Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door Pieter Hendrickx

Dovnload 7.86 Mb.

Door Pieter Hendrickx



Pagina4/7
Datum28.10.2017
Grootte7.86 Mb.

Dovnload 7.86 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

3. De KLASSIEKE UFOLOGIE.

3.1. PROLOOG: HOE HET BEGON


De meeste ufologen laten de klassieke UFO-periode traditiegetrouw beginnen vanaf 1947 met de eerste melding van de verrassende, wereldberoemde ervaring van de zakenman en piloot Kenneth ARNOLD bij de MOUNT-RAINIER, USA. In feite begon de klassieke ufologie bij het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen de Nazi’s West-Europa bezetten. Gedurende de winter 1944/45 ontmoetten de geallieerde piloten veelkleurige, bolvormige vuurballen, die zij “foo-fighters’ noemden. Deze mysterieuze lichtbollen vlogen argeloos naast hen, zolang de piloten geen moeite deden om er verlost van te raken. Soms dansten ze gewoon speels rond hun slachtoffer of waren ze tevreden met de vliegtuigen gewoon te achtervolgen en te begeleiden. Maar op andere tijdstippen verschenen zij in keurige formaties. In die tijd geloofden de officieren van de geheime diensten dat deze bollen met radar gecontroleerd werden en gezonden waren om de ontstekingsmechanismen van de vliegtuigen te saboteren of eenvoudig om de geallieerde radarinstallaties te storen. Het enig groot tegenargument is het vaststaand feit dat ook de Duitse piloten geplaagd werden door deze geheimzinnige metgezellen. De beruchte “foo-fighters” beperkten zich niet alleen tot Europa... Ze speelden eveneens “volg de leider” met de B-29 bemanningen tijdens hun bombardementen boven Japan. Tijdens zijn toespraak op 16/10/1973 voor de Amerikaanse Associatie voor de Wetenschappelijke Vooruitgang (A.A.A.S.) vertelde generaal George S. BROWN dat de Foo-Fighters regelmatig waargenomen werden tijdens het Koreaans en het Vietnamees conflict. Tegenstanders van het UFO-fenomeen, waaronder Philip KLASS, verklaarden dat deze foo-fighters niets anders waren dan verkeerde interpretaties van de planeet VENUS. Zoals je nu kan lezen en nog vaak zal horen, wordt de planeet VENUS vaak terecht en ten onrechte als verklaring voor vreemde waarnemingen ge(mis)bruikt... Op dergelijke wijze kan IEDEREEN snel alles wat hij niet kent of wilt erkennen, verklaren.

Het FOO-FIGHTER-mysterie leek in 1946 boven Europa te verdwijnen. In 1946 begonnen de “GHOST ROCKETS” of “SPOOKRAKETTEN” de plaats in te nemen van hun voorgangers. Een grote paniek verspreidde zich in Zweden van mei tot oktober 1946. Sigaarvormige voorwerpen, die voorkeur bleken te hebben om in de oppervlaktewaters van de meren neer te storten, werden regelmatig waargenomen. Ze kregen als bijnaam ‘GHOST BOMBS’ of “GHOST ROCKETS”. In Zweden richtte ze een speciaal comité op om deze meldingen te onderzoeken. Ze slaagden er zelfs in de aandacht van de Britse en Amerikaanse grootmachten aan te trekken, omdat het idee ontstond dat de Russen misschien geheime Duitse wapens uit PEENEMUNDE (= geheim Nazi onderzoekscentrum) buitgemaakt hadden. Ondanks alle waarnemingen en onderzoek vonden ze geen antwoord voor deze mysterieuze objecten.




Fig. 7: Geheime testen van de Nazi’s...

Bij dit mysterie kwamen zich ook de vuurballen voegen die mensen zagen boven Frankrijk, Denemarken, Finland, Griekenland, Portugal, Spanje, Italië en Noord-Afrika gedurende de maand september 1946. Een onderzoekscommissie werd naar Zweden gezonden om het verschijnsel van de spookraketten te bestuderen. Nadat ze 100% zekerheid hadden dat dit geen Russische raketten waren, besloten de commissieleden dat het verschijnsel ontsproten was uit het brein van een culturele, psychologische statenmassahysterie...

Dus omdat het fenomeen niet paste in hun welbepaald, fysisch klassifikatiesysteem, plaatsten de Amerikanen de vreemde waarnemingen gewoon in een specifiek psychologisch kader. Je kan weeral eens besluiten dat de mensen niet zagen wat ze verklaarden te zien, vooral wegens het groeien van de KOUDE OORLOG-situatie en de daaruit voortkomende angstpyshose voor oorlog en atoomwapens (Hiroshima en Nagasaki lagen nog vers in het geheugen gegrift...) Daar het verschijnsel niet paste in het modaal referentiekader van de commissieleden en ervan uitgaande dat de onverklaarbare dingen die de burgers zagen, psychologisch van aard waren; was het een hele kleine stap te verklaren dat de mensen in feite niets hadden gezien. Dit is de eenvoudigste manier om mensen te doen zwijgen over hetgeen ze wel of niet waarnamen. Verder was een belangrijk argument zeker om een sluitende verklaring te geven dat het geen Sovjet-Russische wapens waren en deze meldingen dus geen gevaar vormden voor de internationale veiligheid. Een verklaring geven die rust en vrede uitstraalde, was de boodschap!

Alleen al het idee dat anderen zouden kunnen denken dat ze gek, dom, belachelijk of dwaas zijn, behoedt meestal de UFO-waarnemer ervan om zijn ongewone ervaring te melden... Deze techniek werd (wordt) vaker toegepast om de totale Ufologie in een slecht daglicht te plaatsen. Zelfs een aantal sceptische ‘Ufologen’ spelen dit spelletje aardig mee...


3.2 1947 – HET BEGIN


3.2.1. PROJECT SIGN

Het is louter toevallig dat de overheid van de U.S.A. betrokken raakte met het UFO-verschijnsel, net het jaar dat de luchtmacht een afzonderlijke afdeling werd van het Amerikaanse leger. Officieel begon het UFO-probleem op 24 juni 1947. Kenneth ARNOLD, IDAHO, zakenman en privépiloot, voerde een eenzame vlucht uit nabij MOUNT-RAINIER in de staat Washington, toen hij een formatie van negen schotelvormige objecten opmerkte, die hoog voorbijvlogen. Volgens Edward RUPPELT in zijn “THE REPORT OF UFO’S” beschreef Arnold na zijn landing hun beweging als dat van een “keitje (schotel) die over het water springt”. Verder beschreef Arnold de objecten als twee op elkaar staande schotels... Volgens “ A SURVEY OF PRESS COVERAGE OF UFO’S 1947-1966” van Herbert J. STRENTZ zijn dit de historische woorden die de persmensen de woorden “vliegende schotels” in de mond legden. Volgens eens schets die Arnold voor de luchtmachtonderzoekers maakte, leek dit “schotelachtig” een gepaste omschrijving. De Arnold-waarneming genoot grote aandacht van de perslui, vooral toen de luchtmacht het bestaan van deze objecten probeerde te ontkennen. Dit ontkenningsproces verliep niet zo vlot: deze kredietwaardige, eerlijke individuele melding slaagde er dadelijk in internationale bekendheid te verwerven. Andere getuigen begonnen eveneens vreemde objecten waar te nemen en het UFO-verschijnsel begon. Het tijdschrift LIFE gaf het onderwerp nationale bekendheid in de USA door een artikel van 21 juli 1947 : “A RASH OF FLYING DISKS BREAKS OUT OVER THE USA”. Het verschijnsel evolueerde niet traag, bouwend op voorafgepubliceerde verhalen, nauwgezet, beeldrijk en denkbeeldig wordend – zoals je van een psychologisch ontsproten verschijnsel, een sociaal of gebaseerd op folklore zou kunnen verwachten. Het dook eerder volledig ontwikkeld op als een volwassen verschijnsel in virtueel dezelfde volgorde van vormen, die getuigen de dag van vandaag nog rapporteren. Mensen begonnen een variëteit van geometrische modelvoorwerpen te zien, die ongewone karakteristieken vertoonden. Deze voorwerpen waren geen denkbeeldige ruimteschepen of aardse ruimtereis-ontwerpen uit de sciencefictionlectuur. De UFO’s waren een volledig nieuw iets en waren zeker niet verbonden met de populaire sciencefiction of de folklore in het algemeen.

Dat er geen voorafgaande verschijning was van de configuratie van de voorwerpen van 1947, zoals die bestond in 1897, geeft de 1947-golf een grote belangrijkheid en een bijzondere dimensie. Indien we aannemen dat de hoofdleverancier van scienfiction de filmindustrie is (en inderdaad critici proberen een link te leggen tussen S.F.-films en UFO-waarnemingen!), dan leer je met één oogopslag in de geschiedenis van de sciencefiction dat er weinig of geen S.F.-films waren met buitenaardse bezoekers als onderwerp. Sta me toch even toe er op te wijzen dat tijdens een “realistisch” opgevoerd luisterspel op de radio “War of the worlds” van Orson Welles in 1932 een grote paniek uitbrak in de USA. De mensen ontvluchtten in paniek de steden en dachten echt dat de Marsbewoners begonnen waren met de verovering van de Aarde. Dit bewijst één van de stellingen van Philip KlASS dat de menselijke geest sneller op hol slaat dan we vooraf aannemen. Het Amerikaans publiek was wel vatbaar voor buitenaardse beschavingen. Bijkomend belangrijk feit was dat dit luisterspel onder de vorm van nieuwsflashes uitgezonden werd. Het is dus wel begrijpelijk dat mensen, die te laat afstemden op dit luisterspel, de indruk kregen dat er echt iets vreemd gebeurde... Vele films, die toen gemaakt werden, hadden vooral als onderwerp dat aardbewoners naar andere planeten reisden, zoals BUCK ROGERS en FLASH GORDON. Maar voor 1950 namen de filmmakers geen enkele film op met wezens uit de ruimte, die proberen de aarde te veroveren. Beweren dat de populaire cultuur schuldig is aan het scheppen van het UFO-verschijnsel, kan ik mij moeilijk voorstellen. Het is eerder zo dat boeken over UFO’s die een bestseller werden, later na hun groot succes verfilmd werden...

