Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Edele grootachtb: zeer geleerde; zeer konstrijke; en zeer aanzie- nelijke heeren! Zeer geachte toehoorers! Inleidin g. A

Dovnload 198.63 Kb.

Edele grootachtb: zeer geleerde; zeer konstrijke; en zeer aanzie- nelijke heeren! Zeer geachte toehoorers! Inleidin g. A



Pagina1/3
Datum10.11.2018
Grootte198.63 Kb.

Dovnload 198.63 Kb.
  1   2   3

Over het Gedaante Schoon – p.

EDELE GROOTACHTB: ZEER GELEERDE;

ZEER KONSTRIJKE; EN ZEER AANZIE-

NELIJKE HEEREN!
ZEER GEACHTE TOEHOORERS!
I N L E I D I N G.
Alle menschen van gezond oordeel, en keennis, alle Bewondenaars, en liefhebbers der verrukkende Schilderkonst, hebben a1toos, en genoegzaam van alle tijden, éénpaarig zig opgedrongen; standvastig geloofd, en met kracht beweerd: dat ‘er een eeuwig, of onveranderlyke Gedaante-schoon bestond in de waereld. Als mede, dat wij er alle, zonder onderscheid, een ingeschaapen gevoel van zouden hebben.

Het is mijn’s bedunkens niet in de Natuur! Dat is, niet in de geschapene dingen, of liever niet in Menschen, in Dieren, nog Planten, om dat nimmer in dezelve eenige Evenredigheid aan zekere, en standvaste Regels onderworpen, heft plaats gehad; maar wel ééne onversanderlijke, en volmaakte Overeenstemming der zaamenstellende Deelen, [57] tot hun onaffscheidelijk nut alleen betrekkelijk, welke op geenerleije wijze eenige Schoonheid insluit!

De Achtbaare Oudheid, haare grootste Wijsgeeren, en Beroemdste Konstenaars, hebben, even als die van onzen tijd, gemeend; dat het Gedaante-schoon in de daad afhing van zekere Evenredigheid der deelen tot elkanderen. Dus zegt Galenus1 “dat Schoonheid niet zoo zeer in eene gevoegelijke overeenkoomst der Elementen, als wel der zaamenstellende Deelen gelegen is: bij voorbeeld van den Vinger tot de Palm, en Hand; en van deeze tot den Elleboog, en geheelen arm: om kort te zijn, van alle de deelen tot elkanderen; zoo als in het Boek der Proportien van Polycletus, Norma genaamd, gezien kan worden!” Volgens deeze maakte hij een Beeld, ‘t welke men om de Schoonheid der Proportie, even als zijn Boek, met den naam van Norma of Regel, bestempelde! Van dit Konst-stuk wordt ook door Plinius2 gewag gemaakt, als van een beeld, ‘t welke van alle Konstenaars, geene uitgezonderd, om de schoonheid van deszelfs proportie Canon bijgenaamd, en als zulk een gehouden is geworden!

Op het voorbeeld der Ouden hebben alle Beeldhouwers, en alle Schilders, van de XV. Eeuwe af, wanneer de fraaije Konsten wederom begonnen te bloeijen, die gewaande Evenredigheid op nieuws ingevoerd, en met yver verdedigd; gelijk uit Da Vinci, Alb. Durer, uit Lomazzo, en uit den grooten naavolger van Raphaël, den beroemden Mengs, geblijken kan.

Wanneer nu hunne stelling, al eens voor goed gekeurd wierdt; [58] bleef er nog deeze vraage over: Waarom die regelmaatige Evenredigheid op onze ziel eene noodzaakelijke uitwerking zou moeten hebben van goedkeuring, en toestemming, en wel, bij alle menschen, zonder onderscheid? Wordt het wel vereischt, dat wij geboren worden met het inwendig gevoel van Gedaante-schoon, even als God ons, van de geboorte af aan, ingeledgd heeft het inwendig gevoel van Zedelijk schoon, van Deugd, van Liefde, van Dapperheid, van Trouwe, van Vriendschap, en dergelijkte? Voorzeker niet! De verschillende smaak in de Schilder- en Beeldhouwkonst, door alle tijden henen, leert ons volstrekt het tegendeel!

