Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door: Fabian Desmicht

Dovnload 457.35 Kb.

Door: Fabian Desmicht



Pagina7/10
Datum06.12.2018
Grootte457.35 Kb.

Dovnload 457.35 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Analyse

  1. Vertelde tijd



Kapuscinski brengt verslag uit van de periode waarin hij in Angola verbleef. Hij kwam er aan in de zomer – ergens in augustus – van 1975 aan (p. 9)21 en hij woonde drie maanden lang in de hoofdstad Luanda (p. 13). Hij bleef tot kort na 11 november 1975, de dag dat Agostinho Neto de onafhankelijkheid uitriep (pp. 16 en 178).

In augustus 1973 was de Movimento das Forças Armadas (MFA) ontstaan uit diepe ontevredenheid met het Portugese bestuur. Op 25 april 1974 (bij de zogenaamde Anjerrevolutie) werd de regering van Marcelo Caetano omvergeworpen en beloofde de MFA de onafhankelijkheid aan de kolonies Mozambique, Guinee-Bissau en Angola. In Angola kwamen drie vrijheidsbewegingen tot stand: de door de Sovjets en de Cubanen gesteunde MPLA, de FNLA, gesteund door het Westen en Zaïre en de UNITA, gesteund door het Westen en Zuid-Afrika. Op 11 november 1975 zou de Portugese macht in Angola vervallen. Hoewel de drie partijen aanvankelijk goede diplomatieke contacten onderhielden in hoofdstad Luanda, kwam het in juni en juli 1975 tot straatgevechten, waarop het FNLA en de UNITA zich respectievelijk naar het noorden en het zuiden van het land terugtrokken. De MPLA had dus de controle over de hoofdstad en kon zich zo opmaken voor de onafhankelijkheidsverklaring en zijn leider Agosthino Neto als president uitroepen. Zo geschiedde, ondanks de pogingen van de FNLA en de UNITA (gesteund door Zuid-Amerikaanse troepen) om Luanda voor die datum in te nemen. De Volksrepubliek Angola werd daarop erkend door de Sovjet-Unie, Cuba, de landen van het Warschaupact, Brazilië en ongeveer de helft van de landen uit de Organisatie voor Afrikaanse eenheid. In maart 1976 was, na terugtrekking van de laatste Zuid-Afrikaanse detachementen, de onafhankelijkheidsoorlog ten einde (James & Broadhead, 2004, pp. xlvii-xlvix).

Op het moment dat Kapuscinski in Luanda arriveert, is de stad dus al in handen van de MPLA. Hij reist naar verschillende fronten in het binnenland en vertrekt weer na de onafhankelijkheidsverklaring. Hij sluit zijn boek wel af met een korte reflectie op het einde van de oorlog (27 maart 1976).
      1. Compositie



Nog een dag is opgebouwd uit een inleiding en vijf delen. De inleiding (pp. 9 en 10) begint met de woorden: “Dit is een zeer persoonlijk boek. Een boek over eenzaamheid en verlatenheid” (p. 9). Structureel gezien zijn deze woorden van groot belang, aangezien ze een belangrijk motief in het boek aankondigen. Deze korte passage sluit daarbij aan: “Wie kon vluchtte weg uit Angola. Ik ging er juist heen” (p. 10). Het zet Kapuscinski’s opdracht extra in de verf. Het motief van vertrek en verlatenheid manifesteert zich doorheen het boek. Enkele voorbeelden:


  • Een half miljoen vluchtelingen moet via een luchtbrug naar het andere einde van de wereld worden vervoerd. Iedereen weet waarom hij weg wil. September zal nog om door te komen zijn, maar in oktober wordt het al erg slecht en niemand zal november overleven. (p. 26)

  • Donã Esmeralda begroeven we op een kerkhof op een steile helling aan zee,… […] Don Silva de onuitstaanbare geldgier in zijn diamanten pak, vertrok de volgende dag. Daarna bracht ik Arturo en Maria naar het vliegveld. (p. 38)