Het gedrag van de waargenomen objecten lijkt de technologische mogelijkheden van 1947 ver vooruit te zijn. Het stond dadelijk vast dat getuigen iets waarnamen dat volkomen uniek kon zijn. Als resultaat van dit buitengewoon karakter lag de buitenaardse hypothese op het voorplan als de meest populaire theorie voor de waargenomen objecten.

Op 23 september 1947 schreef Luitenant-generaal Nathan F. TWINING, bevelhebber van het AIR MATERAL COMMAND (A.M.C.), Wrightfield-OHIO een brief aan het hoofdcommando van de Amerikaanse luchtmacht. In het zog van de waarneming van Kenneth Arnold en andere raadselachtige UFO-rapporten van die zomer was Generaal TWINING gevraagd een bijzondere voorstudie van het verschijnsel te maken. Na een reeks discussies met ingenieurs, die onder zijn bevel stonden, besloot hij het volgende en informeerde Brigadegeneraal George CRAIGIE hiervan: - “Het gerapporteerde fenomeen is iets reeëls en geen droombeeld, hersenspinsel of fictie. De objecten zijn metaalachtig, schotelvormig, in een aantal gevallen volkomen geluidloos en opmerkelijk manoeuvreerbaar.” “Het is aangewezen”, schreef TWINING, “dat het hoofdkwartier van de luchtmacht een richtlijn uitvaardigt die een prioriteit, een veiligheidsclassificatie en een codenaam bepaalt om een gedetailleerde studie over dit fenomeen te maken.” De verzamelde informatie zal beschikbaar gesteld worden aan andere militaire afdelingen en wetenschappelijke instellingen, verbonden aan de overheid.

Op 30 december 1947 keurde stafchef majoor-Generaal L.C. CRAIGIE, directeur van Opzoeking en Ontwikkeling, dit verzoek goed. Hij beval Project SIGN op te richten onder hoede van de A.M.C. te WRIGHT FIELD (nu de luchtmachtbasis WRIGHT-PATTERSON in DAYTON, OHIO). Hij schreef dat het niet aan de luchtmachtpolitie was om rapporten van waarnemingen en fenomenen in de atmosfeer te ontkennen. In zijn brief gaf hij A.M.C. opdracht om “een project op te zetten met als doel het verzamelen, vergelijken, verifiëren, beoordelen, handelend op te treden op basis van informatie van die aard en de bekomen data betreffende de UFO-waarnemingen en verschijnselen in de atmosfeer, waarvan kan aangenomen worden dat ze de nationale veiligheid bedreigen, te verdelen aan alle Overheidsagentschappen en gecontracteerden.” Het project zou een 2A - veiligheidscode krijgen, met andere woorden “TOP SECRET” (= GEHEIM). (De hoogste classificatie was 1A – For your eyes only) Zelfs de naam SIGN van het project was geheim, nochthans bleek in werkelijkheid het bestaan ervan bij een breder publiek bekend te zijn, dat het spottend “PROJECT SAUCER” noemde.

Op 22 januari 1948 startte project SIGN zijn activiteiten. De geheime diensten van de luchtmacht leidden de meeste onderzoeken met als logische uitvalsbasis de dichtsbijzijnde luchtmachtbasis bij de waarnemingsplaats. Indien de binnengekomen melding belangrijk genoeg was, dan vloog eigen personeel van het A.M.C.-hoofdkwartier naar de lokatie van de waarneming. De getuigen dienden onmiddellijk een standaard vragenlijst in te vullen en een lijst van vragen te beantwoorden over hun waarneming(en), inbegrepen tijdstip, tijdsduur, plaats, verschijning, hoogte, snelheid en manoeuvers. Alle relevante informatie en materiaal werd naar het A.M.C.-hoofdkwartier gezonden, waar evaluatieteams de rapporten onderzochten en analyseerden. Ze schreven een officieel rapport van de resultaten van hun onderzoeken. Kopies van deze rapporten zonden ze door naar andere overheidsdiensten en aan labo’s, die bekwaam waren te helpen bij de identifikatie van de meldingen.

Het werd snel duidelijk dat de waargenomen acties van de UFO’s niet overeenkwamen met het verwachtte patroon van technologische, vergevorderde militaire projecten of ramingen. Ofschoon het grootste deel (+/- 80%) van de UFO’s verklaard werden door verkeerde interpretaties van bekende zaken zoals vliegtuigen, weerballons, meteoren, de planeet VENUS, halo’s en anderen, stapelden de onverklaarbare gevallen zich snel op. Nieuwe rapporten met degelijke informatie over data en details, alsook over de hoge snelheid en bijzondere handelbaarheid van de UFO’s, bereikten een hoogtepunt midden 1947. In het meinummer van 1967 van “THE UFO-INVESTIGATOR” verklaarde TED BLOECHER dat volgens de verzamelde en geordende persberichten het jaar 1947 alleen al ruim 800 UFO-meldingen telde. Een typisch voorbeeld-waarneming voor die tijdsperiode was de waarneming boven DEN HAAG, Nederland op 20 juli 1948 van een raketvormig voorwerp met twee rijen raampjes over de lengtezijde. Vier nachten later op 21 juli 1948 meldde de piloot en de co-piloot van een EASTERN AIRLINES DC-3, dat zij bijna in botsing kwamen met een torpedovormig voorwerp van ongeveer 100 meter lengte boven MONTGOMERY, ALABAMA, USA. Het tuig had eveneens twee rijen blinkende kleine ramen, verspreid over de lengte. Hier komen we later nog even op terug. Dit is één van de vele rapporten, vergelijkbaar met de “ghost-rockets” boven Noord-Europa een aantal maanden vroeger...

SIGN’s eerste grote onderzoek handelde over het MANTELL-incident van 7 januari 1948, dat een fatale afloop kende. De controletoren van het GODMAN-vliegveld, KENTUCKY, U.S.A. vroeg aan de kapitein van de nationale wacht Thomas MANTELL, “vluchtleider” van een formatie van 4 F-51 om een UFO-melding na te trekken. Mantell seinde dat hij het voorwerp zag en klom met zijn vliegtuig tot ongeveer 20.000 voet hoogte. De overige piloten waagden zich niet tot dergelijke hoogte bij gebrek aan zuurstofapparaten in hun vliegtuigen en vlogen verder. Ondanks het feit dat Mantell’s vliegtuig ook geen zuurstofapparaat aan boord had, zette de piloot zijn jacht onversaagd en een beetje roekeloos verder... Later op de dag vond een reddingsploeg Mantell’s ontzielde lichaam terug tussen de brokstukken van zijn gecrashte vliegtuig. De luchtmacht en project SIGN, onder druk gezet door de persmedia om een degelijke uitleg, verklaarde dat Mantell stierf door zuurstofgebrek, terwijl hij de planeet VENUS achtervolgde. Deze verklaring werd op veel ongeloof onthaald! In zijn rapport ‘THE UFO-PHENOMENON – A STUDY IN PUBLIC – RELATIONS” weerlegt David SHEA deze verklaring. Een nieuw onderzoek van dit voorval in 1952 leidde tot een meer aanvaardbare oplossing. De onderzoekers verklaarden toen dat Mantell waarschijnlijk jacht maakte op één van de grote SKYHOOK-ballonnen, die de U.S.-Navy in het geheim gebruikte voor hun spionagedoeleinden. Deze verklaring wordt actueel algemeen aanvaard als uitleg voor dit incident. Vanuit publiek-zakelijke benadering, toonde de verkeerde behandeling door de luchtmacht van het Mantell-incident het model aan dat de Air-Force toepaste op de meeste UFO-meldingen: snelle identifikatie en uitleg, onverschillig van het resultaat van degelijk onderzoek. Deze praktische aanpak van het probleem kadert in het doel om in staat te zijn alle UFO-meldingen zo snel mogelijk te kunnen verklaren…

Zelfs actueel nog passen de sceptici en de nonbelievers dezelfde tactiek toe. Hoe vaak wordt de planeet VENUS er niet bijgesleurd om een vreemde waarneming te verklaren, zelfs in België. In die tijd echter leek het de luchtmacht veiliger om het even welke uitleg voor een waarneming te geven, dan gewoon te zeggen :”op dit ogenblik weten we nog niet wat het is, het geval wordt verder onderzocht.” Meer en meer zou deze snelle indentifikatiepolitiek de luchtmacht in moeilijkheden brengen...

De Sovjet-Unie was een eerste verdachte in de productie van deze “Vliegende Schotels”. Nochthans was het niet zo opportuun aan te nemen dat de Russische piloten hun nieuw toestel boven het Amerikaans territorium zouden testvliegen.

