Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Drie Goddelijke Personen

Dovnload 484.19 Kb.

Drie Goddelijke Personen



Pagina1/5
Datum26.10.2018
Grootte484.19 Kb.

Dovnload 484.19 Kb.
  1   2   3   4   5


Drie Goddelijke Personen

Artikel om voor Unitariërs en Jehovah-getuigen, de Drie-eenheid aan te tonen



Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling 19771, en voor het Grieks de Textus Receptus (Stephanus) 15502

Opgemaakt in 1982. Herzien op 26/01/2003 (M.V.)



INHOUD

VOORWOORD


1. DE OPENBARING VAN GOD IN HET OUDE TESTAMENT

2. DE NAMEN VAN GOD IN HET OUDE TESTAMENT

3. DE OPENBARING VAN HET GODSWEZEN IN HET NIEUWE TESTAMENT

4. DE GODDELIJKHEID VAN DE HEER JEZUS CHRISTUS

5. JOHANNES 1:1 BEWIJST ONOMSTOTELIJK HET GOD-ZIJN VAN JEZUS

6. ZOWEL DE HEER JEZUS ALS GOD ZIJN OORSPRONG EN DOEL

7. JEZUS CHRISTUS ONDERGESCHIKT AAN GOD?

8. ER IS SLECHTS ÉÉN GOD


9. DE EERSTGEBORENE

10. DE EERSTGEBORENE “VAN ALLE CREATUREN” en “UIT DE DODEN”

11. DE EERSTGEBORENE ONDER VELE BROEDERS

12. DE ENIGGEBOREN ZOON

13. DE HEILIGE GEEST IN HET OUDE TESTAMENT

14. DE HEILIGE GEEST IN HET NIEUWE TESTAMENT


15. DE HEILIGE GEEST IS EEN PERSOON, GEEN INVLOED OF UITSTRALING

16. DE HEER JEZUS IS WEL DEGELIJK ONZE GOD EN ZALIGMAKER

VOORWOORD


Deze compacte studie over drie Goddelijke Personen is voor een groot deel een compilatie van teksten en artikels uit di­verse werken. Soms werden ze rechtstreeks overgenomen maar andere werden bewerkt, en het overige werd toegevoegd.
Dit document heb ik opgemaakt om voor Jehovah-getuigen, en andere unitariërs, het volgende aan te tonen:

- Dat Jezus christus God is, niet geschapen maar Zelf de Schepper.

- Dat de Heilige Geest een Persoon is, niet louter een kracht of invloed.

- Dat er drie persoonlijke entiteiten zijn in één God.



1. DE OPENBARING VAN GOD IN HET OUDE TESTAMENT
In het Oude Testament is het Opperwezen voorgesteld als één wezen, maar dit wezen is een éénheid in MEERVOUDIGHEID. Dit blijkt uit het volgende:
1) Het gebruik van de meervoudige naam “Elohim” (komt ± 2500 keer voor) terwijl het Hebreeuws ook de enkelvoudvorm (Eloah) kent. Elohim is een zelfstandig naamwoord in het meervoud. Het is niet het meervoud van “El” want dat is “Elim”.
2) Het gebruik van het meervoudige persoonlijke en bezittelij­ke voornaamwoord bij de onderlinge gesprekken van de Godheid:
Gn 1:26 “En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis

Gn ­3­:22 “Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een

Gn 11:7 “Kom aan, laat Ons neervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren

Js 6:8 “Daarna hoorde ik de stem des Heeren, die zeide: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan?
Het is hier belangrijk te beseffen dat, alhoewel de Drie-eenheid in het Oude Testament niet wordt GELEERD, ze nochtans wel overal wordt VERONDERSTELD.
3) Ook de Heilige Geest is duidelijk te herkennen. Te beginnen reeds in Gen.1:2. Ook worden aan de Geest dezelfde goddelijke eigenschappen toegekend als aan God zelf. Hij wordt bovendien als een Persoon geopenbaard:
Nh 9:20 “En Gij hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen”

Ps 106:33 “Want zij verbitterden zijn geest” - dit is Gods Geest, vgl. Js 63:10.

Ps 139:7 “Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?”

Ps 143:10 “Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land”

Js 63:10-14 “Maar zij zijn weerspannig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smart aangedaan ... heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven”

Js 40:13,14 “Wie heeft de Geest des HEEREN bestuurd, en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen? Met wie heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken de weg van het veelvoudige verstand?”

1Kn 18:12 “En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om [dat] Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees de HEERE van mijn jonkheid af”
4) De toekomstige vleeswording wordt aangeduid in verschij­ningen van God zelf op aarde, in de gedaante van een mens:
Gn 18:1-2 “Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem ...”

Gn 18:13 “En De HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen ...”

Gn 18:17-22 “En De HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Aangezien Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat De HEERE over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Voorts zeide De HEERE: Daar het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat hun zonde zeer zwaar is, Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN”.

Gn 32:24-30 “Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht van zijn heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, toen Hij met hem worstelde. En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. En Jakob vroeg, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. En Jakob noemde de naam van die plaats Pniël: Want, [zeide] [hij], ik heb God gezien [van] aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest”.
Deze toekomstige vleeswording werd immers duidelijk voorzegd: Js 7:14; 9:6, 7; Jr 23:5, 6.
In het Oude Testament staat de Drie-eenheid echter nog niet in het volle licht. Dat gebeurt pas later, in het Nieuwe Testa­ment. Het is in de exegese trouwens een ernstige fout als men zich vastbijt in de vraagtekens van het Oude Testament en de uitroeptekens van het Nieuwe Testament negeert! De bijbelse manier van openbaren is die van de progressiviteit. Overal en altijd is de Goddelijke methode:
- eerst het kruid

- daarna de aar

- daarna het volle koren in de aar
Zie Markus 4:28.

2. DE NAMEN VAN GOD IN HET OUDE TESTAMENT


SOORT

NEDERLANDS

HEBREEUWS

ETYMOLOGISCH




God

El, Eloah, Elohim

De Sterke

De Sterke Getrouwe



Enkelvoudig

Jahweh

JHWH

De in Zichzelf bestaande




Heer

Adonaï

Meester




Almachtige God


El Shaddaï

De Stevige

Samengesteld met El (God)

Allerhoogste God

El Elyon

---




Eeuwige God

El Olam

---




Jahweh God

JHWH Elohim

---

Samengesteld met JHWH (Jahweh)

Heer Jahweh

Adonaï JHWH

---




Jahweh der Heerscharen

JHWH Zebaoth

---

Merk de groepen van drie op in al deze namen van God. Dit is geen toeval!



