Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door Pieter Hendrickx

Dovnload 7.86 Mb.

Door Pieter Hendrickx



Pagina5/7
Datum28.10.2017
Grootte7.86 Mb.

Dovnload 7.86 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

Kapitein Charles HARDIN werd in maart 1954 directeur van BLUE BOOK. De eenheid 4602 - Air Intelligence Service Squadron trok het grote werk in het onderzoek en de analyse naar zich toe. “Hardin zelf had weinig of niets te doen, hetgeen hij wel leuk vond,” schreef RUPPELT volgens een privé memorandum .“Hij gelooft in het geheel niet in UFO’s,” noteerde Ruppelt, “in feite denkt hij dat iedereen die belangstelling toont voor UFO’s gewoon gek is. Zij vervelen hem.” Hynek zou zich later herinneren, HARDIN was een strikte carrièreman, die nog slechts naar één ding uitkeek en dat was de dag van zijn opruststelling. Hij wou een beursmakelaar worden en hij besteedde nu al veel tijd aan het lezen van informatie over de effectenmarkt.”

In februari 1955 vertelde A.T.I.C. het hoofd van A.I.I.S. dat het doel van het UFO-onderzoek was om het aantal onopgeloste gevallen tot het strikte minimum terug te brengen. Om deze opdracht tot een goed einde te brengen, had de luchtmacht volgens JACOBS devolgende procedure toegepast:“ De luchtmacht had nu de identificatiecategorie uitgebreid door de termen waarschijnlijk (= probable) en mogelijk (= possible) toe te voegen in hun verklaringen. Deze vage subcategoriën lieten de onderzoekers toe om een UFO-melding te identificeren op hun inschatting van de mogelijkheid dat de waarneming en bekend verschijnsel was. Indien de onderzoekers een waarneming niet definitief konden identificeren, dan konden ze het probleem en de melding oplossen door ze te plaatsen in één van deze toegevoegde ‘subcategoriën’. In de vrijgegeven persreleases en in de eindevaluatiestatistieken van Blue Book verdwenen de termen “possible” of “probable”... Blue Book lijstte deze waarnemingen dan als “opgelost” en “geïdentificeerd”.” Eind 1956 slonken de onopgeloste gevallen door het toepassen van deze werkwijze tot 0,4%, daar waar het percentage voorheen tussen 20 à 30% lag in de voorgaande jaren. Op deze manier probeerde de luchtmacht het UFO-verschijnsel monddood te maken.

Alhoewel de studie van het BATTELLE MEMORIAL INSTITUTE al in 1954 volledig beëindigd was, werd het niet publiek vrijgegeven voor 25 oktober 1955, opgenomen in het PROJECT BLUE BOOK SPECIAL REPORT N°. 14. Het rapport verklaarde dat het heel onwaarschijnlijk leek dat enige, specifieke rapporten van “de onverklaarbare luchtobjecten, onderzocht in deze studie, waarnemingen van spitstechnologische ontwikkelingen buiten de orde van de huidige wetenschappelijke kennis zouden vertegenwoordigen.” Evenwel zouden Bruce MACCABEE en andere critici later argumenteren dat de eigentijdse, vrijgegeven data van het eindrapport andere dingen aantonen. In de media werd dit rapport onthaald als het laatste woord over UFO’s en diende het – zoals waarschijnlijk het hoofddoel was - om het impact over de cover-up, aangehaald door KEYHOE in zijn net gepubliceerd boek en bestseller “THE FLYING SAUCER CONSPERACY ( 1955)” te ontkrachten.

In april 1956 nam kapitein George T. GREGORY, een fervent voorstander van de debunking-politiek en ééntje van de harde lijn Project Blue Book over. Hij liet de werkgroep achter in de handen van een hardere directie dan die van de apathische Hardin. In juli 1956; nadat de eenheid 4602 – bedankt werd voor de geleverde diensten, nam de 1006 ° A.I.I.S. datgene over wat nog restte en voor UFO-onderzoek moest doorgaan. Hun fondsen werden aanzienlijk terugeschroefd. De 1127° Veld Activiteiten Groep namen de verantwoordelijkheid voor UFO-onderzoek over vanaf juli 1959, maar voerde hun opdracht zelden uit. Een herziene order AFR 200-2, uitgegeven in februari 1958, stelde immers duidelijk: “De activiteiten van de luchtmacht moeten het percentage onopgeloste gevallen tot een strikte minimum beperken.”

Majoor Robert J. Friend nam in oktober 1958 Blue Book over. Hij was een getrainde fysicus en hij stond persoonlijk minder vijandig tegen UFO-rapporten dan Gregory was. Zijn pogingen om de files en de lijst van opgeslagen waarnemingen te updaten volgens de verschillende waargenomen karakteristieken, vingen bot bij gebrek aan financiële bijstand en assistentie. In 1959 overwoog A.T.I.C. om Blue BOOK te dumpen. Daarna besloot de luchtmacht de transfer van de studiegroep “Aerial Phenomena Group” naar het Onderzoeks- en Ontwikkelingscentrum van de Luchtmacht, het A.R.D.C. (= Air Research and Developpement Command). Deze poging faalde omdat het A.R.D.C. deze transfer van de hand wees. Ze besloten dat de beschikbare data niet van goede kwaliteit waren en daardoor ook van minimale, wetenschappelijke waarde. Beseffend dat het onderzoeksproject vooral tot een public-relationprobleem gegroeid was, besloot A.T.I.C. om het onderzoek naar de luchtmacht’s Secretariaat van het “Office of Information” van het Pentagon over te maken (S.A.F.O.I.).

Toen ook S.A.F.O.I weigerde het onderzoek te verrichten, diende de luchtmacht andere studiecentra aan te spreken, zoals de N.A.S.A., de National Science Foundation, het Smithsonian Institute of het Brookingsinstitute. Maar er waren geen vrijwilligers om het studieonderwerp over te nemen. Het Amerikaans overheidsonderzoeksteam in verband met UFO’s bestond uiteindelijk uit slechts 4 personen, die in een klein “tijdelijk Tweede Wereldoorlog-gebouwtje” bij Wright-Patterson A.F.B. gehuisvestigd waren.

Begin februari 1959 bracht Hynek A.T.I.C. en Blue Book stafleden samen in een reeks informele vergaderingen. Tijdens deze meetings overzagen ze de wetenschappelijke en public-relationsproblemen. Groepsleden gingen akkoord dat de term “UFO’s” eventueel overboord zou geworpen worden. De oude gevallen – die rapporten, die door privé-onderzoekers herzien werden in een poging aan te tonen dat UFO’s echt onverklaarbaar waren – zouden de medewerkers van Blue Book ook herzien in het licht van een “grotere wetenschappelijke kennis en benadering”. Bedoeling was om gevallen met hun “onbekend-label” onder te brengen in een bekende en verklarende categorie. Deze groep kwam in 1960 een laatste maal samen.

In januari 1957 aanvaardde Majoor Donald KEYHOE het directeurschap van N.I.C.A.P., voluit het NATIONAL INVESTIGATIONS COMMITTEE IN AERIAL PHENOMENA. Onmiddellijk wou Keyhoe deze groep gebruiken om druk uit te oefenen op de luchtmacht. Keyhoe was er rotsvast van overtuigd dat de luchtmacht meer wist over de origine en aard van de UFO’s, maar ze weigerden heel bewust de realiteit van UFO’s vrij te geven. Zijn geloof was gebaseerd op zijn eigen ervaringen als privaat journalist en als hoofd van N.I.C.A.P. met de luchtmacht. Via vrienden en andere bronnen binnen het militaire apparaat, werd hij regelmatig over UFO-waarnemingen gebriefd. Vaak waren deze van een dramatische, duidelijke aard, die – terwijl ze vermoedelijk officieel gerapporteerd waren – niet in de officiële files van Blue Book stonden.

N.I.C.A.P. had tussen zijn directieleden een aantal hoge rang personen, zoals gepensioneerd schout-bij-nacht Delmer S. FAHRNEY, die hoofd was van het raketprogramma van de Navy; gepensioneerd vice-admiraal Riscoe H. HILLELKOETER, de eerste directeur van de C.I.A.; majoor Dewey J. FOURNET, op rust en verbindingsofficier van het Pentagon met Blue Book; gepensioneerd schout-bij-nacht Hubert B. KNOWLES; Albert M. CHOP, de vroegere persattaché van de luchtmacht bij het Pentagon en nog vele andere militaire officieren, wetenschapers, predikanten en prominente burgers... In veel gepubliceerde en geciteerde persconferentie van N.I.C.A..P, zei Admiraal Fahrney, “dat UFO’s op een intelligente wijze leken gecontroleerd en bestuurd te worden, maar noch van Amerikaanse, noch van Sovjet-Russische makelei waren. Hij voegde er aan toe dat UFO’s buitenaardse bezoekers waren!

Keyhoe koesterde al sinds 1950 sterke twijfels over de wijze hoe de luchtmacht omsprong met hun onderzoek naar UFO’s. Hij uitte deze twijfel al in zijn artikel “The Flying Saucers are Real” van het True-magazine van januari 1950. Vanzelfsprekend veroorzaakte dit artikel een felle polemiek bij het publiek. Hij ging verder in zijn strijd en schreef drie boeken, waarin hij de pogingen van de luchtmacht om de realiteit van de UFO’s geheim te houden, fel aanviel. In één van deze boeken “FLYING SAUCERS FROM OUTER SPACE (1953)”ging hij hard te keer tegen de officiële rapporten van de luchtmacht, gedeclassificeerd geworden via de pogingen van CHOP en FOURNET om zo info los te kweken van de luchtmacht. Deze twee ex-militairen waren net zoals Keyhoe ervan overtuigd dat UFO’s belangrijk waren en mogelijk buitenaards.

De luchtmacht beschuldigde Keyhoe er vervolgens van dat hij deze UFO-rapporten illegaal bekomen had. Nadat CHOP in een “getekende en beëdigde verklaring” het tegendeel bewees, moest de luchtmacht zijn ongelijk toegeven. Keyhoe deed niets verkeerds! Keyhoe zag deze periode als het resultaat van een “meedogenloze strijd”, die zich afspeelde tussen de censuurbestrijders (Chop, Fournet, Ruppelt,) en de aanhangers van de geheimhoudingspolitiek...

Kort nadat Keyhoe de leiding van N.I.C.A.P. overnam, bood de organisatie de luchtmacht ”een permanente luchtmacht-N.I.C.A.P.-relatie” aan, om voortaan alle misverstanden uit de weg te ruimen... Het N.I.C.A.P.-bestuur en een panel van raadgevers zou de gelijste en opgeslagen UFO-rapporten onderzoeken; vroegere rapporten, die al onderzocht waren door de luchtmacht... Indien de luchtmacht dit voorstel aanvaardde, zou N.I.C.A.P. de antwoorden publiek bevestigen. “N.I.C.A.P. wou op deze wijze de luchtmacht helpen” het publiek voorbereiden naar de oplossing, die de luchtmacht later hoe dan ook publiek zou vrijgeven. Vanzelfsprekend ging de luchtmacht niet in op dit aanbod.

Keyhoe en NICAP lobbyden sterk om congresleden zo ver te krijgen, dat ze een hoorzitting over UFO’s zouden houden, doch met weinig succes. In 1958 overwoog het subcomité voor “GOUVERNMENT, OPERATIONS” van de Senaat dit kort, maar Richard HORNER, de assistent-secretaris van Onderzoek en Ontwikkeling van de luchtmacht, ging hier tegen in. Hij overtuigde de baas van het subcomité ervan dat deze hoorzitting niets goeds zou opleveren, noch voor de luchtmacht, noch voor de nationale veiligheid van de U.S.A.. Blue Book had net nu de situatie zo goed in de hand, dat andere acties deze controle in gevaar konden brengen. De volgende junimaand 1958 linformeerde Blue Book verschillende, geïnteresseerde HOUSE-leden in over UFO’s. Na deze informatie waren deze leden ervan overtuigd dat een hoorzitting geen enkel doel zou dienen.

In augustus 1958 wist het hoofd van Blue Book, Kapitein GREGORY het subcomité voor Atmosferische Verschijnselen ervan te overtuigen dat privé-groepen en particuliere onderzoekers, zoals N.I.C.A.P., enkel belangstelling toonden in het UFO-fenomeen voor eigen financieel profijt dan voor de echte feiten en dat ze volledig genegeerd dienden te worden.

In oktober gaf de luchtmacht een feitendokument vrij, waarin ze verklaarde dat dank zij de “verfijning” van hun onderzoeksprocedures, de onopgeloste rapporten nu teruggebracht waren tot een aanvaardbaar aantal, namelijk 1,8%. Terzelfde tijd besprak een geheime stafstudie van Inlichtingenofficieren van de U.S. Air Force de public-relationsproblemen, veroorzaakt door Keyhoe’s activiteiten. Ze beschouwden hem als een “politieke avonturier”, die nu verbonden was met RUPPELT. Dit was een even bizar als vals verwijt; immers in 1957 weigerde RUPPELT al KEYHOE’s aanbod om privé-raadgever van N.I.C.A.P. te worden. Hij had zich privé aangesloten met de anti-UFO-fractie van Blue Book; in 1959 zou hij daar publiek voor uitkomen. “Beiden Keyhoe en Ruppelt”, wees de studie uit,”waren enkel in het onderzoek van UFO-meldingen gestapt om financieel voordeel te bekomen. Maar samen vormden ze een formidabel team, waarvan veel last kan verwacht worden.” De studie beval tevens aan dat 18 à 20 nieuwe medewerkers tijdelijk aan het UFO-onderzoeksproject dienden toegewezen te worden. Zij zouden UFO-rapporten gaan onderzoeken – en vermoedelijk oplossen – zoals rapporten, gepubliceerd in dagbladen en tijdschriften. Deze rapporten waren niet direct naar Blue Book gezonden, maar wel naar de media. Dit waren net het soort van rapporten, die vrij beschikbaar waren voor privé-groepen. Dit soort rapporten was heel bruikbaar voor N.I.C.A.P.en anderen burgerlijke organisaties voor hun onderzoeksdoeleinden. De luchtmacht diende de inspanningen van deze groeperingen te weerleggen. Alhoewel A.T.I.C. aanspoorde om het plan uit te voeren, weigerde het hoofdkwartier van de luchtrmacht dit idee zelfs maar in overweging te nemen. Ze bleven in hun overtuiging dat UFO’s gewoon verkeerde interpretaties waren van bekende objecten en geen enkel gevaar vormden voor de nationale veiligheid. Ze zouden gewoon verder gaan met het “verklaren van alle meldingen” en het fenomeen zo uitschakelen...