Volgens sommigen zouden de Sovjets deze nieuwe toestellen gebouwd hebben op basis van gevonden Duitse technologie uit PEENEMUNDE. In elk geval, het onderzoek van SIGN kon op geen enkel wijze aantonen dat de UFO’s het resultaat was van hoogstaande technologie van de Sovjets... Dit resultaat leidde tot een echte tweestrijd tussen diegenen, die dachten dat UFO’s van buitenaardse origine zouden kunnen zijn en de anderen, die geloofden dat alle meldingen potentieel leidden naar meer aardse en aanvaardbare oorzaken.

In de late zomer van 1948 zette het Pentagon het A.M.C.’s Air Technical Intelligence Center (A.T.I.C.) {= voorganger van het huidige Foreign Technolgy Division (F.T.D.) of Air Force Systems Commands.} onder druk om een degelijke oplossing te vinden voor het UFO-fenomeen, vooral wegens de wekelijks aangroeiende,

fig. 8: de achtervolging van kapitein MANTELL in beeld gebracht


raadselachtige UFO-rapporten. Wat ook de oplossing voor de meest raadselachtige rapporten ook zou kunnen wezen, vaststaand feit was dat een aantal andere rapporten duidelijk het resultaat was van eenvoudige of meer complexe misidentifikaties. Om te helpen om deze misinterpretaties te sorteren uit alle rapporten – komende van misleidde waarnemers, die in feite planeten, sterren, meteoren en kometen zagen – vorderde Project Sign Dr. J. Allen HYNEK, directeur van het MACMILLAN Observatorium van de Staatsuniversiteit van OHIO, op. Dr. Allen Hynek was de dichtstbijzijnde, professionele astronoom bij DAYTON. Dit was de reden waarom de eerste keuze om Hynek viel... Jaren later omschreef J. Allen Hynek over zichzelf en de keuze van SIGN als “de onschuldige toeschouwer, die van overal beschoten werd”. Met andere woorden, een geografische toevalligheid dropte Hynek gewild of ongewild in het netelige vraagstuk over UFO’s. Later genoten de meeste van zijn collega’s de vrijheid en de blijdschap om UFO’s als nonsens te kunnen verklaren...

Op 24 juli 1948 om 2u45’ a.m. vloog een raketvormig object met twee rijen “vierkanten” raampjes en vlammen, die uit het achterste deel van het tuig schoten, geruime tijd naast een DC-3 op 5000 voet hoogte boven MONTGOMERY, ALABAMA. Een passagier van het vliegtuig zag het vreemde object eveneens. Uit een later onderzoek bleek dat een grondonderhoudsploeg op de ROBINS luchtmachtbasis in GEORGIA, een uur vroeger hetzelfde of soortgelijk object zagen.

Sign’s pro-buitenaardse fractie, inbegrepen zijn directeur kapitein Robert S. SNEIDER, waren overtuigd dat ze met het hoger incident het ultieme bewijs hadden dat ze zochten. Na dit voorval en ook van eerdere gerapporteerde gebeurtenissen stelden ze een topsecret “ESTIMATE OF THE SITUATION” (= situatieschets) op en zonden het door aan alle hogere commandoposten. In het Pentagon veroorzaakte dit dokument een felle controverse. Het bewuste dokument wees op het feit dat alle onverklaarbare UFO-meldingen wel degelijk het bewijs waren van interplanetaire bezoekers. Toen dit bewuste ESTIMATE-dokument bij de latere luchtmacht generaal HoyT S. VANDENBERG op het bureau belandde, weigerde de generaal in buitenaardse ruimtetuigen te geloven. Het rapport miste bewijskracht! In enkele maanden tijd werd dit dokument volledig gedeklassificeerd en het bevel gegeven om alle kopies te verbranden. Sommigen beweren dat een aantal exemplaren in het geheim bewaard bleven. Jarenlang beweerde de luchtmacht dat dergelijk dokument nooit bestaan had. Kapitein Edward J. RUPPELT, de latere A.T.I.C.-UFO-projectleider van maart 1951 tot september 1953, verklaarde dat dit dokument de ontmoeting van de DC-3 en andere meldingen, gedaan door geloofwaardige getuigen, uitvoerig rapporteerde. Hij zag het rapport wel degelijk! Ruppelt schreef in zijn boek dat een groep A.T.I.C.-onderzoekers naar het Pentagon trokken om hun situatie-oordeel kracht bij te zetten. Maar net als bij hun stafchef vingen ze ook hier bot bij gebrek aan afdoend bewijs...

Volgens latere bronnen zou generaal VANDENBERG deel uitgemaakt hebben van de fel betwistte geheime MAJESTIC-12- groep. Indien dit echt zo was, kan het niet anders of de generaal moest de theorie over buitenaardse bezoekers net als het bestaan van UFO’s ontkennen.

Eind 1948 verdween de aandacht van de luchtmacht voor de ET-hypothese. Na het voorval van het “verworpen” rapport verloren de pro-buitenaardse aanhangers veel van hun waarde. De fractie, die een meer prozaïsche verklaring(en) voor UFO’s verdedigde, begon Project Sign te domineren. Zelf de DC-3 ontmoeting sloegen ze KO. Wegens “totaal onmogelijk wegens de aangehaalde feiten” suggereerde Hynek dat de piloten bepaalde dingen fout inschatten... “Het object moet een buitengewone meteoor geweest zijn,“ omdat de piloten niet echt kunnen gezien hebben wat ze dachten te zien... Misschien zou het UFO-verschijnsel wel vanzelf verdwijnen!

In 1949 bereidde “PROJECT SIGN” hun laatste rapport voor. Volgens de “Project Blue Book Files” werd het rapport als “SECRET” geklassificeerd tot 1961. Het dokument besloot dat de toekomstige onderzoeksactiviteit tot het strikte minimum kon herleid worden. Desalniettemin verwierp het SIGN-rapport van februari 1949 het bestaan van UFO’s in het geheel niet. Het rapport gaf toe dat de onderzoekers niet bekwaam waren om 20 % van de onderzochte gevallen (237) te verklaren. Niettegenstaande deze toegeving, verklaarde ze een beetje verder “Er bestaat een mogelijkheid dat voldoende incidenten opgelost kunnen worden om het mysterie verbonden met deze gebeurtenissen te elimineren of grotendeels te verminderen. “ Wanneer genoeg gevallen opgelost worden, zou het UFO-project beëindigd worden. Alle verdere onderzoeken, die noodzakelijk bleven, zouden routinematig behandeld worden “zoals elk ander werk van de geheime diensten”. Een bijvoegsel van James E. LIPP van de RAND CORPORATION overwoog de mogelijkheid van het bestaan van buitenaards, intelligent leven, toegevend dat het mogelijk was, maar er direct aan toevoegend dat de afstanden tussen de sterren te immens waren om buitenaardse bezoekers toe te laten... Hij besloot “in elk geval, de acties, toegeschreven aan de “vliegende objecten”, gerapporteerd in 1947 en 1948 lijken tegenstrijdig met ruimtereizen.”

De luchtmacht schakelde kordaat een SIGN-voorstel uit om hun operatie uit te breiden door een UFO-onderzoeksteam op elke luchtmachtbasis te plaatsen. Omdat de aanhangers van de pro-buitenaardse hypothese het project verlieten of vervangen werden, nam de anti-UFO-fractie onbetwistbaar de controle over. Vanaf dit ogenblik gingen de onderzoekers ervan uit dat er voor elke UFO-melding een conventionele verklaring te vinden was. Op 16 december 1948 kreeg het project SIGN een nieuwe en passender naam : PROJECT GRUDGE. Volgens kapitein RUPPELT, die later een soortgelijke UFO-werkgroep zou leiden, begonnen nu de “DARK AGES” van de Ufologie...

Nochthans uit het merendeel van het bewijs, blijkt dat de Amerikaanse overheid eveneens voor een raadsel stond, net als de doodgewone Amerikaan. Er doken zelfs hardnekkige geruchten op dat de Amerikanen in 1947 een wrak van een neergestortte UFO in ROSWELL borgen, waardoor de overheid virtueel over de volledige kennis van het UFO-mysterie beschikte. Uit een aantal vrijgegeven tantaliserende dokumenten, uit een aantal officiële verklaringen van de luchtmacht zelf en uit de verklaringen van de onderzoekers van dit voorval, blijkt actueel dat er in ROSWELL in 1947 wel degelijk een “onbekend object” crashte. De Amerikanen hebben in de loop der jaren de verklaring voor dit object meermalen aangepast aan de bevindingen van de onderzoekers... van een weerballon tot een spionageballon om de Sovjetrussische kernexperimenten op te volgen...

Het geheel van de opgedoken getuigen en bewijs, toont dus inderdaad aan dat iets in Roswell, New Mexico, neerstortte. Dit voorval laat enkel de controversie in de Ufologie toenemen. Sommigen nemen aan dat een buitenaards ruimteschip met inzittenden crashte in Roswell; anderen geloven blindelings de diverse, vrijgegeven verklaringen van de Amerikaanse overheid. Het laatste woord is hier zeker nog niet over geschreven, noch gesproken...

Tenslotte wijzigde de publieke geschiedenis van de UFO-polemiek niet wezenlijk. We dienen voortdurend aan te nemen dat de USA-overheid ongewild betrokken werd met het UFO-verschijnsel, enerzijds niet om het verborgen te houden, zoals steeds beweerd werd, maar gewoon omdat ze zelf de oplossing niet wisten. Anderzijds indien de hardnekkige geruchten een grond van waarheid hebben, zouden de Amerikanen wel degelijk hun geheimen en de buitgemaakte spitstechnologie willen verborgen houden voor de rest van de wereld.