3. DE OPENBARING VAN HET GODSWEZEN IN HET NIEUWE TESTAMENT
In het Oude testament zien wij God als een éénheid, de Drie-eenheid zélf aan het werk. Hij werkt daar VOOR de mens, uitge­drukt in de betekenissen van Zijn namen.

In de vier Evangeliën zien wij God in de Persoon van de Zoon aan het werk MET de mens. Daardoor kwam de Drie-eenheid beter aan het licht.


Het optreden van de Drie als éénheid wordt in de Evangeliën reeds duidelijk:
Mt 28:19 “hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes”. Merk hier op: één “Naam”, niet “namen”!

Lk 3:21,22 “En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus [ook] gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd; En dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit de hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!”

Jh 14:13-17 “En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14 Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. 15 Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. 16 En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; 17 [Namelijk] de Geest der waarheid …”
In de Evangeliën treedt de Zoon op de voorgrond, terwijl Deze wijst op nog een andere Persoon van de Godheid: de Troos­ter, de Leraar die zou aanvullen wat door Jezus was geopen­baard en gedaan, wanneer de Heer Jezus zou zijn weggegaan. Die Heilige Geest wordt als PERSOON aangeduid. Zie in verband hiermee de volgende Schriftplaats uit het Evangelie naar Johannes:
Jh 16:12-15 “Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. 13 Maar wanneer Die zal gekomen zijn, [namelijk] de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. 14 Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft, is Mijne; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen” (zie ook Jh 14:26)
Kan een onpersoonlijke kracht de weg wijzen, horen, spreken, verkondigen, enz.? Let ook eens op de eenheid:
wat de Vader heeft, is Mijne ... dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen
De drie Personen van de ene Godheid werken in een eenheid samen!
Het gebruik van de speciale namen van God uit het Oude Testa­ment (zie tabel op vorige pagina) wordt in het Nieuwe Testa­ment niet voortgezet. Die namen drukten uit wat God betekende voor de mens. Nu echter God met de mensen nauwer in relatie treedt, door Zijn vleeswording en door INWONING bij de mens door de Heilige Geest, is het gebruik van die specifieke namen niet meer opportuun.
De Nieuwtestamentische aanhalingen uit het Oude Testament laten zien:
1) Dat de namen van God uit het O.T. in het N.T. nu samensmelten in de volgende namen:

- God; Grieks: Theos

- Heer; Grieks: Kurios
2) Dat in Jezus van Nazareth de God van het Oude Verbond in het vlees gekomen is,

met al Zijn bijzondere oudtestamentische namen
De eerste drie namen van God in het O.T. zijn: Elohim, Jahweh en Adonaï. Deze worden alle in het N.T. overgenomen met de Griekse naam KURIOS. En Kurios, vertaald met Heer, is in het gehele N.T. de Goddelijke naam van Jezus.

We zullen daarom de volgende Schriftplaatsen vergelijken:




Mt 4:7 Jezus zeide tot hem: Er is ook geschreven: Gij zult de Heere [kurios], uw God, niet verzoeken.

Dt 6:16 Gij zult De HEERE [jhwh], uw God, niet verzoeken

Mk 5:19 Doch Jezus … zeide … boodschap hun, wat grote dingen de Heere [kurios] u gedaan heeft, en [hoe] Hij Zich over u ontfermd heeft

Ps 66:16 Komt, hoort toe, o allen gij, die God [ELOHIM] vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft

Mt 22:42-45 En zeide …Hoe noemt David Hem dan, in de Geest, [zijn] Heere [kurios]? zeggende: De Heere [kurios] heeft gezegd tot Mijn Heere [kurios]: Zit aan Mijn rechter [hand], totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van uw voeten.

Ps 110:1 De HEERE [jhwh] heeft tot mijn Heere [adoWN of ADON] gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.

Rm 10:13 Want een ieder, die de Naam des Heeren [kurios] zal aanroepen, zal zalig worden.

Jl 2:32 En het zal geschieden, al wie de Naam des HEEREN [jhwh] zal aanroepen, zal behouden worden

1Pt 3: 15 Maar heiligt God, de Heere [kurios], in uw harten …

Js 8:13 De HEERE [jhwh] der heerscharen, Die zult gij heiligen …

1Pt 2:6-8 Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uiterste Hoeksteen, Die uitverkoren [en] dierbaar is; en: Die in Hem [dit is de KURIOS, de Heer Jezus] gelooft, zal niet beschaamd worden. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen [wordt gezegd]: De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; Hun [namelijk], die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.

Js 8:14 Dan zal Hij [dit slaat op jhwh, zie vorig vers] [u] tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem


De naam Kurios wordt voortdurend voor en door de Heer Jezus gebruikt. Hier nog een voorbeeld:
Jh 13:13-14 “Gij noemt Mij Meester en Heere [kurios]; en gij zegt het terecht, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heere [kurios] en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen”.
Dit betekent de directe toekenning aan Hem, en toe-eigening door Hem, van de volheid van de Godheid.
Nu, de etymologische betekenis van de naam Jahweh is: “De in Zichzelf bestaande”, en het tetragram JHWH is afgeleid van het Hebreeuwse “hâyâh” uit Ex.3:14 (“Ik Ben”, “De Zijnde”) wat eeuwigheid en in-Zichzelf-bestaan aanduidt. Jezus verwijst in Joh.8:58 naar Ex.3:14 om aan te geven dat Hij gelijk in Wezen is met JHWH, De Eeuwige, De in Zichzelf Be­staande:
Jh 8:58 “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik [Gr. ego eimi = ik ben]”.

Ex 3:14 (King James Version) “And God said unto Moses, I AM THAT I AM: and he said, Thus shalt thou say unto the children of Israel, I AM hath sent me unto you”.
Jezus identificeert Zich met Jahweh door te zeggen dat Hij “IS” als de “Ik Ben”, en dat Hij niet louter “werd” of “geworden” is. Dat wij dit onderscheid wel degelijk moeten beseffen, wordt ons reeds bij de aanvang van het Johannes-Evangelie door de Heilige Geest duidelijk gemaakt:
Joh.1:1 “In den beginne was het Woord”. Dus niet “werd”!

Joh.1:14 “En het Woord is vlees geworden”. Enkel als mens!