Een schoolvoorbeeld van de toepassing van deze politiek, is het Alaska-incident. Op 19 mei 1960 zagen inboorlingen (= eskimo’s) van de stad DILLINGHAM, ALASKA de plotse verschijning van een voetbalvormig (ovaalvorm = Amerikaans voetbal = RUGBY) object, dat langs de bergkam van het dal vloog. Eén getuige zag het van op een afstand van ongeveer een 50-tal m, toen het slechts een paar meter boven de elektriciteitsleidingen vloog. Op het moment dat het object voorbijvloog, creëerde het zo een sterke zuigkracht, dat het 2 lege, metalen, 5-gallons (U.S.A. inhoudsmaat 1 gallon= 3,79 liter) kannen kon oppikken en deed rondtollen als in een draaikolk onder het object. De getuige vreesde even dat zelfs een paar kinderen, die in de nabijheid aan het spelen waren, opgezogen zouden worden door het object. Gelukkig bleef het echter beperkt tot de metalen bussen en wat gedroogd hooi...

Het object vloog tussen twee huizen door en vloog naar de andere kant van het dal, een afstand van een 100-tal meter. Het voorwerp helde nogal over toen het over het dal vloog. Toen het aan de andere zijde kwam, steeg het bruuks tegen hoge snelheid omhoog. De meegezogen kannen vielen terug op de grond, net als het dode, droge hooigras, dat direct onder het opstijgende object eveneens in het rond draaide toen het opgezogen werd. Het opstijgen ging gepaard met een zuigend geluid. De dichtsbijzijnde getuige hoorde dit geluid niet, aangezien zij doofstom bleek. De andere getuigen, die zich op een 100-tal meter verderaf bevonden, konden het zuigend geluid duidelijk horen. Kort na de waarneming ondervroeg de lokale officier van de inlichtingendienst van de plaatselijke luchtmachtbasis de getuigen. Hij kon met de doofstomme getuige communiceren via haar broer en zo een gedetailleerde beschrijving van de waarneming en het object bekomen. Ze maakte zelfs een schets van het voorwerp. Volgens de ondervragende officier, luidde de melding als het volgt:

- de getuige beschreef het tuig als het volgt: het was volledig rond met een

vooruitspringend, uitstekend deel op het einde van de middenas van de bol.

Hoedanook of dit zo “voor en achter” of een “flange” helemaal rond het

object was, kon niet worden vastgesteld. Er liep een rode band rond het

object tussen de uitstekende delen. Aan de bodem waren twee

appendixachtige uitstulpingen, die een vibrerende beweging maakten (deze

beweging beschreef de getuigen door middel van armbewegingen). Eveneens

in het centrum van de bodem van het object was een half maanvormig

voorwerp dat tegen verschillende snelheden ronddraaide. Klaarblijkelijk toen

het object snel daalde (steeg?) tolde het heel snel rond. Volgens het relaas van

de getuige, veranderde de hoek van aanhechting met het object van dit

“appendixachtige” en half maanvormig voorwerp. Maar wegens

moeilijkheden met de streektaal (dialect), was het onmogelijk om de relatie te

bepalen met de beweging van het tuig, behalve dat het gebeurde als het object

draaide. Het object was zeker zo groot als een auto en was zilverkleurig.

De officier verzamelde eveneens nauwkeurige beschrijvingen en schetsen van de andere getuigen. Deze relazen klonken gelijkluidend de één ten opzichte van de andere, schreef hij in zijn rapport aan het hoofdkwartier van Blue Book. Hij ging verder:

- er lijkt nog steeds geen logische verklaring te bestaan voor deze

merkwaardige waarneming. Het is heel duidelijk dat een echt object

waargenomen werd. Of al dan niet alle details over deze waarneming correct

zijn, kan niet met 100% zekerheid bepaald worden. Hoedanook er kan geen

reden bestaan om aan de belangrijke nauwkeurigheid te twijfelen. In elk geval

het lijkt er niet op dat een alledaags object zoals een vliegtuig of een ballon

verantwoordelijk was voor deze waarneming. Het weer was helder en er

waaide een lichte bries. Het object vloog min of meer tegen de wind in...

In Wright-Patterson verklaarden de analisten van Blue Book dat het object “een weerballon met een radarreflector “ was. Moet er nog zand zijn ... Op deze wijze kan ieder klein kind alle UFO-meldingen verklaren, niet?


d. hoe werd de werking van Blue Book en de poletiek van de luchtmacht in feite bepaald?

Vanaf april 1952 werd de UFO-poletiek van de luchtmacht bepaald door hun richtlijn AFR-202 (AFR = Air Force Regulation), die periodiek onderwerp was van incidentele herziening (= in functie van opzienbarende UFO-waarnemingen!) en updating. Tot de uitgifte van de september 1959-versie van AFR-202, was de belangstelling van de luchtmacht georiënteerd in twee richtingen: als een potentieel veiligheidsitem en als als een informatieverzameling over “proefneming en ontwikkeling van nieuwe vliegtuigen”.

Hoedanook de versie van 1959 voegde er een derde element aan toe:


  • de activiteiten van de luchtmacht dienen het percentage van de onidentificeerbare gevallen sterk te verminderen. Tot dus verre leverden de analysen slechts een verklaring op voor een groot deel van de gerapporteerden waarnemingen. Het resterend deel van onverklaarbare waarnemeningen wordt statistich meegenomen als onidentificeerbaar. Indien onmiddellijk meer gedetailleerde en objectieve gegevens van de onverklaarbare gevallen beschikbaar zouden zijn, zouden deze gevallen ook verklaard kunnen worden. Maar menselijke factoren maken het twijfelachtig dat alle onidentifceerbare gevallen opgelost raken.

Er is niets nieuws onder de zon. Als je de reacties van de actuele sceptische en non-believers UFO-onderzoekers leest, stel je duidelijk vast dat deze stelregel en beoordelingswijze van UFO—meldingen al ruim 50 jaar ook door hen toegepast wordt...

De herziene order van de 1959 AFR-202 had dus als hoofddoel, de rush van het percentage onverklaarbare gevallen te verminderen. Deze regel werd in praktijk al toegepast sinds 1953. Dit kan je afleiden uit de onaangename samenloop van omstandigheden tussen rapporten, waarnemingsdata en aan de verklaringen die het officieel project van de luchtmacht, project Blue Book, aan de meldingen gaf. Het Alaska-incident van hierboven is slechts één van de vele honderden gevallen die je als schoolvoorbeeld kan nemen voor deze vaststelling. Andere gevallen zijn de SALT LAKE CITY-waarneming, de ontvoering van Barney en Betty HIIL, de PROTAGE COUNTRY waarnemingen en de RED BLUFF-sightings...

Bovendien zou hun eigen wetenschappelijke raadgever en astronoom J. Allen HYNEK zich jaren later beklagen over het feit:

- geen enkele poging werd ooit gedaan door de luchtmacht om alle

beschikbare gegevens te verzamelen. De onderzoekers van de luchtmacht

maakte er zich niet druk om te verzamelen wat er was. In veel gevallen,

vertrekkende van niets anders dan een klein item op de rugpagina’s van een

plaatselijke stadskrant, was ik in staat om met de geduldige hulp van de

waarnemers een samenhangende lijst van gerapporteerde gebeurtenissen

weer op te bouwen. .. De Blue Book files zijn verzadigd met geëtikeerde

gevallen van “INSUFFICIENt INFORMATION”, waar in vele gevallen

het zuivere etiket “INSUFFICIENT FOLLOW-UP” zou moeten luiden.”

De herziening van de AFR-202 in 1959 wijzigde maar één paragraaf naar “RELEASE Of FACTS”, met andere woorden meer gericht op de vraag van public-relations. Deze richtlijn liet de lokale bassisen toe om vragen over UFO-meldingen van reporters te beantwoorden.

- als het object positief geïdentificeerd is als een alledaags object, kan je de

vragen beantwoorden. Voor de objecten, die niet identificeerbaar zijn mag

enkel het feit dat A.T.I.C. de gegevens zal analyseren, vrijgegeven worden,

verplicht door de vele onopgeloste en onbekende gevallen...

Maar de versie van de richtlijn AFR 202 van 1959 wijdde uit over alle vijf de paragrafen van “PUBLIC-RELATIONS, INFORMATION, CONTACTS and RELEASES ”. Nu mocht alle UFO-informatie, ongeacht “de oorsprong of de aard” , alleen nog maar vrijgegeven worden door het “OFFICE OF INFORMATION SERVICES”, het bureau van het secretariaat van de luchtmacht bij het PENTAGON. Evenwel kon de bevelhebber van de plaatselijke basis vragen beantwoorden over een waarneming in zijn gebied, maar enkel en alleen indien het object “positief geïdentificeerd was als een alledaags of bekend object.” Het idee kwam op hetzelfde neer als vroegere versies, enkel de schuine tekst was nieuw bijgevoegd. Deze order legde de klemtoon dat het noodzakelijk was om niets te zeggen over de ongeïdentificeerde rapporten. Geen slapende honden wakker maken... De richtlijn zei ook dat de luchtmacht “elke inspanning” zou leveren om afstand te nemen van informatie van buitenstaanders, vrijgegeven door “persmensen, schrijvers, uitgevers of privé individuen.” Deze opgenoemde partijen hadden vaak onaanvaardbare ideeën over de onderzoeksactiviteiten van Blue Book. Om de klemtoon te leggen, luidde de laatste paragraaf als het volgt:

- Contacts – Particulieren (privé-personen) of organisaties, die de luchtmacht

om interviews, briefings, lezingen of privé-discussies verzoeken, zullen door

verwezen worden naar het “OFFICE OF INFORMATION SERVICES”...

Luchtmachtpersoneel, anderen dan de medewerkers van het Office of

Informations Services, zullen geen privé-personen contacteren over UFO-

gevallen, noch zullen zij activiteiten of functies van de luchtmacht met

onbevoegde personen bespreken, tenzij het hun zo bevolen werd...

Een richtlijn van de verbindingsofficieren van de staf, die sinds december 1953 van kracht was, probeerde de publieke toegang tot officiële informatie over UFO-rapporten verder te beperken, gewoon te ontzeggen aan het publiek. De JOINT ARMY - AIR FORCE – NAVY- PUBLICATION (JANAP) 146, onder de titel “CANADIAN-UNITED STATES COMMUNICATIONS INSTRUCTIONS for REPORTING VITAL INTELLIGENCE SIGHTINGS” (CIRVIS), maakte er een misdaad van onder de noemer van de Wet op de Spionage om UFO-rapporten te delen of te bespreken met onbevoegde personen. Overtreders van deze richtlijn kregen een celstraf van 1 tot 10 jaar of een boete van 10.000 US$. Het verbod gold eveneens voor commerciële luchtvaartpiloten, die van het bestaan van deze richtlijn op de hoogte waren. “Deze actie stopte effectief de informatiestroom over UFO’s naar het grote publiek toe,” schreef historicus David J. JACOBS. “Slechts als de BLUE BOOK-onderzoekers een positieve identifikatie konden voorleggen voor een UFO-melding als een vervalsing of een misinterpretatie, zou de luchtmacht informatie vrijgeven aan het publiek over deze specifieke melding. Deze order bleef to december 1969 van kracht, ogenblik waarop de luchtmacht zijn betrokkenheid met UFO’s stopzette.” Als je al deze richtlijnen en orders van de luchtmacht over hun onderzoek naar UFO’s objectief evalueert, valt het je moeilijk niet te geloven dat de luchtmacht geen bewuste debunkings- en cover-up-poletiek voerde. Andere vraag die je dient te overwegen: “Als UFO’s toch niets reeëls voorstellen, waarom dan zo een felle inspanningen leveren om een zwijgplicht tegenover het grote publiek in te stellen?” Alleen maar om massapaniek of hysterie te voorkomen? Is dan niet wat ver gezocht?

Gezien UFO’s tot een echte, vervelende public-relationsramp uitgroeiden voor de luchtmacht, veranderde Project Blue Book het geweer gewoon van schouder. Hoewel vele hooggeplaatste personen, met soms enige uitzonderingen, de ganse reeks onuitputtelijke, negatieve beoordelingen van BLUE BOOK over het UFO-fenomeen kritiekloos slikten, groeide de publieke opinie dat de “verklaringen” van het onderzoek vaak ontoereikend en zelfs echt belachelijk waren. Erger nog, vele Amerikanen verdachten de luchtmacht er meer en meer van dat ze betrokken waren in een cover-up van belangrijke UFO-geheimen.

Spijtig genoeg voor de luchtmacht, waren de uitgevaardigde richtlijnen in AFR – 202 alleen maar olie op het vuur der wantrouwen. Deze orders wekten nog meer argwaan, achterdocht en sceptiscisme op over hun vrijgegeven verklaringen.

In regelmatig gepubliceerde perscommuniqués hield Blue Book vol dat ze nooit enig bewijs voor buitenaardse bezoekers vonden. Als bewijs voor deze stelling, citeerde ze dat de daling van het percentage onverklaarbare UFO-meldingen het beste bewijs vormde.

Hoe dan kwam, las je vroeger al... Namelijk Blue Book schreef dit toe aan “verbeterde procedures”, die een aantal onverklaarbare rapporten uitschakelden. In werkelijkheid waren de enige, echte “procedures” die verbeterd waren, hun boekhoudkundige procedures om hun statistieken bij te houden.

Tussen 1956 en 1958, toen kapitein George T. GREGORY het project leidde, werden de waarnemingen meestal beknopt “verklaard” op meerdere eenvoudige, albeit verdachte en misleidende wijzen. Verklaringen, die eerst gelijst waren als “mogelijk”, werden geherwardeerd tot “waarschijnlijk”. Het was een kleine stap om van “waarschijnlijke” verklaringen “zekere” oplossingen te maken...