Met recht vraagt Gij dan A. T.! van waar het koomt, dat wij de Standbeelden der Ouden, met zulk eene algemeene toestemming, door zoo veele Eeuwen bevestigd, schoon noemen? Waarom een Polycletus, een Lysippus, een Phidias, een Apelles, standvastig geroemd wierdt? Waarom een Michaël Ange, een Raphaël, een Correggio, en een Titiaan? Om niet van anderen te spreeken, die geen minderen lof verdiend hebben? Terwijl het teffens waar blijft, dat de Schoonheid hunner Konststukken, niet dan door veel studie, recht gekend, en beoordeeld kan worden?

Heeft, vraagt Gij eindelijk, heeft de Goddelijke Schepper, de Menschen, de Dieren, en Planten zo gevormd, dat zekere Evenredigheid der deelen ‘er het Schoon van uitmaakt, even als wij zien, dat zulke Evenredigheden onveranderlijk plaats hebben, in de toeneemende. Snelheid der Vallende lighaamen? In de werking der Vloeistoffen? Der Centervliegende krachten? In de wemelingen der Slingers? En in den omloop der Hemellichten om hun gemeen middenpunt? Mischien is die Schoonheid zelve enkel toevallig, en nimmer opzettelijk beoogd door den Schepper? [59]

Ons voorneemen is G. T. om UL. In dit Uur te toonen, dat de groote Schepper van Hemel en Aarde, in de vorming der Lighaamen, van Dieren, voornaamelijk, niets anders beoogd heeft, dan enkel de Nuttigheid der zaamenstellende Deelen, en geenzints derzelver standvaste Evenredigheit! Derhalven, dat ‘er geen Stellig, geen Onveranderlijk, geen Eeuwig Schoon plaats kan hebben omtrent de gedaante der Dieren!

Tot welke wij ons, hoofdzaakelijk, bepaalen, om dat de beschouwing der Plantgewassen ons te verre zou doen uitweiden, offschoon ‘er het zelfde in hunne gedaantens plaats heeft. Uit deeze gronden zal ik derhalven zeer klaar, en onbetwistbaar, aantoonen, dat al het Schoon, ‘t welke wij meenen in de gedaante der Menschen, en andere Dieren plaats te hebben afhangt van eene onderlinge Overeenstemming, gegrondvest op het gezag, van eenige weinige.

En tefens betoogens, dat Gedaante-schoon eene loutere inbeelding is, die alleenlijk van gewoonte afhangt.3

En eindelijk, zal ik doen zien, dat de bekwaamheid om het Schoone te bemerken, en te beoordeelen, Gevoel, Smaak of Tact genaamd, wel af hangt van zekere geschiktheid, aan zommige Menschen bijzonder eigen, maar meerendeels van aankweeking, van het dagelijks [60] beschouwen der beste Konstsukken: En, dat zij veel al is als de som van onze verkreegene Kennis en Opvoeding!4

Zie daar G. T.! een onderwerp waardig aan deeze Akademie! Maar, zoo als het door mij behandeld zal worden, weinig geschikt om uwe Toestemming gereedelijk weg te draagen!

Indien ik derhalven ooit uwe toegeevendheid nodig gehad hebbe, G. T. indien ooit uwe goedunstigheid mijwaarts is vereischt geworden, is het in dit Uur, nu ik geene nieuwe waarheden te berde kan brengen, om UL. Gelyk in mijne voorige vertoogen, door iets vreemds aangenaam te verraschen, en in te neemen!

Dan nu, moet ik UL. Eerst ontdoen van diep ingewortelde vooroordeelen, van vooroordeelen, die door het gezag van eenige honderd Eeuwen, eene schijnbaare, en onwedersprookene bevestiging ofte sanctie, verkreegen hebben! Deeze moeijelyke taak afgedaan zijnde, moet ik UL. Uwe toestemming in weerwil van U zelven afperssen, en gewinnen. Waar van de uitboering voorzeker niet gemakkelijk zal vallen!

Om mijne Gedagten klaarer uit te drukken, zal ik even als voorhenen, de zaaken met eenige nieuwe Schetzen ophelderen. Vereert mij ondertusschen G. T. met uwen aandagt, en ontfangt mijne poogingen gunstig, gelijk Gijl. Gewoon zijt. Kan ik met eene vloeijende Welspreekendheid aan uwe Kiesheid niet voldoen, zal ik ten weinigsten door het betrachten van alle mogelijke kortheid UL. Genegenheid zoeken te verdienen. [61]
§. I.
Het Schoon is van de aloudste tijden af zoo duister, zoo bewimpeld, en met zoo veel omstag van woorden door de Wijsgeeren omschreeven, dat niets moeijelijker valt, dan te weeten, wat zij ‘er eigentlijk door gemeend hebben! Alle hunne ingewikkelde Bepaalingen immers van het Schoon, zyn ijdele klanken, die niets afdoen, en geene de minste nuttigheid in zig bevatten!