Van 1948 tot 1952 maakte de luchtmacht gebruik van hun wetenschappelijke raadgever en UFO-scepticus, Dr. J. Allen HYNEK om UFO-meldingen te onder zoeken en te verklaren...Meer dan 2 decennia later zou HYNEK hetvolgende over Project SIGN verklaren:

- De 237 originele project Sign – rapporten zijn niet overtuigend genoeg om de oplossing “bezoekers uit de ruimte hard te maken”. Na herziening van deze gevallen in 1970, moet ik persoonlijk erkennen dat zij merkbaar van gebrekkige kwaliteit zijn...

In 1947-1948 was er niet veel nodig om fel en snel opgewonden te raken. Zeker waren daar enige rapporten, die als je ze van nabij bekeek, die op geen normale fysische verklaring wezen. Maar zelfs deze specifieke gevallen waren onbeduidend omdat ze op een onvolwaardige manier onderzocht werden; vele cruciale gegevens ontbraken

Na hun zelf ervan te overtuigen dat UFO’s geen geheime wapens waren van één of andere natie, begon de luchtmacht dus te vertrouwen op de notie dat de mensen niet nauwkeurig beschreven van wat ze zagen en ervaarden. De luchtmacht kwam tot het ongemakkellijk, maar correct besluit, dat het verschijnsel oorspronkelijk veroorzaakt werd door misinterpretaties (= verkeerd waarnemen) van doodgewone verschijnselen, ongewone psychologische of fysiologische toestanden, “sociale stress” en natuurlijke vervalsingen en publiciteitszoekers. Ze probeerden afstand te nemen van dit onderwerp door eerst te verklaren dat het ganse fenomeen niets ongewoon of onregelmatig was. In 1950 probeerde ze hun onderzoekseenheid PROJECT GRUDGE (zie 3.2.2.) op te doeken in de hoop dat het groot publiek de boodschap zou verstaan en zou stoppen met onaanvaardbare dingen te zien in de lucht...


3.2.2. PROJECT GRUDGE

Met de initiatie van Project GRUDGE, schreef RUPPELT in 1956, begonnen de “DARK AGES” van de UFO-studie van de luchtmacht. De onderzoekers van GRUDGE analyseerden de UFO-rapporten nu met als standpunt dat UFO’s niet bestaan konden. Het is toch allemaak maar verbeelding, illusies, vervalsingen,... Om het even wat je ziet, geloof je ogen niet!

Aangezien de stafchef Generaal Hoyt S. VANDENBERG de situatieschets van SIGN verworpen had, werd het project overgenomen door medewerkers, die er van overtuigd waren dat ze alle UFO-meldingen met conventionele oplossingen zouden kunnen verklaren. De plannen om de onderzoeksteams uit te breiden, werden opgeborgen. Het studieproject degradeerde tot een algemene functie van de inlichtingendiensten van de luchtmacht. De naamsverandering van SIGN naar GRUDGE was nodig overeenkomstig het klassificatie-codewoord 2A ‘TOP SECRET. Al dan niet was de overtreding van de veiligheid de werkelijke reden om het project anders te noemen. GRUDGE weerspiegelde de nieuwe houding van de luchtmacht ten opzichte van het UFO-verschijnsel. Alle UFO-rapporten evalueerden tot het begrip van verkeerde interpretaties van natuurlijke verschijnselen. De luchtmacht nam als doelstelling aan om alle UFO-meldingen te verklaren. De verklaringen van hun public-relations inzake specifieke UFO-gevallen kwam weinig of niet overeen met de werkelijke feiten van deze waarnemingen. Indien een UFO-waarneming enkele karakteristieken vertoonde van een vliegtuig of een weerballon, werd deze waarneming in een volgende persbulletin direct verklaard als een vliegtuig of een weerballon. Kapitein RUPPELT replikeerde enkele jaren later de beschuldigingen dat deze “grove borstel”- methodologie - weerleggingen deel uitmaakten van een groter internationaal rookgordijnenproject om de reële feiten te verbergen door verwarring te stichten. Hij zei hetvolgende:” Dit is niet waar, er was eerder een gebrek aan coördinatie. Maar had de luchtmacht werkelijk geprobeerd om verwarring te stichten, dan had ze geen betere job kunnen afleveren!” De publieke overtuiging van de bekwaamheid of de onwil van de luchtmacht om het probleem op te lossen ebde geleidelijk weg in 1949. In elk geval GRUDGE werkte samen met de journalist Sidney SHALLETT, die een tweedelig artikel over UFO’s schreef in de wijd verspreide “Saturday Evening Post” op 30 april en 7 mei 1949. Hij schreef dat “vliegende schotels” meer te maken had met verkeerde waarnemingen, vervalsingen en lichtgelovigheid dan met interplanetaire bezoekers. Volgens Shalett geloofde geen enkel persoon, die een beetje gezag had bij de luchtmacht in vliegende schotels, laat staan in buitenaarde bezoekers... GRUDGE was ervan overtuigd dat de publikatie van deze artikels, de mensen zou ontmoedigen om vreemde verschijnselen te rapporteren. Jammer genoeg voor het standpunt van de luchtmacht hadden de bewuste POST-artikels een boomerang-effect. De stukken puilden zo uit van ‘negatieve’ luchtmachtpropaganda, dat het publiek zich begon af te vragen wat de luchtmacht in werkelijkheid probeerde te verbergen...

Toen een overvloed van meldingen toekwamen enkele dagen na de installatie van project GRUDGE, waren de onderzoekers ervan overtuigd dat dit het gevolg was van deze publikatie. Aangezien de jounalist in zijn artikels aangehaald had, dat sommige meldingen onverklaarbaar bleven, hadden de artikels enkel het geloof in UFO’s gevoed. Een “debunking” persbulletin faalde een paar dagen later om de belangstelling voor UFO’s te temperen. Het maakte de officiële werkgroep enkel verdacht in het verbergen van de waarheid. Dit artikel bevestigde de totale ommekeer van het officieel UFO-onderzoek door gewoon twijfel te zaaien in de geesten van het groot publiek. De hogervermelde krantenartikels waren een typisch schoolvoorbeeld van de informeringspolitiek van de luchtmacht tegenover het grote publiek voor die periode. “Vertel de wereld dat de Air Force 95% van alle UFO-meldingen verklaarde, maar zwijg over de resterende 5%. Leg de nadruk op de trucage-, vervalsing- en knalpotrapporten. Kan je de data niet verklaren, probeer dan de waarnemer in diskrediet te brengen...” Het is jammer dat de luchtmacht deze politiek bleef aanhouden. In werkelijkheid had ze misschien niets te verbergen, buiten misschien hun eigen onbekwaamheid om alle UFO-meldingen te verklaren. Intussen bereidde ze de afsluiting van hun onderzoek naar vliegende schotels intens voor...

Met J. Allen HYNEK, een astronoom van de staatsuniversiteit van OHIO en toen een felle UFO-scepticus, als raadgever wilde GRUDGE een wetenschappelijke kader geven aan het onderzoek van de meldingen. GRUDGE opzet bleef wel om alle meldingen op een “aardse” manier te verklaren. Tegen eind augustus 1949 stelden ze een 600 bladzijde- tellend rapport op (Technical Report No. 102-Ac 49/15 – 100, als “secret” geklasseerd), waarin ze 244 UFO-waarnemingen bespraken. Het rapport gaf toe dat ze voor 23% van de meldingen geen afdoende verklaring konden geven, “maar er waren voldoende psychologische verklaringen voor de rapporten van UFO’s, die niet anders kunnen verklaard worden... ER is nergens bewijs dat de gerapporteerde objecten het resultaat zijn van de technologie van een vreemde mogendheid en dus vormen ze geen direct gevaar voor de nationale veiligheid.” Niettemin, vooruitlopend op een later zorgenkind van het door de CIA gesteund ROBERTSON PANEL, irriteerde GRUDGE zich aan het ‘publiek begrip’ over UFO’s; een ‘gevaarlijk’ begrip dat door vijandelijke machten voor psychologische oorlogsvoeringsdoeleinden misbruikt kon worden...

Het project “adviseerde dat het onderzoek en de studie van UFO-rapporten op een kleinere schaal diende gevoerd te worden”. Ruppelt citeerde dat na deze aanbeveling project GRUDGE tot een periode van bijna gehele inactiviteit afgleed. Op 27 december 1949 kondigde de luchtmacht aan dat ze het project ging afsluiten, ondanks het feit dat ze nog een geklassificeerd onderzoek deden naar een aantal rapporten van ongewone verschijnselen in het luchtruim van New Mexico. Intussen werden de onderzoeksresultaten van GRUDGE opgeborgen in de archieven...

Ironisch genoeg, terwijl de luchtmacht hun UFO-activiteit uitschakelde, maakte ze hun veiligheidsmaatregelen strenger! Verschillende schrijvers, waaronder een op rust gestelde marine-officier, Majoor Donald KEYHOE, verzochten de luchtmacht om informatie en medewerking om hun artikels van hun tijdschriften te illustreren. Maar de AIR FORCE had er genoeg van! Zelfs toen Keyhoe zich tot de toenmalige luchtmacht deputy-directeur voor informatie, brigade-generaal Sory SMITH wendde, kreeg hij geen gehoor op zijn verzoek. De luchtmacht weigerde kategoriek om nog meer data openbaar te maken dan wat ze vroeger al gedaan hadden; hetgeen al heel miniem was. In het Januarinummer van 1950 van het tijdschrift “TRUE”, toen een algemeen populair magazine voor mannen, schreef Keyhoe een dramatisch artikel, “The Flying Sucers are Real”. Keyhoe schreef dat “Project Saucer” – spotnaam door het publiek gegeven aan Project GRUDGE – zich enkel als sceptisch voordeed, maar in realiteit wisten ze dat UFO’s van buitenaardse origine waren. Ze wilde dit verwarrende geheim verder verborgen houden voor het grote publiek.

