen en revoluties. In 1987 schreef hij het volgende:


De huidige tendens, die het veelbelovendst is, is de groei van de democratie:

  • de jaren zeventig: de val van dictaturen in Europa (Griekenland, Portugal, Spanje) en in Afrika (Amin, Bokasse, Nguabi);

  • de jaren zeventig en tachtig: de geleidelijke liquidatie van dictaturen en militaire junta’s in Zuid-Amerika (met uitzondering van Chili en Paraguay), in Afrika (Obote) en Azië (de val van de sjah in Iran)

  • de jaren tachtig: de tijd van Solidarnosc in Polen, het begin van de democratische opstand in de Sovjet-Unie,… (Kapuscinski, 2003, p. 39)

De beschrijvingen van de val van oude (koloniale of dictatoriale) regimes en de daarop volgende opkomst van democratie in diezelfde landen vormt de rode draad doorheen Kapuscinski’s oeuvre. Bij tal van bovengenoemde revoluties was hij als verslaggever aanwezig geweest. Net zoals hij eerder schreef over de omwentelingen in Afrika en Zuid-Amerika, was de tijd nu – eind jaren ’80 – rijp voor een reis door de desintegrerende Sovjet-Unie (Zakrzewski, z.j.). Die ondernam hij in de periode 1989 tot 1991. In 1993 verscheen daarover Imperium, een indrukwekkend verslag waarin – en dat typeert Kapuscinski – niet wordt gefocust op de Moskouse beslissingen, maar wel op de tradities en het alledaagse leven van de meest diverse Russische streken en republieken, daarbij blijk gevend van zijn merkwaardige belezenheid. De dingen die hij leest en om zich heen ziet, geven vaak aanleiding tot het ventileren van zijn visies op het communisme, op de vrijheid van denken en op de geschiedenis:


Hoe is het communisme gebouwd? Het communisme is gebouwd door Stalin, geholpen door de toezichtlozen.8 Miljoenen verweesde kinderen, hongerig en haveloos, zwierven over de wegen van Rusland. Ze stalen wat er te stelen viel. Stalin sloot ze op in internaten. Daar leerden ze de haat, en toen ze volwassen waren, kregen ze NKVD-uniformen. De NKVD hield het volk gevangen in een dierlijke angst. En dat heet dan communisme. (Kapuscinski, 1993, p. 144)
De compositie mag dan misschien niet die van eerdere meesterwerken als De Keizer en De Sjah aller Sjahs evenaren en onevenwichtig zijn (Starink, 1994), ze toont wel zeer duidelijk hoe Kapuscinski tijdens zijn leven in contact kwam met het Imperium, beginnend bij de herinnering aan de Sovjetinvasie in zijn geboorteplaats Pinsk. Bovendien “schilderen de afzonderlijke reportages samen een groot fresco: de afbrokkeling van het Rode Rijk” (Peirs, 2000). Een andere kritische bemerking is dat het werk “om de een of andere reden ook de conciesheid mist die hem tot zo’n goed schrijver maakt” (Starink, 1994). En inderdaad, de stijl is anders, maar niet zonder reden. In Lapidarium II (1996) gaf Kapuscinski zelf te kennen dat hij schreef volgens de aloude retorische eis van het decorum:
Doorgaans probeer ik korte zinnen te schrijven, aangezien ze tempo en beweging scheppen. Ze zijn snel en maken het proza helder. Maar toen ik aan Imperium werkte, werd ik mij er opeens van bewust dat de beschrijving hier langere zinnen vereiste. De stijl van mijn beschrijvingen veranderde compleet. Dat was het gevolg van de uitwaaiering van het thema dat men niet in korte zinnen kan vatten. De stijl moet bij het onderwerp passen. De beschrijving van het weidse, uitgestrekte Russische landschap vereiste lange zinnen. (Kapuscinski, 2003, p. 53)
In de jaren ’90 van de vorige eeuw reisde Kapuscinski nog veel, maar blikte ook vaak terug op zijn rijk gevulde carrière. Naast de Lapidarium-reeks, die werd verdergezet, schreef hij in 1998 Heban (Ebbenhout). Anekdotische heldenverhalen met hemzelf in de hoofdrol behoorden niet tot het opzet. Bovenal trachtte Kapuscinski te verklaren hoe het Afrika de voorbije halve eeuw verging: van het optimisme in de jaren ’60, over de desillusies van de jaren ’70 en ’80, tot de humanitaire drama’s van de jaren ’90 (Vidal, 2000). Daarmee deed hij zijn reputatie als “chroniqueur van de dekolonisatie” alle eer aan (Schaevers, 2000, 31). Aansluitend bij Ebbenhout, bracht Kapuscinski in de herfst van 2000 Z Afryki (Uit Afrika) uit, een fotoboek (Zakrzewski, z.j.).

