Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door: Fabian Desmicht

Dovnload 457.35 Kb.

Door: Fabian Desmicht



Pagina4/10
Datum06.12.2018
Grootte457.35 Kb.

Dovnload 457.35 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Kapuscinski en de literaire journalistiek

Kapuscinski wordt een vertegenwoordiger van de literaire journalistiek genoemd. We zullen nagaan wat de term precies inhoudt en of Kapuscinski daadwerkelijk onder deze categorie valt. James Aucoin boog zich eerder al over de kwestie in zijn artikel ‘Epistemic Responsibility and Narrative Theory. The Literary Journalism of Ryszard Kapuscinski’ (2001). Zoals de term al aangeeft, is de literaire journalistiek een mengvorm van literaire en journalistieke elementen. In onderstaande paragrafen verbinden we Kapuscinski’s werk aan de literair-journalistieke traditie. In het volgende hoofdstuk bieden we bij wijze van voorbeeld en bewijs een analyse van Nog een dag (1976).


    1. De literaire journalistiek

      1. Afbakening en definitie



Lezen over literaire journalistiek kan verwarrend zijn. Ten eerste worden er tal van synonieme termen gebruikt zoals ‘narrative journalism’, ‘creative non-fiction’, ‘literary nonfiction’, ‘art-journalism’, ‘nonfiction novel’, ‘essay-fiction’, ‘factual fiction’, ‘journalit’, ‘nonfiction reportage’, ‘New Journalism’, ‘artistic journalism’,…9 (Abrahamson, 2006, 430; Aucoin, 2001, 6; Hartsock, 2001, pp. 3 en 4). Ten tweede wordt de term zowel door academici als door literaire journalisten op verschillende manieren beschreven. Zo kom je tot objectieve (met gradaties naargelang de criteria die gebruikt worden), maar ook tot hoogst persoonlijke invullingen (bijvoorbeeld in het boek Meer dan de feiten (2007), waarin Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk 13 gesprekken met auteurs van literaire non-fictie opnamen). Ten derde bestaat er de mogelijke verwarring met een gelijknamig begrip waarachter evenwel een andere inhoud schuilgaat. Zo bedoelen Nel Van Dijck en Susanne Janssen met de term ‘literaire journalistiek’ in hun artikel ‘De reuzen voorbij’ (2005) de journalistiek over literatuur of de literaire kritiek in dag- en weekbladen en niet de “form of writing that combines the literary devices of fiction with the journalistic techniques of nonfiction” (Applegate, 1996, p. xi). Deze laatste definitie komt overeen met de gangbare beschrijving van de literaire journalistiek zoals die in deze meesterproef zal besproken worden.

New Journalism is voor sommigen een synoniem voor literaire journalistiek, maar volgens professor literaire journalistiek Edd Applegate – bijgestaan door diverse journalisten en adacemici – is het “an umbrella term that encompasses several forms of journalism”, waaronder literaire journalistiek (1996, p. xi). Uiteenlopende opdelingen10 werden voorgesteld, maar een definitieve opdeling gaf Applegate in zijn biografisch woordenboek over New Journalism niet, waardoor het precieze onderscheid tussen literaire journalistiek en New Journalism niet duidelijk wordt. In dat opzicht is het aangewezen verder te gaan op de vaste elementen die Tom Wolfe (1973, pp. 31-32) toekende aan het New Journalism: (1) constructie van het verhaal aan de hand van scènes (i.e. een selectie van betekenisvolle momentopnamen), eerder dan aan de hand van een uitgebreid en compleet historisch relaas, (2) het gebruik van dialoog, (3) het vertelperspectief van een derde persoon (4) aandacht voor details uit het alledaagse leven (waardoor de status van de personages wordt onthuld). John Hollowell (1977, pp. 25-26) voegde daar nog aan toe: (5) interne monoloog of de gedachten van een personage en (6) het composiete karakter van de personages en de aandacht voor hun gedragingen (Applegate, 1996, p. xiv). Ook legde Hollowell in Fact and Fiction (1977), zijn pionierswerk over de nieuwe journalistieke vormen van de jaren ’60 en ’70, de onderwerpen vast die door de New Journalists verkend werden: (a) beroemdheden, (b) jongeren(sub)cultuur en nieuwe of evoluerende culturele trends, (c) ‘grote’ gebeurtenissen zoals criminele daden of anti-oorlogsprotest en (d) algemene sociale en politieke thema’s (Applegate, 1996, p. xvi).