Vanzelfsprekend kreeg dit artikel enorm veel aandacht in de media en het zou nog jarenlang de populaire publieke opinie over een officiële UFO-cover-up beïnvloeden. Zijn True-artikel groeide zelfs uit tot een bestseller-boek met dezelfde naam. Keyhoe’s theorie bleef: De luchtmacht hield het antwoord op het UFO-raadsel geheim tot de natie voorbereid was op de totale ommekeer van deze oplossing!

Niettegenstaande de publieke afkondiging, was GRUDGE in het geheel niet dood. Het behield een marginaal bestaan, genoeg om BOB CONSIDINE bij te staan toen hij een UFO-melding onderzocht. In het COSMOPOLITAN januarinummer van 1951 verscheen het resultaat van deze samenwerking. In dit artikel voer CONSIDINE met de steun van GRUDGE, fel uit naar UFO-getuigen. Hij karakteriseerde deze personen als “uitzuigers” en “true believers”.

Tot de zomer van 1951 bestond GRUDGE nog enkel uit één onderzoeker, namelijk Luitenant Jerry CUMINGS. Alles bleef verbazend rustig, maar de situatie sloeg snel om in september 1951. Dit was het gevolg van een reeks waarnemingen en radaropnames van snelbewegende, onbekende objecten in de omgeving van een legerradar in New-Jersey op 10 september 1951. Dit geval is beter bekend als het MONMOUTH-incident. In Fort Monmouth, New-Jersey, demonstreerde een student-operator een radarconfiguratie aan een groep luchtmachtofficieren. Plots toonde het radarscherm een object dat zichtbaar sneller vloog dan een jet. Ongeveer 30 minuten later, meldde een piloot van een T-33 die op 20.000 voet hoogte vloog, dat hij ver beneden zich een dof (matte) zilverkleurig, schotelvormig object zag. Toen hij omlaag dook om de jacht in te zetten, spoedde het object zich uit zicht en verdween. Later op de dag merkte de radar-operator een ander voorwerp op een hoogte van 31.000 voet, dat traag voortbewoog. De volgende dag worden nog meldingen opgemeten. In verlegenheid gebracht door dit vreemde rapport beval de directeur van de Inlichtingendienst van de luchtmacht in het Pentagon, Majoor-Generaal C. P. CABELL aan Luitenant CUMMINGS en Luitenant-Kolonel N. R. ROSENGARTEN, chef van de A.T.I.C. om onmiddellijk een onderzoek te starten. Zij waren een daglang op de waarnemingsplaats, waar ze alle getuigen ondervroegen. Zij rapporteerden direct aan CABEL in het Pentagon.

Daar aangekomen kwamen Cummings en Rosengarten in een meeting terecht, die al volop bezig was. Hier konden ze vrij hun frustraties uiten over de actuele onderzoekstoestand van GRUDGE. Een verontwaardigde CABELL, die voelde dat de vorige officieren van GRUDGE gelogen hadden en gezien het feit dat er geen afdoende verklaring gevonden werd voor de laatste frustrerende waarnemingen, beval hij een nieuw en meer open-minded benadering van het UFO-onderzoek aan. Andere aanwezige hoge rang officieren en twee vertegenwoordigers van de “Republic Aircraft” gingen akkoord met de veranderingen in het onderzoek. Toen Cummings en Rosengarten terug naar A.T.I.C. in Wright-Patterson gezonden werden, hadden ze de duidelijk opdracht om het UFO-project GRUDGE grondig te reorganiseren.

Cummings dagen bij de luchtmacht waren geteld... Niettemin van zodra hij het legerleven vaarwel zei, keerde hij direct terug naar het Calefornisch Instituut voor Technologie (C.I.T.) om actief mee te werken aan een ander geklassificeerd overheidsproject. Rosengarten vroeg aan kapitein RUPPELT, een inlichtingenofficier bij A.T.I.C. in Wright-Patterson om GRUDGE te reorganiseren.

RUPPELT zette een archiefkast op met alle GRUDGE- en SIGN-rapporten en denodige referenties. Hij verzamelde een staf rond zich, bestaande uit individuen die geen onwrikbare mening over het UFO-fenomeen hadden en die de rapporten bijgevolg op een logische en objectieve wijze konden benaderen en beoordelen in functie van hun verdiensten. Hij zei later zelfs: “Ik moest 3 personen doorsturen omdat ze te pro of te con waren”.

Ze begonnen actief te werken in december 1952 en de leden van de staf bereidden regelmatig status-rapporten voor, die ongeveer eens per maand uitgegeven werden. Vier van deze verschenen nog in de overblijvende GRUDGE-periode; de eerste drie kregen als veiligheidscode “Confidential”, het laatste “SECRET”...

Terwijl ze hun werk verderzetten met HYNEK als wetenschappelijke raadgever, stelde de nieuwe staf van GRUDGE een gestandaardiseerde vragenlijst op om UFO-rapporten op te stellen. RUPPELT en anderen lichtten alle luchtmachtofficieren van de U.S.A. in om hen te laten weten dat ze graag alle UFO-rapporten zouden ontvangen en dat ze deze bekwaam zouden onderzoeken.

In een inspanning om meer te leren over de waarnemingen, die GRUDGE niet ontvangen had, schreef RUPPELT zich in bij een “news-clipping service”. Op die wijze hoopte hij meer inzicht te verwerven in het UFO-fenomeen door het opstellen van statistieken aan de hand van al de verzamelde gegevens. Hij ontving de toelating van de luchtmacht. Het BATTELLE MEMORIAL INSTITUTE, een Columbus-achtige denktank, werd onder contract gezet om dergelijke fundamentele analyse te leiden.

In maart 1952 had de luchtmacht project Grudge opgewaardeerd van een ‘project binnen een groep’ naar een “afzonderlijke, autonome organisatie, met de officiële titel van AERIAL PFENOMENA GROUP.” Dezelfde maand kreeg Grudge een andere naam: PROJECT BLUE BOOK.
3.2.3. 1952, ROBERTSON en PROJECT BLUE BOOK.

a. Inleiding tot project Blue Book

Door de vernieuwde aandacht van de luchtmacht voor UFO’s werd Blue Book dus een afzonderlijke werkgroep bij A.T.I.C.. Hun onderzoekscijfer verdubbelde, van ongeveer 10 UFO-rapporten per maand in december 1951 evolueerde ze tot 20 UFO-meldingen in april 1952. Een artikel in het LIFE-magazine van 7 april 1952 plaatste de ET-theorie opnieuw op het voorplan..

In maart 1952 herwaardeerde de luchtmacht Project GRUDGE dus op tot een nieuwe, autonome onderzoeksgroep. Kapitein RUPELLT kwam aan het hoofd te staan en probeerde het onderzoek een nieuwe elan te geven. De nieuwe officiële benaming luidde AERIAL PHENOMENA GROUP en kreeg als codenaam Project Blue BOOK. Volgens Ruppelt was deze naam afgeleid van de ’titel gegeven aan collegetesten’. Jaren later vertelde Luitenant-kolonel Charles COOKE, die toen de naam gekozen had, dat hij niet wou dat iets in verband met GRUDGE of SIGN kon gebracht worden en dat hij ook niet wilde overdrijven bij het uitkiezen van een benaming.

Met een aangroeiend aantal UFO-meldingen plande Ruppelt een beter en nauwgezetter onderzoek dan ooit tevoren was gebeurd. Met de A.T.I.C.’s teams voor elektronische analysen en onderzoek, inbegrepen de radarsectie, die eveneens volledig samenwerkten met Blue Book, hoopte Ruppelt harde bewijzen te verzamelen voor het bestaan van UFO’s. Hij vroeg eveneens steun in het verkrijgen van de opgenomen radarbeelden van UFO’s, wanneer zij op A.D.C.-radar getraceerd en gefilmd werden...

Enkele dagen later ontmoette Ruppelt een aantal wetenschappers van het Cambridge Research Laboratory (= in de U.S.A. de befaamde Bacon Hill-group), die voor de luchtmacht de technische zaken analyseerden. Volgens een geklassificeerd Blue Book Status Report (n°. 5, 31 maart 1952) “werden meerdere excellente suggesties voor het onderzoek geopperd”. Eén van deze briljante ideeën was om geluidsignalen registreerapparaten te plaatsen op de lokaties waar regelmatig, veel UFO-waarnemingen gemeld werden. In de toekomst zouden camera’s (= professionele patrouillecamera’s) ontwikkeld worden, die dergelijke objecten zouden kunnen ontdekken en filmen.

Tijdens een onderzoek aan de Wright-Patterson basis in Dayton, adviseerde de fysicus Joseph KAPLAN, raadgevende wetenschapper voor de luchtmacht, om een speciale straalbrekend rooster te plaatsen op de patrouillecamera’s om alzo toe te laten spectroanalysen uit te voeren op de waargenomen UFO’s. Volgens Blue Book zou het spectrum van dit resultaat vergeleken worden met het spectrum van bekende objecten. Deze werkwijze zou de mogelijkheid scheppen vast te stellen of de gerapporteerde objecten een totaal nieuw type vliegtuig waren of gewoon een verkeerd geïdentificeerd bekend tuig.