Volgens JACOBS:

- Blue Book breidde de categorie “waarschijnlijk (probable)” uit om

waarnemingen toe te voegen, waarin geen gegevens stonden om uit te

sluiten dat het waargenomen object GEEN vliegtuig, GEEN ballon of zo kon

zijn. Als een getuige in een poging om een UFO te beschrijven, woorden

gebruikte zoals jetachtig, ballonachtig of meteoorachtig; dan identificeerde

Blue Book de waarneming onmiddellijk als een jet, een ballon, een meteoor...

De onderzoekstaf paste deze regel zelfs toe als de getuige deze woorden

gebruikte om het object te beschrijven en te verzekeren dat het object er niet

op leek!

Routinematig plaatsten ze ook sommige van de meest interessante laag

niveau meldingen of rapporten van Nabije Ontmoetingen in de categorie

onvoldoende gegevens.

Waarnemingen van tieners tussen 10 tot 17 jaar werden automatisch veroordeeld als inbeelding en onbetrouwbaar. Rapporten, die Blue Book ontving van CIRVIS kregen de label “insufficient data = onvoldoende gegevens”. Geen enkel inspanning werd gedaan om dergelijke rapporten te onderzoeken en / of bijkomende gegevens op te vragen of te verzamelen.

In 1960 schreef luitenant Lauwrence J. TACKER, een UFO-woordvoeder van het Pentagon, een boek, waarin hij niet alleen de nadruk legde op hogervermelde punten, maar tevens fel uithaalde naar de criticasters van Blue Book. Hij schilderde de critici af als charlatans en opportunisten, die enkel inspeelden “op de verlangens van die mensen, die willen geloven in ruimteschepen.” Tijdens een interview op 5 december 1960 tijdens een NBC’s TODAY SHOW”, verklaarde Tacker de reden waarom hij het boek schreef. Hij zei:” Ik voelde dat de luchtmacht aangevallen werd door majoor Donald Keyhoe, N.I.C.A.P.en andere UFO-lobbygroepen, die geloofden in ruimteschepen als een optreden van echte feiten voor UFO’s.Majoor Keyhoe, die eveneens aanwezig was tijdens deze uitzending, daagde Tacker regelmatig uit. Vrij vlug stelde ook de gastheer Dave GARRAWAY zelf scherpe, venijnige vragen. Hij deed dit om dat hij koel vaststelde dat Tacker blijkbaar niets afwist van de basiselementen van fysica. Deze heftige woordenwisseling lokte heel wat telefonische reacties en brieven uit naar de NBC-redactie. De grote meerderheid waren kritisch ten overstaande van Tacker en de luchtrmacht.

Einde 1958 probeerde de opvolger van Gregory, majoor (later luitenant-kolonel) Robert J. FRIEND en zijn stafleden om de AERIAL PHENOMENA GROUP (=Blue Book formele naam) van A.T.I.C. over te brengen naar het “AIR RESEARCH and DEVELOPMENT COMMAND (A.R.D.C.)”. Ze wilden op basis van UFO-rapporten aantonen dat UFO’s een wetenschappelijk probleem waren en geen militair of probleem voor de inlichtingendiensten waren. De staf bekloeg zich over het feit dat de UFO-studie een duur en onproductieve last geworden was. Particuliere UFO-groepen “buitten de onbekende vliegende objecten uit voor financieel gewin, voor religieuze of meer onoprechte doeleinden op de kosten van de luchtmacht.” Ze veroorzaakten problemen voor de Blue Book-medewerkers, die anders zouden kunnen ingezet worden in meer wereldse, praktischer en nuttiger programma’s, dus tegenstrijdig met UFO-onderzoek. Indien de luchtmacht het onderzoek hals over kop zou verlaten, dan zou dit enkel koren op de molen van de critici zijn. Om die reden zou de ontbinding van Blue Book stap voor stap dienen te gebeuren en de wetenschapsmensen van Blue Book zouden tot het grote publiek dienen te spreken met een bijzondere autoriteit en een sterke overtuigingskracht. Terzelfde tijd zouden ze iets kunnen leren van de wetenschappelijke waarde van de verschillende natuurlijke en door mensenhanden gemaakte verschijnselen, die door de getuigen ten onrechte voor UFO’s aanzien worden. A.R.D.C. overwoog heel kort het onderzoeksproject over te nemen, maar later verwierpen ze toch het aanbod.

Een nieuwe poging in 1960 om de UFO-problematiek te transfereren naar S.A.F.O.I. faalde eveneens, ondanks A.T.I.C.’s ijverige lobby-inspanningen. Het UFO-probleem was volgens A.T.I.C. voor 80% een public-relations item geworden. Andere inspanningen om de studie over te maken aan de N.A.S.A., de NATIONAL SCIENCE FOUNDATION, het befaamde SMITHSONIANINSTITUUT en het zeer gekend en berucht BROOKINGSINSTITUUT mislukten evenzeer.


e. Aandacht van het Congres voor het UFO-onderzoek.

In juli 1960 vroegen leden van het HUIS van Afgevaardigden en de Senaat, evenals de C.I.A., inlichtingen over hoe de luchtmacht omging met UFO’s. Op 15 juli hadden twee vertegenwoordigers van de C.I.A. een ontmoeting met het “HOUSE ARMED SCIENCE COMMITTEE – Richard SMART“ en het “HOUSE SCIENCE en ASTRONAUTIES COMMITTEE - Spencer BEREFORD, Richard HAINES en Frank HAMMIT”, en met vertegenwoordigers van de luchtmacht, waaronder hun wetenschappelijke raadgever-astronoom Dr. Allen Hynek, maar ook drie generaals. Eén van hen was de directeur van de inlichtingendienst, majoor-generaal LEEUIMAN. Hoewel de luchtmacht vroeger al bekwaam was om ondervragers van het Congres gerust te stellen - deels door hun critici, in het bijzonder de fel gehate KEYHOE, te belasteren – luisterde deze groep heel skeptisch. Congreslid SMART beval zelfs om geen enkel informatie meer te onttrekken aan het comité en aanklachten werden geüit over de wetenschappelijke en onderzoekstekortkomingen van de aanpak van Project Bue Book. Smart vertelde de luchtmacht dat hij verwachtte dat zijn comité in de toekomst geïnformeerd zou worden over alle belangijke en betekenisvolle waarnemingen en andere ontwikkelingen op het gebied van het UFO-verschijnsel.

Als reactie op deze sneer, probeer A.T.I.C. één persoon extra toe te voegen aan de Blue Book Staf. Op dat ogenblik zou het aantal medewerkers stijgen tot drie. A.T.I.C. probeerde eveneens bijkomende financiële fondsen te bekomen voor uitrusting en lonen. De officiële aanvraag zonden ze naar de assistent-chef van de Staf van de Inlichtingendienst (A.F.C.I.N.), die in september dit verzoek verwierp. ATIC verzweeg deze weigering voor Smart, toen deze in november achter de vorderingen van Blue Book informeerde. Begin 1961 speelde Blue Book het klaar om een verhoging van hun bescheiden fonds te waarborgen. Deze extra financiële stimulans liet toe om vier officieren te plaatsen op een oproepbare basis. Deze mogelijkheid liet toe om van de diensten van de medewerkers gebruik te maken als de omstandigheden dit vereisten. Dit akkoord bleef van kracht tot Friend het project in 1963 verliet.

De belangstelling van het Congres voor het onderwerp UFO’s en het onderzoekswerk van Blue Book bleef bestaan. De meest invloedrijkste criticus van het congres op Blue Book, John Mc Cormack, was ervan overtuigd dat UFO’s echt bestonden en van buitenaardse origine waren. Aangemoedigd door Keyhoe, vroeg hij aan Overton BROOKS, voorzitter van het “COMMITTEE for SCIENCES and ASTRONAUTICS” om zijn vraag over UFO-informatie nader te bekijken... Brooks maakte dit verzoek over aan congreslid Joseph KARTH, voorzitter van het “Sub-Committee for SPACE PROBLEMS and LIFE SCIENCE”. Karth en twee andere Congresleden planden de gevraagde hoorzittingen over UFO’s begin 1962. Friend, Hynek en andere A.T.I.C.- vertegenwoordigers speelden het op één of andere wijze klaar om KARTH ervan de overtuigen dat de luchtmacht het UFO-probleem stevig onder controle had. Diegenen, die wat anders beweerden, zoals Keyhoe en N.I.C.A.P., probeerden gewoon de angst van het publiek uit te buiten voor eigen persoonlijke doeleinden. Kort nadien stierf Brooks, die zeer sympathiek en positief stond tegenover de hoorzittingen. Congreslid George P. MILLER volgde hem op en was eerder negatief ingesteld...


f. Het Quintanilla-tijdperk en de beginfase van het afstoten van het UFO-onderzoek...

In augustus 1963 verliet Friend Blue Book. Hij was er nu van overtuigd dat het project hoe dan ook opgedoekt diende te worden, wat de publieke reactie ook mocht wezen. Maar Majoor Hector QUINTANILLA, die Blue Book tot zijn opheffing in 1969 zou leiden, was tevreden met de statusquo-situatie. De dingen gingen gewoon hun gang net zoals vroeger met de luchtmachtbasisbevelhebbers, die de 1959 Afr-202 richtlijn strikt uitvoerden.” Alle noodzakelijke onderzoeksactie om een volledig, initieel rapport over een UFO-waarneming te bekomen. Elke inspanning zal geleverd worden om de waarneming in de aanvangsfase van het onderzoek op te lossen.” Alleen als Blue Book oordeelde dat verder onderzoek belangrijk en noodzakelijk was, zou het alle verdere onderzoeken en analysen doen...

Hynek had zijn zeg tijdens het Quintanilla-tijdperk:

- Toen majoor QUINTANILLA aan het hoofd kwam, werd de vlag van de

volslagen dwaasheid in de top van de Blue Book-mast geheven. Nu had hij

een zekere sergeant David MOODS , die hem bij zijn onderzoek bijstond. Die

man was echt het toonbeeld van de vooraf overeengekomen proef-methode.

Alles wat hij niet begreep of waarvan hij niet hield, werd onmiddellijk

opgeborgen in de psychologische categorie, wat betekende “GETIKT”. Hij

wou nooit toegeven dat de persoon die een UFO rapporteerde een eerlijke,

fatsoenlijke persoon was. Misschien zou hij wel iets vinden over deze

persooon, ofwel zou hij zelf wel iets uitvinden over deze getuige. Hij was ook

een meester in het gebruikmaken van de categorie “MOGELIJK-

POSSIBLE”.

Mogelijk een ballon, mogelijk een vliegtuig, mogelijk vogels, en dan door zijn

eigen hand (en ik argumenteerde soms heel heftig met hem) “probable-

waarschijnlijk” werden. Hij verklaarde dan gewoon, wij hebben geen

categorie “mogelijk” vliegtuig. Door deze redenering is het ofwel onbekend,

ofwel een vliegtuig. Wel, aangezien het meer lijkt op een vliegtuig, wordt het

daardoor ook een vliegtuig... Een “onbekende” was volgens MOODY geen

uitdaging voor verder onderzoek. Dat een melding onbekend bleef, voelde hij

als een smet op het blazoen van zijn onderzoek... en hij deed er dan alles aan

om deze melding te verwijderen. Hij ging terug naar gevallen van de periode

van kapitein Gregory en zelfs terug naar gevallen van RUPPELT en hij herzag

deze rapporten. Een groot deel van wat oorspronkelijk “ongeïdentificeerd

geboekt stond, kon hij jaren later wel “identificeren”.

Een herziene UFO-richtlijn, uitgegeven in september 1966 als AFR 80-17, handelde over een actie van 1961 toen A.T.I.C. omgevormd werd tot de “FOREIGN TECHNOLOGY DIVISION (F.T.D.)” van het Systems Command van de luchtmacht. Nu het de naam “Research and Development” droeg in plaats van “INTELLIGENCE”, herhaalde het nu de meeste van de vroegere eisen. Ze bevalen elke “bevelhebber van een luchtmachtbasis” om een UFO-onderzoekscapaciteit te voorzien... Indien mogelijk, moest een medewerker die geselecteerd werd als UFO-onderzoeker, een degelijk wetenschappelijke of technische achtergrond als een onderzoeker bezitten. “Niettegenstaande deze richtlijn, gelastte AFR 80-17 “VERZOEK NIET OM UFO-RAPPORTEN”. De enige rapporten die in aanmerking voor onderzoek kwamen, waren deze die direct aan de basis gemeld werden.”

De gebeurtenissen, die aanleiding gaven tot het afsluiten van Blue Book, begonnen reeds in de zomer van 1965. Begin augustus brak er een golf van UFO-meldingen uit in het centraal-zuidelijk deel van de U.S.A. en het fenomeen verspreidde zich zeer snel over het ganse land.

Op de avond van 1 augustus 1965, een zondag, meldden talrijke Texanen een verbijsterende variatievan luchtverschijnselen. Ze beschreven ze afwisselend als “veelkleurige lichten”, “eieren” en “diamanten”. Toen de nacht verder liep, spreidden de meldingen zich uit naar ARKANSAS, KANSAS, OKLAHOMA, NEW MEXICO, COLORADO, de DAKOTAS, NEBRASKA, WYOMING en WASHINGTON. Een weerman uit WICHITA rapporteerde dat hij meerdere ongeïdentificeerde objecten traceerde op de radar van zijn weerstation. De objecten vlogen op een hoogte tussen 6.000 en 9.000 feet. De assistent Ellis PIKE noteerde dat de radarecho’s “ongeveer hetzelfde leken als deze van een lijnvliegtuig.” ”Klein en eerder verschillend, zij verhelderden en verduisterden op het radarscherm, terwijl ze tegen ongeveer 45 mijl per uur verder vlogen.” Intussen berichtte een snelweg verkeerspatrouille van Oklahoma dat TINKER AFB, OKLAHOMA-stad, UFO’s opgespoord had op hun radar – soms vier terzelfde tijd. Volgens deze politiepatrouille “vielen” verscheidene objecten van 22.000 feet hoogte naar 4.000 feet in een paar seconden, maar de luchtmacht weigerde deze melding te bevestigen of te ontkennen.