Hoewel Applegate de literaire journalistiek een deel van het New Journalism noemt, slaagt hij er zelf niet echt in om de verschillen en overeenkomsten duidelijk te maken. Dat ligt evenmin binnen het opzet van deze meesterproef. Als we echter de logica volgen, gelden de kenmerken van het New Journalism ook voor de literaire journalistiek. Bovendien werd de term New Journalism het meest frequent gebruikt om de new nonfiction ofwel de literaire journalistiek te beschrijven (Applegate, 1996, p. xiv; Dennis, 1971, p. 2).

      1. Historisch: een oud genre voor nieuwe noden

Al sinds de 18de eeuw is er sprake van literaire journalistiek. Daniel Defoe, Charles Dickens, Mark Twain en George Orwell zijn maar enkele van haar illustere vertegenwoordigers (Applegate, 1996, p. xi). Het journalistieke genre is dus minstens even oud als wat wij vandaag de conventionele, ‘objectieve’ journalistiek11 noemen:


[…] before objective journalism rose to dominance in the early twentieth century, much of the costumary trade practices of the journalism of the day could be loosely characterized as literary journalism. In fact, although the term “New Journalism” refers to nonfiction writing that emerged in the 1960’s, the phrase was actually first used in the 1890’s to describe a contemporary journalistic trend foregrounding evocative narrative detail. (Abrahamson, 2006, 431)
Ondanks de lange traditie is vooral de opkomst van het New Journalism van de jaren 1960 en 1970 bepalend geweest. Tijdens de sociale revolutie in die tijd werden de regels en formules van de conventionele journalistiek als beperkend ervaren. Vele journalisten ondervonden weinig voldoening van de manier waarop ze gedwongen werden met hun journalistieke materie om te gaan. Bovendien vonden ze de conventionele journalistiek ontoereikend om het sociale tumult van de periode te kunnen vatten. Ook stelden ze zich ernstige vragen bij het concept ‘objectiviteit’ dat traditioneel met de journalistiek werd geassocieerd (Abrahamson, 2006, 431; Applegate, 1996, p. xiii). Een nieuwsbericht is ten eerste gefundeerd op bepaalde politieke vooronderstellingen. Ten tweede kan de vorm waarin het bericht gesteld is zijn eigen ‘bias’ of vooringenomenheid met zich meebrengen. Ten derde is het proces van nieuwsgaring voor de constructie van de realiteit in hoge mate afhankelijk van officiële bronnen (de zogenaamde ‘primary definers’) zoals politici en bedrijfsleiders (Applegate, 1996, p. xiii; Schudson, 1978, pp. 184-185).

De journalistiek was nooit tevoren bestookt met zulke pregnante vragen. Journalisten als Tom Wolfe, Gay Talese, Rex Reed, Truman Capote en Hunter S. Thompson gingen op zoek naar nieuwe vormen, duikelden daarbij de oude literaire journalistiek op en noemden het New Journalism. Ze wendden een literaire vorm en schrijfstijl aan om de emotionele impact van de journalistieke verhalen te bewerkstelligen, waardoor het verhaal een menselijke inslag kreeg, zonder de journalistieke objectiviteit erger te schaden dan de conventionele journalistiek (Applegate, 1996, p. xiii). In het eerste hoofdstuk van The Right Stuff (1979) beschrijft Tom Wolfe bijvoorbeeld hoe vele Amerikaanse piloten na de Tweede Wereldoorlog om het leven kwamen als testpiloten. In het gewone nieuws werden de ongevallen wel vermeld, maar er was geen plaats voor het gevoel van de piloten, voor hun drang om te vliegen en voor hun onderlinge verbondenheid: “the brotherhood of the right stuff” (het verbond van piloten die ‘the right stuff’ bezaten om zich uit eender welke situatie te redden). Ondanks zijn literaire bewerking werd het journalistieke verhaal niet minder objectief. In feite werd er zelfs een completer beeld geschetst, want de gebeurtenissen werden verbonden met hun menselijke motivaties. Nog in The Right Stuff uitte Tom Wolfe meermaals zijn ongenoegen met de pers. Hij vertelt dat het magazine Life de exclusieve rechten had verworven om persoonlijke verhalen en foto’s van de astronauten en hun gezinnen te publiceren. Life creëerde echter gekuiste versies van de werkelijkheid. Dat één van de echtgenotes al een huwelijk achter zich had, werd bijvoorbeeld stilgezwegen. Volgend voorbeeld bevat kritiek tegen een soortgelijk loopje met de realiteit. De vrouw van astronaut John Glenn werd verbloemend beschreven als iemand met een “licht spraakgebrek”, terwijl ze in werkelijkheid hevig stotterde. Wolfe vertelt het voorval met een flinke dosis ironie:


