Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Door Pieter Hendrickx

Dovnload 7.86 Mb.

Door Pieter Hendrickx



Pagina7/7
Datum28.10.2017
Grootte7.86 Mb.

Dovnload 7.86 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

4.2. De 80’ en 90’ jaren: het einde of het begin.


a. de 80’ jaren met de opkomst van de ontvoeringsgevallen.

De tachtiger jaren begonnen overdrachtelijk met de publikatie van “MISSING TIME” van Budd HOPKINS in 1981. De meeste UFO-onderzoekers dachten nog steeds dat de ontvoeringsgevallen net zo eenvoudig als een andere waarnemings-categorie konden gebruikt worden om ze algemeen aanvaard te maken. Vele onderzoekers waren héél voorzichtig in het bestuderen van dergelijke gevallen, omdat ze sterk deden denken aan de “contactee”-gevallen van mensen, zoals de Amerikaan ADAMSKI en de Zwitser BILL MEIER. Deze gelijkenis maakte vanzelfsprekend de kans op een wetenschappelijke aanvaarding van deze gevallen miniem. HOPKINS nam een deel van de ontvoeringsgevallen , die hij persoonlijk onderzocht had; vergeleek ze en toonde hun patronen (modellen), hun overeenkomsten en convergenties (= gelijkenis van verschillende zaken door gelijke omstandigheden, vb. de uitwendige vorm van zeezoogdieren en vissen is een convergentieverschijnsel!) in een samenhangend geheel. Zijn aanhoudende, volhardende onderzoeken leverden een nieuw inzicht op dit verschijnsel. Dit schiep nieuwe vragen om te beantwoorden en deze antwoorden leverden nog meer nieuwe vragen op en zo voort... Plotseling was de UFO-research ondergedompeld in een onbekend gebied van het fenomeen, dat nog nooit tevoren betreden was. Het van nabij bekijken van het ontvoeringsverschijnsel schonk ons het eerste inzicht in de bedoelingen van de intellligentie achter UFO’s. Het was net alsof een deur op een kleine kier geopend werd en dat we in staat waren een kijk te nemen binnen het verschijnsel zelf.





Fig. 11 :een recente foto van Budd HOPKINS

Het meest overnachtelijke UFO-onderzoek was fundamenteel en onherroepelijk omgevormd tot het bestuderen van waarnemingen naar het bestuderen van ervaringen. Niet alleen was de betekenis van de ontvoering duidelijke geworden, maar het aantal ontvoeringsgevallen groeide voortdurend aan, en is dat heden te dagen nog steeds.

Rond 1985 waren er zoveel van deze rapporten, dat de Ufologen ze niet allemaal konden onderhouden en onderzoeken. De berg aan gegevens, voortgekomen uit deze ontmoetingservaringen was zo groot in kwantiteit en zo rijk aan details dat zelfs de meest cursorische (: doorlopen zonder onderbreking voor uitleg, vb. lezen) kijk aanduidde, dat we uiteindelijk aan het leren waren over de essentie van het UFO-probleem.

Nochthans verstonden de meeste onderzoekers de verwikkelingen van deze gegevens niet. Het was zeker dat deze gevallen zouden moeten onderzocht worden op nieuwe “innerlijke” bewijzen, gebruikmakend van nieuwe technieken en met buitengewone voorzichtigheid.

De dood van Dr. HYNEK in 1986, één jaar voor de publikatie van het monumentaal belangrijk boek van Budd HOPKINS, namelijk “INTRUDERS: THE INCREDIBLE VISITATIONS AT COPLEY WOODS”, kan gezien worden als het einde van een eerste grote fase van uiterlijk UFO-onderzoek. Het boek toonde voor de eerste maal het publiek de omvang van het UFO-verschijnsel en hoe het binnendringt in het persoonlijk leven van de mensen.

Dr. Hynek was de spilfiguur in de eerste fase van het uiterlijk UFO-onderzoek. Hij probeerde de uiterlijke, onregelmatige kwaliteit van het verschijnsel op te zetten naar de wetenschappelijke gemeenschap en het grote publiek toe. Hij werkte een realistisch klassifikatiesysteem voor waarnemingsrapporten uit en verzon een terminologie om ons toe te laten in een gemeenschappelijke en bruikbare taal over het UFO-probleem te praten. Hij toonde ons wetenschappelijke en systematische methodes om de waarnemingsrapporten te bestuderen. Hij worstelde met het bewijs dat hij ontdekte en wees ons op de nieuwe richtingen door het verworven materiaal te analyseren. Zijn loopbaan overspande bijna 40 jaar de opkomst en geschiedenis van d UFO-polemiek. Hij vocht tegen zijn afbrekers tot een wapenstilstand bereikt werd. Maar, net zoals de meeste van zijn collega’s, richtte hij zijn aandacht op het verschijnsel , zoals het volgens hem overkwam – bewijs van het bestaan.

Zijn carrière en deze van anderen van zijn generatie was verbonden met het wettelijk maken ( = erkenning) van de studie van het verschijnsel,zodat zuiver gefundeerde research plaats kon vinden, vrij van alle ridiculisering. Hoewel dr. Hynek ook geconfronteerd werd met ontvoeringsgevallen, weten wij niet waarom hij niet bekwaam was om deze te laten erkennen voor wetenschappelijk onderzoek. Wij gaan ervan uit dat hij dacht dat dit de kansen tot het aanvaarden van het UFO-verschijnsel sterk zou verkleinen. Zijn dood kwam net op het ogenblik dat hij de belangrijkheid van de ontvoeringsgevallen begreep, zodat bijgevolg een volgende fase van het UFO-onderzoek kon beginnen.

In 1983 kwam het originele en enige naarboven dat verwijst naar een PROJECT SNOWBIRD, toen het “PROJECT AQUARIUS BRIEFING DOCUMENT” getoond werd aan William L. MOORE. MOORE is co-auteur van het boek “THE ROSWELL INCIDENT”. Een insiderbron bij de inlichtingendienst van de V.S. toonde hem dit dokument. Volgens deze informatie was PROJECT SNOWBIRD opgericht in 1972 om een geborgen Aliën ruimtetuig te onderzoeken en te testvliegen.

Tot vandaag bleven pogingen om deze verklaringen hard te maken via de “Freedom of Information Act” zonder succes. Het bestaan van een ander Project Snowbird werd hoedanook bevestigd... Het was een gezamelijke U.S.A. leger-luchtmacht, gezamelijke militaire oefening, ingesteld in 1955 om troepen te trainen hoe te vechten in de zuidelijke Arctische regio.

In 1985 was het UFO-onderzoek in een situatie van grondige verandering. Ontvoeringsonderzoek schonk ons meer informatie over het UFO-fenomeen zelf dan al de opgestapelde informatie van de laatste 40 jaar. Het “begrijpen” van deze informatie kende voor de eerste maal sinds het verschijnsel begon , een intellectuele doorbraak van ondenkbare en onberekenbare belangrijkheid. Nu begonnen we eindelijk vragen te beantwoorden die begonnen met het woord “WAAROM”. Voor de ontvoeringsdoorbraak waren we onbekwaam dit te doen. Toen verwiepen we teveel de E.T. –hypothese, terwijl met deze doorbraak de enige logische verklaring zou moeten (kunnen) zijn. In 1987 verscheen een eerste opmerkelijk boek van de Britse schrijver en UFO-onderzoek Timothy GOODABOVE TOP SECRET” en de bijkomende vrijgegeven informatie over de “MAJESTIC 12” - dokumenten, gepubliceerd door JUST CAUSE, die de visie op het bezoek van een buitenaardse intelligentie versterkt en de debunkingspolitiek van de Amerikaanse overheid danig verklaart. Vanzelfsprekend voerden de debunkers en de sceptici een felle strijd om de echtheid van de bovenvermelde dokumenten te bewijzen. Een strijd waar vele woorden en artikels over geschreven werden, onder andere ook door de kernfysicus Dr. Stanton FRIEDMAN en als scepticus-tegenhanger de recent overleden Philip KLASS. Deze welles-nietes polemiek zal wel eeuwig blijven duren, gezien de harde en fanatieke standpunten van de verschillende partijen...