Kapuscinski wijdde zijn laatste werk aan de man die hem op elk van zijn reizen vergezelde. Zoals Heinrich Schliemann Troje blootlegde met “Homeros in zijn hand”, zo zwoer Kapuscinski bij die andere grootmeester uit de Griekse literatuur: Herodotos. Hij noemde diens Historiën “de allereerste reportage uit de wereldliteratuur”. Gefascineerd door wat Herodotos zei over de plaatsen die hijzelf 2500 jaar later zou bezoeken, had hij het boek altijd en overal bij de hand. In die zin is hij niet alleen fan van Herodotos, hij voelt zich tot op zekere hoogte ook één met Herodotos. In verband met de representatie van de werkelijkheid schrijft Kapuscinski – met een knipoog naar de kritiek die hijzelf te verduren kreeg – het volgende:


Herodotos ziet zich voor een onoplosbaar dilemma geplaatst; enerzijds wijdt hij zijn leven aan de pogingen de historische waarheid te bewaren, ‘om de daden der mensheid niet aan de vergetelheid prijs te geven’, anderzijds vormt niet de werkelijke geschiedenis de belangrijkste bron van zijn onderzoek, maar de geschiedenis verteld door anderen, één dus die hen zo voorkwam, die dus selectief werd onthouden en later intentioneel werd voorgesteld. Kortom, het is geen objectieve geschiedenis, maar één die Herodotos’ gesprekspartners zichzelf zouden toewensen. Aan deze discrepantie valt niet te ontkomen. We trachten haar te minimaliseren of te verzachten, maar we zullen nooit een ideale toestand bereiken. (Kapuscinski, 2005, p. 260)
Op 23 januari 2007 stierf Kapuscinski in een ziekenhuis in Warschau na een hartoperatie. Het Poolse parlement hield een minuut stilte (Schelstraete, 2007, 24). Overal ter wereld verschenen overlijdensberichten vol lovende woorden en epitheta. Gabriel García Márquez – “Kapuscinski is de enige echte meester van de journalistiek” (Bajak, 2007) – en Salman Rushdie – “Een combinatie van reportage en literaire kunst die vleugels geeft aan onze verbeelding” (de Boose, 2007a, 88) – werden aangehaald om te beschrijven wat voor verlies de journalistiek en de literatuur heeft geleden.

In schril contrast met deze lofbetuigingen staan de beschuldigingen van het Poolse Newsweek als zou Kapuscinski een spion zijn geweest in dienst van de Poolse regering. Af en toe zou hij een summier verslagje hebben ingediend, maar hij zou nooit mensen hebben verraden of aangegeven (de Boose, 2007b, 80; Leyman, 2007; Traynor, 2007). In een reactie op het artikel van Dirk Leyman van het gerenommeerde online literaire tijdschrift De Papieren Man nuanceert dichteres en slaviste Jo Govaerts het nieuws. Het Poolse artikel uit Newsweek stuurde niet zomaar een loze beschuldiging de wereld in. Op basis van Kapuscinski’s dossier bij de geheime politie werd immers duidelijk dat hij een overeenkomst had gesloten met de inlichtingendienst om informatie te verschaffen over de toestand in de landen die hij bezocht. Volgens Govaerts zou het bijna naïef zijn om te denken dat er geen contact was, want reizen – zeker als journalist – was geen sinecure (Leyman, 2007). De Britse Europa-correspondent voor The Guardian, Ian Traynor, volgde een soortgelijke gedachtelijn in zijn online artikel ‘Kapuscinski Could Not Have Written Without Compromises’:


It was a priviliged career and it is hardly surprising that a price had to be paid. Unless he signed a piece of paper for the security service, noted Ernest Skalski, a friend of the writer and a founder of the communist bloc's first independent newspaper, Gazeta Wyborcza in Warsaw, Kapuscinski would not have been Kapuscinski, free to exercise his reportorial genius. (Traynor, 2007)
Postuum verscheen in 2008 in Nederlandse vertaling nog De Ander (in Polen reeds in 2006 uitgebracht als Ten Inny), een voordrachtenbundel waarin Kapuscinski laat zien hoe belangrijk de filosofie van Emmanuel Levinas (1906-1995) voor hem was. Het boekje wordt ook wel gezien als zijn testament omdat het kenmerkend is “voor de mentaliteit waarvan zijn oeuvre doortrokken is”, zoals de flaptekst van het boekje vertelt.

Centraal in de filosofie van Levinas en zijn begrip van het menszijn staat de relatie van ‘ik’ tot ‘de ander’, een relatie die aan de oorsprong ligt van waarde en moraal. In die relatie tot ‘de ander’ ontstaat een primaire verantwoordelijkheid ten opzichte van die ander. Die kan de (negatieve) vorm aannemen van een gebod: je mag iemand anders niet van zijn ‘andersheid’ beroven. Ook kan die verantwoordelijkheid positief geformuleerd worden als een aantrekking, een appel of een uitnodiging om de normen en waarden te respecteren bij het aanschouwen van ‘het gelaat’ van ‘de ander’. De joodse Levinas werd tijdens de Tweede Wereldoorlog persoonlijk getroffen en maakte de neergang van beschaving en moraal van dichtbij mee. Daaruit is zijn filosofie gegroeid, maar ondanks de verschrikkelijke ervaringen geloofde hij wel nog in de vrijheid van de mens en zag hij oorlog niet als de vader aller dingen, zoals Heraclitus dacht. De filosofie was voor Levinas een geschikt middel om de ware aard van het geweld op het spoor te komen (Duyndam & Poorthuis, 2003, pp. 8-20).

Reeds in Lapidarium II (1996) noemde Kapuscinski zichzelf de ‘onderzoeker van de andersheid’ (de Boose, 2007, 88; Kapuscinski, 2003, p. 52). Niet alleen werd zijn vroege leven getekend door oorlogsellende, hij zou zelf nog decennialang getuige zijn van soortgelijke taferelen in het buitenland. Met zijn bundel De Ander wilde hij – met Levinas als leermeester – aan de komende generaties “de ontmoeting met de ander als uitdaging voor de eenentwintigste eeuw” meegeven. Tijdens zijn leven had Kapuscinski vele boodschappen. De laatste oproep van de oorlogsreporter is er een van vrede en wederzijds begrip, van rekening houden met ‘de ander’.
De keuze voor oorlog lijkt me moeilijk te rechtvaardigen. Ik denk dat oorlog alleen maar verliezers kent omdat hij een nederlaag voor het menselijk wezen betekent; hij legt het menselijk onvermogen bloot om met de Ander te communiceren, ons in de Ander in te leven, ons vriendelijk en verstandig te gedragen. In zo’n geval loopt een ontmoeting met de Ander altijd tragisch af, draait deze uit op een bloederig, dodelijk drama. (Kapuscinski, 2008, p. 101)
Oorlogen ziet Kapuscinski als het falen van de menselijke communicatie. In De Ander schetst hij de multiculturele complexiteit van de wereld vandaag en houdt hij een warm pleidooi tegen een vijandelijke opstelling ten opzichte van ‘de ander’. Voor Kapuscinski waren vrijheid en sociale waarden van kapitaal belang. De sterkte van zijn werk schuilt niet alleen in zijn elegante literaire stijl, maar ook in zijn vermogen om uit concrete historische gebeurtenissen de universele menselijke ervaring bloot te leggen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat De Keizer en zijn andere boeken vaak werden gelezen als allegorieën op de vrijheid en de dictatuur. Voor Kapuscinski waren mensen overal ter wereld gelijk, ongeacht hun afkomst of rijkdom, en het moest dus mogelijk zijn om vredevol samen te leven. (Zalewski, 2008). In die zin is het inderdaad niet vreemd dat De Ander wordt bestempeld als zijn testament.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Dovnload 457.35 Kb.