Look at what they [Life magazine] did with John Glenn’s wife, Annie. Annie was a good-looking and highly capable woman, but she had what was referred to as a “slight speech impediment” or a “hesitation in her speech”. The truth was that she had a terrific stutter, the classic kind, the kind in which you get hung up on a syllable until you either force it out or run out of breath. Annie was game about it, and she would hang in there until she said what she wanted to say, but it was a real disability – everywhere except in Life magazine. In Life magazine there were going to be no ferocious stammering jackhammer stutters on the home front. (Wolfe, 1979, p. 133)

De New Journalists revolteerden tegen de zogenaamde ‘inverted pyramid’12. Door hun nieuwe stijl braken ze los uit het journalistieke keurslijf en vonden ze eindelijk de juiste taal om hun journalistiek onderzochte onderwerpen op een adequate en vrije manier te beschrijven. Doordat ze zich niet hoefden te houden aan de ‘inverted pyramid’ was er meer ruimte voor contextualisering, waardoor de gebeurtenissen meer diepgang kregen en gekaderd werden in hun bredere sociaal-maatschappelijke ontwikkeling. Zoals we eerder reeds zagen, werd er volop geschreven en gediscussieerd over definities en kenmerken. Wolfe geldt waarschijnlijk als de belangrijkste theoreticus van het New Journalism, maar ook zijn gelijkgestemde collega’s wierpen zich op als vurige verdedigers van de nieuwe stroming (Applegate, 1996, p. xiii).


      1. Journalistieke objectiviteit en de werkelijkheid als betekenis



Het New Journalism mag dan misschien wel de traditionele opvatting van journalistieke objectiviteit hebben geproblematiseerd en zijn toevlucht genomen hebben tot literaire technieken, maar dat betekent niet dat ze het fictionele aspect van de literatuur heeft overgenomen. Integendeel. Een onderwerp gebaseerd op de werkelijkheid blijft nog steeds het uitgangspunt. Net zoals in de traditionele journalistiek gaat het nog altijd om feiten, maar ze worden niet zelden bekeken vanuit een veel breder perspectief, dat niet de gebeurtenissen van één dag wil beschrijven, maar een ganse evolutie. Een nieuwsbericht in een krant heeft een typisch journalistieke schrijfstijl, beantwoordt het wie? wat? waar? waarom? wanneer? en hoe? van een bepaalde gebeurtenis, staaft zijn bevindingen met citaten en presenteert eventueel enkele verschillende standpunten. De literaire journalistiek gaat op een creatievere manier om met deze journalistieke elementen en biedt zo een alternatief voor de traditionele journalistiek die evenmin objectief de werkelijkheid kan reflecteren.13 De literaire journalist toont zich betrokken bij het onderwerp waarover hij schrijft. Zijn relatie tot de beschreven personen en gebeurtenissen is veel persoonlijker en directer van aard, wat juist aanleiding geeft tot subjectievere beschouwingen met impressies, opvattingen, emoties en significante details van gebeurtenissen en menselijke gedragingen. Op die manier wordt er gewezen op de grenzen van de journalistieke objectiviteit, waardoor de literaire journalistiek juist een hogere vorm van objectiviteit in zijn mars heeft, ook al wordt sommige informatie over het hoofd gezien of lichtjes aangepast met het oog op een dramatisch effect (Applegate, 1996, pp. xv en xvi; Aucoin, 2001, 6; Connery, 1992, p. 6). Tom Wolfe verdedigde zijn werkwijze als volgt:
The kind of reporting we were doing was more intense, more detailed, and certainly more time-consuming than anything that newspaper or magazine reporters, including investigative reporters, were accustomed to. We developed the habit of staying with the people we were writing about for days at a time, weeks in some cases. We had to gather all the material the conventional journalist was after – and then keep going. (Wolfe, 1972, 43 en 45)
Literair-journalistieke teksten worden gepubliceerd in kranten en tijdschriften, maar ook boeken vormen een geschikt medium. Daarvan is Truman Capote’s In Cold Blood (1966) een mooi voorbeeld. Naast het feit dat de literair-journalistieke boeken de typische kenmerken van de literaire journalistiek overnemen, presenteren ze gebeurtenissen ook als ‘betekenissen’. De auteur beschrijft niet alleen, maar interpreteert ook. Dit in tegenstelling tot traditioneel-journalistieke werken, die minder aandacht besteden aan interpretatie en analyse (Aucoin, 2001, 6; Weber, 1980, pp. 2-3). De zoektocht naar de diepere betekenis van gebeurtenissen en menselijke handelingen werd ooit zeer treffend verwoord door Ron Rosenbaum, een vaste waarde in de hedendaagse Amerikaanse literaire journalistiek:
Literary journalism isn’t about literary flourishes. It isn’t about literary references. Literary journalism at its best asks the questions that literature asks: the nature of human nature and its place in a meaningless or perhaps meaningful cosmos. (Abrahamson, 2006, 431; Cavanaugh, z.j.)
Abrahamson (2006, 433) benadrukt daarbij dat er geen inherent conflict hoeft te bestaan tussen de feiten en het geschreven journalistieke verhaal. Een feitelijke basis blijft een vereiste voor literaire journalistiek. We moeten ons er wel van bewust zijn dat de waarheid zich in verschillende vormen kan manifesteren en dat er verschillende manieren zijn om over de waarheid te rapporteren. De Duitse fysicus Werner Heisenberg, één van de grondleggers van de kwantummechanica, schreef in 1958 over het objectief meten van de fenomenale wereld dat “what we observe is not nature in itself but nature exposed to our method of questioning” (Hartsock, 1999, 441; Heisenberg, 1958, p. 58). Elke cultuur, elk schrijver maakt andere selecties en legt andere accenten. John C. Hartsock verdedigde de literaire journalistiek door gebruik te maken van de kwantummechanica en verwees daarvoor naar de woorden van Lee Smolin, een voornaam hedendaags theoretisch fysicus: “Quantum mechanics does not give a complete picture of reality […] This means that there are things that are true about the world that quantum mechanics cannot represent” (Hartsock, 1999, 443; Smolin, 1997, p. 250). Dat we de werkelijkheid allemaal op een andere manier percipiëren is zeker. De literaire journalistiek, die niet alleen beschrijft maar ook interpreteert (per definitie een persoonlijke aangelegenheid) maakt met andere woorden minstens zoveel aanspraak op waarheidswaarde als de conventionele journalistiek, want in tegenstelling tot die conventionele journalistiek vestigt ze de aandacht op de onvermijdelijke gebreken van het beeld dat geschetst wordt.
      1. Literatuur en/of journalistiek?