Niettegenstaande het feit dat de Ufologie leek te tanen, kreeg het door een aantal belangrijke publikaties een belangrijke impuls. “SKY CRASH” van de Britse schrijfster Jenny RANDLES en “UFO’s 1947-1987” van Hilary EVANS en SPENCER schetsten een goed beeld van het Europese UFO-onderzoek. Ook Vlaamse UFO-onderzoeker Wim van UTRECHT van S.V.L. bekrachtigde met zijn rapport “HOOGTEPUNTEN van het RECENTE UFO-ONDERZOEK” het Belgisch UFO-onderzoek en was een pluim voor de Vlaamse Ufologie.

Sommige collega’s Ufologen begonnen reeds de UFO-geschiedenis te “herschrijven” en te “heronderzoeken” in de kontekst van een UFO-crash met inzittenden in 1947 in Roswell, New Mexico. De aandacht gaat vooral naar het eventueel “weten en ontkennen” van de Amerikaanse overheid van deze informatie; het voortdurend aanpassen van hun verklaringen over het “gecrasht object” in 1947, van weerballon tot een spionage MOGUL-ballon.


b. De jaren 90’, de Belgische Driehoeken en het zoeken naar implantaten.

1. Inleiding tot de Belgische Driehoeken

Na jaren van onderzoek, ook de dag van vandaag, besluiten de officiële instanties dat er een probleem bestaat en dat de huidige wetenschap niet bekwaam is om een plausibele, logische verklaring te geven voor het totale UFO-verschijnsel. Anderzijds is dit verschijnsel volgens de officiële bronnen de moeite (financieel!) niet waard van verder onderzoek, daar ze geen gevaar opleveren voor de nationale veiligheid.

Volgens mijn persoonlijke mening heeft de economische recessie van de 80’ jaren een belangrijke rol gespeeld, daar op vele budgetten van onderzoek besnoeid diende te worden. Door economische besparingen door te voeren en onmiddellijke research te nemen, draaiden vele onderzoeken op een lager pitje. Ook de particuliere UFO-verenigingen leden onder de economische recessie en ook door het afnemen aan UFO-meldingen en zagen hun aantal leden sterk slinken.

Maar december 1989 en het voorjaar van 1990 kregen het Belgisch UFO-onderzoek een forse duw in de rug. De waarnemingen van de Belgische Driehoeken met zelfs het uitsturen van F16’s om de gemelde Ufo’s te onderscheppen kregen grote internationale bekendheid en alle aandacht in de grote media. De bijna uitgebluste UFO-verenigingen konden de massa meldingen met moeite aan. Ik moet zeker niet zeggen dat ook het aantal belangstellenden voor UFO’s en het leden aantal onmiddellijk terug een sterke toename kende. Het was vooral de Waalse vereniging S.O.B.E.P.S. die een uitgebreide studie opzette en er zelfs een aantal boeken aan wijdde. Ook een aantal Vlaamse onderzoekers en groepen, waaronder UROS deden uitgebreid onderzocht naar deze meldingen.

De meldingen van driehoekvormige UFO’s of objecten waren niet uniek, Belgisch verschijnsel. De Belgische gevallen lijken wel een deel te zijn van een serie waarnemingen die zich uitstrekte van Engeland tot aan Rusland vanaf eind 1989 tot in het begin van 1990. Maar wat gebeurder er juist bij ons? Op 29 november 1989 hing er een donker driehoekig object boven een Belgische politieauto in de streek van Duitstalig België, Eupen. Het object maakte een zoemend geluid en er scheen een sterke lichtstraal op. Veel mensen rapporteerden later dat ze dit object ook gezien hadden in die tijd. Het werd waargenomen gedurende de gehele wintertijd en het meest spectaculaire voorval vond plaats op 30 maart 1990. Die nacht zagen duizenden getuigen een laag vliegende driehoekige UFO (of UFO’s) met heldere lichten die in het centrum van het object knipperden. Het object vloog met een snelheid van 50 kilometer per uur en accelereerde daarna naar ongelooflijke snelheden. Getuigen waren onvermurwbaar en bleven er bij dat geen enkel vliegtuig van welke luchtmacht dan ook dit object had kunnen inhalen. En inderdaad, die nacht stuurde de Belgische luchtmacht twee F-16’s de lucht in om juist dat te doen. De driehoeken werden opgevangen op verscheidene NAVO radarstations, de straaljagerpiloten kregen de objecten ook op hun radar en konden ze soms met het blote oog zien. Maar de F-16’s – één van de top onderscheppers ter wereld – werden compleet overtroffen door de driehoekige objecten. Ze konden niet alleen accelereren naar ongelooflijke snelheden of op volle snelheid in een oogwenk tot absolute stilstand komen, maar ook ogenblikkelijk hun hoogte veranderen. Op een bepaald moment bij voorbeeld registreerden de radarinstallaties en zagen verbaasde getuigen dat de driehoek 1400 meter viel in één seconde. Bovendien bewoog het object op een intelligente manier, tenminste volgens de opinie van de chef operaties van de Belgische luchtmacht, kolonel Wilfried de BROUWER, die vaststelde “er zat een logica in de bewegingen van de UFO.” De Britse onderzoeker Nick POPE die kort na deze gebeurtenissen het UFO-bureau voor het Engelse ministerie van defensie zou bemannen, had contacten binnen de Belgische regering welke de conclusie aan het licht brachten “dat een gestructureerd voertuig die nacht boven België had gevlogen.” De Belgische militaire hadden geen idee zeiden ze wat het object was. Deze verklaring heb ik persoonlijk ook gekregen van een zegsman van de luchtmacht tijdens een CONGRES van UFO-BELGIUM in HASSELT in 1990...

Net als de andere driehoeken die de mensen hadden gezien waren de Belgische objecten echt genoeg. De juiste vraag is; aan wie behoren ze toe? Ons? Aan de Amerikanen? Of toch de buitenaardsen? Dat het in België en de andere landen echt om artificiële, intelligent bestuurde toestellen gaat, daar ben ik 100 % zeker van. Maar daarom hoeven ze niet persé buitenaards te zijn. In een hoofdstuk in het boek van Timothy GOOD The UFO-REPORT 1991” behandelde ik de Belgische driehoeken al veel uitgebreider. Ik heb toen al een verklaring gegeven dat dit volgens mijn persoonlijke mening testvluchten waren van het toen nog experimenteel toestel, de STEALTH 117A van de Amerikanen. Het Europese luchtruim met al zijn moderne radar apparatuur is toch het ideaal terrein om dergelijk experimenteel toestel een laatste maal uitvoerig te testen. Een laatste maal testen op zijn zichtbaarheid vooraleer het effectief in te zetten in de golfoorlog, niet...





fig. 11: Vliegende Driehoek boven België.

De Belgische UFO-onderzoeker Wim van UTRECHT wist op een realistische wijze de foto van Belgische Driehoek op eenvoudige wijze te kopiëren. Wilde hij gewoon bewijzen dat de meldingen van de driehoeken fake waren? Ik weet het niet, maar dit bewijst volgens mij niet dat het om valse geruchten, misinterpretaties , hallucinaties of hoaxes ging. Ik blijf ervan overtuigd dat de meeste waarnemers een echt driehoekig object waarnamen. Nog een andere Vlaamse onderzoeker Paul Vanbrabant verklaarde dat de driehoeken gewoon één of andere ballonvorm was van een “excentriek uitvindersfiguur”, namelijk Michael KUZMEK... Volgende verklaring komt van Paul Vanbrabant zelf, oordeel zelf maar over de plausibiliteit van deze stelling:

“Eind jaren tachtig experimenteerde KUZMEK, een Hongaar die in Brussel woonde, met een door hemzelf ontworpen heliumballonnen, die vanop afstand bestuurd werden. Heel wendbaar en in staat om suprsnel van richting en snelheid te veranderen. Ontwikkeld met commerciële bedoelingen in het achterhoofd, want onderaan de ballonnen (de grootste is 10 m in doorsnede) hing een driehiekig platform, waaraan sterke lampen bevestigd konden worden. Die kon Kuzmek desgewenst naar beneden laten schijnen.