Joh.1:3 “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is”
De Heer Jezus behoort dus niet tot de “geworden” dingen, oftewel de geschapen dingen. Hij is geen schepsel. “zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is”, voegt hetzelfde vers eraan toe, zodat er geen twijfel kan bestaan.
Dit bewijst echter volstrekt niet dat Jahweh de tweede persoon is van de Drie-eenheid, want Jahweh is niet de naam van één Persoon van de Drie-eenheid, maar wel één van de namen van de Drie-eenheid. Als de Heer Jezus Zich de naam “Ik Ben” toe-eigent dan is dat bedoeld als Godsaanduiding. Zie de uitleg van Paulus in Ko 1:19 en 2:9:
Ko 1:19 “Want het is [des Vaders] welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou”.

Ko 2:9 “Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”
Zoals God in het O.T. drie basisnamen had, namelijk Elohim, Jahweh en Adonaï, zo heeft ook Jezus DRIE namen: Heer, Jezus, Christus.

1) Heer: (Gr. Kurios) is de Goddelijke naam, en komt overeen met de drie namen van God in het O.T.
Hij was van eeuwigheid Heer.


2) Jezus: is Zijn menselijke naam, ontvangen bij Zijn vleeswording als kind in Bethlehem (Mt 1:21; 2:1).

3) Christus: (Hebr. Messias) is Zijn officiële naam, ontvangen bij Zijn zalving met de Heilige Geest (Luk. 3:22).
Hoewel de Schrift het mysterie van de drie-éénheid van God niet verklaart, is er toch voldoende geopenbaard om te zeggen dat er drie Goddelijke Personen ZIJN in EEN Wezen.
Wij kunnen dat illustreren met de ervaring van de mens in zijn wezen. De mens zélf is ook een drie-eenheid. Hij bezit namelijk een geest + een ziel + een lichaam:
1Th 5:23 “… en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard …”
Alhoewel soms moeilijk, zijn de activiteiten van geest en ziel te onderscheiden. Het levende Woord Gods doet dit onderscheid duidelijk worden:
Hb 4:12 “Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten”.
Gemakkelijker te onderscheiden zijn de geestelijke van de lichamelijke handelingen. De geest is soms actief terwijl het lichaam in volkomen rust vertoeft, en toch blijven geest, ziel en lichaam één.
We kunnen ook de Fysica hanteren om de drie-eenheid met ons verstand en onze waarnemingen te verzoenen. We analyseren daartoe H2O (water):
1 - Water, de vloeistof = H2O

2 - IJs, de vaste stof = H2O

3 - Damp, het gasvormige = H2O
Eén H2O en toch is elke verschijningsvorm apart evenzo H2O. Maar ook alles bij elkaar is niets anders dan één H2O.
We zouden een allegorie kunnen opstellen als we even aannemen dat water een voorstelling is van God (met respect en bescheidenheid):
1 - Water, vloeistof: de Vader, de basis van alle 3.

2 - IJs, vaste stof: de Zoon, de vleeswording, de materialisatie van God.

3 - Damp, gasvormig: de Heilige Geest, de onzichtbaar werkende God.
Alle Drie zijn Zij nochtans van identieke Goddelijke NATUUR, net zoals water, ijs en damp alle drie H2O zijn.
Zowel met betrekking tot H2O als God kunnen wij in onze menselijke beperktheid niet alles verklaren. We kunnen alleen maar constateren en/of accepteren dat dit in waarheid zo IS, en het is verstandig om daar zeker rekening mee te houden.

4. DE GODDELIJKHEID VAN DE HEER JEZUS CHRISTUS
In het O.T. wordt God ± 2500 keer aangeduid met de Hebreeuwse benaming “Elohim”. Daarnaast komt de (oudere) Semietische benaming “El” nog voor (slechts ± 200 keer). Elohim is letterlijk een meervoudig woord, doch niet het meervoud van “El” (G/god) want dat is “Elim” (goden). Elohim nu schiep hemel en aarde, en alles wat daarin is:
Gn 1:1 “In den beginne schiep [enkelvoudig] God [ELOHIM, meervoudig] de hemel en de aarde”.
Deze scheppende God is in Zijn Persoon meervoudig. Die meervoudigheid werd later in het Nieuwe testament verder ontsluierd, want daar wordt van de Heer Jezus verklaard dat Hij de Schepper is:
Ko 1:16,17 “Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem”.

Jh 1:3 “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is”.

Hb 1:1, 2 “… de Zoon … door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft”.

1Ko 8:6 “Nochtans hebben wij [maar] één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij tot Hem; en [maar] één Heere, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem(Let op: in het N.T. zijn “God” en “de Heer” wel allebei onderscheiden Personen, maar tevens ook aanduidingen van de éne Godheid).
Het gebruik van het woord Elohim - dit terwijl het Hebreeuws ook de enkelvoudvorm Eloah kent - en het toekennen van de­zelfde scheppingsactiviteit, zowel aan God als aan de Heer Jezus Christus, bewijst dat er in de Godheid meer dan één persoon valt te onderscheiden. Die meervoudigheid valt ook op in allerlei Schriftplaatsen:
Gn 1:26En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”.

Gn 3:22Ziet, de mens is geworden als Onzer een

Gn 11:7Kom aan, laat Ons neervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren”

Pr 12:1En gedenk aan de Schepper [letterlijk Scheppers] in de dagen uwer jongelingschap”



Js 6:8Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan?
Hier spreekt God van Zichzelf in het meervoud. Aan een zoge­naamd “pluralis majestatis” (majesteitsmeervoud) moet niet gedacht worden, want dat is in het Hebreeuws onbekend en het werd ook pas gebruikelijk in de Perzische tijd. Ook Ezra 4:18 bevat geen majesteitsmeervoud, want er is zowel van “ons” als van “mij” spra­ke.
En in het Nieuwe Testament spreekt de Heer Jezus evenzo in het meervoud:

Jh 14:23 “Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken”.
De meervoudsaanduidingen omtrent God laten zien dat de Godheid méér dan één persoon omvat. Zo zien we dan dat Jahweh bij Abraham komt zeggen wat er met Sodom en Gomorra zal gebeu­ren. Van de drie mannen (Gen.18:2) vertrekken er even later twee naar Sodom (vs. 22), de derde blijft bij Abraham. Van deze derde “man” (als zodanig werd Hij met de ogen waargenomen) wordt gezegd:

Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN [= Jahweh]” - Gn 18:22, zie ook 18:1.
Deze “man”, die in het O.T. ook “de engel des Heren” wordt genoemd, wordt dus met Jahweh zèlf geïdentifi­ceerd. Dat volgt ook uit vers 33 waar staat: “Toen ging de HEERE [= Jahweh] weg”. Vergelijk hier ook Ex 3:2 met 3:43. Daarna lezen we:
Gn 19:24 “Toen deed de HEERE [= Jahweh] zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van de HEERE [= Jahweh] uit de hemel”.
Dit terwijl de man die met Jahweh werd aangeduid nog steeds bij Abraham was en dus niet naar de hemel was gegaan. Het gaat hier dus duidelijk om TWEE personen die allebei met Jahweh worden aangeduid.
Vervolgens vinden we hoe de Engel des Heren (lett. Engel van Jahweh) in Re 13:18, als Manoah naar zijn naam vraagt, zegt:Die is toch Wonderlijk
In Jesaja komen we deze zelfde naam tegen:
Js 9:5 “en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”.
Deze namen worden door Jesaja aan de Messias gegeven. Deze namen drukken uit wat iemand is. De Heer Jezus Christus is dus dezelfde als de Engel des Heren en terecht heeft Manoah gezegd: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben” (Re 13:22). Deze zelfde ‘engel’ wordt immers bij Abraham genoemd als zijnde Jahweh.
Dat het hier niet om een letterlijke engel gaat, dat bewijst toch duidelijk Jesaja 9:5. Welk geschapen wezen zou Sterke God, Vader der eeuwigheid genoemd kunnen worden? En zie eens naar Gn 32:28, 30: de Engel zei tot Jakob dat hij met God had gestreden, en Jakob zei: ik heb God gezien [van] aangezicht tot aangezicht.
De Zoon van God IS God. Het Johannes-Evangelie maakt duidelijk wat de term “Zoon van God” inhoudt. Zo lezen we:
Jh 5:18 “Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelf aan God gelijk makende”.
Deze laatste conclusie hebben de Joden uit Jezus’ woorden getrokken. Wij vinden dat ook elders:
Jh 10:33 “De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet om [enig] goed werk, maar om [gods] lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelf God maakt”.
Hier staat in de grondtekst niet “een god” maar “God”.
Merk goed op dat in Jh 5:18 niet zomaar de conclusie van de Joden wordt weergegeven, maar DIE VAN JOHANNES zelf. HIJ is het die zegt dat Jezus “God Zijn Vader noemde en Zich dus met God gelijk stelde”. Dit is dus het getuigenis van de Heilige Geest.

Onze Heer werd veroordeeld voor de Joodse Raad, omdat Hij Zichzelf de Zoon van God noemde (Jh 19:7). De Joden wisten dat dit God-gelijk-zijn betekende, en daarom werd Jezus godslastering ten laste gelegd. Als die aanspraak op misverstand zou berust hebben, dan zou dit met één enkele ontkenning uit de mond van de Heer Jezus op te ruimen zijn geweest.


Dat de Heer Jezus duidelijk aanspraak maakte op eenheid in wezen met God, was voor de Joden meermaals de aanleiding om Hem te willen stenigen, overeenkomstig hun wet in Lv 24:16.

In Jh 10:30, 31 lezen we dat Jezus zegt:Ik en de Vader zijn één en de Joden dan namen weer stenen op, om Hem te stenigen”. Waarom zouden de Joden Jezus stenigen als verstaan moet worden “Ik en de Vader zijn in eendracht”?! Beweerden de Joden dan reeds niet zèlf in eendracht met God te zijn, als Zijn verbondsvolk?! Waarom dan Jezus tegenstaan?! Maar de Heer Jezus zei dat Hij één was met de Vader, en dat is voor de Joden godslastering.
Het is duidelijk dat de ongelovige Joden de Heer Jezus slechts als een mens wilden zien en niet als God.
Voor de apostel Johannes is de Christus zo volmaakt één met God, dat hij in zijn eerste brief totaal geen onderscheid tussen beiden maakt. Sprekend over God gaat hij zonder meer op Chris­tus over. Enkele voorbeelden:
1Jh 2:24-25 “Hetgeen gij dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in de Zoon en in de Vader blijven. En dit is de belofte, die Hij (wie is dat?) ons beloofd heeft, [namelijk] het eeuwige leven”.
Johannes heeft het hier in het eerste deel over de Zoon en de Vader. Zonder echter aan te duiden, wie van beiden hij nu bedoelt, vervolgt hij met: “die Hij ons beloofd heeft”. Wie is deze “Hij”? Johannes neemt de moeite niet om dat te onder­scheiden, omdat voor hem beiden één zijn.

Het slot van ditzelfde hoofdstuk geeft een voorbeeld van een overgang van Christus op God, zonder dat tussen beiden onder­scheid gemaakt wordt. Vers 28 luidt:


1Jh 2:28 “En nu, kinderkens, blijft in Hem (wie is dat?); opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn (dat slaat zeker op Christus), wij vrijmoedigheid hebben, en wij door Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst (de komst van Christus).
Maar het volgende vers zegt:

1Jh 2:29 “Indien gij weet, dat Hij (wie? Christus, 2:1?) rechtvaardig is, zo weet gij, dat een ieder, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is”.
Met die laatste “Hem” (vs 28) moet God bedoeld zijn, want 1Jh 3:1 noemt ons kinderen van God en de term “uit God geboren” komt regelmatig in deze brief voor (3:9; 4:7; 5:1,4,18).

En de eerste verzen van hoofdstuk 3 zijn in dit opzicht wel heel opmerkelijk. In vers 1 staat:



1Jh 3:1 “Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, [namelijk] dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent.”.
Met deze “Hem” is God bedoeld, zoals uit de aan­vang van dit vers blijkt. Zonder enige overgang volgt er dan in vers 2:
1Jh 3:2 “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als [Hij] zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is”.
Dit “Hem” slaat onmiskenbaar op Christus. Zo kan alleen iemand schrijven, die de Vader en de Zoon als een eenheid ziet. En die iemand is uiteindelijk niet Johannes, maar de Heilige Geest!!