  • De nomadenstad, zonder daken en muren, de stad van de vluchtelingen die zich om het vliegveld heen uitstrekte, verdween geleidelijk van de aardbodem. Tegelijk verliet ook de houten stad22 Luanda en wachtte in de haven op het begin van haar verre reis. Van alle steden was alleen het stenen Luanda nog over, steeds armer aan mensen en nuttelozer. (p. 39)

  • In die tijd kwam iemand in het hotel met het nieuwtje dat alle politiemannen waren vertrokken! Als enige stad ter wereld had Luanda nu geen politie. (p. 40)

  • Alle brandweerlieden waren vertrokken. (p. 42)

  • Alle vuilnismannen waren vertrokken. (p. 43)

  • Toen alle bakkers, monteurs, postbodes en huismeesters waren vertrokken, verloor de stad haar recht van bestaan, haar zin. (p. 44)

  • In Balombo, dat verwoest is, woont niet één burger,… (p. 86)

  • Dat puntje dat in de hoogte verdwijnt is het vliegtuig waarmee Alberto en zijn ploeg wegvliegen. (p. 95)

  • Het land was hier bijna ontvolkt. (p. 101)

  • Een kapot bord voor je het dorp binnenrijdt spoort de reiziger aan rust te nemen en zijn vermoeide ogen uit te wrijven. ‘Neem,’ zo stelt het bord ons voor, ‘in Pereira d’Eça uw intrek in herberg De Zwarte Zwaan. Airconditioning – rijke keuken – tuin – bar – aantrekkelijke prijzen.’ […] Mag ik de vermoeide reiziger mijn raad toevoegen? Overnacht niet in dit plaatsje, nu niet, vandaag niet. De tijden zijn veranderd en de in het vooruitzicht gestelde gemakken zult u hier niet aantreffen. (p. 106)

  • Lang liepen we rond om ons ervan te overtuigen dat het stadje [Quilengues] dood was, zonder één spoor van leven. Ik weet niet wat er hier voor onze komst was voorgevallen. Want niet alleen waren er geen mensen, er waren evenmin andere levende wezens. Geen honden en geen katten. Geen geiten en geen kippen. Geen vogels in de bomen. En ik denk zelfs geen muizen. (pp. 123 en 124)

  • In het Europese centrum [van Luanda] geen spoor van leven. Stof en spinnewebben [sic] overwoekerden huizen en straten. (p. 128)

  • En in Luanda? Wat kan je op zondag in onze verlaten stad doen waarover het vonnis al blijkt uitgesproken? (p. 140)


Een tweede motief (vooral in de eerste helft van het boek) is dat van de hitte. Kapuscinski schreef in Lapidarium het volgende: “Wat is een feit […] Zijn echter het klimaat, de gevoelens, spontane emoties of de gemoederen onder de bevolking niet evenzeer feiten?” (Kapuscinski, 2003, p. 57, cfr. supra). De weersomstandigheden spelen voor Kapuscinski een niet te onderschatten rol en zijn beschrijvingen van de hitte gelden als betekenisvolle elementen. In Nog een dag merken we dat niet alleen hijzelf last heeft van de warmte, maar ook de soldaten. In één van onderstaande passages beschrijft Kapuscinski dat de soldaten zo suf zijn van de warmte dat ze in de namiddag liever rusten dan strijden:


  • Van ’s morgens vroeg af slenterde ik over de straat, doelloos, zinloos, tot de verpletterende hitte me terugdreef naar het hotel. Om twaalf uur beukte de zon hard op je hoofd, werd het zo benauwd en heet dat je geen lucht meer kreeg. De zomer was begonnen, de poorten van de tropenhel gingen open. (p. 39)