Omdat de literaire journalistiek een intersectie is van literatuur en journalistiek, heeft menig academicus beargumenteerd dat ze in één van de twee velden thuishoort. Bij de categorisering als literatuur baseert men de beoordelingen op narratieve cohesie, waarschijnlijkheid en andere literaire criteria. Een onderscheid tussen feit en fictie wordt daarbij doorgaans angstvallig vermeden. Aan de andere kant van het spectrum staan de verdedigers van de literaire journalistiek als journalistiek genre (Aucoin, 2001, 6). Zij hanteren het criterium van de verifieerbaarheid. De verhaalinhoud moet verifieerbaar zijn en gebaseerd op echte mensen, plaatsen en gebeurtenissen. Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik maandag sprak met Jan Smits, dan moet nagegaan kunnen worden of er wel een Jan Smits is, of ik effectief met hem sprak en of dat op maandag en niet op een andere dag gebeurde. (Aucoin, 2001, 7; Connery, 1992, p. xiv). Daarmee verbonden is het criterium van de accuraatheid. De accuraatheidsvereisten van de literaire journalistiek werden ooit beschreven als een reeks geboden (Aucoin, 2001, 7):
The literary journalist must use no composite scenes, no misstated chronology, no falsification of the discernible drift or proportion of events, no invention of quotes, no attribution of thoughts to sources unless the sources have said they’d had those thoughts (Sims & Kramer, 1995, p. 25). Characters also, should not be wholly invented by the author nor composed from two or more real people (Sims, 1984, p. 15).
Opvallend en symptomatisch voor de discussie die nog altijd bestaat rond de definitie en de kenmerken van de literaire journalistiek14 is dat Sims composiete personages afkeurt, terwijl we eerder zagen dat ze voor Hollowell essentieel zijn voor het genre. Over het criterium van verifieerbaarheid bestaat evenmin eensgezindheid. James Aucoin (2001, 7 en 8) formuleerde er vier kritieken op: (1) Het criterium houdt geen rekening met de steeds toenemende wetenschappelijke en filosofische consensus dat er niet zoiets bestaat als een verifieerbare realiteit. (2) Het criterium gaat voorbij aan het uitgebreide bewijs dat journalistiek een waarheid creëert die gebaseerd is op culturele conventies, aan het bewijs dat realiteit in feite een socio-culturele constructie is. (3) Evenmin wordt aandacht besteed aan de huidige stand van zaken in het onderzoek naar narrativiteit: het overbrengen van feiten gebeurt namelijk altijd in een narratieve vorm (een verhaal, een krantenartikel, een nieuwsitem…). De toepassing van narrativiteit is een handeling die tot op zekere hoogte fictionalisering met zich mee brengt. Op die manier vervaagt het onderscheid tussen de verifieerbare en de fictionele literaire journalistiek. (4) Bovendien zou het criterium vele auteurs uitsluiten uit de categorie van de literaire journalistiek, terwijl sterk beargumenteerd kan worden dat ze wel degelijk literaire journalisten zijn. Vele journalisten die een literaire stijl bezigen, zouden uitgesloten kunnen worden omwille van het simpele feit dat ze gebruik maken van composiete personages met het oog op een krachtige verhaallijn en de bescherming van de bronnen in kwestie. Wat verteld wordt is niet onwaar (een journalistieke vereiste), maar wel gecondenseerd in één ‘verzonnen’ personage (een literaire techniek).