Plato,5 ofschoon hij duidelijk zegt, dat het ‘er eigentlijk op aankoomt, om dat gene te kennen, door welkers middel, of toedoen, alle schoone dingen, schoon schijnen; cujus beneficio omnes res pulchrae sunt pulchrae; laat hij ‘er nogthans onmiddelijk op volgen: “Dat het niet anders zijn kan, of de dingen, die in de daad schoon zijn, ons alzoo moeten toeschijnen, vooral, wanneer ‘er dat gene bij is, ‘t welke maakt, dat ze schoon schijnen!”

De groote, en de eenige vraage is, wat is het voor een ding, ‘t welke zulks uitwerkt? Is het Evenredigheid? En welke? Is het iets anders? En wat dan?

Ik vleide mij, bij Vitruvius, eene betere oplossing te zullen vinden; dan, ook die zegt, dat schoonheid in de Bouwkunst afhangt van schikking, van evenredigheid, en van welvoegelijkheid.6 Hij laat ‘er straks opvolgen, dat de Eurythmie, de Schoonheid, een bevalligheid, en een aangenaam uitzigt is in de Zaamenstelling der Deelen; die [62] verkreegen wordt, wanneer alle de Deelen eens Gebouws, eene bekwaame Hoogte, tot de Breedte hebben; en eene gevoegelijke Breedte tot de Lengte: In het kort, wanneer alles beantwoordt aan de Evenredigheid! Dat is, mijnes erachtens, te zeggen, dat alles Schoon is, het welke Regelmaatig is!7

Hier aan twijffelt niemand; de vraage is, welk eene Evenredigheid de Lengte tot de Breedte, en Hoogte moet hebben? Te meer, om dat ‘er in de algemeen aangenoomen vijf Ordens van Bouwkonst, niet alleen eene onderscheidene Evenredigheid plaats heeft; maar ook in ééne, en dezelfde Orde, omtrent de Evenredigheid der overeenstemmende Deelen, een zeer groot verschil bespeurd wordt: gelijk voornaamelijk in de allerschoonst geachte overblijfzels der Tempels te Athenen, te Heliopolis, te Palmyra, te Posidonië, en te Rome gezien kan worden.



Galenus, die een groot Liefhebber der Schilderkonst was,8 stelde, dat men de Schoonheid vinden moest in zulke menschen, die eene goede kleur, eene Evenredigheid, en welvoegelijkheid in hunne ledemaaten hadden: Want, zegt hij, schoonheid bestaat in de regelmaatigheid, en in de veballigheid van de kleur.9

Vervolgens prijst hij zeer het voortreffelijk stuk over de Proportien van Polycletus,10 en besluit daar naa, dat, volgens het oordeel van alle Wijsgeeren, en Geneesmeesters, de Schoonheid van het menschelijk Lighaam in eene goede Zaamenschikking van deszelfs Ledemaaten bestaan zoude! [63]

Uit het gene derhalven van Plato, van galenus, en van Vitruvius gezegd is, blijkt klaar genoeg; dat zij dat gene, “cujus beneficio omnes res pulchrae sunt pulchrae,” Door Weklers Toedoen, En Middel Alle Schoone Dingen Schoon Zijn, niet recht gekend hebben, nog tot Regels wisten te brengen!
§. II.
De stelling, die nog heden plaats heeft, als of wij een ingebooren gevoel hadden van Gedaante-schoon, is van die zelfde oude Wijsgeeren ontleend, en overgenoomen. Durst Gij nog twijffelen, zegt Symmachus,11 aan de Bekwaamheid der Wijsgeeren om over het Schoon te oordeelen; daar zelfs de alleronkundigste den Olympischen Jupiter van Phidias, de Koe van Myron, en de Priesteressen door Polycletus gemaakt, bewonderen, “Het vermogen van ons Oordeel gaat veel verder; anders zouden de schoone dingen slegts van weinigen gekend worden, indien het gevoel, van allerlei-schoon, zig niet zelfs tot de alleronkundigste uitstrekte!”