Eén van de duidelijkste rapporten kwam van een weerman van de luchtmacht, die vroeg om zijn getuigenis anoniem af te leggen, gezien de anti-UFO-politiek bij de dienst. Het object dat hij boven NORMAN, OKLAHOMA zag, was “geen luchtspiegeling”. Afwisselend kijkend door een 10 x vergrotende verrekijker en een 40 x vergrotende telescoop, beloerde hij een mysterieuze structuur, die en kringvorminge beschreef langs de hemel. “Het kantelde op ongeveer 15°,” zei hij, “ en dan kwam het recht zodat ik een goed zicht kreeg op het object. Het leek op de planeet SATURNUS met een vlakke top en een vlakke bodem. Het was geen echte bolvorm. Er liepen twee ringen rond het object en de ringen maakten deel uit van het hoofdobject. De ringen waren niet gescheiden van het tuig. Het was minstens tweemaal de groote van een Boeing 707... Het was een duidelijk beeld – zo helder als het gelaat van een persoon.”

Twee officieren van de wegpolitie van CALWELL, ARIZONA, verwittigden dat vliegende objecten waargenomen werden, die in de richting van de luchtmachtbasis van CALDWELL vlogen. Ze haastten zich naar het gebied om een 100 feet lang eivormig object te zien, dat zich net boven de grond voortbewoog. Toen de officieren dichter bij het object probeerden te geraken, verdween het achter een rij huizen, waardoor het zicht belemmerd werd. Het object leek zijn licht uit te doven omdat ze niet langer een lichtschijn van het object konden zien. De volgende morgen doorzochten deze officieren het gebied, zonder resultaat want ze vonden geen enkel spoor terug.

Daar de daglicht meldingen afnamen, vond de luchtmacht snel een verklaring. Wat de mensen gezien hadden, waren zeker geen ruimteschepen maar bepaalde atronomische lichamen – de planeet JUPITER of de sterren TIGEL, CAPELLA, BETELGEUSE of ALDEBARAN. “ De azimut en de hoogte van de gerapporteerde waarnemingen ondersteunen deze conclusie,” verklaarde een woordvoeder van de luchtmacht.

Voor velen, inbegrepen diegenen die vroeger de verklaringen van de luchtmacht voor het UFO-fenomeen kritiekloos aanvaardden, was dit een stap te ver... Zelfs een vermoedelijke neutrale UPI-reporter, schreef over WICHITA; hij voelde zich moreel verplicht te reageren. “Gewone radars traceren geen planeten en sterren.” Een overtuigende taxatie over de verklaring van de luchtmacht gebeurde door Robert RISSER, directeur van het “OKLAHOMA SCIENCE and ART FOUNDATION PLANETARIUM” van Oklahoma City en kreeg algemeen aandacht en publiciteit. “Deze verklaring staat zo ver van de waarheid als je maar kan denken! Deze sterren en planeten staan deze tijd van het jaar aan de tegenovergestelde zijde van de hemel van Oklahoma City. De luchtmacht moet hun “astronoom” onderste boven geplaatst hebben in augustus.”

De reacties van de andere redacties waren meestal eensgezind vijandig tegenover de luchtmacht. De krant “RICHMOND NEWS LEADER” maakte de verklaring van de luchtmacht gewoon belachelijk. Ze voegde er aan toe: ”Pogingen om de gerapporteerde UFO-waarnemingen af te wijzen uit de rationele leefwereld, zoals vertoont door project Blue Book zal het mysterie niet oplossen... en dienen alleen maar om de verdachtmaking te verhogen dat er bij het UFO-verschijnsel iets anders plaats vindt en dat de luchtmacht niet wenst dat wij de waarheid kennen.” De “FORT WORTH STAR-TELEGRAM” verklaarde, “Zij kunnen het niet laten om ons iets wijs te maken, daar er niet iets zoals “vliegende schotels” zou bestaan.” De “CHARLESTON EVENING POST” uit SOUTH-CAROLINA merkte schamper op:” Indien onze gerechtshoven hetzelfde openlijk wantrouwen van de luchtmacht tegenover fatsoenlijke getuigen zou delen, dan zouden onze gevangenissen volledig leeg zijn.” De “CHRISTIAN SCIENCE MONITOR” dacht dat de nieuwe golf UFO-waarnemingen “het duidelijkste geval was om vooralsnog een grondig onderzoek te doen van het UFO-mysterie.” Tot hier een overzicht van een aantal negatieve kritieken in de pers op de soms vergezochte verklaringen van de luchtmacht voor UFO-meldingen...

Toen de meldingen bleven binnenstromen en zich over de hele natie verspreidden, kregen de UFO-waarnemingen terug een eerbiedige behandeling. Zelfs sommige vroegere skeptische wetenschappers riepen nu luidkeels om een nieuw onderzoek. Meer en meer ontgoocheld in het onderzoekswerk van Blue Book, maar met tegenzin en met angstgevoelens om zijn voorgevoelens publiek uit te drukken, zond Hynek een voorstel met aanbevelingen aan de luchtmacht: zet een panel van burgerlijke wetenschappers op om het UFO-probleem te bestuderen en om aanbevelingen op te stellen over de toekomst van het UFO-project. De luchtmacht nam Hynek’s suggesties ernstig op en zond ze door naar generaal Arthur C. AGAN, assistent-vervangende stafchef van de dienst “Plans and Operations”. Agan besloot dat Blue Book moest verder gaan onder de F.T.D. om te verzekeren dat zulke objecten geen direct gevaar leveren voor onze nationale veiligheid.” Hij legde de nadruk op het feit dat het project nu meer steun kreeg dan de voorgaande jaren.

In een brief van 28 september 1965 schreef AGAN aanbevelingen aan de militaire directeur van het “SCIENTIFIC ADVISORY BOARD” van de luchtmacht (A.F.S.A.B.) en aan de directeur van de Inlichtingendienst majoor-generaal E. B. BAILEY. Hij verklaarde dat tussen de UFO-ooggetuigen heel betrouwbare en fatsoenlijke personen waren; dat sommige rapporten echt “opzienbarend (=spectaculair)” waren en dat slechts een relatief klein aantal rapporten ooit direct onder de aandacht van de luchtmacht kwamen. Le Bailey vroeg dat “een werkende, wetenschappelijke groep, samengesteld uit beiden, fysische en sociale wetenschappers, opgericht werd om Project Blue Book te herzien - hun bronnen, hun werkmethoden en bevindingen – en om de luchtmacht raad te geven hoe elke voorgestelde verbetering, die aan het programma diende te gebeuren, praktisch toe te passen en om de toegeschreven verantwoordelijkheid van de luchtmacht door te voeren.”

Rond 1965 erkende het hoofdcommando van de luchtmacht uiteindelijk dat UFO’s meer en meer een public-relationsprobleem vormden, eerder dan een vraagstuk voor de nationale inlichtingendiensten. Op 28 september 1965 vroeg de Informatie-directeur van het Wetenschappelijk Adviesbureau van de luchtmacht (S.A.B.) om een herziening van Project Blue Book. Op generaals LE BAILLEY’s verzoek werd een groep van vijf bekwame watenschapsmensen samengebracht onder het “AD HOC COMMITTEE TO REVIEW PROJECT BLUE BOOK”. Het comité, doorgezeten door Dr. O’BRIEN besteedde slechts 1 dagzitting op 3 februari 1966 aan hun taak. Ze gaven hun verslag in maart vrij. Net zoals de voorgaande rapporten van de luchtmacht behoorde dit tot de ongeklassificeerde en aan de pers vrijgegeven, vooral dank zij de tussenkomst van generaal Le Bailly. Het werk van Project Blue Book werd gelauwerd en O’Brien’s team geloofde dat er een noodzaak was voor een meer gedetailleerd en genuanceerd wetenschappelijk onderzoek van het UFO-verschijnsel. Om aan deze conclusie te voldoen, beval het comité onderzoekscontracten af te sluiten bij enkel specifiek uitgekozen universiteiten. Op deze wijze konden wetenschappelijk geschoolde teams bijeengebracht worden, die stipt een nauwgezetter en grondiger onderzoek in bepaalde, uitgekozen UFO-meldingsgevallen zouden verrichten.

De luchtmacht had net het O’Briens rapport verteerd, toen een ander incident aanleiding gaf tot actie, namelijk een onderzoek in het Congres. Op 5 april 1966 besteedde een overvol “HOUSE ARMED SERVICE COMMITTEE” een ganse dagsessie aan het UFO-verschijnsel. De vergadering werd voorgezeten door de latere H. MENDELS RIVERS van SOUTH-CAROLINA. Deze zitting kwam tot stand door de publieke opinie over bepaalde roekeloze UFO-meldingen in het district van de republikeinse Gerald FORD ( ex-president van de U.S.A.) van MICHIGAN en door de succesvolle campagne van N.I.C.A.P..

De opdracht tot geheimhouden van het UFO-fenomeen daagde opnieuw op tijdens dit onderzoek. Het grote verschil was, dat de beschuldiging voor de eerste maal geüit werd door het Congres, een hoge, officiële instantie.

Als tegenargument gebruikte de woordvoeder van de luchtmacht het gebruikelijk recept; namelijk dat UFO’s geen potentieel gevaar vormen voor de nationale veiligheid. Ze vertegenwoordigen geen ontwikkelingen of principes tegen de huidige wetenschappelijke bassikennis in en geven geen overtuiging, noch bewijskracht dat ze buitenaardse ruimtetuigen zijn. Volgens de hoorzittingsverslagen maakte Dr. BROWN een eerste publieke beoordeling omtrent het verslag van het Comité van O’Brien:

- Aanbevelingen .... zijn heden ter studie, verwacht wordt dat ze leiden tot het

benadrukken van de wetenschappelijke aspecten van het onderzoek van

deze waarnemingen, die extensieve analyses machtigen... Congreslid

RIVERS lanceerde het idee over een onafhankelijk, burgerlijk onderzoek

omtrent het UFO-fenomeen. Hij realiseerde zich wel dat het comité het

onderzoek in 1 dag kon rechtvaardigen...

Dit congresbesluit schonk de luchtmacht de ideale kans om van hun UFO-complex verlost te raken. Een universitaire studie, verricht door een team volledig uit buitenstaanders bestaande wetenschappers, zou misschien het publiek kunnen overtuigen van de eerlijke bedoelingen van de luchtmacht. En misschien was de luchtmacht zo voor eens en altijd van het UFO-syndroom verlost...

Een zesleden tellende commissie, ingesteld om Project Blue Book te herzien, geleid door Brian O’BRIEN, kwam op 3 februari 1966 samen. Allen behalve één (CARL SAGAN) waren leden van A.F.S.A.B.. Geen van hen koesterde enige sympathie met het idee dat UFO-rapporten iets buitengewoons zouden vertegenwoordigen. Dit was nochthans één van de laatste mogelijkheden om iets interessants te leren uit de studie van individuele UFO-waarnemingen.

Dus zou Blue Book “versterkt worden om de kans te geven om wetenschappelijk onderzoek van de individuele waarnemingen te doen, maar op een meer gedetailleerde en grondiger wijze dan tot die datum gebeurde...” Verder besloot het O’Brien comité om voor eens en altijd het UFO-probleem af te stoten aan een universiteit. Die zou het probleem bestuderen en achteraf verslag uitbrengen bij de luchtmacht van de bekomen resultaten. De luchtmacht zou onderzoekscontracten onderhandelen “met enkele geselecteerde universiteiten om wetenschappelijke teams te leveren om punctueel en grondig bepaalde UFO-meldingen te onderzoeken. De universiteiten zouden gekozen worden in functie van een goede, geografische ligging.”

Tijdens de nachten van 30 en 31 maart 1966, zagen talrijke inwoners van HILLSDALE en DEXTER, MICHIGAN gloeiende UFO’s. In een voorgaand geval hadden getuigen een object, beschreven als een lichtende voetbalvorm (Amerikaans voetbal, rugby, eivormige bal!), zien zweven en manoeuvreren boven een moerasachtig gebied. Hoewel dit geen opmerkelijke waarnemingen waren vergeleken met sommige anderen, kregen ze toch voorpaginanieuws in de dagbladen van het ganse land. Misschien een weerspiegeling van een meer open minded-houding van een deel van de persmensen. Toen Congreslid Weston VIVIAN van MICHIGAN om een officieel onderzoek verzocht, vaardigde QUINTANILLA Dr. HYNEK af om het onderzoek te doen. Op 25 maart, 3 dagen later, sprak Hynek een talrijk publiek van opgekomen reporters toe in de DETROIT PERS CLUB...”Volgens mij lijkt het er sterk op,“ zei hij , “dat de relatie van de waarnemingen met moerassen, in dit specifiek geval, meer dan gewone toeval is. Het waargenomen verschijnsel dat gerapporteerd werd, kan het gevolg geweest zijn van het vrijkomen van hoeveelheden moerasgas.” Dus de waarneming zou niets anders geweest zijn dat de produkten van spontaan ontvlambare, rottende vegetatie, beter bekend als “SWAMP-gas”. Alhoewel Dr. HYNEK door vele UFO-onderzoekers gekastijd werd als marionet van de luchtmacht, had hij toen al een volledige gedaantewisseling ondergaan. Hij begon als een verzwijger, een afbreker in 1948, maar in 1966 was hij geëvolueerd tot een wetenschapper, die uiteindelijk de ongewone origine van UFO’s begrepen had. Niettegenstaande deze evolutie werkte hij nog steeds als wetenschappelijke raadgever voor de luchtmacht en in deze hoedanigheid werd hem ook opgedragen om hogervermelde waarnemingen te verklaren. Maar Hynek’s laatste groot officieel onderzoek veroorzaakte juist een tegenovergesteld verzetseffekt van datgene wat hij in feite bedoelde. In plaats van de publieke belangstelling af te koelen, leek de “moerasgas”-hypothese (bewust of onbewust) olie op het vuur van de mensen, die er nog meer van overtuigd waren dat de luchtmacht het probleem verborgen hield. De verklaring voor deze melding zou HYNEK nog jarenlang achtervolgen. De pers zou er regelmatig spottend over reageren...

