Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door Pieter Hendrickx

Dovnload 7.86 Mb.

Door Pieter Hendrickx



Pagina6/7
Datum28.10.2017
Grootte7.86 Mb.

Dovnload 7.86 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

4. De MODERNE UFOLOGIE vanaf 1973...

4.1. De UFO-flap van 1973.


De UFO-golf van 1973 was de eerste golf UFO-sightings sinds het afsluiten van Project Blue Book, waarover de luchtmacht geen uitspraak deed van hetgeen de mensen in de lucht zagen. Bij de pers kwam deze UFO-golf eveneens verrassend over, omdat ze door het CONDON-rapport aanvaard hadden dat het UFO-probleem opgelost was. Het zou nu een nostalgisch product van het verleden moeten zijn. Maar de meldingen kwamen net op dezelfde wijze over als bij de andere UFO-flaps met geen enkel referentie tot sociale gebeurtenissen. Het ontplooide het volledig gamma van UFO-aktiviteiten van hoog niveau waarnemingen tot inzittenden. Ontvoeringsgevallen leken toe te nemen sinds de 1973-UFO-golf en zeker in de 70’ jaren in het algemeen. Ufo-onderzoekers besteedden meer aandacht aan deze ongeloofwaardigheden, soms echte absurde verhalen, nochthans hadden ze het nog steeds moeilijk om de betekenis van de gegevens te vatten. Het werd steeds duidelijker dat de ontvoeringsgevallen integraal deel uitmaakten van UFO-ervaringen en vlug op systematische wijze uitgeschakeld dienden te worden.

Dr. J. Allen HYNEK, nu volledig overtuigd van de onregelmatige theorie van UFO-meldingen, nam deze gelegenheid te baat om de opening van het CENTER FOR UFO-STUDIES (C.U.F.O.S.) aan te kondigen... welke de eerste wetenschappelijke organisatie zou zijn om het UFO-mysterie te bestuderen. Vooral door het voorafgaand I’m sorry-smoesje na te trekken, kon elke cynicus vaststellen dat de feiten de werkelijke achtergrond van de UFO’s aantoonden en dat e Amerikaanse luchtmacht zelf verbeelding was, zoas de MC NAUGHT-SYNDICATE cartoon van 17 april 1974 toonde. Het geloof van het grote publiek in UFO’s groeide gestadig aan en de massa begon het UFO-fenomeen meer en meer te aanvaarden. Een GALLUP-enquête van 1947 toonde aan dat 90% van de Amerikanen gehoord hadden van de gerapporteerde “vliegende schotel” van Kenneth Arnold... 19 jaar later bewees een andere GaLLUP-enquête dat 96% van de ondervraagden iets van UFO’s gehord of gelezen hadden. Dit onderzoek vroeg het publiek eveneens hun oordeel over de origine van UFO’s. 46% van de ondervraagden verklaarden dat UFO’s echt bestonden; 29% zeiden dat het allemaal verbeelding was en 25% had geen mening...

In 1966 beweerden 5% van de ondervraagden dat ze ooit een UFO waargenomen hadden. Indien je dit cijfer extrapoleert op de volledige volwassen Amerikaanse bevolking van die tijd, waren er toen ruim 5 miljoen Amerikanen, die een UFO-achtige ervaringen hadden beleefd. Een nieuwe Gallup-enquête in november 1973 toonde aan dat een verbazingwekkende 11% van de volwassen Amerikanen of méér dan 15 miljoen Amerikanen beweerden dat ze een UFO hadden gezien, zelfs ex-presidenten Jimmy CARTER en FORD waren UFO-waarnemers. Deze laatste Amerikaanse opiniepeiling toonde ook aan dat ruim 51% van de Amerikanen geloofden dat UFO’s echt bestaan en geen denkbeeldige producten zijn vande menselijke verbeeldingskracht, noch hallucinaties. Tenslotte bewees dit onderzoek dat 46% van alle ondervraagden geloofden in intelligent leven op andere planeten. Onder deze gelovers waren vele wetenschappers, zoals bijvoorbeeld Dr. Carl SAGAN. Dit percentage toonde een terke toename van 10% aan in het geloven van het bestaan van buitenaards leven sinds 1966 toen dat slechts 34% bedroeg...