  • [Kapuscinski wist niet welke partij hij bij een wachtpost zou aantreffen. Hij moest goed afwegen hoe hij de soldaten aansprak, met camarada of met irmão. Een verkeerde keuze kon fataal zijn:] Met gedempte stem, schor van angst, hebben we camarada gezegd. Dit woord is zo uitgesproken dat iets ervan de mannen van de post heeft bereikt, maar het mag tegelijk niet te duidelijk hebben geklonken, te uitgesproken en onherroepelijk, dus zó dat ons gestamel waarin we voorzichtig flarden van het woord camarada hebben meegesmokkeld een achterdeurtje openlaat, een kans om ons terug te trekken, onze toevlucht te nemen tot het woord irmão, zó dat we de onfortuinlijke woordenverwarring op de helse hitte kunnen schuiven, die het verstand afstompt en tot nonsens drijft, en op de reisvermoeienissen en nervositeit, begrijpelijk toch als iemand aan het front belandt. (pp. 71 en 72)

  • Zegt Diogenes, die beweert dat de mensen van de uitgebrande vrachtwagen een fout hebben gemaakt, want ze zijn zeker ’s morgens vroeg of met het donker worden gaan rijden, of ’s nachts. Dan is het koel en voelt de vijand zich sterk genoeg om naar de weg te gaan en een hinderlaag op te zetten. ’s Middags daarentegen wordt het erg heet en worden de strijdenden door slaperigheid en luiheid bevangen. Ze duiken weg in de schaduw en doen een dutje. Het oorlogsvuur dooft, de vijandigheid koelt af. […] Wanneer de zon in het zenit staat valt het front in slaap. (p. 104)

  • We vertrokken om tien uur, de zon stond hoog, we hoopten dat de gekmakende hitte de tegenstander uit zijn hinderlagen zou drijven en in een verlammende onmacht en slaperigheid zou stoten. (p. 116)


De setting van deel 1 (pp. 13-46) is Luanda. Kapuscinski beschrijft er zijn hotel, zijn dagelijkse bezigheden en zijn belangrijkste kennissen. Daarna schrijft hij over de vluchtelingen op de luchthaven, de enorme productie van houten kisten waarin mensen hun bezittingen trachten te verschepen en de algehele leegloop van de stad. Deel 1 wordt dus thematisch samengehouden door de korte passage uit de inleiding: “Wie kon vluchtte weg uit Angola. Ik ging er juist heen” (p. 10).

In deel 2 (pp. 49-63) bevindt Kapuscinski zich samen met comandante Ndozi (van de door de Sovjet-Unie gesteunde Angolese vrijheidsbeweging MPLA) aan het front in Caxito, op 60 km ten noorden van Luanda. Ndozi praat onder meer over de geschiedenis van Angola. Door de ondervragingen van Ju-Ju, politiek commissaris van de generale staf van het leger van de MPLA, krijgen we een inzicht in de omgang met de krijgsgevangenen van de vijandige FNLA, de vrijheidsbeweging die door het Westen gesteund werd.

In deel 3 (pp. 67-91) reist Kapuscinski van Luanda naar Benguela om een pasje voor het zuidfront te verkrijgen (pp. 67 en 77). In Benguela ontmoet hij Luis Alberto en zijn Portugese tv-ploeg, met wie hij naar het front wil trekken (pp. 80 en 81). Comandante Monti stuurde meisjessoldaat Carlotta mee als escorte (p. 82). Wanneer de groep later die dag wil vertrekken uit het plaatsje Balombo, besluit Carlotta ginder te blijven. Zonder haar komen Kapuscinski en de filmploeg terug aan in Benguela. Daar vernemen ze even later dat Carlotta bij een aanval is omgekomen (p. 88). Kapuscinski voelt zich schuldig (pp. 89 en 90).