Sommige modellen hadden onder het platform een rechthoekig scherm hangen waarop men allerlei boodschappen kon projecteren – een beetje zoals de moderne variant van de zeppelins dat kunnen. Interessant voor publicitaire doeleinden.

Kuzmek had ook een geweldige promotiestunt bedacht voor zzijn vinding:”s’nachts in de Ardennen een beetje gaan vliegen met die dingen, om aldus de aandacht van de pers te trekken.” Alleen liep alles anders dan gepland.”

Bij deze beweer ik niet dat ik voor 100% zeker ben dat Paul fout zit met zijn verklaring. Ik stel mij enkel de vraag hoe het komt dat wij sinds dien nooit nog iets van deze KUZMEK ballonnen hoorde? Gezien het om publicitaire doeleinden ging, zouden wij toch allang deze ballonnen in actie moeten gezien hebben, niet...

Nog veel andere onderzoekers schreven het object net zoals ikzelf ook toe aan een geheim Amerikaans project. Officieel echter is er geen type vliegtuig met een precieze driehoekige vorm. De B-2 stealth bommenwerper is een hoekig en vreemd uitziend geval, maar het is geen driehoek noch kan het presteren wat de driehoeken wel kunnen. Er is echter goede reden te geloven dat de Verenigde Staten een driehoek hebben ontworpen. In augustus 1989 was een voormalig lid van het Royal Observer Corps (Koninklijk Waarnemers Korps) werkzaam op een booreiland in de Noordzee, zo’n 100 kilometer uit de kust van NORFOLK. De man, Chris GIBSON, wordt omschreven als één van ’s werelds beste experts in luchtvoertuigherkenning en was deelnemer aan internationale wedstrijden waarbij een langeafstandsfoto van een vliegtuig slechts voor een fractie van een seconde op een scherm was te zien. Ten tijde van zijn waarneming was hij bezig met het schrijven van een ‘vliegtuig herkennings handboek.’ Wat hij die dag zag was een matzwart vliegtuig gevormd als een perfecte gelijkbenige driehoek met een neushoek van 30 graden en het was betrokken bij een bijtankoperatie met een KC-135 tankvliegtuig. Twee F-111 gevechtsvliegtuigen vergezelden de driehoek welke iets groter van maat was dan de escorterende vliegtuigen.

Luchtvaart auteur Bill SWEETMAN maakte bekend dat “geen enkel vliegtuig behalve een supersonisch voertuig of een testmodel met deze vorm ooit gebouwd of bestudeerd was.” In het algemeen schreven mensen deze waarneming toe aan de vermaarde AURORA, de beweerde opvolger van ’s werelds snelste ‘officiële’ vliegtuig de SR-71 BLACKBIRD. Natuurlijk bestaat de Aurora officieel niet, maar het geruchtencircuit geeft het de dimensies die overeenkomstig lijken met dat wat Gibson zag.

Echter, gegeven het feit dat de Aurora (of hetzelfde vliegtuig onder een andere naam) bestaat, is het alsnog onwaarschijnlijk dat dit al het toestel was dat laag over België vloog in 1989 – 1990 en het is nog onwaarschijnlijker dat het verantwoordelijk was voor de waarnemingen in de Hudsonvallei. Volgens bepaalde bronnen is de Aurora supersonisch, dat houdt in dat het sneller is dan Mach 5 en er wordt beweerd dat het met een snelheid van Mach 8 vliegt. Maar blijven zweven? Zijn hoogte ogenblikkelijk veranderen? Er zijn geen verklaringen over de Aurora, tenminste niet van luchtvaartjournalisten, dat het ook maar iets kan presteren wat daar op lijkt.
2. De Black Manta, mogelijke oplossing voor de driehoeken?

Er is een vliegtuig in het land der legenden dat dichter bij de omschrijving komt van sommige van deze waargenomen driehoeken. Het is de TR-3 BLACK MANTA. Nog een vliegtuig dat zogezegd ‘niet bestaat.’ Alles data die nu we weten, is veelal afkomstig uit het geruchtencircuit. Het gerucht gaat dat het toestel de mogelijkheid tbezit om geluidloos stil te hangen in de lucht. Er wordt gezegd dat er twee zeer verschillende versies zijn, de TR-3A en de TR-3B. De eerste wordt verondersteld zo’n 15 meter lang te zijn en 5 meter hoog met een spanwijdte van zo’n 21 meter. De tweede, zo beweert men, zou overdwars een indrukwekkende 200 meter meten. Houdt in gedachten dat niets van dit alles bevestigd kan worden. De meest gedetailleerde informatie die ik kon vinden over deze vage creatie in de lucht is dat onder hen die geloven dat het bestaat, wordt gezegd dat het een tactisch verkenningstoestel is dat voor het eerst operationeel werd in het begin van de jaren 90. Financiering en gebruik er van is voor rekening van het National Reconnaissance Office (N.R.O.) National Security Agency (N.S.A.) en de C.I.A..

De buitenste coating van de TR-3B reageert vermoedelijk op elektrische radar stimulatie en kan veranderen van reflectievermogen, radarabsorptievermogen en kleur. Het is daarom exceptioneel “stealthy (bijna niet op te merken voor radar en het menselijk oog)”. Meer dan dit echter wordt er beweerd dat het een onbegrensde stilstandtijd heeft op grote hoogtes (meer dan 4000 meter) en de mogelijkheid om met een snelheid van Mach 9 te vliegen. Op geen enkele wijze ben ik een deskundige wat betreft de technologie die hierbij betrokken is. Diegene die zeggen dat ze die kennis wel hebben, vertellen ons dat de TR-3B (het grote toestel) iets bezit dat men noemt een ‘magnetisch veld verstoorder.’ Het is een ronde ring, onder hoge druk staand en gevuld met op kwik gebaseerd plasma die het bemanningscompartiment omgeeft. Het plasma wordt op extreem hoge snelheid gebracht en het resultaat daarvan – zo wordt gezegd – is een verstoring van de zwaartekracht op de massa van wel 89%. Dit is niet precies antizwaartekracht, welke een tegenwerkende kracht nodig heeft, maar met deze opzet is het de bedoeling dat het toestel extreem licht wordt wat vervolgens invloed heeft op de prestaties inclusief de acceleratie in alle richtingen. Dit zijn tenminste de beweringen op de website van Edgar FOUCHE.

Ondanks dat de site van Fouche voorziet in een excellent overzicht van de Black Manta, is veel informatie afkomstig van anonieme bronnen. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat de details fout zijn, maar het grote plaatje fundamenteel betrouwbaar blijft. Terwijl we in gedachten moeten houden dat elke discussie over de Black Manta zeer speculatief is, komen sommige beweringen dicht bij de prestatiekarakteristieken van de driehoekige UFO’s.

Bestaat het toestel werkelijk? Ik heb geen idee. Ondanks dat een paar luchtvaart journalisten de mogelijkheid erkennen, kan geen van hen het bevestigen en de meeste van hen hebben hun twijfels. Oké, er zijn er ook die zelfs twijfelen aan het bestaan van een vliegtuig zoals de Aurora.

Wat mij betreft, ik vind het moeilijk om te ontkennen dat de strijdkrachten van de Verenigde Staten een vliegende driehoek bezitten. Als je bekend bent met de geloofsbrieven van Chris GIBSON en als hij zegt dat hij een matzwarte gelijkbenige driehoek bijgetankt zag worden door een KC-135, dan ben ik bereid hem te geloven. Ik ben zeker bereid te aanvaarden dat er waarschijnlijk andere diep geheime vliegtuigen bestaan. De Amerikaanse regering heeft een reputatie wat betreft het vrijgeven van militaire geheime technologie, dat ze dat pas doen wanneer het hen uitkomt en als ze niet meer kan ontkennen... Tegen de tijd dat de U-2 publiekelijk bekend werd gemaakt, was zijn opvolger de SR-71 Blackbird al bijna in dienst.