Zoals Herbert J STRENTZ, schrijver van een studie over ‘krantenverslaggeving over UFO’s zou verklaren, “Pers en publieke reacties over de moerasgas-theorie van HYNEK spoorde een wijdverspreidde en algemene vijandigheid aan tegenover de luchtmacht.” Een artikel uit de NEW YORKER sneerde, “Moerasgas is al meer aangewend om een beeld van de bijzondere saaiheid te schetsen, dat iemand zelfs maar vluchtig zou zien in de beste wetenschappelijke geesten.” Anderzijds beschikte de luchtmacht over ten minste twee invloedrijke verdedigers van hun verklaringen, de NEW -YORK TIMES en CBC-NEWS. In elk geval de gevolgen van Hynek’s persconferentie waren zeker niet deze die de luchtmacht verwachtte. Nu besteedde de media terug meer aandacht aan al die verhalen over UFO’s, zo ook de politiekers. Deze politiekers voelden de ongerijmdheid van de luchtmacht en riepen om congresonderzoek naar de aard en de behandeling van UFO’s. Congreslid Gerald R. FORD van MICHIGAN, die eveneens de voorzitter was van de minderheidsfractie in het Huis van Afgevaardigden, schreef een nota aan het “ARMED SERVICE COMMITTEE” van het Huis van Afgevaardigden en verzocht om hoorzittingen over het UFO-fenomeen...”Het Amerikaanse volk verdient een betere verklaring dan diegene die hen tot dusver door de luchtmacht gegeven werd, “zei hij.

Op 5 april vond de hoorzitting plaats, maar slechts drie personen werden verzocht te komen getuigen. Het waren allemaal vertegenwoordigers van de luchtmacht, de secretaris van de luchtmacht Harold BROWN, QUINTANILLA en Dr. HYNEK. Brown hield zich vast aan het Blue Book-script:, namelijk UFO’s vertegenwoordigen noch een gevaar voor de nationale veiligheid, noch komen ze van buiten de aarde. En de luchtmacht, die een “grondig” en “objectief” onderzoek uitvoerde, had de situatie volledig onder controle. In een zinspeling naar het O’Brien comité, verwees hij naar de vermoedelijke verwachting van “een zelfs strengere klemtoon of de wetenschappelijke aspekten van het onderzoek van de UFO-waarnemingen, die effectieve, uitgebreidde analysen verrechtvaardigen.”

QUINTINILLA legde geen officiële verklaring af.

Verbluft door de spottende en belachelijkmakende reacties in de pers, waaraan Hynek blootgesteld was in de nasleep van zijn persconferentie in DETROIT, vond hij uiteindelijk de moed om ook publiek zijn mening te verkondigen, van wat hij al enige tijd in de privésfeer vertelde:

-“De pers schildert mij af als de “marionet van de luchtmacht” en vermeldt

dat ik enkel vertel wat de luchtmacht mij opdraagt te vertellen. Ik zou graag ...

een verklaring voorlezen aan het comité ... een tekst, die zeker niet door de

luchtmacht ingefluisterd werd...

De aard van de activiteit die de pers in MICHIGAN rapporteert, is niet

ongewoon. Het gebeurde alleen maar dat de gebeurtenisisen van DEXTER en

HILLSDALE, nochthans van geringe betekenis, de nationale media

langstelling haalden.

Nu, soortgelijke incidenten, en sommige aanzienlijk meer intrigerend dan

deze, gebeuren al vele jaren... Ondanks het schijnbaar zinloze van het

onderwerp, voel ik dat ik mijn wetenschappelijke verantwoordelijkheid zou

verwaarlozen tegenover de luchtmacht, indien ik niet zou verklaren dat het

totale UFO-fenomeen wel aspekten bezit, die de moeite waard zijn om de

wetenschappelijke aandacht te krijgen... Ik ben gelukkig dat mijn verschijning

voor het comité mij de gelegenheid geeft om mijn aanbevelingen door te

geven, te herhalen. Eigenaardig, het is mijn mening dat de massa opgeslagen

en toegenomen gegevens sinds 1948, nauwgezet en kritisch onderzoek

verdienen door een burgerlijk panel van fysische en sociale wetenschappers.

Deze groep zou als uitdrukkelijk doel moeten krijgen het UFO-probleem

kritisch te onderzoeken of er al dan niet een groot probleem echt bestaat.”

De voorzitter van het comité L. Mendel RIVERS gaf toe dat een onafhankelijke, burgerlijke studie een goed idee was. Zo deed de luchtmacht dan, die erkende dat dit de enige manier was om zich op een degelijke wijze van het UFO-probleem te ontdoen. Luchtmachtsecretaris Brown wees de verantwoordelijkheid over de uitvoering van de aanbevelingen van het comité toe aan het OFFICE of SCIENCE RESEARCH (O.S.R.). Een heel natuurlijke keuze voor deze opdracht, gezien hun gewone opdracht bestond uit het betrekken van honderden universiteiten in hun basisresearchkontrakten.


g. Het CONDON-rapport en de gevolgen voor BLUE BOOK

Een interne studie van het A.F.O.S.R. in opdracht van hun directeur Dr.W.J. PRICE wees uit dat het beter was de studie van het UFO-verschijnsel uit te besteden aan één universiteit dan aan meerderen. Dan moest het onderzoeksproject ook niet opgesplitst worden... De eerstvolgende vraag was natuurlijk welke universiteit. Informele kontakten met het MASSACHUSETT’s INSTITUTE voor TECHNOGIE, met de HARVARD UNIVERSITEIT liepen op een sisser af. Ze hadden geen belangstelling om dergelijk controversieel thema te nemen. Het leek erop dat de wetenschapsmensen van de befaamdste Amerikaanse universiteiten weigerden om hun aandacht te investeren in de UFO-materie.

Uiteindelijk op 6 oktober 1966 aanvaardde de UNIVERSITEIT van COLORADO om de studie uit te voeren. De vooraanstaande natuurkundige Dr. E. V. CONDON liet zich overtuigen de studie te leiden. Officieel was Dr. CONDON directeur van het NATIONAL STANDARD BUREAU. Het O.S.R. was blij iemand met dergelijke reputatie gevonden te hebben, vooral iemand die naar buiten toe iemand gezien werd als een onafhankelijke onderzoeker. Alhoewel de studie begroet en afgeschilderd werd als een onpartijdige studie – zelfs Hynek en de anderen geloofden dit lange tijd – was CONDON een overtuigd skepticus. Hij stond zelfs minachtend tegenover het onderwerp UFO’s... Maar het kontrakt dat de luchtmacht afsloot ging uiteindelijk over een studie van 18 maanden en een niet te verwaarlozen kostpijs van 572.146 US$. Vanaf het begin van de studie begrepen Condon en de luchtmacht dat de eindbesluiten van dit Colorado Universiteit UFO-project negatief zouden zijn.

Assistent Dean R.J. LOW van de CV GRADUATE SCHOOL werd de projectleider; het team bestond uit een dozijn academici, die een nieuwe, klare kijk op het UFO-bewijs moesten brengen. Low schreef op 9 augustus 1966 een memo, die door LOOK magazine afgedrukt werd. Deze nota veroorzaakte bijna het voortijdig einde van het project, vooraleer het opgestaat was...

LOW’s memo verhaalde de pro’s en contra’s van het UFO-onderzoek volgens zijn persoonlijke visie. De instukken gelezen bulletin luidde als volgt:

- “ De kunstgreep bestaat erin, zo geloof ik, het project zo te beschrijven dat

het voor het grote publiek een totale objectieve studie toont, maar aan de

wetenschappelijke wereld een beeld vrijgeeft van een groep niet-gelovers, die

hun uiterste best doen om objectief te zijn, maar een nul-optie koesteren om

een vliegende schotel te vinden.”

Onnodig op te merken dat LOW’s verslag niet public-relations gericht was. De hierbovenvermelde, krasse uitspraak werd als volgt geïnterpreteerd, namelijk dat de Colorado-universiteit een studie moest maken, gebaseerd op hypocrisie met een vooraf gekend en doelbewust negatief resultaat. Bijkomend werd het CONDON COMMITTEE (informele naam) in 1968 bestookt met conflikten en hinderlijke publiciteit, vooral te maken met het ontslaan van medewerkers, inbegrepen mede-hoofdonderzoeker David R. SAUNDERS. Het ging vooral om medewerkers die CONDONS eeuwigdurende, verborgen antipathie voor het UFO-fenomeen niet deelden. In het meinummer (14/05/1968) van het magazine LOOK verscheen een artikel over al deze problemen van het Condon Comité onder de titel “FLYING SAUCER FIASCO”. De journalist John G. FULLER, die dit artikel schreef, baseerde vanzelfsprekend zijn stellingname op een kopie van de memo van LOW. Hij was in het bezit gekomen van dit dokument via twee teleurgestelde stafmedewerkers van het team, die de kopie wegnamen uit de persoonlijke spullen van LOW. SCIENCE, het tijdschrift voor de AMERICAN ASSOCIATION for the ADVANCEMENT of SCIENCE, wijdde eveneens een artikel over de interne twisten en verwarring binnen het project. Het LOOK-artikel veroorzaakt een “overhitting” op de Pentagon “E”-telefoonlijn, kompleet met nijdige gesprekken tussen secretatis BROWN en CONDON.

Volgens David SHEA’s dissertatie was het resultaat van deze “revolte” een weerlegging van de betrokken memo door LOW, verklarend dat “de suggestie dat ik mij samen met Dean ARCHER en MANNING engageerde in een komplot om een negatief resultaat te bekomen is de meest krenkende, belachelijke en absurde verklaring die ik ooit hoorde.”

LOW verklaarde dat zijn bezorgdheid om deze memorandum te schrijven, vooral de Colorado-universiteit en haar standing binnen de universitaire wereld behelste... Hij was bekommerd om de houding die de wetenschapswereld zou aannemen, indien de universiteit hun researchkontrakt in het UFO-verschijnsel zou naleven. Tenslotte schreef hij dat de memo geenszins de uitdrukking was van zijn persoonlijke visie over het vraagstuk.

Als reactie benoemde secretaris BROWN een controlegroep, voorgezeten door de luchtmacht-generaal Consul John Steadman met assistentie van majoor-generaal William GARLAND, directeur van de inlichtingendienst. Deze groep moest een oogje in het zeil houden bij de uitvoering van het project.

In september 1968 ontving HYNEK tot zijn grote verbazing een brief van kolonel Raymond S. SLEEPER, de bevelhebber van F.T.D.. Hynek zou een paar jaar later zelf schrijven, “Het was de eerste maal in mijn 20 jaar durende band met de luchtmacht als wetenschappelijke adviseur, dat ik officieel om kritiek gevraagd werd en om raad te geven over de wetenschappelijke methodologie en haar toepassing op het UFO-probleem.” In zijn brief haalt Sleeper Hynek’s publieke kritiek terug aan op “Project Blue Book voor hun gebrek aan wetenschappelijke evaluaties” en vroeg hem om “deze gebieden van wetenschappelijke zwakheid” nader te omschrijven in een korte nota die binnen de 30 dagen klaar moest zijn.

Hynek bereidde een uitgebreide uitleg voor. Op 7 oktober schreef hij Sleeper, “Ik zend alleen jou mijn rapport toe, maar voor alle duidelijkheid, zou de huidige staf van Blue Book het ook moeten lezen. Elk toekomstig persoonlijk kontakt met hen, zou dan pijnlijk zijn voor alle betrokken partijen. Daar mijn rapport eerder lang is, heb ik een beknopter voorwoord geschreven met een samenvatting van de opeenvolgende, overeenstemmende punten en de gemaakte aanbevelingen.” Deze samenvatting is waarschijnlijk de fijnste, bondigste kritiek ooit over Blue Book geschreven en luid als volgt:

a. Het staat vast dat geen van de twee opdrachten van BLUE BOOK (AFR 80-

17) om te bepalen of UFO’s een mogelijk gevaar vormen voor de Verenigde

Staten en om wetenschappelijke en technische gegevens, verworven door de

studie van UFO-rapporten, te gebruiken, wel voldoende uitgevoerd werden.

b. De Staf van BLUE BOOK, beiden in aantal en wetenschappelijke,

getrainde medewerkers, is algemeen onbekwaam om de aangehaalde taken

onder AFR 80-17 uit te voeren.

c. BLUE BOOK lijdt aan het feit dat het een gesloten systeem is dat slachtoffer

werd van een gesloten uitziende type operatie. Virtueel gezien was er geen

wetenschappelijke dialoog tussen BLUE BOOK en de wetenschappelijke

buitenwereld. Totaal onbekwaam werd gebruik gemaakt van de uitgebreide

wetenschappelijke vaardigheden van de luchtmacht tijdens de uitvoering van

de opdracht van BLUE BOOK. Bijvoorbeeld werd er zelden of nooit beroep

gedaan op de grootste talenten en de vaardigheden van de AIR FORCE

CAMBRIDGE RESEARCH LABORATORIES (A.F.C.R.L.) en van A.F.O.S.R.. Het gebrek aan wetenschappelijke dialoog tussen leden van Blue Book en buitenstaande wetenschappers is verschrikkelijk.

d. De statistische methoden gebruikt door BLUE BOOK zijn niets meer dan

een travestie...

e. Er was een gebrek aan interesse voor betekenisvolle UFO-gevallen, zo

beoordeeld door deze raadgever en anderen, en teveel tijd en energie gestoken

in routinegevallen, die weinig informatie-eenheden bevatten en aan

oppervlakkige public-relationstaken. Geconcentreerd onderzoek zou gericht

moeten worden op 2 of 3 potentiële, wetenschappelijke en zinvolle gevallen

per maand; eerder dan de actuele BLUE BOOK-inspanning te spreiden over

40 à 70 rapporten per maand. Teveel aandacht werd besteed aan één-getuige

- gevallen en aan gevallen waar enkel maar lichtpunten te zien waren aan de

nachtelijke hemel en veel te weinig tijd aan gevallen met hoge GRAAD van

VREEMDHEID, gerapporteerd door getuigen met een ernstige reputatie.

f. De informatie-input naar BLUE BOOK is algemeen onvolledig en

onvolwaardig. Een onmogelijke last werd gelegd op de schouders van BLUE BOOK door het aldoor logisch falen van de UFO-officieren van lokale luchtmachtbasissen om onvolwaardige informatie door te geven aan BLUE BOOK. Veel informatiedetails, die bekomen konden worden door nauwgezette ondervragingen door de UFO-officier zijn weggelaten; de last weggoeiend die rust op BLUE BOOK om de ondervragingen beter te doen om bijkomende informatie te vergaren. Het gaat soms vooral om de meeste elementaire, maar noodzakelijke gegevens – o.a. windrichting, hoekgrootte en snelheid, details over het trajekt, kwalifikaties en aard van de getuigen, bijkomende getuigen, enz... De upgrading van de originele gegevens is dringende noodzaak in BLUE BOOK.

g. De basishouding en benadering binnen BLUE BOOK is onlogisch en onwetenschappelijk in een aangenomen, werkende hypothese met kleuren en bepaalt de onderzoeksmethode. Iemand mag inzetten onder de vorm van een THEOREM:

- Voor elke gegeven, gerapporteerde UFO-melding, indien enkel op

zichzelf genomen en zonder respect en zicht op onderlinge

afhankelijkheden (=correlaties), blijft het altijd mogelijk om een

mogelijke gebeurtenis te ontwarren, zelfs door een vergezochte

natuurlijke verklaring. Indien iemand alleen maar op de hypothesen

afgaat dat alle UFO-rapporten, bij de echte origine van de dingen, het

resultaat moeten zijn van zuivere, welbekende en aanvaardbare

oorzaken.