Doordat d komische politiek van Project Blue Book tot het bittere einde gespeeld werd, voelden vele wetenschapslui in de V.S. de noodzaak van een ernstige studie aan. Het CONDON-rapport, dat besloot dat het UFO-onderzoek geen toegevoegde wetenschappelijke waarde had en dus de moeite van onderzoek niet waard was, vertoonde toch héél veel hiaten. Zo was er het opvallend en tevens verrassend feit dat 25% van alle onderzochte UFO-rapporten “ONVERKLAARBAAR” bleven. De voorgaande studies waren op zichzelf geen voorbeeld van nieuwe wetenschappelijke aanpak van het probleem, maar eerder het samenbrengen en catalogeren van de data in een poging alle meldingen met conventionele verklaringen te identificeren. Deze vooringenomenheid om alle UFO-meldingen op natuurlijke, conventionele of wetenschappelijke wijze te verklaren was een zeer slechte start.

De Amerikaanse (ook Europese) amateur-Ufologen stelden immers vast dat:

1°. Er een reeël UFO-fenomeen bestaat, dat waardig is om als onderwerp te

dienen van een systematische, nauwkeurige studie.

2°. Aanvaardbare data wijzen op aspekten uit de natuurlijke wereld, die nog

niet ontdekt werden door de wetenschap. Voorbeelden zijn de bolbliksem en

plasma’s, die in de 70’ jaren nog sciencefictionleken en nu actueel aanvaard

worden, ook door de wetenschap.

3°. De bruikbare opgeslagen gegevens een goede internationale organisatie,

een methodische aanpak vergen en het opstellen van een uniforme

terminologie voor de beschrijving en / of de evaluatie van de onderzochte

UFO-gevallen.

4°. PROJECT BLUE BOOK en het CONDON-rapport voorbeelden zijn van

nutteloze inspanningen omdat ze één van de hierboven vermelde

vaststellingen of alle puntenn verwerpen.

5°. Verdere research zonder vastgestelde ideologie of vooringenomenheid de

volgende stap is tot het oplossen van het UFO-raadsel.

In de U.S.A. bestonden A.P.R.O. en N.I.C.A.P. al als voornaamste particuliere UFO-organisaties. Desalniettemin besloot Hynek tot het oprichten van het CENTER for UFO-STUDIES voor de UFO-research met een 24 op 24 uur activiteit en met een team, samengesteld met gemotiveerde wetenschapsmensen. Volgens Dr. HYNEK was het grootste probleem van dergelijke privé-initiatieven de financiële fondsen bijeen te krijgen om dergelijke onderzoeksprojekten op te zetten. Toch zette hij door en trachtte hij het onderwerp op wetenschappelijke wijze te bestuderen en met behulp van de modernste hulpmiddelen, zoals computer, databank,... en aanvaardbare en logische verklaring te vinden voor het UFO-probleem. Niettegenstaande het uitblijven van een positief resultaat voor het UFO-raadsel, zette Hynek en zijn echtgenote hun onderzoek gestadig voort tot zijn dood in april 1986. Hij probeerde een wereldwijde vereniging uit te bouwen, met centralisatie van de gegevens bij het Center for UFO-Studies. Hij wist deze doelstelling te realiseren en actueel draagt deze vereniging ook zijn naam als eerbetoon voor het gedane onderzoek. Zijn schepping van een klassifikatiesysteem, dat door elke UFOLOOG aanvaard wordt, zijn streven naar uniforme vragenlijsten, zijn inzet en zijn idealisme maken hem in mijn ogen één van de grootste pionniers van het adequaat UFO-onderzoek. Ik denk dat niemand onder ons hem ooit vergeten zal...

Rond dezelfde periode evolueerde ook het MUTUAL UFO-NETWORK (M.U.F.O.N.) tot één van de leidinggevende organisaties. M.U.F.O.N. en C.U.F.O.S werkten samen om waarnemingsrapporten te verzamelen en te analyseren. Door een reeks van meetings (jaarlijkse symposium) en gepubliceerde gegevens in hun “proceedings” slaagden M.U.F.O.N. en andere UFO-organisaties, actief in de 70’ en 80’ jaren, erin de kwaliteit van de UFO-rapporten te verbeteren. De kennis over dit onderwerp nam hierdoor gevoelig toe en ze wisten ook de aandacht van een aantal wetenschappers aan te trekken.