We hoorden bijvoorbeeld voor het eerst van het F-117A Stealth gevechtstoestel in 1988 enkel en alleen omdat toen de beslissing was genomen het productieschema te verhogen en dat geheimhouding hierdoor onmogelijk vol was te houden.


Fig. 12 : Stealth toestel.

Van één feit ben ik bijna 100% overtuigd en dat is dat het grootste percentage van de waargenomen driehoeken, spitstechnologische experimentele toestellen zijn van de Amerikanen of een andere grootmacht. Vaststaand feit is dat een groot aantal van deze toestellen tijdens hun testvluchten en missies verantwoordelijk zijn / waren voor een groot aandeel UFO-meldingen, ook voor België. Of dit nu de F117A was of een ander futuristisch, experimenteel toestel was, speelt in realiteit weinig rol. Het was iets van “bij ons”...

Houdt dit dan in dat ik een eventueel buitenaards bezoek of object totaal uitsluit. Neen, in het geheel niet, maar de kans dat een buitenaardse beschaving ons bezoekt, is realistisch en statitisch gezien veel kleiner dan de duizenden meldingen laten uitschijnen. Door de massa “valse” meldingen lopen wij het risico om de “echte UFO’s” uit het oog te verliezen en niet op te merken. De kunst bestaat er in om het kaf van het koren te scheiden... En dat is geen eenvoudige opdracht, maar met open geest onderzoeken impliceert wel dat je als onderzoeker open staat voor ALLE mogelijkheden...
3. De N.A.S.A. en UFO’s.

Je vraagt je misschien net als ik ook af welke belangstelling het “NATIONAL AERONAUTICS and SPACE ADMINISTRATION (N.A.S.A.)” toonde voor de UFO-problematiek. Wel, we moeten ons tevreden stellen met het volgende perscommuniqué:

Geen enkele tak van de overheid van de Verenigde Staten is actueel

betrokken met of verantwoordelijk voor onderzoeksprojecten naar de

mogelijkheid van vergevorderde, intelligente aliën beschavingen op andere

planeten of voor onderzoeken naar Unidentified Flying Objets (UFOs). De

U.S. luchtmacht (USAF) en de National Aeronautics and Space Administration

(NASA) hadden bij tussenpozen, onafhankelijke onderzoeken naar de

mogelijkheid van aliën leven op andere planeten. Hoedanook, geen van deze

studies bracht feitelijk bewijs aan het licht dat leven buiten onze planeet

bestaat, noch dat UFO’s verbonden zijn met buitenaardse ruimtetuigen. Van

1947 en 1969 onderzocht de luchtmacht UFO-meldingen. In 1977 werd de

N.A.S.A. gevraagd om de mogelijkheid te onderzoeken voor de hervatting

van het UFO-onderzoek. Na het bestuderen van alle beschikbare feiten, stelde

ze vast dat er geen winst te halen was bij verder onderzoek, omdat er geen

aanwezigheid was van tastbaar bewijs.

In oktober 1992 kreeg de NASA de opdracht om een gedetailleerde zoektocht

te starten naar artificiële radiosignalen van andere beschavingen onder de

noemer NASA TOWARDS OTHER PLANETARY SYSTEMS (T.O.P.S.) –

HIGH RESOLUTION MICROWAVE SURVEY (H.R.M.S.) PROGRAM. Dit

project is beter bekend onder de algemene naam SEARCH for



EXTRATERRESTRIAL INTELLIGENCE PROJECT (S.E.T.I.). Het H.R.M.S.

ontdekte geen enkel bevestigd signaal tot het stopgezet werd. Niettemin werd

een soortgelijk werk verder gezet door particuliere groepen en door

academische instituten. Het “SEARCH for EXTRATERRESTRIAL



INTELLIGENCE INSTITUTE (S.E.T.I. instituut) in MOUNTAINVIEW,

CALIFORNIA, verving effectief het project van de overheid. Ze namen zelfs

het signaal uitzendend systeem in bruikleen van de N.A.S.A.. Het SETI

instituut, een nonprofit coörporatie, verricht onderzoek in een aantal area’s,

inbegrepen alle wetenschappelijke en technologische aspecten van astronomie

en planetaire wetenschappen, chemische evolutie, de ontstaan van het leven,

de biologische evolutie en de culturele evolutie. Tijdens meerdere

ruimtemissies rapporteerden de NASA-astronauten verschijnselen, die niet

direct verklaarbaar waren. Niettemin kon de NASA op elk ogenblik bepalen

dat de waarnemingen niet als “ABNORMAAL” konden beschouwd worden

in de omgeving van de ruimte.

De USAF-onderzoeken van 1947 tot 1969 bestudeerden UFO’s onder de

noemer van Project Blue Book. Het project, met zijn hoofdkwartier in de

luchtmachtbasis van Wright-patterson werd op 17 december 1969 stopgezet.

Van het geheel van 12.618 onderzochte UFO-rapporten uiit Blue Book, bleven

701 gevallen “ONGEÏDENTIFICEERD”.

De beslissing om de UFO-onderzoeken te beëindigen was gebaseerd op een

rapport, opgesteld door de Universiteit van COLORADO. Het rapport droeg

de naam “SCIENTIFIC STUDY of UNIDENTIFIED FLYING OBJETS”. Verder

was er een evaluatie van het rapport door de National Academy of Science, de

besluiten van voorgaande UFO-studies en de ervaring van de luchtmacht met

het onderzoeken van UFO-rapporten in de 40’, 50’ en 60’jaren. Als een

eindconclusie van ervaring, onderzoek en studies sinds 1948, luiden de

vaststellingen als het volgt:

1) geen enkel UFO-rapport, onderzocht en geëvalueerd door de

luchtmacht vormde ooit een bedreiging voor de nationale veiligheid;

2) er was geen enkel bewijs voorgelegd of ontdekt door de luchtmacht,

dat een UFO-rapport met het label “unidentified” technologische

ontwikkelingen of principes voorstellen buiten de grenzen van de

moderne, wetenschappelijke kennis;

3) er was geen bewijs dat aanduidde dat de meldingen, gecatalogeerd als

“unidentified” buitenaardse ruimtetuigen waren.

Met het stopzetten van Project Blue Book werd de USAF richtlijn voor het

instellen en het controleren van het onderzoeksprogramma en de analyse van

UFO’s vernietigd. Dokumentatie, betreffende het vroegere Project Blue Book

onderzoek werden permanent ondergebracht naar het “MODERN MILITARY

BRANCH, NATIONAL ARCHIVES and RECORD SERVICE” in

WASHINGTON, DC 20.408. Deze data en files blijven beschikbaar voor

publieke onderzoeken en analysen.

Sinds het stopzetten van Blue Book is er geen enkel incident gebeurd dat de

hervatting van het UFO-onderzoek door de V.S. overheid kan

verrechtvaardigen.

Sinds het einde van Blue Book is noch de NASA, noch de luchtmacht

betrokken in dagdagelijks UFO-onderzoek, noch in het herzien van artikels

over UFO’s , noch in het evalueren van schetsen van UFO-type ruimtetuigen

of het aanvaarden van verslagen van UFO-waarnemingen of toepassingen

voor het gebruik op gebied van onderzoek naar luchtveschijnselen.

Je dient aan te nemen dat er weinig aanduidinen in de Majestic-Projecten staan van betrokkenheid van de kant van de medewerkers van de NASA in het UFO-onderzoek. Ondanks het feit dat een aantal astronauten vreemde, UFO-achtige verschijnselen tijden hun ruimtemissies signaleerden, is het neit verwonderlijk dat de NASA dezelfde houding aanneemt als de luchtmacht en die van Project Blue Book. Vragen die je zeker dient te stellen is: ZOU DE USAF OF DE NASA ALLE VERWORDEN OF GEBORGEN KENNIS – indien ze die bezitten – PUBLIEK BEKEND MAKEN AAN DE GANSE WERELD EN ZO EEN EVENTUELE TECHNOLOGISCHE VOORSPRONG UIT DE HAND GEVEN? Of zouden ze alleen al uit militair standpunt deze kennis voor zichzelf houden in de optiek hun spitstechnologische voorsprong verder uit te bouwen? Ik denk dat iedere persoon met een beetje gezond verstand en logisch denken, snel een antwoord zal vinden op deze vragen. In deze kontekst begrijp je ook vlug alle initiatieven en pogingen van de USAF om het UFO-fenomeen belachelijk te maken en te ontkennen...