Volkomen in overeenstemming hiermee is 1Jh 5:20, waar God “de Waarachtige” genoemd wordt en daarna Christus zo wordt aangeduid:


1Jh 5:20 “Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en ons het verstand heeft gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, [namelijk] in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven”.
Hierbij moet volgens normaal taalgebruik de laatste zin terug­slaan op de persoon, die het laatst genoemd werd, namelijk op Christus.
Niet alleen Johannes, maar ook Paulus leert de Goddelijkheid van de Heer Jezus:
Ko 1:19 “Want het is [des Vaders] welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou”.
Wat hij daarmee bedoelt blijkt uit Ko 2:9 :
Ko 2:9 “Want in Hem woont al de volheid der Godheid4 lichamelijk”.
Let wel dat hier niet gesproken wordt over “goddelijkheid”. Nee, hier is sprake van de Godheid in absolute zin, niet enkel de kenmerken ervan. Deze tekst laat enerzijds zien dat de Heer waarachtig mens is, en anderzijds dat de mens Christus Jezus “God” is, geopenbaard in het vlees.
In 1Tm 6:14-16 wordt GOD genoemd: “… tot op de verschijning van onze Heere Jezus Christus; Die te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren; Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Die geen mens gezien heeft, noch zien kan. Vergelijk 1:17:De Koning der eeuwen nu, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God. Maar in Op 17:14 lezen we dat Christus deze plaats inneemt: het Lam zal hen overwinnen want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen (zie verder Op 19:16). Zou een onderkoning Koning der Koningen kunnen zijn?!
In Titus 2:10 wordt GOD genoemd: “God, onze Zaligmaker”, maar ook Chris­tus draagt die naam:
Tt 2:13 “…de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus”.

Het laatste stuk letterlijk volgens de Textus Receptus:



megalou

theou

kai

sótèros

èmón

ièsou

christou

grote

God

en

Redder

van ons

Jezus

Christus

Het is hieruit overduidelijk dat Christus God is. De grondtekst laat geen andere vertaling toe. Dezelfde uit­drukking vindt men in 2 Petrus 1:1:


2Pt 1:1 “door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus
Jesaja heeft eens een visioen gehad van de heerlijkheid van God (Jesaja hoofdstuk 6). In 6:8-10 staat het volgende:
Js 6:8-10 “Daarna hoorde ik de stem des Heeren [Strong’s 0136: Adonaï], die zeide: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zeide ik: Zie, [hier] ben ik, zend mij heen. Toen zeide Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze”.
Johannes nu, neemt een deel van deze woorden over:
Jh 12:39-42 “Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja weer gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart [niet] verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze”. Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.
De heerlijkheid, die in het woord van Jesaja aan God wordt toegekend, laat Johannes, geïnspireerd door de Heilige Geest, aan de Heer Jezus Christus ten deel vallen. Johannes zegt dat Jesaja de heerlijkheid van Christus zag en van Hem sprak. De Heer Jezus is dus God, de altijd Zijnde, de Ik Ben.
En in Jesaja 8 wordt van Jahweh der Heerscharen gezegd:
Js 8:13-14 “De HEERE [= Jahweh] der heerscharen … Dan zal Hij [u] tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem”.
Maar Petrus past dit op Christus toe:
1Pt 2:7 “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen [wordt gezegd]: De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis”.
Volgens Petrus is Jezus dus Jahweh!
In Daniël wordt God beschreven als de Oude van dagen wiens kleed wit was en zijn haar als (witte) wol:
Dn 7:9 “[Dit] zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, en de raderen daarvan een brandend vuur”.
Slaan we Openbaring op, dan treft de gelijkenis met Jezus Christus:
Op 1:13-14 “En in het midden van de zeven kandelaren Eén, de Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuur
Ook in Dan.7:22 vindt een merkwaardige vereenzelviging plaats van de Oude van dagen en de Zoon des mensen.
In Hebreeën wordt een merkwaardig getuigenis gegeven van Melchi­zedek, hetgeen indirect een bewijs is voor de Godheid van Jezus Christus. Van deze priester-koning uit het O.T. wordt getuigd dat hij was:
Hb 7:3 “Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dagen, noch einde des levens hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid
Wat van Melchizedek alleen figuurlijk gesproken geldt, name­lijk wat zijn plotselinge verschijnen in het verslag van de heilsorde betreft, geldt van Jezus Christus letterlijk.

In alles wat genoemd wordt GELIJKT Melchizedek op Jezus Chris­tus, de Zoon van God. Van Christus geldt het in volle zin.

Als mens heeft Jezus een moeder gehad: Maria. Als zodanig had Hij een begin van dagen en ook een einde van leven. Maar als Zoon van God klopt de beschrijving volkomen: Hij was onge­schapen, zonder begin en zonder einde.
Dat in de Schrift de Heer Jezus aanbeden wordt en mag worden, bewijst Zijn Goddelijkheid temeer. Zo moeten volgens Hebreeën 1:6 “alle engelen Gods Hem aanbidden [proskunèsatósan] - hetzelfde woord voor aanbidden als in Op 22:8!
En Op 5:8 deelt mede dat alle hemelbewoners zich voor het LAM neerwerpen. Maar het sterkste getuigenis geeft vers 13:
Op 5:13 “En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid
Overdenk eens ernstig wat hier staat! Hier worden God EN het Lam, in één en dezelfde lofzegging verbonden, DEZELFDE AANBID­DING toegebracht. Op grond van b.v. Mt 4:10, waar staat: “er staat geschreven: De Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen”, moet de Heer Jezus Christus God zijn.
Dat de eerste Christenen de Heer Jezus aanbaden, lezen we b.v. in:
Hd 9:14 “En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen”.

Hd 9:20-21 “En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is. En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie deze Naam aanriepen …”

1Ko 1:2 “Aan de gemeente Gods, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onze [Heere]”

1Tm 1:12 “En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, [namelijk] Christus Jezus, onze Heere …”
In Jeremia, 1 Korinthiërs en 2 Korinthiërs staat: “Wie roemt, die roeme in de Heer (Jahweh)”.
Jr 9:24 “Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de HEERE [=Jahweh] ben”.

1Ko 1:31-31 “Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; Opdat [het zij], gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere”.



2Ko 10:17 “Doch wie roemt, die roeme in de Heere”.
Maar één van de kenmerken van de heiligen is dat zij “roemen in Christus”:
Fl 1:26 “Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij …”

Fl 3:3 “… wij, die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen …”



5. JOHANNES 1:1 BEWIJST ONOMSTOTELIJK HET GOD-ZIJN VAN JEZUS
“en archei en ho logos, kai ho logos en pros ton theon, kai theos en ho logos” (Jh 1:1, Textus Receptus).

“In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord” (Letterlijk vertaald).