Ze voerden levendige, intellectuele debatten over de degelijkheid van de buitenaardse beschavingshypothesen. Sommige Ufologen brachten nieuwe theoriën naar voren, zoals de “ultraterrestre binnenaardse of holle aarde-theorie”. Dit is een poging om de problematiek omtrent tijd, ruimte en soms de onzichtbaarheidsfactor op te lossen... Deze “buitengewone” hypothesen mishaagden de geestelijke en intellectuele activiteite van velen in de UFO-gemeenschap, die vonden dat deze ideeên de geloofwaardigheid van de Ufologie deed wankelen. Zij deden hun uiterste best om een sterke greep te krijgen op de aanhoudende groeiende massa gegevens uit de vele rapporten en de wetenschap meer en meer te betrekken met de studie van UFO’s. Dergelijke “gekke” theoriën stootten vele objectieve onderzoekers af, gewoon uit angst om eveneens als “belachelijk” over te komen bij het grote publiek en de media. Vanzelfsprekend speelden deze “ongeloofwaardige” hypothesen in de kaart van de overheid om het UFO-probleem stelselmatig te ridiculiseren. Misschien hadden ze zelfs een aantal inside- handlangers, die dergelijke ideeën naar voren brachten...

In dezelfde periode droegen M.U.F.O.N, C.U.F.O.S. en het nieuw opgerichte FUND FOR UFO-RESEARCH bij tot een groeiende drang tot samenwerking tussen UFO-onderzoekers door fondsen te voorzien voor specifieke projecten en afzetgebieden te zoeken voor het verspreiden van de bekomen informatie. UFO-overeenkomsten (consensussen), in plaats van de “clubachtige” kwaliteit van de jaren 50 en de vroegere jaren 60, namen nu de rol over om een forum te bezorgen voor de uitwisseling van gegevens en opbouwende kritiek van onderzoek en analyse. Een spitsvondige verandering van UFO-onderzoek kwam er, toen de Ufologen toenemend gesofistikeerd werkten met computers en dus meer gespecialiseerd werden. Ze brachten de gegevens met elkaar in verband, vormden hun eigen criteria voor kritiek, analysen en discussie losweg van hulp zoeken of rechtmatigheid van “buiten uit”. Vanzelfsprekend maakte het opslaan van de UFO-gegevens in computerdatabanken het eenvoudiger om statistische vergelijking te trekken. Actueel is het zo dat de meeste van de Ufologen over een PC en een internetverbinding beschikken, waardoor de internationale samenwerking, uitwisseling van gegevens en diverse discussies over specifieke onderwerpen of problemen zeer snel en grenzenloos kunnen plaatsvinden.

Het was ook in de 70’jaren dat sommige UFO-organisaties een eensgezinde, wettelijke aanval begonne tegen de Amerikaanse overheid om de Ufo-rapporten vrij te geven, die de luchtmacht en andere officiële instanties nog geheim hielden. Hoewel er al Project Blue Book-registraties vrijgegeven waren en in 1975 naar de nationale Archieven gezonden, koesterden deze groeperingen het idee dat er nog meer interessanter materiaal geheim gehouden werd. Door de FREEDOM OF INFORMATION ACT slaagden de UFO-organisaties en particuliere onderzoekers erin om honderden, vroeger onbekende dokumenten vrij ter inzage te krijgen. Deze dokumenten lieten toe om de hiaten over onze kennis over de activiteiten van de V.S. overheid over het UFO-probleem in vroegere decennia op te vullen. Zoals je vroeger al kon lezen, verschaften deze dokumenten ons inzicht op de wijze hoe de luchtmacht in realiteit publiek met UFO-onderzoek omging. Actueel kan je via internet de ganse reeks “PROJECT BLUE BOOK”-files (29 CD-roms) aankopen of +/- 30.000 bladzijden downloaden...

Tijdens de jaren 70’ publiceerde Hynek’s Center or UFO-Studies enkele van zijn beste bewijzen en gegenvens over UFO’s. Hynek’s naarstige uitstraling van publieke verschijning en zijn verleden als wetenschappelijk raadgever van de luchtmacht verleende redelijkheid en prestige aan het UFO-onderwerp. Ook de proceedings van de M.U.FO.N. van hun jaarlijks symposium groeide in kwaliteit volgens de gekozen items en sprekers. Verder speelden de media, zoals Tv en film meer en meer in op een dankbaar onderwerp als UFO’s. Boeken over UFO’s, die een bestseller werden, raakten ook zeer snel op het witte doek. Wie van ons kent niet het succes van devolgende bioscoopfilm “CLOSE ENCOUNTER OF THE THIRD KIND”van de filmregisseur Steven SPIELBERG? Dr. Hynek trad als raadgever op om denodige aanwijzingen te geven voor het verfilmen van dit UFO-scenario. Het succes van deze film toonde ook de fascinatie aan van het groot publiek voor bioscoopfilms over UFO’s en E.T.-thema’s. Een reeks van gelijkaardige films volgden snel, zoals E.T. als vriendelijk buitenaards wezentje uitgebeeld; STAR-WARS, een echte klassieke reeks films; V, een Tv-reeks waar buitenaardse wezens de aarde veroveren... Hoedanook de verzamelde waarnemingsrapporten bleven onaangetast door het vrijkomen van deze sciencefictioninformatie.