De THEOREM heeft een COROLLARY:

Het is onmogelijk voor Blue Book om een UFO-rapport te evalueren als

iets anders dan een misidentifikatie of een natuurlijk object of

verschijnsel, een vervalsing of een hallucinatie. In deze relatief weinig

gevallen, waar zelfs hogervermelde procedure moeilijkheden

ondervond, werd het rapport geëvalueerd als “Unidentified” maar

zonder enige notie dat de theorem geweld aangedaan was, zelfs buiten

spel gezet was...

h. Er werd onbekwaam gebruik gemaakt van de wetenschappelijke raadgever

van het project. Enkel de gevallen, die de projectleider waardig achtte om aan

de raadgever door te geven voor zijn oordeel, kwamen bij hem terecht. Zijn

actieradius, inbegrepen directe, persoonlijke toegang tot beiden,

ongeklassificeerde en geklassificeerde UFO-rapporten, werd konstant beperkt

en verijdeld. Vaak hoorde hij pas na een maand of twee na de ontvangst van

een UFO-rapport bij Blue Book van de interessantste gevallen. Geen enkele

poging is ondernomen om de raadgever in de actiekring te brengen, behalve

op een heel oppervlakkige wijze.



De kritiek van HYNEK had geen effekt! De gebeurtenissen volgde de gewone gang van zaken. Terzelfde tijd waren enkel wetenschappers en academici tot het besluit gekomen dat UFO’s inderdaad de moeite van onderzoek waard waren. James E. MC. DONALS, Jacques VALLEE, Leo SPRINKLE, James HARDER en nog anderen werkten openlijk om het mysterie van het UFO-raadsel te ontsluieren. Het eerste kredietwaardiglijkend bewijs van ontvoeringsgevallen was het Barney en Betty HILL-geval, dat nieuw en storend bewijsmateriaal naar voren bracht over de impact

Fig. 9: Betty en Barney Hill

van het UFO-verschijnsel, los van alle argumenten over het nu wel of niet bestaan van UFO’s. In weerwil van dit UFO-geval, beschouwden de UFO-onderzoekers de ontvoeringsmeldingen zo met “franje omzoomd” en zo verwarrend dat weinig Ufologern de ontvoeringsgevallen ernstig durfden nemen. En gevallen zoals het klassieke 1957 Antonio VILLAS BOAS-incident lijken zo vreemd, dat het moeilijk was om er publiek over te spreken, zelfs de dag van vandaag nog... Zij vonden het intellektueel en misschien ook emotioneel gemakkelijker het groeiend aantal “spoorgevallen” en zelfs gevallen met inzittenden (ufonauten), die de onderzoeksarchieven aanvulden, te aanvaarden en te onderzoeken. Zo wilden ze het greintje geloofwaardigheid nog een tijdje veilig stellen.

Vanzelfsprekend kwamen ook een groep van bestrijders en sceptici in de weer, eerst geleid door Donald MENZEL van de HARVARD UNIVERSITEIT. Hij schreef zijn eerste afbrekend, bekritiserend en negatief boek over UFO’s al in 1953, snel gevolgd door de wetenschappelijke schrijver Philip J. KLASS, wiens eerste boek in 1966 op de markt kwam.

De inspanning, opgezet door de critici en de afbrekers, tegen UFO-onderzoekers en wetenschappers, die vochten voor de betekenis en de erkenning van het UFO-fenomeen, werd eveneens weerspiegeld in het CONDON COMMITTEE. Het onderzoek van het CONDON-comité eindigde op 1 juni 1968. De staf begon te schrijver aan een 1485 bladzijdentellend rapport, dat vrijgegeven zou worden onder de naam “SCIENTIFIC STUDY OF UNIDENTIFIED FLYING OBJECTS.” Om in de schijnheiligheid van onpartijdige politiek te volharden, liet de luchtmacht haar beslissing over aan de NATIONAL ACADEMY of SCIENCES (N.A.S.). Op 8 januari 1969 bevestigde een panel onder leiding van Gerald M. CLEMENCE van de YALE UNIVERSITY, haar “officiële” zegen over het CONDON-rapport. De luchtmacht vergallopeerde zich door de volgende dag reeds het lijvig rapport vrij te geven aan het publiek. Condon maakte het de pers heel gemakkelijk. De belangrijkste inhoud van zijn lijvig rapport was bevat in DEEL I CONCLUSIONS and RECOMMANDATIONS” en in DEEL II SUMMARY of STUDY”, alles samen 69 bladzijden van de 1485... Diegenen, die verder dan deze inleiding keken, stelden tot hun grote verbazing vast dat ongeveer één derde van de gevallen onverklaarbaar bleven. Slechts weinig journalisten lazen meer dan de inleiding. De meeste wetenschappers en de meeste reporters, die kommentaar gaven op dit rapport, behandelde het als het einde van het UFO-vraagstuk. NATURE, een bekend Brits wetenschappelijk tijdschrift, noemde het rapport een “voorhamer voor de UFO-noten”...

Wat stond er juist in deze inleiding? Op het gevaar van een te eenvoudige voorstelling, volgen hier CONDONS voornaamste besluiten:

- Er is geen wetenschappelijke of militaire verrechtvaardiging voor verder



onderzoek naar het UFO-verschijnsel.

- Er bestaat geen reden om niet akkoord te gaan met de officiële

bevindingen dat “het geheel van de tot nu toe onderzochte UFO-rapporten”

geen gevaar vormen voor de nationale veiligheid.

- Er is geen bewijs van bewuste geheimhouding in verband met het UFO-

onderzoek. Condon baseerde zijn besluit op de relatie ‘open UFO-

informatie’- politiek gedurende de periode van zijn studie. De vroegere

geheimdoenerij van de luchtmacht, zoals vroeger beschreven, is een totaal

andere zaak...

- Het voortzetten van PROJECT BLUE BOOK is van dubbelzinnige waarde.

- Er bestaan aktueel geen direkte bewijzen, die de hypothese bevestigen dat

enige UFO’s buitenaardse ruimtetuigen van een andere bezoekende

beschaving vertegenwoordigen.

Deze besluiten moesten in naam van de wetenschap de “doodskus” geven aan verder UFO-onderzoek. Nochthans elke persoon die verder zou lezen in het lijvig verslag, zou een blijven raadsel ontdekken: De CONDON-WERKGROEP was niet in STAAT om een DEGELIJKE UITLEG te VERSTREKKEN voor MEER dan 25% van de door HEN ONDERZOCHTE GEVALLEN... Hoedanook, gebaseerd op CONDONS aanbevelingen dat niets meer verder winst kon opleveren in de studie van UFO-rapporten en dat ze geen potentieel gevaar vormden voor de nationale veiligheid, sloot de Amerikaanse luchtmacht in december 1969 uiteindelijk PROJECT BLUE BOOK af. Aan hun publiek onderzoek van UFO-meldingen kwam een einde...

Vanzelfsprekend kreeg het rapport ook zijn critici en sommige van deze kritieken werden zelfs in de bestaande wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Maar deze stemmen werden enkel gehoord door diegenen die wilden luisteren! Uiteindelijk slaagde het Condon Comité en de luchtmacht erin om de belangstelling voor UFO’s drastisch te verminderen. De populaire bekoring van UFO’s viel weg, meegaand met het dalen van de ledenlijsten van N.I.C.A.P. en andere particulieren UFO-groepen. UFO’s zouden geen voorpaginanieuws meer zijn tot oktober 1973, toen een nieuwe grote UFO-golf losbarstte in het zuidoosten van de U.S.A.. Een jaar eerder kreeg HYNEK’s boek “THE UFO-EXPERIENCE” (DE UFO-UITDAGING), dat zijn eerste gedetailleerde en open kritieken op BLUE BOOK en het CONDON COMMITTEE bevatte, attente beoordelingen in de wetenschappelijke tijdschriften en de grootste dagbladen, suggererend dat de talmende gevolgen van de tweedelige debunking-operatie al in zekere mate aan het verbleken was... Overal in de wetenschappelije wereld werd de CONDON-studie fel bekritiseerd, zelfs al vooraleer ze beëindigd was. Condons flip-houding tegenover het studie-onderwerp, zijn bestuurstijl en zijn interne twisten over de te volgen werkmethode en bewijs, scheurden zoals vroeger al vermeld het “comité” uiteen. Een gevolg was dat dit zijn eindrapport van 1969 bijna zonder betekenis maakte om het UFO-mysterie op te lossen.

In zijn boek “PROJECT BLUE BOOK” merkt Dr. Allen HYNEK op dat “het rapport weinig nieuws aanhaalt dat nog niet gekend was” en “het was een onnauwkeurige verzameling van gedeeltelijke, aanverwante onderwerpen; elk door een verschillende auteur geschreven.” Hynek zei dat men het verslag evengoed kan zien als “een degelijk argument voor een studie van het UFO-verschijnsel, dat op zeer korte tijd gedaan kon worden door een groep specialisten in hun eigen individuele disciplines, terwijl ze geen totale, globale kennis hebben over het studieonderwerp.” Eén van de strengste critici van dit rapport was beslist Dr. David SAUNDERS, wiens boek “UFOs? YES!” een gehele weerlegging van de besluiten van de Colorado-studie bevatte, zoals niemand zich dat kan voorstellen. SAUNDERS, een vroeger staflid van het MANHATTAN PROJECT (= atoombomproject), verdiende zijn promotiegraad in scheikunde en fysica en HARVARD, gevolgd door een Ph. Doctoraat in de psychologie aan de Universiteit van ILLENOIS. Zijn nationale bekende reputatie op het gebied van psychologie leidde tot zijn benoeming als medeonderzoeker (2° belangrijkste) aan de Condonstudie en hij was Condons “nummer 2”-wetenschapper, totdat hij een morgen wakker werd zonder job, gebrandmerkt door Condon als een “nut” (=onbekwame)...

De studie was vlot gestart; Saunders medewerking bestond uit het vergaren van alle waardevolle UFO-data en deze om te zetten in machinetaalvorm, zodat ze bruikbaar waren in de elektronische computers om in data-analyseprogramma’s verwerkt te worden. Saunders begon met de computerezering van de bruikbare gegevens en op het ogenblik van zijn ontslag bij het project, had hij al verschillende duizenden UFO-meldingen op magnetische schijf staan. Dr. Hynek veronderstelde dat er ongeveer 25.000 verschillende UFO-gevallen in de archieven bij de luchtmacht, de A.P.R.O. en N.I.C.A.P. bekend waren.

Niemand vroeg zich de waarde van Saunders werk af en zijn procedures vlotten goed tot dat hij in strijd kwam met Condon over de te gebruiken hypothesen voor het testen van computerdata. Saunders verdedigde de ET-hypothese als de meest logische om te onderzoeken. Condon weerlegde met nadruk dat het volgen van de publieke opinie in de “belangrijke” ET-hypothese een “onwetenschappelijke” benadering was van het probleem en ontsloeg Saunders. Onnodig te zeggen dat Saunders in zijn boek over de Coloradostudie keihard terugslaat en de benadering van het probleem door Condon totaal afbreekt...

Maar zelfs voor een toevallige waarnemer is het moeilijk om de verreikende titel van het Condonrapport te aanvaarden, namelijk “SCIENTIFIC STUDY OF THE UNIDENTIFIED FLYING OBJETS”. Verschillende medewerkers van de studie hebben zijn besluiten aangevochten, die hij in zijn twee hoofdstukken tellende samenvatting alleen verdedigde. Zou hij toch op voorhand “omgekocht” zijn door de luchtmacht? Of was het gewoon het doordrukken van zijn “eigen gelijk” van een scepticus, zoals die dat de dag van vandaag ook nog pogen te doen?

Desalnietemin, de luchtmacht had haar wetenschappelijke studie; het kostte haar wel 500.000 US$. Voor velen was dit net genoeg waard om de in één zin op bladzijden 2 samengevatte vermelding:” Voorzichtige benadering van het verschijnsel, indien het bruikbaar is voor ons, leidt er toe te besluiten dat verdere, intensieve studie van UFO’s waarschijnlijk niet kan gerechtvaardigd worden in de overtuiging dat de wetenschap geen voordeel kan halen uit de studie...”