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Statenvertaling).
Wij bepalen ons nu bij de uitdrukking “het Woord was God”. Trinitariërs stellen dat dit aantoont dat Christus tenvolle God is, de Tweede Persoon van de Drie-eenheid. De Wachttorenorganisatie (Jehovah-getuigen) echter stelt dat het Grieks moet vertaald worden als ‘het Woord was een god’, omdat hier in het Grieks het bepaald lidwoord ontbreekt.
Maar het ontbreken van het bepaald lidwoord is echter niet beslissend. In het Grieks kan een zelfstandig naamwoord, zoals theos (God), zonder lidwoord gebruikt worden indien dit gebruikt wordt vóór het werkwoord “zijn”. Zie als voorbeeld Johannes 19:21:
“elegon oun tó pilató oi archiereis tón ioudaión mè grafe o basileus tón ioudaión all oti ekeinos eipen basileus eimi tón ioudaión” (Textus Receptus).

“Zeiden dus tot Pilatus de overpriesters van de Joden, niet te schrijven De Koning van de Joden; maar dat Die gezegd heeft, Koning Ik ben van de Joden” (Letterlijk vertaald).

“De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden” (Statenvertaling).
In het tweede voorkomen van basileus (koning) is er géén bepaald lidwoord ho (de) weergegeven, omdat het vóór eimi (ik ben) staat. In het tweede gedeelte wordt net zo goed Koning bedoeld als in het eerste gedeelte, maar het bepaald lidwoord wordt niet gebruikt.
Ook laat het zinsverband geen vrijere vertaling toe van Jh 1:1. Als we vertalen met ‘een god’ zou de zin een totaal onverwachte, onverklaarbare wending krijgen.
Met de uitspraak ‘en het Woord was een god’ wordt van de Heer Jezus niets unieks gezegd wat Hem specifiek van de engelen zou onderscheiden. De Schrift zegt immers zélf dat er vele “goden” zijn (vgl. 1Ko 8:5).

Bovendien laat vers 3, Alle dingen zijn door Hem geworden”, duidelijk zien dat Hij niet tot de engelen behoort. Vergelijk Ko 1:15-16.
Er is in de eerste drie verzen van Joh.1 beslist géén sprake van een afdaling in waarde naar beneden toe. Integendeel, er is duidelijk een opklimming naar een climax:

Alle dingen zijn door Hem geworden








het Woord was God







het Woord was bij God







in het begin was het Woord









Een andere foute stelling is dat de uitdrukking eigenlijk betekent: ‘het Woord was goddelijk’. Het probleem bij deze stelling is dat de uitdrukking ‘goddelijk’ beschrijvend is, en dat daarvoor een ander, maar verwant Grieks woord bestaat, theios, wat vertaald ‘goddelijk’ betekent. Dit woord wordt gevonden in Handelingen 17:29 (Godheid - theion) en 2 Petrus 1:3 (Goddelijke - theias). Zou Johannes niet dít woord gebruikt hebben indien hij werkelijk ‘goddelijk’ had bedoeld, en niet ‘God’?!


Christus is tenvolle God met betrekking tot de schepping. Hij bezit alle macht en autoriteit
1Ko 8:6 “Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem”.

Ko 1:15-16 “Die het Beeld is van de onzienlijke God, de Eerstgeborene van alle kreaturen. 16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen”.


Dit wordt elders van God gezegd:
Rm 11:36 “Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen”.
De Godheid van Christus werd ook tot uitdrukking gebracht in Zijn aardse bediening:
“ós oti theos èn en christó kosmon katallassón eautó” (2Ko 5:19 - Textus Receptus).

“als dat God was in Christus (de) wereld verzoenende met Zichzelf” (Letterlijk vertaald).



“Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende” (Statenvertaling).
Toen de Heer Jezus zei: “Ik en de Vader zijn één” (Jh 10:30), wilden de Joden Hem daarop stenigen (vs 31), met de melding: Wij stenigen U niet om [enig] goed werk, maar om [gods] lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelf God maakt.
Nu betekent Jezus’ antwoord daarop geenszins dat Hij deze aanspraak op Goddelijkheid NIET terugnam, zoals Jehovah-getuigen leren. Zijn antwoord luidde:
Jh 10:34-38 “Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden? Indien [de wet] die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden; Zegt gij [tot Mij], Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert [God]; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet; Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem”.
De Heer Jezus beweert hier niet dat Hij slechts “een god” is (in de betekenis van Ps 82:6), maar wel dat Hij GODS ZOON is. Hij tracht niet aan de beschuldiging van Godslastering te ontkomen met de uitspraak “Ik ben Gods Zoon”. De Heer zegt in feite dit:

“Er zijn schepsels tot wie het woord kwam en die goden werden genoemd, maar Ik ben rechtstreeks door de Vader in de wereld gezonden. Hoe kunt u Mij dan Godslaster aansmeren als Ik verklaar Gods Zoon te zijn? Ik doe de werken van de Vader en die bewij­zen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader”.
Dat de Zoon van God méér is dan de “goden” uit Psalm 82, blijkt ook uit Jezus’ uitspraak in Jh 10:30: “Ik en de Vader zijn één”. Hier valt geen “eendracht” te lezen, zoals de corrupte ‘bijbel’ van het Wachttorengenootschap weergeeft. Ook de volgorde: “Ik en de Vader” laat zien dat de Heer Jezus geen lagere godde­lijkheid bezit! Als de Heer Jezus een schepsel zou zijn, dan was die uitspraak wel zeer aanmatigend jegens God.
Laten we nu de aanhaling uit Psalm 82 eens dieper nagaan. Deze Psalm spreekt over rechters en zij zijn het die in vers 6 “goden” worden genoemd. Geen wonder want Dt 1:17 en 2Kr 19:6 vertellen ons dat de rechtspraak van God is en niet voor mensen uitgeoefend word, maar voor de Heer God.

Nu was het in Israël speciaal de priesterklasse die in dienst van God stond om het volk te richten volgens het Goddelijk recht (Ez 44:15, 24; 1Kr 23:1-4; 2Kr 19:6-11).

Als rechters werden zij tegenbeeldig “goden” genoemd omdat zij in hun functie een schaduw of tegenbeeld waren van God, de waarachtige Rechter van de aarde. Zij moesten als tegenbeeldige goden in hun rechtspraak de waarachtige God op getrouwe wijze vertegenwoordigen.

Maar als nu de priesters in Israël in hun rechterlijke functie tegenbeeldig “goden” werden genoemd, dan moet het waarachtige beeld, de waarachtige Rechter, waarachtig God zijn.