Deel 4 (pp. 95-124) beschrijft een dubbele reis: naar het zuidfront en terug. Schematisch weergegeven: Benguela – Lubango – Pereira d’Eça – Lubango – Benguela. Eerst gaat Kapuscinski per vliegtuig van Benguela naar Lubango (pp. 95-97) om daarna, na een hachelijke tocht doorheen de rimboe, de grenspost Pereira d’Eça te bereiken (pp. 98-105). Daar verneemt Kapuscinski het nieuws dat het leger van Zuid-Afrika de MPLA zou verdrijven en Luanda zou innemen (pp. 109-110). Kapuscinski wil terug naar Luanda om aan Warschau te kunnen melden wat hij voorvoelt als wereldnieuws (pp. 113 en 114). Enkele militairen nemen hem mee in hun jeep. Ze maken een tussenstop in Lubango en na het plaatsje Quilengues is de weg naar Benguela vrij (pp. 116-124).

Deel 5 (pp. 127-190) speelt zich opnieuw af in Luanda. Het hoofdstuk begint op zaterdag 18 oktober 1975 (p. 131). In de zogenaamde Operatie Orange rukt het Zuid-Afrikaanse leger op richting Luanda met als doel de MPLA te verslaan en een regeringscoalitie van FNLA en UNITA aan de macht te brengen (p. 137). Kapuscinski duikt onder en neemt een andere identiteit aan (p. 142). Doorheen het boek wordt hij immers beschermd door de MPLA, die steun krijgt van de Sovjet-Unie. Dat Kapuscinski het FNLA vreest, blijkt uit volgende passage: “Om twee uur ’s nachts begon iemand op mijn kamerdeur te rammen; ik schoot wakker uit een diepe slaap en de rillingen liepen me over de rug, want ik dacht: het FNLA!” (p. 157). De situatie in de stad raakt meer en meer gespannen. Sleutelwoorden zijn ‘benauwdheid’ (6 x: pp. 155 en 156) en het alomvattende Portugese ‘confusão’ (23 x: pp. 174-176). Vaak laste Kapuscinski in drukletters telexconversaties met zijn Warschause thuisbasis in (cfr. infra). Dat geeft een zenuwachtige indruk, die de inhoud van het deel goed aanvult. Vanaf 3 november 1975 (p. 159) geeft hij zijn tekst overigens weer in dagboekvorm, waarschijnlijk omdat de situatie vanaf toen elke dag kon veranderen en om het verloop van de laatste, turbulente dagen voor de Angolese onafhankelijkheid beter in beeld te kunnen brengen. Na een verslag over die onafhankelijkheid, keerde Kapuscinski terug naar huis. Het boek eindigt met nieuws van een kleine vijf maanden later. Op 27 maart 1976 trokken de laatste detachementen van het Zuid-Afrikaanse leger zich terug uit Angola. De oorlog is ten einde (pp. 188-190).

Hoewel het boek weinig concrete data biedt, merken we wel dat het chronologisch is opgebouwd. De inleiding is erg functioneel en persoonlijk. De vijf delen zijn telkens geconstrueerd rond een bepaalde plaats of reis. Eerder dan een volledige, dag-tot-dag-behandeling van de feiten, krijgen we enkele betekenisvolle momentopnamen of scènes te lezen en dat is een belangrijk kenmerk van de literaire journalistiek in het algemeen. Delen 1 en 5 spelen zich af in Luanda en staan als zuilen rond de middelste delen 2, 3 en 4. Tegelijk symboliseren ze het begin en het einde van Kapuscinski’s verblijf, zijn aankomst en zijn vertrek. In de delen 2, 3 en 4 gaat Kapuscinski meer landinwaarts en zoekt hij belangrijke frontplaatsen op. Ook intern zijn de delen vaak fijnzinnig opgebouwd. Dat is bijvoorbeeld het geval met de dubbele reis van deel 4. Nog een dag getuigt dus van een mooie, evenwichtige literaire compositie, waarin hoofdstukken afgebakend worden door tijd en ruimte en samengesmeed worden door een chronologische verhaallijn en het motief van de verlatenheid, dat reeds in de inleiding wordt aangekondigd.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • Compositie

  • Dovnload 457.35 Kb.