De luchtmacht maakte snel gebruik van deze opportuniteit en had weinig tijd nodig om Blue BOOK af te sluiten om zo te ontsnappen uit het UFO-moeras. Begin maart 1969 woonde de vertegenwoordiger van S.A.F.O.I. majoor David J SHEA een meeting bij in het PENTAGON. Vanaf het ogenblik van de opening van de vergadering, verklaarde hij “Er was geen twijfel mogelijk dat Project BLUE BOOK afgesloten was! Al wat restte was het bespreken van de details, zoals waar de files van de rapporten opgeslagen zouden worden. Zij zouden eventueel naar de Archieven van de luchtmacht te MAXWELL, AFB in ALABAMA. “Shea zei dat er ook veel gediscussieerd werd over andere details, zoals het behouden van een secretaris en de goedkeuring door de stafschef van het besluit. Om het met Shea’s woorden te zeggen “De sleutel was een plaats die toegankelijk was, maar niet te uitnodigend!”

Hij verklaarde zijn bezorgdheid om de reactie van de mensen en hoe ze zouden handelen, indien ze een UFO zouden waarnemen. De secretaris van de luchtmacht Robert C. SEAMANS, Jr., kondigde op 17 december 1969 de officiële afsluiting van Blue Book aan. Hij haalde Condons rapport aan, de bevestiging door de N.A.S. en de UFO-studies uit het verleden. Hij verklaarde dat de bestendigheid van het project “niet verantwoord kon worden noch op basis van gevaar voor de nationale veiligheid, noch door de belangstelling door de wetenschap.”

Het probleem van het archief voor de rapporten en aantekeningen over UFO’s van meer dan 20 jaar onderzoek door de luchtmacht, werd dus aan de Maxwell-luchtmachtbasis in ALABAMA toevertrouwd. Terzelfde tijd met het persbulletin over de afsluiting van BLUE BOOK in december 1969, raadde S.A.F.O.I. elke bevelhebber van een luchtmachtbasis aan om iedereen te vertellen dat de luchtmacht niet langer het UFO-onderzoek verzorgde. Indien de melders van de UFO toch bezorgd waren om hun veiligheid tengevolge de UFO-waarneming, dienden ze kontakt op te nemen met een ordehandhavende instelling. Indien ze ervan overtuigd waren dat de UFO-melding enerlei wetenschappelijke waarde voorstelde, mochten ze kontakt opnemen met de dichtsbijzijnde universiteit..

Alhoewel de luchtmacht niet langer belangstelling koesterde in burgerlijke UFO-verslagen, vervolgde ze na 1969 het onderzoeken van meldingen gedaan door militair personeel rond de wereld. De C.I.A. heeft alzo onderzoeken naar de internationale UFO-waarnemingen geleid (daar is suggestief bewijs dat studies van het verschijnsel, los van geval-onderzoeken, eveneens plaatsgevonden hebben, volgens de fel bekritiseerde en besproken MJ-12 dokumenten en groep...)

Hoedanook, het CONDON-rapport had ook zijn nadeel. Vele argeloze lezers besloten dat het rapport het laatste woord over het onderwerp was en dat het UFO-mysterie voor eens en altijd afgedaan had...

Wetenschappers, die geen systematische en globale kennis over het onderwerp bezaten, schermden vaak met het rapport om hun gebrek aan kennis over UFO’s te rechtvaardigen. Zelfs vele UFO-“BUFFS”-volgers zeiden hun lidmaatschap op bij vele particuliere organisaties, bewerend dat er geen enkele reden meer bestond om het onderwerp te onderzoeken. De schade, gedaan door het Condonrapport was groot, maar had absoluut geen effekt op het UFO-verschijnsel zelf...


3.2.3. Een nadere kijk op PROJECT BLUE BOOK – SPECIAL REPORT N°.14.


  • algemeen

Op 25 oktober 1955 werd het Project Blue Book “Special Report N°.14” (dd. 5 mei 1955) met heel veel tamtam vrijgegeven. Een perscommuniqué in bijlage stelde voor dat “een particuliere wetenschappelijke groep onder supervisie van het “AIR TECHNICAL INTELLIGENCE CENTER (A.T.I.C.) te DAYTON, OHIO het bestaan van UFO’s had weerlegd.” Het ging om de secretaris van de luchtmacht Donald A. QUARLES:

- Op basis van deze studie geloven wij dat er geen objecten zoals deze die

publiek beschreven worden als vliegende schotels het grondgebied van de

Verenigde Staten hebben overgevlogen. Ik voel me zeker dat zelfs de

onbekende drie percent kunnen verklaard worden als conventionele

verschijnselen of illusies indien meer volledige waargenomen gegevens

zouden beschikbaar zijn.

Desalniettemin wilden anderen deze interpretaties van de bevindingen van de studie aanvechten. Quarlers opmerkingen zullen de geestdriftige en onkritische bevestiging van de voornaamste media ontvangen, net alsof ze verlangen dat de luchtmacht de populaire speculatie over buitenaardse bezoekers moet blijven ontmoedigen. De wetenschappelijke schrijver Jonathan N. LEONARD van het tijdschrift TIME begroette de studie, wiens inhoud ook REPORT 14 bevatte als “indrukwekkend, intelligent, nauwgezet en gedetailleerd; een verschrikkelijk succesboek voor UFO-aanbidders.” Maar voor de vroegere leider van project Blue Book, Edward J. RUPPELT, die het onderzoek vier jaar vroeger hielp opstarten, was dit “geen grote studie”. Niettemin schreef de historicus David M. JACOBShet speciale Report 14 van 1956 werd de hoeksteen van de positie van de luchtmacht over UFO’s... dat de luchtmacht de UFO’s wetenschappelijk bestudeerd had en geen enkel bewijs voor hun bestaan als een uniek fenomeen vond.”




  • Achtergrond

Op 26 en 27 december 1951 had de toenmalige directeur van PROJECT GRUDGE, RUPPELT en kolonel S. H. KIRKLAND van A.T.I.C. een ontmoeting met medewerkers van het BATTELLE MEMORIAL INSTITUTE, een denktank, gevestigd in COLUMBUS, OHIO. Ze verzochten om hun bijstand te verlenen om het UFO-onderzoek van de luchtmacht nieuw leven in te blazen. “NAAST het leveren van specialisten op elk vakgebied van de wetenschap,” zou RUPPELT later schrijven, “zouden zij twee studies maken voor ons: één studie over wat er van een persoon kan verwacht worden dat hij ziet en zich weet te herinneren van een UFO-waarneming en één statistische studie over UFO-rapporten. Het eindrapport van de studie over het waarnemingsvermogen van een UFO-waarnemer zou een vragenlijst zijn.” Op 8 januari 1952 aanvaardde BATTELLE het voorstel om het project aan te nemen, noterend “Het is billijk te geloven dat sommige typen van ongewone objecten of fenomenen echt waargenomen werden, aangezien veel van de gerapporteerde meldingen van hoog gekwalificeerde bronnen kwamen.”

PROJECT STORCK was de geklassificeerde naam voor de BATTELLE-studie, opgestart begin der 50’ jaren. Hun opdracht was vooral het onderzoeken van de technologische oorlogsvoeringscapaciteiten van de Sovjet-Unie. De UFO-studie werd geïntegreerd in STORCK. De studie startte officieel op 31 maart onder leiding van William T. REID. Er bestonden vijf gelijste vereisten:” Een groep raadgevers leveren ... Bijstand verlenen bij het verbeteren van de bestaande vragenlijsten... Analyseren van bestaande waarnemingsrapporten... Inschrijven op een krantenknipselsdienst... Maandelijks informeren van de sponsors van het geleverde werk.”

Begin juni hadden de medewerkers van STORCK een lijst opgesteld van ongeveer 30 karakteristieken te encoderen op IBM-kaarten. Tevens bereidden ze een experimentele waarnemingsvragenlijst voor. Die zomer kreeg STORCK af te rekenen met een toevloed van rapporten, het resultaat van één van de historische, grote UFO-golven. De waarnemingen namen niet alleen in aantal toe (meer dan het driedubbele), maar groeiden evenzeer in kwaliteit. Zoals STORCK in zijn 7° Status Report van 10 november 1952 noteerde, “deze rapporten zijn nu meer gedetailleerd en vaak gaat het om de waarneming van één object door meerdere getuigen”.

STORCK moest zijn analyse klaar hebben tegen 1 oktover 1953, maar blijkbaar ging hun werk door tot de late lente van 1955. Storck’s bevindingen werden geïntegreerd in het 14° Status Report van Blue BOOK. Het vorige rapport, dateerde van 30 september 1953, was het twaalfde. Er wordt aangenomen dat het voorgestelde dertiende Report 14 werd, misschien zoals Herbert J. STRENZ opperde, wegens “een militaire vorm van bijgeloof


  • INHOUD en CONCLUSIE

De onderzoeksgevallen van STORCK kwamen van militaire bronnen of van volledige versies van vragenlijsten, die het voor het melden van waarnemingen opgesteld hadden. Een klein aantal waren “in de vorm van rechtstreekse brieven van onbetwistbare en betrouwbare bronnen.” Na het verwijderen van een 800-tal rapporten, die te pover gedokumenteerd waren om bruikbaar te zijn, hield het rekening met de resterende 3.201 gevallen. De grote meerderheid van deze gevallen kwamen van de projecten SIGN, GRUDGE en de BLUE BOOK-dossiers van waarnemingen van 1 juni 1948 tot 31 december 1952. Deze rapporten werden onderverdeeld in negen evaluatiecategoriën, namelijk BALLON, ASTRONOMISCH, LICHTFENOMENEN, VOGELS, WOLKEN en STOF, ONVOLDOENDE GEGEVENS, PSYCHOLOGISCH en ANDEREN.

De eerste stap in de evaluatie was om de belangrijkste, gewichtige feiten van de rapporten vast te stellen. De tweede fase had betrekking op het bepalen van de geloofwaardigheid van de waarnemer en de logische samenhang van het rapport, evengoed als de algemene kwaliteit ervan. De derde stap was het onderbrengen van de melding in één van de negen categoriën of de identifikatie van het object.

De goedgekeurde identifikatie werd gedaan door de medewerker, die het rapport op een werkblad overschreef. Achteraf beoordeelde een lid van het identifikatieteam het rapport, zonder vooraf te weten wat de conclusies van de andere persoon (en) waren. Indien de twee personen tot dezelfde identifikatie kwamen, werd deze als enige eindconclusie aangenomen – maar enkel indien de ene of de andere of beiden het object niet als “onbekend” verklaarde. Indien zij niet akkoord gingen over een conventionele uitleg, analyseerde de overige teamleden het rapport. Indien of de één of de andere voorstelde dat het object onbekend was, bestudeerde het totale team het rapport. Bruce MACCABEE, een fysicus, die later een uitgebreid en sterk kritisch overzicht van Rapport 14 maakte, merkt op dat “het klaar moest zijn dat STORCK persoonlijk speciale voorzorgen nam om zich ervan te verzekeren dat ONBEKENDEN effektief ook onbekend waren.” De onbekenden werden omschreven als “die rapporten van waarnemingen, waarin de beschrijving van het object en zijn bewegingen niet gepast konden worden in het patroon van enig bekend object of verschijnsel.


  • De kritieken

Op het einde van de studie werden slechts 100 exemplaren van Report 14 gedrukt. Deze kopies werden naar de officieren van de luchtmacht gezonden, die als woordvoeder van de luchtmacht tegenover de publieke media gekend waren. Op verzoek van het Californisch Congreslid John E. MOSS, voorzitter van het “House Sub-Committee on Government Information”, die de luchtmacht onder druk zette, werden op aanvraag meer exemplaren beschikbaar gesteld. De reden waarom er slechts 100 exemplaren gedrukt werden, was volgens de luchtmacht de hoge kostprijs van 10 à 15 US$ per gedrukt exemplaar. Waarschijnlijk “de grootste verspreiding”, tenminste tussen ufologen, kwam tot stand door de inspanningen van Leon DAVIDSON, vroeger een wetenschapper in het LOS ALAMOS Wetenschappelijk laboratorium en lid van een informele groep van wetenschappers en ingenieurs. Deze groep bestudeerde de epidemische golf waarnemingen van ‘groene vuurballen – green fireballs’ in New Mexico in de late jaren 40’ en de begin jaren 50’. In 1956 drukte en verkocht Davidson kopies van Report 14 samen met zijn analysen en kommentaren. Vroeger al was Davidson ervan overtuigd geraakt dat vliegende schotels geheime instrumenten waren, ontwikkeld door de Verenigde Staten zelf. Volgens zijn persoonlijke mening was Report 14 een slimme en ultieme poging om dit feit te verbergen. Davidson concentreerde het grootste deel van zijn analyse, hoedanook, op een eigenaardige wanverhouding tussen aan de ene kant het perscommuniqué van 25 oktober 1955 en “de samenvatting van het rapport van de luchtmacht” en aan de andere kant de inhoud van het volledige rapport zelf.

HIJ stelden het belangrijk en interessant feit vast dat in de studie van STORCK “Onbekende waarnemingen 33,3% bedragen van al de waargenomen objecten, waarvan de betrouwbaarheid van de sighting als ‘EXCELLENT’ moest beschouwd worden. De “chi-square”-test toonde aan dat zelfs de auteurs van Report 14 moesten erkennen dat “het zeer onwaarschijnlijk was dat de ONBEKENDEN dezelfde waren als de BEKENDEN.” Maar zij weigerden pertinent toe te geven dat dit betekende dat de “schotel-vorm” een echt type van een nieuw object konden zijn.”

N.I.C.A.P. (National Investigations Committee on Aerial Phenomena) betwistte de uitspraak van Report 14 dat de afwezigheid van éénvormigheid van de UFO’s door de getuigen, het onmogelijk maakte om een model van een vliegende schotel te bouwen. N.I.C.A.P. citeerde deze woorden uit een GRUDGE-analyse van 1949: ” Het grootste aantal rapporten heeft betrekking op daglicht-waarnemingen van metaalachtige, zilverkleurige schotelvormige objecten, ruwweg in diameter tienmaal hun dikte.” Het voegde er aan toe: ”Van deze officiële beschrijving kan een werkend model van een UFO of een vliegende schotel zonder de minste twijfel gebouwd worden.