Intelligendi natura latius patet, alioqui praeclara rerum paucis probarentur, si boni cujusque sensus etiam ad impares non veniret.

Cicero zegt, dat men zig verwonderen moet, niet tegenstaande ‘er zulk een groot onderscheid plaats hebbe tusschen een ervaarenen, en een onervaarenen, dat het waare Oordeel van allen, door elkanderen nogthans, zoo weinig verschilt.12

Dion, de Halycarnassenser stelde, om dezelfde reden, dat de [64] natuur aan alle menschen zonder onderscheid, dit inwendig gevoel geschonken hadde. Epictetus gaat tot een belagchelijk uiterste over; hij eigent immers zulk eene kracht, en vermogen toe aan het schoone, dat het zelfs de Steenen aandoen moeste.13

Dat onderwijlen de Ouden, even zoo weinig als wij, zulk een ingeschaapen gevoel van het Schoone gehad hebben, blijkt uit het geval van Polycletus, ons door Aelianus14 naagelaaten. Naamelijk, hoe die groote Beeldhouwer ter zelfder tijd twee beelden onder handen hebbende, het eene telkens veranderde naar de Raadgeevingen, en het Oordeel der zoogenaamde Liefhebbers, die hem in zijne winkel kwamen bezoeken; terwijl hij het andere geheel en al naar zijn eigen zin, en oordeel voleindigde: Wanneer nu beide afgedaan zijnde, naar de gewoonte van die tijden, openlijk ten toon gesteld waren; belagschte, en bespotte men het eerste geweldig, terwijl men het andere beeld om zijne uitmuntende schoonheid hemelhoog verhefte! Waarop hij zegepraalende de toeschouwers te gemoed voerde. Het beeld, door U thans veracht, en uitgelagchen, is naar uw eigen Oordeel, en aangeweezene verbeteringen geduurig door mij veranderd en gemaakt: Dat is het uwe! Het beeld, in tegendeel, t’welke GijL. Zoo bewondert, en zoo hoog opvijzelt, is mijn werk alleen; en het mijne!15


§. III.
Dan, het is tijd om van deeze uitweiding te rug te keeren, en UL. [65] te herinneren, dat volgens mijne aanwijzing de Ouden zulk een inwendig, zulk een ingeschaapen gevoel van Schoon, als zij zig vleiden te hebben, in de daad niet hadden: Ik moet ‘er bijvoegen, dat alle de Natiën van den wijd uitgestrekten Aardbodem, zonder onderscheid, door de grillige vorming van hunne Lighaamen ons klaarblijkelijk overtuigen, zulk een ingeschaapen gevoel van Schoon, even weinig gehad te hebben!

Beschouw de Indiaanen, die hunne fraaije en natuurlijk witte tanden afsijpen, op dat ze het Gitzwart te beter zouden aanneemen! En hunne Ooren, die in Europea, en in ons Land niet te klein konnen zijn, zoodanig uitrekken dat zij, met de nederhangende lellen, op de schouders rusten!

Het is onnoodig, dat ik UL. De dikke Chineesen, en hunne schraale, en magere Vrouwen, als de schoonste der waereld, in hunnen smaak, afbeelde! Of, de Afrikaansche Vrouwen met haaren nederhangenden Boezem! Of de wilde Amerikaanen met hun geschilderd, en getatueerd vel! Die zig teffens verbeelden zeer schoon te zijn, als zij hun Neus, Lippen, en Ooren doorbooren, en met allerleije beenderen, en steenen vercieren!

Het zou niet minder overbodig zijn te handelen van onze fraaije Vrouwen, die, om haare schoonheid te verbeteren, het Lighaam, als een taatstol, met geweld inbinden, haare Schouderbladen over elkanderen perssen, en haaren Boezem plat, en tot elkanderen drukken! Ik zou geen einde vinden, als ik uit de vergelijking der wijd, en zijd verspreide Volkern UL. Overtuigen wilde van alle hunne grillige, strijdende, en ongrijmde denkbeelden van Gedaante-schoon! Het is genoeg aangetoond te hebben, dat alle aan één, en dezelfde gedaante het [66] kenmerk van Schoon toegekend, en gegeeven zouden hebben; indien het gevoel van Gedaante-schoon, in de daad zoo ingeschaapen was, als dat van het Zedelijk Schoon; waarover nooit eenig verschil heeft plaats gehad in de denkbeelden van de beschaafdste, zelfs niet van de allerwoeste volkeren. Kuischheid, liefde, trouw, en dapperheid zijn bij allen even hoog geschat, en altoos in even grooten eerbied geweest.