Kapitein Ruppelt maakte een geestdriftige poging om het UFO-raadsel op een wetenschappelijke basis te bestuderen. De overheid van de USA vaardigde alzo voor de eerste maal in de UFO-geschiedenis gedetailleerde, geschreven instrukties uit over de te volgen procedures bij UFO-meldingen. Nochthans lokten deze dokumenten zelf tegenstrijdigheden uit. J.A.N.A.P.-146, “Canadian-United States Communications Instructions for reporting Vital Intelligence Sightings” somt de te nemen maatregelen op, die gevolgd dienen te worden bij het melden van de informatie van levensbelang voor de veiligheid van de Verenigde Staten of Canada. De JANAP-polemiek stuit op het meetellen van het UFO-verschijnsel in dezelfde klasse als het ontdekken van vijandige vliegtuigen en/of vaartuigen, als bijvoorbeeld gebeurtenissen die een zeer snelle en dringende defensieve interventie- of onderzoeksaktie vereisen. Sommige mensen interpreteerden deze verklaringen als de weerlegging van de uitleg van de luchtmacht dat UFO’s geen gevaar vormden voor de nationale veiligheid.

Op 5 april 1952 werd de Air Force Letter 200-5 “UNINDENTIFIED FLYING OBJECTS” uitgegeven en overgemaakt aan alle luchtmachtbasissen van de U.S.A. met de opdracht om alle UFO-waarnemingen direct aan Blue Book en het Pentagon te melden. Deze overheidsorder zorgde eveneens voor tegenspraak. Twee alinea’s in dit order waren de oorzaak van deze ontstane polemiek:

- Eerst: 2. OBJECTIEVEN

c) Vermindering van het UFO-percentage “ONBEKEND”. Het onderzoek van

de luchtmacht moet het percentage van de ongeïndentificeerde gevallen tot

het strikte minimum beperken.

Door hier tussen de regels te lezen, kan je afleiden of besluiten dat de luchtmacht alleen aandacht had om alle UFO-gevallen te kunnen verklaren en zo in de doofpot te steken. De tweede tegenstrijdige paragraaf was:

- 10... Luchtmachtpersoneel, andere dan mensen van het Inlichtingenbureau of

het Secretariaat van de luchtmacht, mogen noch kontakt hebben met privé-

personen in verband met UFO-gevallen, noch mogen zij hun akties of

funkties met ongemachtigde personen bespreken, tenzij zo bevolen werd en

alleen op een “nodig om weten”-basis.

Criticasters van de luchtmacht interpreteerden deze order als een vorm van verboden censuur en evenzeer als intimidatie van het luchtmachtpersoneel. De luchtmacht weerlegde deze beschuldigingen door te verklaren dat deze maatregel eenvoudig vereist was om onofficiële speculaties over UFO-rapporten door hun personeelsleden te voorkomen.

De UFO-meldingen werden dus direct doorgezonden naar Blue Book en het Pentagon. Kopies van deze rapporten zouden tevens doorgezonden worden aan alle hoofden van de luchtmachtcommando’s, aan de inlichtingendirecteur van de luchtmacht en aan A.T.I.C.. De brief vermeldde bovendien dat het personeel van Blue Book direct om het even welke luchtmachteenheid kon contacteren, zonder de gewone commandorangorde te volgen. “Dit was voorheen nog nooit gebeurd bij de luchtmacht,“ noteerde Ruppelt “het gaf het project heel wat bijkomend prestige...”

In 1952 evolueerde Blue Book onder Ruppelt dus tot een bijzondere werkgroep, bestaande uit vijf officieren, twee personen van de luchtmacht en twee burgers. Tevens konden ze beroep doen op de raadgevende diensten van drie STANFORD RESEARCH INSTITUTE–specialisten en van Dr. Allen Hynek, een bekend astronoom. Zo werd Blue Book de grootste UFO-onderzoeksgroep die de luchtmacht ooit officieel oprichtte; voorheen bestond hun inspanning enkel uit één of twee officieren, één inschrijvingsman en één secretaris.

In zijn boek “THE UFO-EXPERIENCE” (Ned. Vertaling = De UFO-uitdaging)”, schrijft Dr. Hynek dat Blue BOOK publiek gezien werd als een “volledige en ernstige onderzoeksoperatie”. Het grote publiek zag het project meestal heel uitgebreid: een goed van personeel voorzien kantoor met rijen werkkamers, computerterminals om de UFO-databank te raadplegen en groepen wetenschapsmensen, die rustig UFO-rapporten onderzochten, bijgestaan door een staf medewerkers. Later verklaarde Hynek dat de situatie jammer genoeg net het tegenovergestelde was. Eén officier van lage rang leidde gewoonlijk de onderzoeken; meestal evalueerde een sergeant met een kleine technische en wetenschappelijke training de binnengekomen meldingen. Hynek citeerde dat ... het meeste werk in het bureel was bestemd voor randmateries of aangelegenheden, alles gedaan op amateuristische wijze. Verder verklaarde hij nog, dat in de vele jaren, waarin hij aan Project Blue Book werkte, nimmer opmerkte dat “één of andere ernstige discussie over onderzoeksmethoden, of in verband met de verbetering van de verzamelakties van UFO-data of technieken van uitgebreide ondervragingsprocedures van getuigen plaatsvond”. De frustraties lagen er dus dik op bij Hynek in een latere onderzoeksfase... Goede wil volstaat niet alleen om aan goed onderzoek te doen!!

In de loop van 1952 ging de aandacht van Ruppelt en zijn medewerkers vooral naar het onderzoek van belangrijke rapporten, zoals het zeer bekende Washington National Radar-Visual Case (= Washington National Airport Incident) en het nog steeds controversieel Florida Scoutmaster Case. Wegens de raadselachtige waarnemingen, zo dicht bij de Amerikaanse nationale hoofdstad hield de luchtmacht haar eerste persconferentie over het UFO-fenomeen...

“ Op 19 juli 1952, kort na middernacht, registreerden radareenheden van de nationale luchthaven 8 UFO’s bij de ANDREWS-luchtmachtbasis, een 10 km zuiderlijker. De oudste vluchtleider van dienst beschreef de UFO’s aan de hand van radarsignalen als een formatie van traagvliegende vliegtuigen, totdat twee objecten door een plotse versnelling uit de radarcontrolezone verdwenen. De controleur riep er twee andere personen bij. Allemaal besloten ze dat het hier niet ging om een vliegtuig. Het raadsel vergrootte nog toen een verkeersleider van ANDREWS eveneens onbekende vliegende objecten op zijn radarscherm signaleerde. Een “Capital Air Lines”-piloot, die net vertrokken was, meldde visueel contact, hetgeen bevestigd werd op de radar van de Controletoren. Kort na deze gebeurtenis riep men de DOVER-luchtmachtbasis, DELAWARE, op om onderscheppende jets te vragen. Wegens onverklaarbare redenen was het al dag eer één F-94 aankwam. De UFO’s waren natuurlijk verdwenen.

De inlichtingendiensten van de luchtmacht werden totaal verrast door deze waarnemingen. In de furie, veroorzaakt door deze raadselachtige waarnemingen, dacht niemand eraan om het Pentagon te verwittigen, maar deze sightings lekten toch uit in de pers. Fase I van dit voorval werd afgesloten, op het ogenblik dat de verzamelde luchtmachtinstanties geen bijkomende details vrijgaven en een eenvoudig “no comment” verklaarden.

Fase II begon op 26 juli 1952, rond 10u30’ a.m., toen dezelfde radaroperators van Washington National Airport (die de week tevoren ook de UFO’s waarnamen) opnieuw dergelijke traagbewegende punten op het radarscherm opmerkte. Net alsof het om een algemene repititie ging, toonde de radar van ANDREWS dezelfde onbekende signalen. Opnieuw kwam er een dringende oproep om jets te zenden toe op DOVER A.F.B., maar de radarbeelden verdwenen op het ogenblik dat de onderscheppende jets toekwamen. Dan, net alsof ze een bizar spelletje opvoerden, verschenen de signalen opnieuw, vanaf het moment dat de jets uit het gebied verdwenen. Weer keerden de jets terug. De UFO-beelden bleven echter op het radarscherm, terwijl de jets naderden. Vooraleer de piloten dichtgenoeg waren om meer dan een “lichtvorm” te zien, schoten de UFO’s weg. Na een nutteloze zoekactie van 20 minuten, keerden de jagers terug naar hun basis wegens gebrek aan kerosine.

De pers in Washington ging zeer fel te keer en zaaide een enorme oproer. Om de publieke opinie te sussen, besloot de luchtmacht een persconferentie te houden op 29 juli, onder voorzitterschap van de directeur van de inlichtingendienst, Majoor-Generaal J. SAMFORD. Een aandachtige lezer van het persbulletin leerde dat SAMFORD een eerlijke poging deed om de Washington-incidenten recht te zetten. Maar hij werd eenvoudig afgeremd, daar hij zelf geen afdoend antwoord wist op alle vragen. Niettegenstaande deze leemte, aanvaardde de media de mogelijke verklaring dat de radarsporen eenvoudig veroorzaakt werden door temperatuurinversies. Zo verlegden ze hun aandacht naar andere, minder raadselachtige items. In de archieven van de luchtmacht staat actueel de verklaring van het Washington-incident nog steed geboekt als “UNKNOWN”...