Een latere criticus , kernfysicus en Ufoloog Stanton T. FRIEDMAN bekloeg zich erover dat de verklaring van de luchtmacht dat maar drie percent onbekenden waren een vals cijfer is, in feite:

- verwijst het enkel maar op een kleine groep van 131 waarnemingen onder

druk bekeken om op één of andere wijze het percentage onbekenden

drastisch te verlagen tijdens de zes maanden, die de persconferentie

voorafgingen. Als je de kwaliteit van de verspreiding onderzoekt, dan vind je

dat hoe beter de kwaliteit van de waarnemingen zijn, dat deze gevallen

waarschijnlijk MEER kans hebben om niet geïdentificeerd te kunnen worden,

en het minste vermoedelijk dan dat het allemaal “onvoldoende informatie”-

waarnemingen waren... Een zorgvuldig onderzoek van dit dokument leid je

onmiddellijk naar de verklaring dat sommige gerapporteerde objecten

“INTELLIGENT GECONTROLEERDE (=bestuurd!), BUITENAARDSE

RUIMTETUIGEN” waren, waargenomen door bekwame waarnemers tijdens

een langere tijdsperiode en onder goede waarnemingsomstandigheden. De

besluiten en de perscommuniqués hebben weinig betrekking op de gegevens

in het rapport zelf.



Vervolgens in een meer uitgebreide kritiek, verklaart FRIEDMAN dat de ONBEKENDEN zelden enige gelijkenis vertonen in verschijning of gedrag met de GEÏDENTIFICEERDEN. Typisch de eerstgenoemden “werden beschreven als metaalachtige, symmetrische schotels, of in sommige gevallen, veel grotere sigaarvormige objecten (= moederschepen), waar de schotels in en uitvlogen” met buitengewone vaststellingskenmerken.

Een andere criticus, niemand minder dan de vroegere wetenschappelijke adviseur en astronoom van Blue Book Dr. Allen HYNEK, drukte zijn vrbazing uit op STORCK’s bewering dat er geen duidelijk verschil bestond tussen de bekende en onbekende gevallen. “Het besluit van REPORT 14,“ schrijft hij, negeert bijna onbeschaamd volledig de resultaten van deze “chi-square” testen, alsof deze resultaten zelfs niet Fig. 10: J. Allen Hynek en Jacques Vallée

bestaan!” Volgens zijn peroonlijke inschatting was het resultaat “volslagen ongeloofwaardig”.

De grondigste reëvaluatie van het rapport 14 gebeurde door Bruce MACCABEE, een optica-fysicus, die belangstelling voor UFO’s koesterde. Maccabee vond dat de gegevens van Report 14 er op wezen dat de “beste gekwalificeerde waarnemers de beste rapporten maken en waarschijnlijk de meeste ONVERKLAARBARE rapporteren. Terwijl de armzaligste waarnemers de slechtste rapporten maken (de meeste INSUFFICIENT INFORMATION) en lijken de minste rapporteurs te zijn van onverklaarbare gevallen.” De meeste objecten, die zichtbaar waren in de onverklaarbare rapporten, waren gedurende een langere tijdsperiode waarneembaar dan bij de meeste bekende objecten. Volgen Maccabee “spreekt deze vaststelling het algemeen gevoel tegen dat de meeste ONVERKLAARBARE WAARNEMINGEN het resultaat waren van kortere waarnemingsperioden in tijdsduur”.

In een poging om een specifiek resultaat te regelen, vonden zij blijkbaar intuïtief onverklaarbaren. De analisten van STORCK konden enkel raden dat de “psychologische make-up” van de getuigen in de onbekende gevallen, plus een enkel erkende bron (ballon, vliegtuig, atmosferische storing of andere conventionele stimili) voor veel waarnemingen, de resultaten vervalsten, zoals het scheppen van een kunstmatig verschil tussen verklaarbare en onverklaarbare rapporten. Maccabee wees het argument van de hand als “zwak in het zicht van de onstemden (= de analisten), die probeerden klaarblijkelijk alle gevallen te identificeren.”

De analisten beslisten toen aangezien astronomische verklaringen van toepasing waren bij de bekende gevallen, dit hetzelfde moest zijn bij de onbekende rapporten, uitgezonderd dan van de vroegere astronomische waarnemingen, die al uit de files verwijderd waren. Een evenwicht zoekend verwijderden de analisten de categorie “astronomische gevallen” uit de bekenden en vergeleken ze dan met de onbekenden – met weinig effekt. Uiteindelijk verminderden ze de onbekenden toch door speculatie – wat expleciet hun bevindingen trotseerde aangezien deze rapporten, die naar het onbekenden neigden, ook deze waren waarvoor de meeste informatie beschikbaar was – ze verklaarden doodgewoon dat de onbekenden zulke rapporten waren wegens de “onbeschikbaarheid van aanvullende gegevens”, ofschoon “onvoldoende informatie” zelf een volledige, aparte categorie was.

Maccabee schreef dat wanneer de gegevens van REPORT 14 nauwgezet geanalyseerd werden, de volgende vaststelling gemaakt kon worden dat :

- de waarschijnlijkheid dat de karakteristieken (in kleur, duur van de

waarneming, aantal, lichthelderheid, vorm en snelheid) van de

ONBEKENDEN de karakteristieken van de BEKENDEN evenaarden,

vergelijkbaar is met het product van alle waarschijnlijkheden voor deze zes

testen, het aantal kleiner zou zijn dan 0,000.000.000.625! Iets conservatiever

zijn, ik denk dat het aanvaardbaar zou zijn te beweren, dat de mogelijkheid,

de waarschijnlijkheid dat de verspreiding alles evenaart (oa de

waarschijnlijkheid dat de ONBEKENDEN gelijk zijn aan de BEKENDEN)

kleiner is dan 1%.




  • Vooronderstellingen

In de 90’ jaren interviewde twee vooraanstaande ufologen, verbonden aan J. ALLEN HYNEK CENTER for UFO-STUDIES, Jennie ZEIDMAN en Mark RODEGHIER drie mannen, namelijk Art WASTERMAN, Perry RISPPEE en William REID, die aan de BATTELLE-studie meegewerkt hadden. Zeidman en Rodeghier zouden hetvolgende rapporteren:

- Zonder uitzondering tonen onze interviews aan dat de Battelle ingenieurs

weinig intellectuele tevredenheid ontvingen voor hun UFO-werk. Op geen

enkel ogenblik koesterde de Battelle staf het idee dat het UFO-fenomeen het

resultaat was van Sovjet technologie, wat hun voornaamste zorg was.

Daarvoor was het project een afleiding van hun voornaamste bezigheden;

bijgevolg was hun belangstelling en hun tijd gewijd aan het UFO-onderzoek

eerder laag. Geen van de drie mannen zei dat ze meer dan 25% van hun tijd

spendeerden aan UFO-werk. REID dacht zelfs dat hij in het totaal maar 10%

van zijn tijd besteedde aan het onderzoek.

De drie mannen drukten verslagenheid uit, zelfs na 40 jaar, dat ze bij de

Battelle studie en het UFO-onderzoek betrokken raakten.

ZEIDMAN, die zelf eens voor Battelle werkte en Rodeghier begonnen te geloven dat de geest van de ingenieurs van het BATTELLE personeel verantwoordelijk was voor de disconnectie tussen gegevens en besluiten :

- Waarom zouden de schrijvers van het rapport deze omstotelijke

bevindingen genegeerd hebben ? De BATTELLE-staf waren ingenieurs en

ingenieurs waren in 1953 (of zelfs de dag van vandaag!) niet gewend om

statische verwantschappen of verhoudingen te zoeken in data, die van

mensen kwamen en niet van wetenschappelijke instrumenten. Bijvoorbeeld

het Battelle-team nam 12 van de meest betrouwbare ongeïdentificeerde

rapporten en probeerden en werkend model van een UFO te bouwen. Indien

je als ingenieur, probeert te bepalen dat sommige UFO’s gestructureerde

tuigen zijn, dan heeft deze oefening zin. Maar wanneer deze inspanning, niet

veranderlijk, faalde, mag het besluit niet zijn dat het project onmogelijk was

door de limieten, de begrenzingen van menselijke getuigenis, of dat daar meer

dan één UFO-model betrokken kan geweest zijn bij de rapporten, of dat enig

uniek natuurlijk verschijnsel de kernoorzaak was. Neen, het besluit was dat

er is weinig waarschijnlijkheid dat enige ONBEKENDEN waarnemingen

een soort “vliegende schotel vertegenwoordigenl”.

Wij veronderstellen daarom dat gezien het BATTELLE team geen UFO-model

kon bouwen en dit wegens de opleiding, de training van de deelnemers en de

wetenschappelijke “mindst”, het exclusief gebruik van statistische gegevens

om te besluiten dat een gestructureerd tuig waargenomen was, essentieel

onvoorstelbaar was voor hen.

Het was gemakkelijker en behoudender om de statistische testen te negeren,

toen ze het rapport schreven. Dit is geen wetenschappelijke oneerlijkheid; het

is het echte leven voorbeeld van hoe vooronderstellingen invloed hebben op

het werk en het resultaat van wetenschappelijke projecten...




  • U2- UFO – Top Secret...

In 1997 trok een artikel in “STUDIES OF INTELLIGENCE”, een C.I.A.-tijdschrift, grote aandacht. Het was het onderwerp van een artikel in de befaamde krant NEW-YORK TIMES.

Volgens de historicus van de C.I.A. Gerald K. HAINES werkte de luchtmacht samen met de C.I.A.-agentschappen om de cover-up te dekken van UFO-waarnemingen van geheime spionagevliegtuigen, inbegrepen de U-2 (vluchten startte in augustus 1955) en later de SR-71.

Haines schreef:

De eerste U-2’s waren zilverkleurig (later werden ze zwart geschilderd) en

weerkaatsten de zonnestralen, vooral bij zonsopgang en zonsondergang. Zij

verschenen vaak als vurige objecten voor de waarnemers beneden. De

onderzoekers van BLUE BOOK van de luchtmacht waren zich bewust van de

geheime U-2 vluchten, probeerde dergelijke vluchten uit te leggen als een

natuurlijk verschijnsel, zoals ijskristallen of temperatuurinversies. Door UFO-

meldingen te checken met het C.I.A. Agentschap U-2 Project Staf in

Washington, waren de Blue BOOk onderzoekers in staat om veel UFO-

waarnemingen aan de U-2 vluchten te linken. Zij gingen, hoedanook;

zorgvuldig te werk, om niets te lekken over de waren oorzaak van de UFO-

waarneming van het publiek.

Volgens latere schattingen van C.I.A.-officiëlen, die onder het project U-2 en

de OXCART (SR-71) of het BLACK BIRD-project werkten, konden meer dan

50% van de gerapporteerde UFO-waarnemingen van de late 50’ jaren en de

60’ jaren toegewezen worden aan bekende, bemande (vooral U-2) vluchten

boven de U.S.A.. Dit leidde ertoe dat de luchtmacht misleidende en

bedriegelijke verklaringen aflegde over de gerapporteerde waarnemingen

naar het publiek toe. Hun doel was vooral het bedaren van de publieke

aandacht en vooral om het buitengewoon gevoelig nationaal

veiligheidsproject te beschermen.

Deze buitengewone beweringen werden kritiekloos behandeld in de grote media, die nota namen van de langgeleden verdachtmakingen door sommige Ufologen geüit over een officiële cover-up van het UFO-fenomeen. Geen enkel bericht zocht hoedanook een link tussen de U-2 vluchten en specifieke UFO-gevallen (Cf. het Alaska-incident) of de vele vragen die HAINES artikel deed oprijzen en waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. Tijdens interviews door Mark RODEGHIER van het J. ALLEN HYNEK CENTER for UFO-STUDIES kenmerkte het hoofd van Blue Book Robert FRIEND deze bewering als “lachwekkend” en ontkende dat ze ooit verplicht waren om U-2 vluchten te verbergen. Bruce MACCABEE, die gedurende lange tijd de officiële UFO-poletiek bestudeerde, noemde het idee “belachelijk”, wijzend op de andere problemen, dat “het grootste deel van de waarnemingen s’nachts gebeurden, op het ogenblik dat de U-2 niet zichtbaar was en de volgende grote fractie is tijdens de dag, wanneer de U-2, op bijna een hoogte van 70.000 voet, werkelijk onzichtbaar zou zijn...”

Persoonlijk kan ik zeker aanvaarden dat een aantal UFO-meldingen vallen onder de noemer van spionage – en / of testvluchten. Maar het gevaar schuilt hem net in de onverschilligheid om alle UFO-sightings op dergelijke simplistische wijze te verklaren. Er bestaan nog steeds een aantal specifieke UFO-cases, waarvoor nog geen logische, aanvaardbare oplossing gevonden werd. Iemand die met een open geest onderzoek verricht, zal de hypothesen voor deze specifieke gevallen open laten. Een scepticus of non-believer past eerder de procedures toe van de onderzoekers van de diverse projecten van de luchtmacht ( “possible”, “probable” , “insufficient data”,...) en vertrekt vanuit het standpunt dat alle UFO-meldingen op een aardse manier te verklaren zijn. Ik vrees dat het laatste woord hierover nog niet geschreven werd. Het gevaar schuilt in onze oogkleppen en onze gedachten “Heb ik gelijk of heb ik gelijk?”. Objectiviteit, nuchterheid, logisch denken over de onderzoeksprojecten (SIGN, GRUDE, STRORCK, BLUE BOOK,...) tonen volgens mij duidelijk aan dat er een UFO-probleem bestaat; dat de luchtmacht volgens de actuele beschikbare gegevens een dubbele rol speelde. Hun taak bestond er vooral in om een grote paniek reactie bij het publiek te vermijden en een aantal feiten te verdoezelen.

Indien UFO’s echt niet bestaan, waarvoor was/is al die heisa dan nodig? Kan jij mij hiervoor een correcte en volledige uitleg geven, Dat de luchtmacht het geweer regelmatig van schouder veranderde, zien we door de veelvuldige verklaringen die ze al aflegden over het ROSWELL-incident in New Mexico. Het kritiekloos aanvaarden van al deze verklaringen en uitvluchten van de officiële instanties over problemen, zoals het UFO-verschijnsel, is zijn ogen sluiten voor een andere realiteit...



1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 7.86 Mb.