De categorisatiedrang heeft uiteindelijk niet geleid tot algemeen aanvaarde vaststellingen. Voor beide standpunten kan wel iets gezegd worden. Dat is volgens mij ook precies één van de essentiële kenmerken van de literaire journalistiek. Die zweeft namelijk tussen literatuur en journalistiek. Elke indeling in één van beide velden zou voorbijgaan aan het wezenlijk eclectische karakter van het genre. Door zijn hybride vorm en zijn spel met de cultureel geaccepteerde waarheid laat het zich simpelweg niet vatten in één van de traditionele categorieën. Daarom lijkt het mij aangewezen – en daarmee sluit ik me aan bij Tom Connery – het genre te benoemen als ‘literaire journalistiek’ en niet één van de andere benamingen (cfr. supra) te gebruiken. In zijn motivatie maakt Connery overigens duidelijk waarom de term ‘journalistiek’ zo essentieel is: (a) omdat een alternatieve benaming als ‘non-fictie’ essays en commentaar van de auteur uitsluit15, terwijl dat toch wezenlijke kenmerken zijn voor de literaire journalistiek en (b) omdat het leeuwendeel van de inhoud voortkomt uit de traditionele nieuwsgaring en verslaggeving (Connery, 1992, p. xiv; Hartsock, 2001, p. 5). Hartsock (2001, p. 12) voegt daar nog aan toe dat de auteurs ook daadwerkelijk actief waren als professionele journalisten.
      1. Nog steeds een uitdaging



De literaire journalistiek is nog steeds springlevend en niet alleen in Noord-Amerika. In België heeft Anna Luyten zich meester gemaakt van het genre, terwijl men in Nederland steevast halsreikend uitkijkt naar nieuw werk van Geert Mak en Frank Westerman. In de Verenigde Staten wordt het vak zelfs onderwezen aan verschillende universiteiten. Professor David Abrahamson, voorzitter van de International Association for Literary Journalism Studies (IALJS), beschreef in een recent artikel (2006, 432-433) welke meerwaarde de literaire journalistiek vandaag nog in zich heeft. Ten eerste is er een zekere tijdloosheid aan verbonden. Dat was vroeger al zo omdat men zocht naar universeel-menselijke waarheden en diepere betekenissen, maar dat is nu eens te meer zo omdat de technologische vooruitgang constante nieuwsupdates mogelijk maakt. Het harde nieuws is meer dan ooit efemeer van aard. Een tweede uitdaging is het verzet tegen gevestigde instituten en systemen zoals de traditionele journalistiek. Literaire journalistiek biedt oog op hoogst persoonlijk werk over onconventionele of onterecht buiten beschouwing gelaten topics die toch belangrijk en interessant zijn. Ten derde bevredigt het genre de creatieve noden van de auteur. Niet alleen wordt het genre vandaag nog beoefend, het kan nog steeds gelden als creatieve uitdaging maar ook als krachtig kritisch statement.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • De literaire journalistiek
  • Historisch: een oud genre voor nieuwe noden
  • Journalistieke objectiviteit en de werkelijkheid als betekenis
  • Literatuur en/of journalistiek
  • Nog steeds een uitdaging

  • Dovnload 457.35 Kb.