Tijdens de zomermaanden van 1952 was er dus een tsunami van waarnemingen; alleen in juli al werden er meer dan 500 UFO-meldingen opgetekend. Dit was een rekord dat elke andere maandstatistiek van de luchtmachtarchieven van de mat veegde... Ruppelt herinnert zich, “De situatie was nooit voorheen zo verdubbeld... Niet alleen werden alle records met betrekking van het aantal UFO-rapporten gebroken, ze werden gewoon verpulverd.” Het 8° Status rapport van Blue Book (31-12-1952) verklaarde, “Tijdens de periode van 1 juli 1952 tot en met 31 oktober 1952 ontvingen we 886 rapporten... Het totaal van deze 886 rapporten bedraagt 149 verslagen méér ontvangen, dan de ganse voorgaande periode van 5 jaar dat het UFO-onderzoeksproject bestaat.” In dit totaal van 886 waren de 800 verslagen, verkregen via briefwisseling van het publiek, niet opgenomen.

Deze zomer sprak raadgever en astronoom Dr. J. Allen Hynek ook met 44 collega-astronomen en vroeg hun mening over het fenomeen UFO’s. Hynek vernam dat vijf onder hen zelf al UFO’s hadden waargenomen. “Dit is een veel hoger percentage dan bij het groot publiek”, claimde hij.

“De grote meerderheid van hen was noch vijandig, noch overdreven

geïnteresseerd in UFO’s... Ik nam de tijd om ernstig met enkelen van hen te

praten en hen op de feiten te wijzen dat sommige waarnemingen echt

raadselachtig waren en niet zo gemakkelijk te verklaren. Hun belangstelling

was direct aangewakkerd. Ze wezen erop dat hun algemene onverschilligheid

vooral te wijten was aan een gebrek aan informatie over dit onderwerp. En

zeker een belangrijke factor van hun verlangen niet te spreken over deze dingen was hun verpletterende schrik voor negatieve publiciteit.”

BLUE BOOK’s omgang met wetenschappers gebeurde vooral met medewerkers van het befaamde BATELLE MEMORIAL INSTITUTE. Dit instituut had een samenwerkingscontract met de luchtmacht sinds 1951 om UFO-gegevens te verzamelen en te analyseren. A.T.I.C. werkte ook aan het idee van Kaplan om twee lens ruimtecamera’s, waarvan één met een straalbrekend rooster voor één lens - te plaatsen op de luchtmachtbasissen en op sommige F-86 onderscheppingsvliegtuigen. Het A.D.C. beval hun medewerkers om de radarscherm camera’s 24 uur op 24 uur paraat te houden in alarmfase. Bedoeling was ze direct te gebruiken bij het traceren van een onbekend object. Blue Book plande ook “visuele spotting stations” te installeren in het noorden van New Mexico. Dit was een gebied dat “nog steeds constant meer rapporten telt dan menig ander gebied van de U.S.A..” Deze posten zouden eveneens uitgerust worden met instrumenten en camera’s.



Historicus David M. JACOBS schreef dat “in 1952 het hoogste punt van UFO-onderzoek van de luchtmacht bereikt werd.” Volgens James E. MCDONALD, een atmosferische fysicus van een universiteit van ARIZONA, die een intensieve studie over het UFO-fenomeen maakte tot zijn dood in 1971, schreef:

De 24 maanden van oktober 1951 tot september 1953 groeide uit tot een

“heroïsche periode” van het UFO-onderzoek door de luchtmacht... de enige

interval, tijdens de welke UFO’s ernstig en relatief energiek onderzocht

werden... Net voor deze periode lagen de “donkere jaren (dark ages)”, zoals

Ruppelt vertelde, genoemd het 1949-1951 tijdperk van deze projecten SIGN

en GRUDGE. Kort na 1953 begon een soortgelijk, nieuw donker jaar, toen de

debunking en oppervlakkig onderzoek weer de kop opstaken, en de

bovenhand haalde als antwoord op het UFO-probleem...

Nochthans had de luchtmacht veel kunnen bijleren bij het behandelen van het UFO-probleem tegenover het groot publiek. Uit Samford’s verklaring hadden ze kunnen afleiden dat public-relationproblemen vermeden kunnen worden, indien de luchtmacht een eerlijke poging had gedaan om de aanwezige feiten publiek te verklaren. De inspanningen van de luchtmacht werden teniet gedaan door andere krachten binnen de overheid. De globale UFO-golf van 1952 en de indrukwekkende UFO-sighting boven het Witte Huis (= presidentswoning) en het Kapitool in Washington met de onvermijdelijke, enorme publiciteit en de oncontroleerbare nieuwgierigheid van het groot publiek, overtuigde de overheid ervan dat er iets specifieks moest gebeuren om uiteindelijk een oplossing te vinden voor dit frustrerend probleem. De bijeengekomen C.I.A. (= Central Intelligence Agency) steunde het Robertsonluik van 1953 en bevestigt hierdoor het groot belang van de luchtmachtonderzoeken. Het overladen, het vastlopen van de communicatiekanalen van de inlichtingendiensten tijdens het uitbreken van de UFO-waarnemingen boven Washington D.C., bracht de C.I.A. van streek. Ze vreesden dat een vijandige, buitenlandse mogendheid voordeel zou kunnen putten uit dit soort van communicatiestoringen. Deze grote bezorgdheid, die vele hooggeplaatste luchtmachtofficieren koesterden, leidde dus tot een bijeenroeping van een door de C.I.A. betaalde meeting tussen 14 en 17 januari 1953. Tijdens deze vergadering overwogen en verwierpen een kleine groep skeptische wetenschappers een aantal ideeën. De C.I.A. steunde het “ROBERTSON panel”, dat verklaarde dat in de UFO-rapporten niets staat dat werkelijk op ongewone objecten wees. UFO’s vormden geen gevaar voor de nationale veiligheid. Maar alleen al het “geloof” in hun bestaan, was volgens de inschatting van de wetenschappers en de C.I.A. een potentieel gevaar om massahysterie en paniek te veroorzaken. Een bedreven, vijandige macht van Amerika kon deze verslagen van UFO’s misbruiken als psychologische oorlogsvoeringswapen tegen hen. Daardoor waren vooral de UFO-meldingen en niet de UFO’s zelf een potentieel gevaar voor de U.S.A. (massahysterie, paniek, blokkering van medialijnen,...) In het tijdperk van de “koude oorlog” en het Sovjetgevaar dien je deze “angst” wel realistischer te beschouwen dan wij de dag van vandaag kunnen vatten...


b. Wat houdt het Roberson-panel 1952 –1953 effectief in?

Jarenlang verspreidde zich het gerucht dat de Central Intelligence Agency (C.I.A.) sterk betrokken was met het UFO-mysterie en met de controversie en gecrashste UFO’s in het bijzonder. Deze beweringen worden verder ondersteund door de inhoud van de Majestic 12 – Dokumenten. Desalniettemin, op een officieel niveau tenminste, heeft de C.I.A. enkel maar bevestigd dat ze enkel en direct betrokken waren met één UFO-studie – door het zogenaamde ROBERTSON PANEL. Om het officieel verhaal van het Robertson panel te begrijpen , dien je rekening te houden met de volgende verklaring:

In januari 1952 brachten H. Marshall CHADWELL (C.I.A. directeur van

Scientific Intelligence) en H.P. ROBERTSON, een befaamde fysicus van het

Californisch Institute of Technology, een voornaam panel samen van

particuliere wetenschappers om het UFO-onderwerp te bestuderen. In dit

panel zat Robertson als voorzitter; Samuel A. GOUDSMIT, een kernfysicus

van de BROUKHAVEN NATIONAL LABORATORIES; Luis ALVAREZ, een

hoge energie fysicus; Thornton PAGE, de plaatsvervangende directeur van

het JOHNs HOPKINS OPERATIONS RESEARCH OFFICE en een expert in

radar en elektronica en Lloyd BERKNER, een directeur van de

BROUKHAVEN NATIONAL LABORATORIES en een specialist in geofysica.

De opdracht van dit panel was om het beschikbaar bewijsmateriaal van de

UFO’s te herzien en na te denken over de mogelijke gevaren van het fenomeen

tot de nationale veiligheid van de Verenigde Staten. Het panel kwam samen

van 14 tot 17 januari 1953. Het checkte luchtmachtgegevens over historische

UFO-gevallen na. Na 12 uur tijd te besteden aan de studie van het fenomeen,

verklaarde ze dat aanvaardbare verklaringen voor de meeste gevallen konden

vooropgesteld worden, maar niet voor ALLE waarnemingen. Bijvoorbeeld,

nadat ze bewegende filmbeelden zagen van een UFO-waarneming nabij

TREMONTON, UTAH op 2 juli 1952 en één nabij GREAT FALLS,

MONTANA op 15 augustus 1950, bekeken, besloot het panel dat de beelden

op de Tremontonfilm veroorzaakt waren door zonlichtreflecties van

zeemeeuwen en dat de beelden van Great Falls zonlichtweerkaatsingen waren

van de oppervlakte van twee luchtmachtonderscheppingstoestellen...

Het panel besloot unaniem dat er geen bewijs nestond voor direct gevaar voor

de nationale veiligheid door de UFO-meldingen, noch vonden ze enig bewijs

dat de waargenomen objecten buitenaards zouden kunnen zijn. Zij vonden

dat de voortdurende klemtoon en aandacht op de UFO-rapportering “ het

orderlijk functionneren” van de overheid kon bedreigen door het overhitten

en blokkeren van de communicatiekanalen met onbelangrijke rapporten en

door het veroorzaken van een “hysterisch massagedrag” en daardoor

bedreigend was om een degelijke autoriteit te vestigen.