4. De luchtmacht, het “General Accounting Office”, MOGUL-ballonnen en Crash- Test DUMMIES.

Op 8 juli 1947 gaf de bevelhebber van luchtmachtbasis van Roswell, New Mexico een perscommuniqué vrij, waarin de berging van een “neergestortte vliegende schotel” aangkondigd werd. Dezelfde avond werd deze aankondiging door Generaal RAMEY van de 8° luchtmachtafdeling in FORT WORTH, TEXAS tegengesproken. De officieren van de luchtmachtbasis, die steun verzorgden aan de “kernbom”-vliegtuigeskadron, zagen eenvoudig een neergestortte weerballon met zijn radar aan voor een vliegende schotel... De pers slikte deze uitleg en het incident werd gedurende 30 jaar vergeten.

In 1978 vond de Amerikaanse UFO-onderzoeker Stanton FRIEDMAN met een beetje geluk een hoofdgetuige, de vroegere majoor Jesse MARCEL terug. Hij stond in voor de veiligheid op de basis. Hij was het die de restanten van het neergestortte “object” op de crashsite borg. Hij verklaarde nogmaals aan de onderzoeker dat de geborgen materialen zeer vreemd waren en op niets bekends leken. Sinds deze verklaring hebben vele onderzoekers hun aandacht op dit incident gericht en een aantal getuigen teruggevonden.

De theorie van de gecrashste UFO kunnen wij baseren op drie sleutelelementen: primo het perscommuniqué van de luchtmachtbasis; secundo getuigenissen over de vreemde materialen, terugevonden op de crashsite en tertio getuigenissen over de ontdekking van het object en lichamen nabij Roswell.

Een vraag die snel bij mij opkomt over dit perscomminiqué is: hoe is het mogelijk dat deze officieren van een elitekorps (= bewakers van de eerste kernbommen!) zo een domme, onhandige fout konden maken? Vanzelfsprekend als wij de luchtmacht geloven, maar het voorval enkel erger te maken door hun dramatische aankondiging, tegenstrijdig met de opgelegde regels van militaire geheimhouding, voor dewelke dit elitekorps specifiek getraind was...

Om de controversie en de geruchten tegen te gaan, die het zogenaamde Roswell-incident omringen, die blijven leven en weigeren uit te doven, publiceerde de luchtmacht in de 1990 ‘ jaren twee onderzoeksrapporten met de betrekking van Juli 1947. De volgende woorden komen uit het perscommuniqué van de luchtmacht over het eerste rapport, gepubliceerd in 1994 als antwoord op een onderzoek, gelanceerd door het GENERAL ACCOUNTING OFFICE – het onderzoeksorgaan van het Congres. Het ondertzoek van de G.A.O. kwam als een direct resultaat op vragen, gesteld door de latere Afgevaardigde van NEW MEXICO, Steven SHIFF

Volgens het kolosale, bijna 1000 bladzijde tellend rapport van de luchtmacht, “The ROSWELL REPORT = FACT vs. FICTION in the NEW MEXICO DESERT, 1994” waren de gevonden brokstukken in ROSWELL waarschijnlijk van een spionage MOGUL ballon. Deze ballon hoorde bij een Top Secret leger-luchtmachtinstrument, bedoeld om de militaire van de V.S. te helpen bewijs van nucleaire testen van de Sovjets te ontdekken.. In 1994 verklaarde de luchtmacht dus dat de gevonden brokstukken het resultaat waren van de crash van een “trein” van 20 à 30 weerballonnen, vastgemaakt aan één lijn, met de code naam “MOGUL“ en gelanceerd in WHITE SANDS. Onderzoekers toonden later aan dat deze uitleg niet klopte, want de officieren van Roswell zouden geen moeilijkheid hebben om dergelijke brokstukken en instrumenten, zoals een ballastreservoir, een elektrische batterij, een radiozender of een “sonbuoy”, die sterk op een zuivere, metalen kan, te erkennen. Maar geen enkel van deze hogervermelde instrumenten werd op de crashsite van Roswell teruggevonden...

Maar wat dan te zeggen over de rapporten over Aliën lichamen? In 1997 wijdde de luchtmacht uit over dit aspect van het Roswell-incident in een dokument met als titel “The ROSWELL REPORT: CASE CLOSED!”:

Dit rapport handelt over de resultaten van dit grondig onderzoek en

identificeert de vermoedelijke bronnen van de verklaringen van “aliën

lichamen” in Roswell. Tegenstrijdig met de beweringen, lijken veel van de

verslagen beschrijvingen van ongeklassificeerde en wijdgepubliceerde

wetenschappelijke prestaties van de luchtmacht. Andere beschrijvingen van

de “lichamen” lijken actuele incidenten te zijn tijdens de welke leden van de

luchtmacht gedood werden of gekwest raakten tijdens hun dienst.

De besluiten zijn: “Activiteiten van de luchtmacht, die over een periode van vele jaren plaatsvonden, werden bevestigd en nu voorgesteld gebeurd te zijn tijdens de twee à drie dagen in juli 1947. De waargenomen “Aliëns” in de woestijn van New Mexico waren actueel antropromorfistische (= op mensen lijkende of menselijke eigenschappen toegeschreven) houten testdummies (=poppen), die door de V.S. luchtmacht omhoog gebracht werden in grote hoogte bereik ballons voor wetenschappelijke onderzoek. Doel van dit onderzoek was deze dummies te laten neerstorten zonder het openen van de valscherm en zo het impact nagaan voor gecrashste piloten...

Deze “ongewone” militaire activiteiten in de woestijn van New Mexico waren dus hoge altitude onderzoeksballonnen, gelanceerd endie verborgen operaties inhielden. Rapporten van militaire eenheden, die altijd snel lijken aan te komen bij de crash van een “vliegende schotel” om het object en de “bemanning” terug te vinden en te bergen, waren actueel nauwkeurige beschrijvingen van luchtmachtpersoneel, geëngageerd in de bergingsoperaties van deze antropromorfistische dummie(s)...

Verklaring over de “Aliën lichamen” in het Roswell legerluchtmacht veldhospitaal waren heel waarschijnlijk een combinatie van twee gescheiden incidenten:

1. een KC-97 vliegtuig ongeluk in 1956, waarbij 11 leden van de luchtmacht

het leven verloren en;

2. een bemande ballonongeval in 1959, waarbij tweeluchtmachtpiloten

gewond raakten.

Dit rapport is gebaseerd op nauwkeurige onderzoek met goede dokumentatie, gesteund door officiële aantekeningen, technische rapporten, op film vastgelegde gebeurtenissen, foto’s en interviews met individuen, betrokken bij deze gebeurtenissen.

Ondanks de poging van de luchtmacht om de controversie rond het Roswell-incident en de gebeurtenissen in diskrediet te brengen en het zich toeëigenen van de bevindingen van de G.A.O. (= Genaral Accounting Office) mislukten. Hun standpunt dat de getuigen verschillenden incidenten, zoals het neerstorten van de MOGUL-ballon, het neerstorten van een vliegtuig, het neerstorten en bergen van dummies wordt niet door iedereen zomaar kritiekloos aanvaard. De luchtmacht trekt op dergelijke wijze de geloofwaardigheid van alle betrokken getuigen van het Roswell-incident in twijfel, door te verklaren dat de getuigen herinneringen van verschillende gebeurtenissen door elkaar haalden en samenvoegden tot één verhaal... De Amerikaanse onderzoeker Walter HAUT legt dit spitsvondig uit “ Je moet echt een dummie zijn om geen dummie te erkennen!”