Het UFO-verschijnsel kende geen grenzen. Ook Europa, Azië, Zuid-Afrika en Australië kregen met het UFO-fenomeen af te rekenen. In deze landen was het vooral het particulier intiatief dat zich met het onderzoek van de UFO-meldingen bezighield, vaak op amateuristische basis. Zo ontstonden er ook privé UFO-onderzoeksgroepen in deze landen. Ook de toemalige U.S.S.R. en de andere Warchaupactlanden kenden een intense, ufologische activiteit. Ze werd toegelaten in eerste instantie toegelaten door de autoriteiten, maar niet publiek gericht. Later zou de Sovjetautoriteit zelfs overgaan tot het verbieden van dergelijke “kapitalistische” propaganda, die louter tot doel hadden de Sovjettechnologie in de ogen van het volk af te breken. Deze beweringen kan je lezen in de verslagen van Dr. Felix ZIEGLER uit MOSKOU. Het zal pas na de val van de Berlijnse Muur zijn dat er meer informatie over het UFO-onderzoek in de U.S.S.R. doorsijpelt naar het Westen.

Diverse Russische UFO-onderzoekers publiceren hun onderzoeksresultaten in verzamelwerken van Westerse schrijvers. Actueel kan je op de website van de Russische krant, de Engelstalige versie van de PRAVDA, interessante UFO-artikels terugvinden...

In Frankrijk werd in 1977 een officiële organisatie “GROUPEMENTd’ETUDE des PHéNOMèNES AéROSPATION NON IDENTIFIéS (G.E.P.A.N.)” in het leven geroepen om met staatssteun van de C.N.E.S. en met de medewerking van de gendarmerie de Franse UFO-meldingen op te slaan en te analyseren. In 1988 werd G.E.P.A.N. vervangen door SERVICE d’EXPERTISE des PHéNOMèNES des RENTRéES ATMOSPHéRIQUES (S.E.P.R.A.). Onder de verschillende initiatieven van zijn directeur Jean-Jacques VELASCO ten voordele van de buitenaardse theorie werd in 2004 de S.E.P.R.A. in 2004 officieel ontbonden. Er bestaat / bestond in Frankrijk geen geheime officiële UFO-studie omdat de regering zich op geen enkele wijze zorgen maakt over het UFO-probleem. Toegeven, men zou kunnen antwoorden dat het bestaan van S.E.P.R.A. (ex-G.E.P.A.N.) aantoont dat de autoriteiten belangstelling voor UFO’s hadden. Wanneer we weten dat S.E.P.R.A. slechts een uiterst klein subonderdeel met een zeer beperkt budget en uiterst begrensde missies is onder het Nationaal Centrum voor Ruimtestudies (C.N.E.S.), zien we dat de staatsautoriteiten niet bezorgd lijken door het UFO-probleem. Kunnen we, als dat zo is, a contrario concluderen dat het Cometa rapport een verdere indicatie is dat echte UFO’s niet bestaan? In 1999 werd ook dit COMETA-rapport gepubliceerd, maar daar komen we later nog op terug. Eind 2005 heeft de C.N.E.S. een studieprogramma voor UFO’s heropend onder de naam G.E.I.P.A.N (Groupe d’Etude et d’Information sur les Phénomènes Aérospatiaux non Identifiés) en zal geleid worden door Yves SILLARD.

Eerder verscheen er op 9 april 1976 (artikel in HET LAATSTE NIEUWS) een Frans eindrapport van G.E.P.A.N. dat besloot “ Bestaan UFOs niet bewezen!”