Het panel was eveneens bezorgd dat de potentiële vijanden, die een aanval

op de Verenigde Staten overwogen, het UFO-fenomeen kon uitbuiten en

gebruiken om de verdediging door de luchtmacht te ontwrichten. Actueel

klinkt deze verklaring misschien belachelijk, maar in de periode van de Koude

Oorlog met U.S.S.R. en het Warchaupact als gevaarlijke tegenstander was dit

idee zeker niet zo zinloos.

Om deze problemen te vermijden, stelde het panel voor dat de “National

Security Councel” UFO’s zouden ontkennen (=debunken) en een politiek van

publieke opvoeding zou instellen om het grote publiek ervan te overtuigen

van het gebrek aan bewijs achter UFO’s. Ze raadde aan om de massamedia te

gebruiken, net zoals advertenties, business clubs, scholen en zelfs de DISNEY-

coöperatie in te schakelen om deze boodschap over te brengen.

Verslaguitbrengend aan de hogere bewindvoeders van het McCarthisme (=

Anti-communistenjacht in de V.S. in de jaren 50’) beval het panel ook aan

dat zulke particuliere UFO-groepen, zoals het “ Civlian Flying Saucers

Investigators (C.F.S.I.) uit Los Angeles en de “ Aerial Phenomena Research

Organisation (A.P.R.O) uit Winconsin kritisch dienden gevolg te worden voor

subversieve (= onverwerpende) activiteiten. De besluiten van het Robertson

panel klonken alzo opvallend gelijkluidend met de conclusies van de vroegere

rapporten van de studiegroepen van de luchtmacht, namelijk SIGN en

GRUDGE en deze van de eigen C.I.A.-studiegroep, de O.S.I.-studiegroep. Alle

onderzoekende studiegroepen vonden dat UFO-rapporten geen onmiddellijk

gevaar voor de nationale veiligheid betekenden en er geen bewijs aanwezig

was van buitenaardse bezoekers.

De bevindingen volgend van de Robertsongroep besloot het Agentschap zijn

inspanningen op te geven om een N.S.C.I.D. te ontwerpen over UFO’s. De

“Scientific Advisory Panel on UFOs (= het Robertson panel) legde hun rapport

voor aan de I.A.C., het Secretariaat van Defensie, de directie van de “Federal

Civil Defense Administration” en aan de voorzitter van het “National Security

Resourches Board”. C.I.A. officiëlen wensten kennis te hebben van enige

belangstelling van het Agentschap voor het onderwerp van “Vliegende

Schotels” en deze strikt te beperken, niet alleen omdat het rapport van het

Roberson panel gekassificeerd was, maar ook dat enige aanduiding van

geldelijke steun aan het panel verboden was. Deze houding zou het

Agenstschap later zuur opbreken en grote problemen veroorzaken omtrent

hun geloofwaardigheid.


Ondanks de geschiedenis van de betrokkenheid van de C.I.A. in de UFO-controversie, zo voorgesteld door HAINES en het Agenstschap zelf, bleven verdachtmakingen opduiken dat het gehele verhaal over UFO’s openbaar moest gemaakt worden. Victor MARCHETTI, vroeger bij de C.I.A., verklaarde dat hij van “hooggeplaatsten” binnen het Agenstschap verslagen hoorde over lichamen van “kleine, grijze mannen”, geborgen na het crashen van een UFO en bewaard op de Wright-Patterson luchtmachtbasis te Dayton, OHIO.

Tegelijk, hoorde de latere UFO-onderzoeker majoor Donald KEYHOE van insidersbronnen binnen het leger dat het doel van de ROBERTSON-groep eenvoudig was om het UFO-onderwerp te debunken en te ontkrachten. Deze manier van werken liet de C.I.A. toe om zijn UFO-onderzoeken op een meer geheim niveau te voeren - uitleg die lijkt stand te houden door het geopenbaarde materiaal in de Majestic 12-dokumenten.



c. Gevolgen van de besluiten van het Robertson Panel voor

Project Blue BOOK

De schrikbarende vaststelling over een mogelijke bedreiging van de nationale veiligheid door het eventueel vastlopen van de communicatiekanalen door massahysterie, had eenvoudig het meest invloedrijke impact op de overheidstudie van UFO’s. Hierna zou de overheid de UFO-activiteit nooit meer publiek onderzoeken en analyseren. Vanaf nu zouden ze alle officiële inspanningen richten op het “debunken” van het verschijnsel. Ze beschouwden het UFO-probleem alleen maar als een publiek gebonden “hoofdpijn”, die het veroorzaakt en dat het meer aandacht en moeite kreeg dan het werkelijk verdiende. Na 1953 trad de overheid eerder op als een “sussende agent”, die probeerde alle angsten weg te nemen. Ze vertelden het publiek gewoon dat ze alles onder controle hadden. In stilte hoopten ze dat dit smakeloos verschijnsel en de publieke aandacht ervoor stilaan zou stoppen en dat de vele meldingen zouden ophouden.

Vanaf nu werden de ambities van RUPPELT om een meer gesofistikeerd en beter gefinancieerd onderzoek te leiden een ware frustratie. De verschillende plannen om waarnemers en instrumenten te plaatsen op de diverse luchtmachtbasissen werden afgevoerd; de Blue Book staf sterk verminderd. In februari 1953 bracht Ruppelt het idee naar voren dat een A.D.C.-eenheid, de 4602° Air Intelligence Service Squadron (A.I.S.S.) de Blue Book onderzoeken zou leiden. Eind 1953 nam deze eenheid de onderzoekstaak effectief over.

Toen Ruppelt in februari 1953 Blue Book verliet om elders een tijdelijke opdracht uit te voeren, nam een stafofficier luitenant Robert OLSSON zijn taak over. Toen Ruppelt later terugkwam, vond hij zich nog aan het hoofd van een werkgroep, die enkel nog bestond uit 2 ondergeschikten en hijzelf... Zijn tijdelijke (bewuste?) detachering lijkt dus duidelijk op een elegante manier en om zonder pottenkijkers of kritische commentaar Project Blue Book buiten spel te zetten en verder af te bouwen. Bij Ruppelt’s vertrek in augustus 1953 kwam er een onderofficier aan het hoofd te staan van Blue Book.

Dezelfde maand nog vaardigde de luchtmacht zijn order REGULATION 200-2 uit. Deze officiële richtlijn bepaalde hoe de luchtmachtofficieren van de diverse basissen in de toekomst dienden om te gaan met UFO-rapporten. Tevens bevalen ze hen, er enkel publiek over te discussiëren als de UFO-meldingen opgelost waren. In het andere geval moesten ze geklassificeerd worden – minimum - op een “restricted”- niveau.

Een omvangrijk rapport, opgesteld door het Battelle Memorial Instituut versterkte alleen maar de overtuiging van de overheid dat UFO’s geen objecten van ongewone origine waren. De heersende mening van de luchtmacht over de UFO-meldingen kwam overeen met deze van een hoe langer hoe meer verwarde Dr. Allen HYNEK :” Het kan niet mogelijk zijn, daarvoor bestond het verschijnsel niet.” Vanaf 1953 werd de voorwaartse, elementaire politiek van de luchtmacht, proberen zoveel mogelijke verslagen te identificeren, te weerleggen en het publiek op te voeden, dat alle meldingen verklaarbaar waren. Ze hoopten dus dat bij gebrek aan publieke belangstelling dat de UFO-meldingen zouden wegebben... Alle UFO-gevallen moesten weerlegd worden in de overeenstemming met de actuele inhoud van het rapport. De files (geordende, onderzochte gevallen) moesten geheim blijven om publieke belangstelling voor het UFO-vraagstuk te voorkomen. Maar de poging om het publiek weg te houden van alle UFO-verslagen faalde. Tegen 1958 trachtte een gefrustreerde luchtmacht niet alleen het publiek van UFO-meldingen te bevrijden, maar zichzelf te bevrijden van het volledige UFO-programma...

Rond deze periode werden de eerste Amerikaanse amateur UFO-studiegroepen opgericht om op nationale schaal op te treden. Jim en Carol LORENZEN in TUCSON, ARIZONA stichtte de A.P.R.O (AERIAL PHENOMENA RESEARCH ORGANISATION). De tweede grootste UFO-organisatie N.I.C.A.P. (NATIONAL INVESTIGATION COMMITTEE ON AERIAL PHENOMENA) startte slechts enkele jaren later in WASHINGTON D.C., onder leiding van Majoor KEYHOE, de schrijver van het beruchte TRUE - artikel (= verdedigen van ET-hypothese) en van verschillende boeken over vliegende schotels. Volgens de Blue Book-files bestonden er in het najaar van 1950 in de U.S.A. ongeveer een 50-tal UFO-verenigingen. Het waren vooral A.P.R.O. en N.I.C.A.P., die de volgende jaren de luchtmacht aanzienlijk parten zou spelen en moeilijkheden maakten...

Voor critici op het werk van de luchtmacht, zoals majoor Donald E. KEYHOE, was de richtlijn 200-2 net het bewijs van een officiële cover-up. Voor hen die tot het kamp van de C.I.A. behoorden, was dit eenvoudig een antwoord op hun aanbevelingen om de publieke belangstelling en speculatie in en over de UFO-meldingen te ontmoedigen. De maandelijkse uitgave van de Blue Book Status - rapporten werd met een afnemende frekwentie gepubliceerd; ze legden de klemtoon in hun rapporten vooral op de opgelosten rapporten. Hynek zou vele jaren scherp aanhalen dat “de uitgave van propaganda en public-relationshandleidingen vaak onbezonnen, ondoordacht en tegenstrijdig waren.”


1   2   3   4   5   6   7

  • 3.2 1947 – HET BEGIN

  • Dovnload 7.86 Mb.