Het is zinvol een aantal sleutelfactoren op te tekenen.Vooreerst bezitten de bewuste MOGUL-ballonnen geen ongewone karakteristieken, zoals deze beschreven door de verschillende getuigen van de gebeurtenis van Roswell. Ten tweede leidde het crash-dimmie-experiment in de woestijn van New Mexico volgens de luchtmacht tot de mythe over geborgen “aliën lechamen”. Maar deze testen werden voor de 1950’ jaren niet uitgevoerd! Ten derde, tijdens de loop van het onderzoek leerde de G.A.O. dat alle administratieve nota’s (aantekeningen) vannhet Roswell legervliegveld van maart 1945 tot december 1949 en alle uitgaande boodschappen van de basis van oktober 1946 tot december 1949 op een onverklaarbare wijze vernietigd waren. Héél toevallig, vind je niet...

Het Roswell raadsel gaat nog steed verder, ondanks de beste inspanningen van de luchtmacht om deze zaak te laten rusten. Persoonlijk vind ik toch bizar dat de luchtmacht in functie van de vooruitgang van particuliere onderzoekers en het vinden van getuigen hun verklaringen al meerdere malen aanpaste... Het enige positieve aspect van deze laatste rapporten van de luchtmacht is dat ze geen andere méér aanvaardbare verklaringen naar voren brachten, zoals de crash van een geheim testtoestel, of van een raket of van een atoombommenwerper...

De legende gaat verder. In zijn boek “BODY SNATCHERS in de DESERT –The Horrible Truth at the Heart of the Roswell Story” van de Britse Ufoloog Nick REDFERM van 2005, haalt deze schrijver zeer vreemde dingen aan. In het kort, volgens deze schrijver bouwden de Amerikanen een experimenteel toestel, geboren uit de revolutionaire luchtonderzoeken van de HORTEN broeders uit Duisland. Dit toestel deed zijn testvluchten vanuit WHITE SANDS, NEW MEXICO. Volgens Redferm bevonden zich aan boord van dit toestel een aantal fysisch gehandicapte personen, bevrijd uit de Japanse labo’s van Eenheid 731 en gebruik werden voor een geheim en verwarrend experiment. Doel was om te proberen beter de gevolgen te begrijpen van een met kernenergie aangedreven vlucht op de bemanning... Dit experiment eindigde tijdens een eerste vlucht met een crash in White Sands en een aantal bemanningsleden kwamen om. Begin 1947 volgde een tweede vlucht met een soortgelijk toestel vanaf White Sands. Nu was het toestel ook vastgemaakt aan een hoge altitude ballon, gebaseerd op de FUGO-ballons , ontwikkeld door de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu werd het toestel bestuurd door een aantal Japanse medewerkers, specifiek getraind voor deze opdracht, maar het toestel crashste nabij de Foster Ranch, Roswell, nadat het in een zware storm terecht was gekomen en geraakt door de bliksem...

Het materiaal van het experimenteel toestel, de materialen van de ballon en de lichamen van de bemanningsleden werden op een ultrageheime wijze geborgen en achter een rookgordijn van een gecrashste vliegende schotel verborgen. Volgens Redferm zijn het deze incidenten die later zouden leiden naar de legende van het Roswell incident... Hij heeft zijn boek over Roswell kunnen schrijve, dank zij de informatie die hij ontving van 1996 tot 2003 via insiders, die vanzelfsprekend anoniem willen blijven.

Dit scenario van Redferm lijkt nog bizarder en gruwelijke dan al de voorgaande verhalen... Het laatste woord is hierover zeker nog niet gevallen. Zoals jezelf kan lezen en besluiten, is dit misschien de zoveelste poging van de luchtmacht om door het geven van disinformatie zo de ware achtergrond achter het ROSWELL-incident verder in discrediet te brengen en te ridiculiseren...


5. Het COMETA-rapport uit Frankrijk.

Het officiële COMETA-rapport onder de titel “UFO’s en DEFENSIE: Waarop dienen voorbereid te zijn?”(Les OVNI et La DEFENSE: A QUOI doit-on se préparer? ) werd op vrijdag 16 juli 1999 in Frankrijk gepubliceerd. Het is een valable bijdrage bij de UFO-studie met positieve aspecten. Het rapport telt 90 bladzijden en was het resultaat van een grondige studie over UFO’s, die vele aspecten van het onderwerp dekte, vooral vrragen over de nationale veiligheid. De studie liep meerdere jaren door een groep onafhankelijk vroegeren toehoorders van het “Institut des Hautes Etudes de la Défense National” (I.H.E.D.N.) en door gekwalificeerde experts op verschillende onderzoeksgebieden. Alvorens het rapport vrij te geven aan het publiek, werd het eers naar de Franse president Jacques CHIRAC en zijn eerste minister Lionel JOSPIN gezonden.

De volgende woorden komen uit de openingsverklaring, gehouden in het rapport door de Franse luchtmachtgeneraal Denis LETTY, en schetst een aantal goede backgroundgegevens over COMETA en zijn bevindingen. “De opeenstapeling van goed gedokumenteerde UFO-waarnemingen, gedaan door geloofwaardige getuigen, dwingen ons van nu af aan na te denken over alle hypothesen, die handelen over de origine van Onbekende Vliegende Objecten of UFO’s en in het bijzonder over de buitenaardse hypothese.”

Het dokument gaat verder:

- Alhoewel geen onmiddellijk gevaar uit de waargenomen gegevens in

Frankrijk blijkt, lijkt het toch noodzakelijk voor de vroegere auditors van het

INSTITUT des HAUTES ETUDES de DEFENSE NATIONAL (I.H.E.D.N.)

het onderwerp na te gaan en op te volgen. Samen met gekwalificeerde experts

met totaal verschillende specialiteiten en achtergronden, worden ze samen

gebracht om een particulier detailzoekend comité te vormen, dat de naam

COMETA kreeg. Dit comité werd omgevormd tot een COMETA-associatie,

waarvan ik voorzitter ben.

Van COMETA maakte verder de volgende personen deel uit:

Luchtmachtgeneraal Bruno LE MOINE; wapeningenieur generaal Pierre



BESCOND en politiechef Denis BLANCHER. De personen die verder

bijdroegen tot de studie waren Edmond CAMPAGNE, vroegere technische

directeur van de Franse luchtmacht, eskadercommandant Michel PERRIER

en luchtmachtgeneraal Joseph DOMAGE. Tussen de bestudeerde

onderwerpen in het rapport bevonden zich: de getuigenissen van Franse

piloten, die UFO’s waargenomen hadden; nabije ontmoetingen in Franrijk;

luchtfenomenenvan de hele wereld; UFO-incidenten gebaseerd op

radarvaststellingen en politieke, godsdienstige en wetenschappelijke

gevolgen, verbonden aan het UFO-mysterie. De gebeurtenissen van 1947 in

Roswell, New Mexico, U.S.A. worden eveneens besproken in een bvijlage met

als titel “De Roswell affaire – Disinformatie”. Dit deel toont aan op welke

wijze het programma van de Amerikaanse overheid succesvol werkte om

disinformatie te verspreiden om zo de belangstelling van de media af te leiden

en de waarheid geweld aan te doen omtrent de reële feiten achter de Roswell

UFO-crash.

Was COMETA een pseudo “officieel rapport”? Een aantal ufologen heeft geprobeerd het Cometa rapport te presenteren als een “quasi-officieel Frans dokument”, “een dokument dat het UFO-fenomeen een quasi-officiële status geeft”, gepubliceerd “onder de auspiciën van een instituut dicht bij het ministerie van defensie”, of “door COMETA, een ondersteuningsgenootschap voor het I.H.E.D.N.”, en verscheidene andere gelijkluidende verklaringen. Meer nog, we lezen in een aantal UFO-publicaties dat de president en de premier van de republiek “akkoord gingen het rapport openbaar” te maken of dat “dit strikt vertrouwelijk rapport naar de media is gestuurd met goedkeuring van de hoogste regeringskringen”. Omdat “het duidelijk is dat het besluit het rapport openbaar te maken van een hoger niveau komt dan Cometa, een belangrijk detail dat de journalisten gemist hebben.”

Kortweg, “het deksel is officieel van een taboeonderwerp gehaald.”