Hun besluit :”Vliegen schotels bestaan misschien, maar dat bestaan is niet wetenschappelijk bewezen!” Dat is een besluit van een verslag in verband met het onderzoek naar het UFO-fenomeen, dat verscheen in het officiële tijdschrift van het Franse Ministerie van Defensie “ARMéE d’AUHOURDHUI”. In 20% van de gemelde UFO-gevallen is geen logische, aanvaardbare verklaring mogelijk en blijft het probleem onopgelost. Een dienst van de Generale staf van het Franse leger is sinds1 1961 belast met het verzamelen van allerlei informatie over het UFO-probleem. Het wetenschappelijk onderzoek, dat op basis daarvan verricht is, heeft geleid tot de veststelling dat het “ bij de huidige stand van zaken en van onze kennis moeilijk is tot een andere conclusie te komen, dan de onmacht van de wetenschap op dit gebied vast te stellen, waarbij men blijk dient te geven van een grote openheid van geest,” aldus het blad. Men dient zich te hoeden voor overhaaste besluitvormingen en toegeven dat het probleem thans nog onopgelost is . Dat was de stand van het officiël UFO-onderzoek in Frankrijk in 1976...

In 1950 opende de Canadese overheid al een studie over UFO’s onder de naam PROJET MAGNET onder leiding van de ingenieur James Wiber BROCKHOUSE SMITH, die het project zal leiden tot de ontbinding in 1954. Dit projekt zal bijblijven door de verklaringen van zijn directeur, die insloegen als een bom :” Het lijkt er sterk op dat wij te doen hebben met de mogelijkheid van het bestaan van buitenaardse ruimtetuigen, onhankelijk van onze visie op deze zaken.”

De voornaamste Nederlandse groeperingen waren het NEDERLANDS ONDERZOEKSBUREAU voor ONBEKENDE VLIEGENDE OBJECTEN (N.O.B.O.V.O.) en het UFOLOGISCH STUDIECENTRUM MIDDEN ZEELAND (U.S.M.Z) en zijn actueel niet meer actief. België waren het vooral partikulieren die het initiatief tot studie namen en actueel is dit nog altijd zo. In België bestond in de vroegere jaren SOBEPS aan de Franstalige kant met het tijdschrift INFORESPACE, dat later nog vergfijnd zou worden. UFO/INFO van Jaak BONABOT was een eerder gemengd tijdschrift (Fr/NL). Verenigingen zoals SUFO-INFORMIA en OBOS kenden een korte levensduur. Klassiekers in Vlaanderen waren (zijn) U.R.O.S. (UFOs, Ruimtevaart, Oudheidkunde en Sterrenkunde) van Ghislain STRUYS; S.V.L. (Studiegroep van Vreemde Luchtverschijnselen) van Wim van UTRECHT en UFO-BELGIUM (ex-UFO 21) van Marc BROUX. De meeste groepen bestaan nog maar evolueerde naar de uitgifte van rapporten over specifieke waarnemingen.

De eerste taak van al deze verenigingen was het opslaan van de binnengekomen UFO-meldingen; het nauwkeurig onderzoeken aan de hand van de ingevulde waarnemingsrapporten en het evalueren van het het geheel na een nauwgezette analyse. Het resultaat van dit onderzoek verscheen (verschijnt!) in hun periodieke tijdschriften, die als voornaamste doelstelling hebben informatie te verstrekken aan het grote publiek. Door de uitgifte van hun tijdschrift pogen ze tevens financiële steun te verwerven voor hun UFO-onderzoek, want koken kost geld... In het decennia van de opkomst van de huiscomputers, zal het papieren tijdschrift meer en meer verdrongen worden door de Websites, waarop UFO-info snel terug te vinden en te downloaden is...

Dus bij het eind van de jaren 70’ was de studie van hey UFO-verschijnsel verreweg meer gesofistikeerd dan het ooit was. Een grote dosis aan kennis werd verworven over de patronen, de gevolgen, de verschijningen en de restanten. Maar de meeste UFO-onderzoekers voelden zich gefrustreerd bij de schijnbare achteruitgang van de publieke belangstelling voor de UFO-problematiek en de grote moeilijkheid om door te dringen tot het mysteriewapen rond het gerapporteerd UFO-gedrag. Een kolossale hoeveelheid aan informatie over het ganse gamma van UFO-meldingen werd gearchiveerd, ingebrepen de nu doodgewoon geworden C.E. III –rapporten (Nabije Ontmoetingen van de Derde Soort met Ufonauten). Onze kennis over de doeleinden en motivaties van het verschijnsel was nog zeer gelimiteerd, zelfs in de best gedokumenteerde gevallen. En niettegenstaande Dr. Hynek en andere Ufologen sterke inspanningen leverden om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen van de belangrijkheid van het UFO-onderwerp, waren ze niet in staat om met “harde bewijzen”-sussec naar voren te komen. Hun wetenschappelijke houding was nog erger dan ze vroeger geweest was: intrigrerend, maar “onwettelijk”.

1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 7.86 Mb.