Nu is het zo dat de Joden heel goed uit de Schrift wisten dat de komende Messias eens als waarachtig Rechter zou optreden: Js 11:1-5; Jr 23:5; 33:15; enz... De Messias moest derhal­ve God zijn.
Dit hebben de Joden maar al te goed begrepen. Maar zij accep­teerden dit niet van de persoon van Jezus van Nazareth.

De Joden wisten heel goed dat de aanspraak Zoon-van-God een aanspraak op Goddelijkheid betekende, maar Jezus’ persoon was hun veel te min en daarom trachtten zij Hem opnieuw te grijpen (vers 39). Zij wilden Jezus slechts zien als een mens en niet als God gelijk. Daarom wreven zij Hem godslastering aan.


Maar we gaan hier nog iets aan toevoegen. Laat het gerust zijn dat bepaalde geschapen wezens “goden” GENOEMD worden, dan is het toch nog altijd zo dat deze goden opgeroepen worden om God te eren:

Psalm 97:7 “buigt u neer voor Hem, al gij goden!
Daar tegenover wordt henzelf echter nooit Goddelijke eer toegebracht. Maar als Jezus Christus, de Zoon van God, in de wereld ingebracht wordt, moeten zelfs de engelen Hem AANBID­DEN, volgens Hebreeën :
Hb 1:6 “En als Hij weer de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden
En zou Thomas deze machthebbers, die goden genoemd worden, met “mijn God” mogen aanspreken? Hij noemde echter wel Jezus “mijn God”:
Jh 20:28 “En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!”
Het valt nu eenmaal niet te ontkennen dat volgens de Schrift Jezus Christus, de Zoon van God, Goddelijke eer wordt toege­bracht. Zoals b.v. in Openbaring:
Op 5:13 “Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid”.
De Goddelijke eenheid van Vader en Zoon, en de gelijke aanbid­ding van beiden, volgt ook nog uit het volgende vergelijk:
Js 42:8 “Ik ben de HEERE [= Jahweh], dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen andere geven

Op 5:11-12 “En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging”.
Wij hebben al aangetoond dat de Heer Jezus Zich identificeert met Jahweh en God. In de volgende reeks Schriftplaatsen wordt dat nogmaals duidelijk:
Ps 7:10 “Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!”.

Jr 11:20 “Maar, o HEERE [= Jahweh] der heerscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft!”.

Jr 17:10 “Ik, de HEERE [= Jahweh], doorgrond het hart, [en] proef de nieren”.

Maar merk hierna op wat er in Openbaring staat:



Op 2:18, 23 “Dit zegt de Zoon van God … dat Ik het ben [Gr. ego eimi: Ik ben], Die nieren en harten onderzoek”.

6. ZOWEL DE HEER JEZUS ALS GOD ZIJN OORSPRONG EN DOEL
Wij analyseren daartoe de Schriftplaatsen van de Openbaring en Jesaja.
 GOD in Openbaring:

Op 1:8 “Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.

Op 21:6 “En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde
JAHWEH in Jesaja:

Js 41:4 “Ik, de HEERE [= Jahweh], Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde”.

Js 44:6 “de HEERE [= Jahweh] der heerscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste”.

Js 48:12 “Hoor naar Mij, o Jakob! … Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste”.


 JEZUS in Hebreeën en Openbaring:

Hb 13:8 “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid”.

Op 1:13, 17 “de Zoon des mensen … zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste”.

Op 2:8 “Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en [weer] levend is geworden”.



Vergelijk Op 3:14 “Dit zegt de Amen [= Jezus], de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin [= Schepper] der schepping Gods”.

Op 22:13 “Ik ben de Alfa, en de Oméga, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste(Zie ook 21:6).
Uit dit laatste vers blijkt dat het begrip “de Eerste en de Laatste” synoniem is met het begrip “de Alfa en de Omega”5.
Besluit: Jezus = God = Jahweh
Geen twee afzonderlijke wezens kunnen tegelijk de Eerste en de Laatste zijn, tenzij ze EEN in wezen zijn!

7. JEZUS CHRISTUS ONDERGESCHIKT AAN GOD?
Jehovah-getuigen loochenen het God-zijn van de Heer Jezus omdat Hij ondergeschikt zou zijn aan God. Zij voeren daartoe de volgende Schriftplaatsen aan:
Mt 26:39 “niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij [wilt]

Mk 13:32 “Maar van die dag en die ure weet niemand … noch de Zoon, dan de Vader

Jh 5:19 “De Zoon kan niets van Zichzelf doen

Jh 6:38 “Hem, Die Mij gezonden heeft”

Jh 8:42 “Hij heeft Mij gezonden”

Jh 14:28 “Mijn Vader is meerder dan Ik

Jh 20:17 “Mijn God en uw God

1Ko 15:28 “dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden aan Hem ... opdat God zij alles in allen”
Deze argumentatie doet blijken dat men niets heeft begrepen van de vleeswording van het Woord Gods, tot een nederige Dienstknecht. Laten we eens kijken naar Filippenzen:
Fl 2:7-8 “Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises”.
Hier op aarde WERD de Zoon van God een dienstknecht of slaaf. Dat was Hij in de Hemel niet! Vandaar dat er staat: gehoorzaam GEWORDEN. In de hemel hoefde Hij niet gehoorzaam te zijn. Daar was Hij als Zoon medegebieder. Zie ook de volgende Schriftplaats in Hebreeën:
Hb 5:8 “Hoewel Hij de Zoon was, [nochtans] gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden”.
De gehoorzaamheid, waarvan in Hb 5:8 sprake, was niet in het Zoonschap begrepen. Daarom staat er dat de Christus gehoor­zaamheid GELEERD heeft. Het was iets wat in Zijn hemelse positie niet bestond. Hij heeft dat in Zijn mens-zijn hier op aarde geleerd (zie Jesaja 50:4).

Hij, door wie alle dingen geworden zijn (Jh 1:3), heeft als mens op aarde een onderworpen positie ingenomen. Hij oefende Goddelijke macht uit, doch onder gehoorzaamheid aan de Vader in de Hemelen (Jh 12:49, 50).


De Zoon van God heeft Zich niet LATEN zenden, als een ONDER­WORPENE. Zijn gehoorzaamheid leerde Hij slechts op aarde, zoals we reeds lazen in Fl 2:7, 8 en Hb 5:8.