De waarheid is echter minder opwindend. De aankondiging die dit rapport presenteerde als “ Het vertrouwelijk rapport dat is voorgedragen aan de president en de premier van de republiek” lijkt een simpele publiciteitstruc op de cover van de speciale uitgave van het tijdschrift V.S.D. dat het dokument publiceerde. Zo begint G. Bourdais, die niet altijd zo gewetensvol is, een van zijn teksten met “het feit dat dit een onafhankelijk rapport is moet benadrukt worden, geschreven door een particulier instituut: COMETA.” (Gildas Bourdais: ‘Rapport Français sur les Ovnis et la Défense,’ Contact-Ovni, 3de kwartaal 1999, blz. 13). Een korte verklaring die al enkele dingen suggereert…



P. Petrakis geeft in zijn beoordeling van het Cometa Rapport getiteld “Reacties” echter de volgende informatie (Perry Petrakis, ‘La Guerre de Mondes, version Cometa’, Phenomena 1999, nr. 42, blz. 17):

“Om bij het begin te beginnen, distantieert het I.H.E.D.N. (Institut des Hautes Etudes de la Défense Nationale) zich van het Cometa Rapport: Alles waar generaal Norlain na zijn vertrek bij het I.H.E.D.N. mee bezig is geweest en heeft geschreven valt alleen onder zijn eigen verantwoordelijkheid en niet die van het I.H.E.D.N.. De persdienst van het instituut heeft verklaard “verrast” te zijn door dit rapport. Na vragen onzerzijds liet het Elysée weten geen antwoord te kunnen geven vanwege de vakanties. In Matignon (in het Elysée zetelt de president en in Matignon de premier) bevestigde M. Henri Petitgand, een “regeringsgemachtigde”, dat hij iets van het postkantoor had ontvangen: “Het lijkt in niets op een rapport. Rapporten zijn documenten waarom gevraagd is, maar in dit geval hebben wij nergens om verzocht. Het document werd ons per post toegestuurd, louter op initiatief van de schrijvers.” Het woord “Rapport” op de cover is dus nogal aanmatigend.

Omdat ik zelf een duidelijk overzicht van de situatie wilde krijgen, vroeg ik op 31 januari 2000 aan betrokken partijen (het kantoor van de president en de premier, de bevelvoerend generaal van het I.H.E.D.N. en de voorzitter van OMETA) om de status van het ‘COMETA Rapport’. Tot nu toe (3 mei 2000) heb ik de drie onderstaande antwoorden ontvangen:
• Brief gedateerd op 23 februari van generaal Bastien, van de speciale staf van de president: “In antwoord op uw vraag beantwoordt dit ‘rapport’ dat is samengesteld door leden van een instituut opgericht onder de wet van 1901 (bepalend voor de meeste niet-commerciële instituten in Frankrijk) niet aan welk officieel verzoek dan ook en heeft geen speciale status. U zult hebben opgemerkt (blz. 7) dat de schrijvers, meenden, onder allerlei andere aanspraken, de besluitvormers over dit onderwerp te moeten informeren. In die geest moet deze kopie ter informatie aan de president van de republiek worden gezien.”
• Volgens luitenant-kolonel Pierre Bayle, hoofd van de persdienst van I.H.E.D.N., “wenst het Instituut duidelijk te maken dat verklaringen van deze personen alleen hen aangaan, en op geen enkele manier de mening weerspiegelen van het IHEDN, die over dit onderwerp geen speciale informatie heeft.”
Natuurlijk kan men stellen dat zulke verklaringen misleidend zijn, omdat politieke en militaire autoriteiten heel goed weten dat UFO’s bestaan. Toch zijn bovenstaande geciteerde verklaringsstandpunten de enige objectieve realiteit over de ware status die aan het COMETA Rapport wordt verleend.

Tenslotte schrijft de woordvoerder voor COMETA Michel Algrin, in een brief gedateerd 18 april, dat “Het COMETA genootschap niet veranwoordelijk is voor de her en der gemaakte fouten in de presentatie van haar rapport. De aan dit dokument verbonden status wordt in de tekst zelf beschreven. Het rapport werd niet gepubliceerd door een tijdschrift, maar door de mediaonderneming GS Presse (uitgever van het V.S.D.tijdschrift) die zodoende een wijde verspreiding kon garanderen. Er waren verschillende redenen om het rapport te publiceren: in het bijzonder om te verhinderen dat er onjuist geciteerde versies van de tekst zouden gaan circuleren.” Hij eindigt met: “COMETA wenst niet mee te gaan in de controversiële uitgangspunten. Het blijft bij haar bevindingen in dit rapport”.

In juni 2003 werd het COMETA-rapport onder boekvorm gepubliceerd en werd zo toegankelijke voor een breder publiek...

5. Waar staan we nu in 2007?


Na 60 jaar de UFO-patronen te bestuderen, beraadslagend over hun oorsprong, het ontwikkelen van onderzoeksprocedures en meldingsrapporten voor het bestuderen van waarnemingen en getuigen, het opstellen van internationale databanken en alzo speculerend over de betekenis van deze waarnemingsrapporten en zoekend naar gelijkenissen via computer tussen de verschillende duizenden rapporten, blijft het UFO-probleem nog even verwarrend en controversie oproepen als 60 jaar geleden. De verwarring over de betrokkenheid van de overheid in de UFO’s en in hun stilzwijgen of ridiculiseren leidde ons meer en meer naar het ontvoeringsmateriaal. We kunnen vaststellen dat we als particuliere, amateuristische onderzoekers vorderingen maakten in het gebruik van een algemeen waarnemingsverslag. Onze communicatie intern en internationaal verloopt door het gebruik maken van het internet enorm snel en grenzenloos. Onderzoeksgegevens, resultaten en informatie is via een website op internet onmiddellijk beschikbaar voor elke onderzoeker en het groot publiek. Het is nu zelfs al een vaststaand feit dat we door het internet bedolven worden onder een massa informatie over alle mogelijke aspecten van het UFO-fenomeen. Het is een hele opdracht om uit te maken welke site als betrouwbaar mag beschouwd worden, waarop informatie staat die 100% waarheidgetrouw en gecheckt is...

De laatste decennia werd de aandacht van de onderzoekers vooral in de richting van de bizarre ontvoeringsgevallen getrokken. Het diverse materiaal, ontwikkeld uit de ontvoeringsgegevens, heeft onze aandacht gevestigd op de studie naar buitenaards leven, hun bedoelingen, hun intenties en activiteiten. Het heeft ons ruim 40 jaar gekost om sinds de waarneming van Kenneth ARNOLD het belangrijkste van wat we waarnamen te begrijpen. Arnold’s waarneming zette een kettingreactie van UFO-meldingen op gang en een publieke dynamiek van waarnemingen, meldingen, verslagen, onderzoeken, analysen en beraadslagingen, dat zich steeds opvolgde tot de dag van vandaag. Sinds Arnold’s waarneming leerden de Ufologen dat zijn en de ontelbare andere vergelijkbare meldingen en ervaringen zin hadden tegenover het eenvoudig feit van de waarneming van een ongewoon verschijnsel, dat blijkbaar doelbewust plaatsvond. Deze betekenis was even mysterieus als ondoorgrondelijk... Virtueel centraliseerde alle publieke beraadslaging over de realitiet van ofwel een bijzondere waarneming, ofwel het verschijnsel als een geheel, maar wij waren onbekwaam om tot de kern, de eigenlijke betekenis van het verschijnsel door te dringen. Wij discussieerden over de betekenis van de uiterlijke manifestaties van een innerlijk gericht fenomeen. Sinds de jaren 1990 kenden de ontvoeringsgevallen een sterke opgang. De onderzoekers waren niet langer bang om belachelijk over te komen in de studie van deze nieuwe, beangstigende ervaringen. De ontvoeringen voegden een nieuwe dimensie toe aan het UFO-fenomeen en schetsten een beeld van de ware aard achter de intenties van de “bezoekers”. Publikaties van Budd HOPKINS, Whitley STRIEBER, Dr. John MACK en nog vele andere over de ontvoeringsgevallen maakten dit aspect van het UFO-fenomeen bekend bij het grote publiek. UFO’s kregen een andere betekenis door de ontvoeringservaringen en “hun” bezoeken krijgen een andere dimensie... Zijn wij proefdieren geworden in het labo “AARDE”?