Het “zenden” van de Zoon van God, moet begrepen worden in de volkomen overeenstemming die er bestaat binnen de Godheid, dus tussen Vader en Zoon, in doel, plan en uitvoering. Zó werd Hij door de Vader “gezonden”. De Zoon is slechts uitgegaan als beantwoording en gevolg van het innerlijk overleg van de Godheid.
Maar er is ook het zenden van de Zoon des mensen, hier op aarde. Dit “zenden” geldt binnen de wereld of “kosmos”. Toen Jezus ongeveer 30 jaar oud was en Zich liet dopen, toen werd Hij met de Heilige Geest gezalfd en werd Hij de Christus. Toen werd Hij uitgezonden in de wereld. Zie Joh.17:18 :
Jh 17:18 “Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld [kosmos], heb Ik hen ook in de wereld [kosmos] gezonden”.
En zelfs hier op aarde geldt ten aanzien van Jezus dat Hij Zich VRIJWILLIG beschikbaar stelde onder Zijn Vader in de Hemelen:
Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God!” - Hb 10:9; Ps 40:7-9
Samengevat:

Als Zoon van God heeft Hij vrijwillig (inter-Goddelijk) het besluit genomen om naar de aarde te gaan in het vlees, om als zodanig een afhankelijke dienstknecht van God te zijn. Hij besloot dus om de “Zoon des mensen” te worden.
Als Zoon des mensen heeft Hij op dertig jarige leeftijd vrij­willig Zijn taak opgenomen. In het vlees was Hij nu in een afhankelijke positie, en minder dan de Vader in de Hemelen. Daarom onderwierp Hij Zich aan de Vader om Zich door Hem te laten leiden. In die onderwerping werd Hij gehoorzaam, en leerde Hij gehoorzaamheid, zelfs tot de dood toe.
Dat de Zoon hier op aarde, als MENS Jezus Christus, spreekt van “Mijn God”, is gezien het voorgaande volkomen duidelijk. Op het kruis klaagt Hij: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!” (Mt 27:46). Met die uitspraak kunnen we alleen maar moeilijkheden hebben als we het mens-zijn van de Heer niet serieus nemen.
Ook na Zijn opstanding sprak Hij over “Mijn God” (Jh 20:17), en zelfs na Zijn hemelvaart (Op 1:6 en 3:12). Dit komt omdat de Heer Jezus na Zijn opstanding het mens-zijn niet heeft afgelegd. Hij is nu nog steeds de Zoon des MENSEN:
1Tm 2:5 “de Mens Christus Jezus”.

Hd 17:31 “oordelen, door een Man”.
Uiteraard heeft de Heer Jezus nu een verheerlijkt lichaam, dus van een hogere natuur, maar toch is het een MENSELIJK lichaam - hetzelfde soort lichaam dat christenen in de opstanding zullen ontvangen. De opstandingleer zullen wij nu niet verder bespreken - dat vergt een eigen behandeling - maar toch moet u maar eens zien wat de Schrift zegt aangaande het MENS-zijn van de Heer Jezus Christus:
Op aarde was Hij de Zoon des MENSEN: Mt 8:20; 9:6; 11:19.

Nu, aan Gods rechterhand is Hij eveneens de Zoon des MENSEN: Mt 13:41; 26:64 ...

Hij zal wederkomen als Zoon des MENSEN: Mt 16:27, 28; Mt 24:27, 30, 37, 39, 44; Mt 25:31.

Het Duizendjarig Rijk is voor de Zoon des MENSEN: Dn 7:13, 14.

Het Oordeel is aan de MENSENZOON gegeven: Jh 5:27; Hd 17­:31.

De Opstanding is door de MENSENZOON: 1Ko 15:21, 22.
Het mag ons niet ontgaan dat de Heer Jezus Christus TWEE titels draagt:
1 Zoon van God: Zijn Goddelijke natuur.

2 Zoon des Mensen: Zijn Menselijke natuur.


En BEIDE is Hij. Hij is God en Hij is mens.
Als Zoon van God heeft Hij niets te ontvangen, geen macht en geen koninkrijk. Als zodanig onderhoudt Hij reeds alle dingen door het woord van Zijn kracht.
Als Zoon des Mensen heeft Hij echter wel wat te ontvangen, namelijk de MACHT en het KONINGSCHAP over een KONINKRIJK. In die hoedanigheid zal Hij ook komen: Mt 24:30; Dn 7:14.

En Mt 24:30 zegt niet dat het teken van de Zoon van God in de hemel zal verschijnen, maar wel: het teken van de Zoon des mensen. Zo ook in Dn 7:14.
De “Tweede Mens” en “laatste Adam” zal alles wat de eerste bedorven heeft in glorie herstellen. En alle boze machten die door de eerste Adam opgeroepen zijn, zullen door de Laatste Adam uitgebannen worden. Als dit doel is bereikt, dan zal de Zoon des Mensen Zijn MESSIAANS KONINKRIJK OPGEVEN. Zijn taak zal dan volbracht zijn: 1Ko 15:24, 28.
Het zich onderwerpen of overgeven van het koninkrijk, heeft dus niets te maken met de positie van Jezus Christus als Zoon van God, maar heeft alles te maken met de positie van Zoon des MENSEN! Het “onderwerpen” uit 1Ko 15:28 moet verstaan worden in het licht van vers 24: het OVERGEVEN van het koninkrijk aan God.
Met verstandelijk redeneren alléén, zonder oog te hebben voor het globale verband waarin een tekst staat, kom je in de Heilige Schrift niet ver! Als 1Ko 15:28 letterlijk bedoelt dat de Heer Jezus zich nog ZAL onderwerpen, dan zou dit tevens, volgens de logische rede, betekenen dat Hij tot dat tijdstip NOG NIET aan God onderworpen IS!! Daar moet een Jehovah-getuige maar eens goed aan denken! Maar als Zoon des Mensen is de Heer Jezus dit echter wél, zoals reeds duidelijk werd betoogd.
De Christus zal Zijn Messiaanse regering dus opgeven en zal de macht weer terug in handen leggen van God, opdat God, dat is de drie-enige God, alles zij in allen.

Dan Zal de Christus als Zoon van God blijven regeren: Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid” - Openb.11:15. Dat zal zeker niet met minder glorie zijn dan vóórdat Hij het Messiaanse koninkrijk als Zoon des Mensen overgaf, integendeel.


  1   2   3   4   5

  • VOORWOORD
  • 8. ER IS SLECHTS ÉÉN GOD
  • 14. DE HEILIGE GEEST IN HET NIEUWE TESTAMENT

  • Dovnload 484.19 Kb.