Zonder twijfel zal deze evolutie nog verder gaan! Actueel hebben wij een informatorische gegevensbank en computermateriaal ter beschikking, waarin wij al onze data en info kunnen opslaan, snel analyses maken en statistieken trekken van duizenden UFO-rapporten, gelijkenissen en resultaten zoeken, waarop wij onze kennis en hypothesen kunnen baseren. Het zoeken naar een hard en doorslaggevend bewijs blijft zeker nog doorgaan, gaande van sporen of restanten van UFO’s tot implantaten van specifieke ontvoeringsgevallen... De controversie tussen believers, nonbelievers, neutralen en sceptici blijft evenzeer doorgaan. Het eigen gelijk wordt te pas en te onpas fanatiek verdedigt, tot het extreme toe...

Wel is het zo dat de moderne UFOLOGIE aan héél wat publiek belangstelling ingeboet heeft. Het organiseren van UFO-symposia was / is niet meer leefbaar in België. Dit terwijl het jaarlijks congres van M.U.F.O.N. is de V.S. jaarlijks nog honderden belangstellenden lokt met een hoge kwaliteit aan sprekers. De meeste UFO-groepen, zoals SVL, UROS, FUO, UFO-Belgium,... hadden het moeilijk om een tijdschrift te blijven uitgeven. De te leveren investeringen aan tijd en financiële fondsen voor een een paar tientallen lezers lagen veel te hoog. Veelal ligt / lag het resultaat van de publikatie in de handen van een paar personen en kostte dit te veel vrije tijd voor een zo beperkt lezerspubliek. Tevens bleef zo denodige erkenning uit om te blijven volhouden...

Gelukkig in het internettijdperk werd er snel omgeschakeld naar een website, waarop alle info ter beschikking staat. Groot voordeel was dat de info nu bereikbaar was voor een veel groter publiek en minder kostelijk...

Internationale samenwerking dringt zich meer en meer op. Het internet is het ideaal forum om dit mogelijk te maken. Het Amerikaanse M.U.F.O.N. is een netwerk met vertegenwoordigers en afdelingen in diverse landen. De faam van deze vereniging is zo sterk dat een aantal wetenschappers niet meer bang is om met deze UFO-vereniging samen te werken. Beste voorbeeld van deze samenwerking zijn de jaarlijkse symposia en de “proceedings”, waar specifieke onderzoekers en wetenschappers de bevindingen van hun studie kwijt kunnen. Verder heb je in de V.S. een organisatie “Burgers tegen de geheimhouding van UFO-data”, die zich al jarenlang inzet om nog meer verborgen gehouden gegevens over vroegere UFO-rapporten voor publikatie vrij te krijgen.

Volgen een artikel in “Het Laatste Nieuws” van 10 maart 1982 kan de geheimste ale Amerikaanse geheime diensten, het NATIONALE VEILIGHEIDSBUREAU, niet verplicht worden de geheime inlichtingen over onbekende vliegende objecten openbaar te maken. Met deze sterke uitspraak bevestigde het Amerikaanse HOOGGERECHTSHOF een eerder vonnis van een federale rechter. Hij stelde meteen een einde aan de jurische verwikkelingen tussen overheid en burgers...

Desalniettemin werd deze vereniging een paar maanden later toch nog verplicht om files over UFO’s vrij te geven, namelijk diegene die geen gevaar opleverden voor de nationale veiligheid en voor de Amerikaanse overheid. Het vrijmaken van deze gegevens voor het groot publiek maakte de particuliere UFO-groeperingen bewust van het feit dat de overheid nog steeds ultra-geheime UFO-gegevens achterhoudt...

Ondanks het vrijkomen van een aantal dokumenten dalen het aantal bestaande, particulieren UFO-groepen. In België werd er na een eindeloos gepalaver tussen diverse partijen een forum opgericht, waar elke onderzoeker de resultaten van zijn onderzoek kwijt kan. Het Belgisch UFO-Netwerk (B.U.F.O.N.) probeert elke onderzoeker op nationaal niveau samen te brengen. Dit lukt niet altijd en specifieke “sceptische” UFO-groeperingen zoals S.V.L. (Studiegroep voor Vreemde Luchtverschijnselen) van Wim van UTRECHT en S.U.F.O.N. (Sceptisch UFO-Netwerk) van Marc BROUX blijven onafhankelijk verderwerken. Toch zijn er sporadisch schuchtere pogingen om een specifieke melding samen te onderzoeken en te beoordelen.

Niettemin zet BUFON zijn taak verder en organiseert sporadisch UFO-meetings. Ze hebben een geactualiseerde website www.UFO.be, waarop je allerlei informatie en links kan terugvinden. Het is een spijtige zaak dat de meeste UFO-verenigingen elkaar bestrijden, elkaar de loef proberen af te steken en meestal een loop nemen met ernstig UFO-onderzoek.

Een Europees netwerk van samenwerkende UFO-verenigingen met eventueel zijn administratieve zetel in BRUSSEL en jaarlijkse of tweejaarlijkse symposia, zou de Europese Ufologie meer zeggingskracht en uniforme, goed onderzochte verslagen van UFO-meldingen geven Een droom waarover ik het 20 jaar geleden al had in mijn eerste rapport “40 jaar UFO-ONDERZOEK: de angst om de waarheid”. Misschien slaagt BUFON erin om deze utopie te verwezenlijken. Enkel de toekomst kan hier een antwoord op geven.

Indien er geen samenbundeling van krachten komt, zie ik persoonlijk dat de kleine UFO-verenigingen gedoemd zijn om te verdwijnen bij gebrek aan financiële steun en publieke belangstelling. De “publieke” Ufologie zal deels verdwijnen en in plaats zal research overblijven van een “Invisible College”, de volhardende, idealistische individuen. Het is normaal dat enkelingezn niet kunnen optornen tegen de “debunkings- en ridiculiseringspolitiek” van officiële instanties; dat enkelingen er niet zullen in slagen om nog meer geheime UFO-files vrij te krijgen van de officiële instanties... Gelukkig hebben wij het internet war enkelen via hun site hun informatie kunnen verdelen. Een groot gevaar schuilt er in deze “wildernis” aan informatie, dat je door het bos de bomen niet meer ziet...

Het nationaal en internationaal samenwerken van de diverse UFO-verenigingen met hun diverse visies is een “MUST”. Hoe willen wij, UFO-onderzoekers, geloofwaardig overkomen bij het grote publiek en de officiële instanties als wij zelf vergeten de UFO-rapporten te bestuderen; als wij zelf niet tot een consensus kunnen komen over de UFO-problematiek en onze artikels of publikaties slechts gebruiken om persoonlijke vetes uit te vechten (BUFON met SUFON, UFO-NORGE met NORDIC, ...). Alleen een consensus op (inter)nationaal vlak, het aanvaarden van ieders mening, wederzijds respect, het opstellen van gezamelijke leidraden en methodologie voor een objectieve research van de UFO-problematiek, het aanbieden van een wetenschappelijke opleiding voor “jonge” Ufologen kan het UFO-onderzoek een nieuw elan bezorgen.

Onze interne verdeeldheid, ons onbegrip voor elkaars doelstellingen en visies, maken ons net vatbaar voor negatieve kritiek en ongeloofwaardigheid. Zo hoeven hoeven de officiële instanties op middellange termijn ons niet meer te vrezen. UFOLOGIE is meer dan publiciteit zoeken; UFOLOGIE is de waarheid zoeken achter het grootste raadsel van de 20° eeuw.



Zelfs indien achteraf blijkt dat UFO’s slechts nonsens en misinterpretaties zouden zijn, loont het beslist de moeite om internationale samenwerking en vrienschap op de bouwen in een wereld van onverdraagzaamheid. Misschien kunnen we zo ons steentje bijdragen tot een betere wereld?


1   2   3   4   5   6   7

  • 5. Waar staan we nu in 2007

  • Dovnload 7.86 Mb.