§. IV.
Wij moeten nu onderzoeken, of het Gedaante-schoon, in zekere onderlinge evenredigheid der zaamenstellende deelen bestaa? Zoo als Galenus, en veelen op het gezag der oude Wijsgeeren, geloofd hebben: en de meeste Konstenaars, op het gezag van Polycletus, als nog gelooven!

Wij zullen nogthans voor een oogenblik moeten stellen, als of Evenredigheid of Proportie de grond was van Gedaante-schoon. In welk geval het ontegenzeggelijk waar zal zijn, dat dit Schoon, indien niet overal, althans in de Bouwkonst behoorde gevonden te worden; waar van wij het tegendeel met overtuigende voorbeelden zullen aantoonen.



Vooreerst is de Stylobata, of Pedestal,16 het voetstuk in alle bouwordens, als nog, zonder eenige bepaalde proportie. De Toscaansche heeft tot Blok, een Cubus volgens Philander17 die een leerling van Serlio was. [67]

De Dorische is als de Middellijn van het Quadraat, gemaakt op deszelfs breedte18 De Jönische is even eens genoomen.19 De Corintische is als de Diagonaal gevoegd bij de helft der breedte.20 De Composite of Romeinsche is als de Diagonaal en een vierde der breedte.21

Vignola geeft wederom geheele andere Grootheden aan deeze Pedestallen; Planch. I. p. 3. Naamelijk den Middellijn des Quadraats voor hoogte aan het blok van de Toscaansche Orde; aan de Dorische 1 ½ ; aan de Jönische iets meer; aan de Corinthische tweemaal de Basis.

In de Ruïnen van Balbek vindt men de Corinthische Pedestallen der Pilasters, Tab. V. slegts twee Diameters hoog, en een en een vierde breed. Een ander, als een Cubus. Pl. 30. ib.

Om kort te zijn, nergens vindt men eene bestendige Evenredigheid. Dit alles is derhalven loutere gissing zonder zekere Progressie, en willekeurig; zoo als ook is de proportie der Pedestallen tot de Plinthen, of Socles.22

II. Omtrent de proportie der Schacht, in de Dorische Kolom, blijkt uit Vitruvius,23 dat de Atheniensers geheel en al onkundig, welk eene proportie men ten tijde van Dorus aan de Kolommen gegeeven [68] hadde, ‘er die van een Mensch op toegepast hebben; maakende dezelve volgens Vitruvius als 1:6.24



Vitruvius25 verleid door dit vooroordeel, keurt de proportie van een Mensch zoo volmaakt schoon, dat hij rond uit alle Gebouwen verwijst, die niet even als een wel geproportioneerd Mensch geschikt zijn. Hij vergelijkt de Dorische Kolom met een Man, de Jönische met eene Vrouwe, zoo dat de Voluten het Hoofdhaair verbeelden zouden: En maakt ze als 1:8 ½. De Corinthische als nog dunner met eene Jonge Dogter; ofschoon zij mijns bedunkens beter met een Jongman vergeleken wierdt, om der Heupen wille, en het rijzige ‘t welk zoo bevallig staat.

Deeze onnatuurlijke vergelijking wordt bijnaa van alle Architecten woordelijk herhaald, vooral door den Heere Riou.26

Aangemerkt ‘er nu geene overeenkoomende proportie plaats heeft, onder de menschen van verschillende Natiën, en Luchtstreeken, zoo moet de proportie aan de Dorische Kolom, en aan de overige Kolommen gegeeven, zeer ongelijk, en wisselvallig zijn!

‘Er was geen einde te vinden, wanneer ik deeze veranderingen, en verschillen zoo in gestalte, wezenslijnen, gekroesd haair, zwaare baarden, of geene baarden, de bewooners van Afrika, of Amerika eigen, wilde ophaalen?

Wat beduidt derhalven de keuze van proportie in eene Dorische, Jönische, of Corinthische Kolom, wanneer die naar deeze aangetoonde, [69] onstandvastige gedaante der Menschen genoomen zal worden? Ik heb mij verheugd gevonden te hebben, dat Perrault27 deeze aanmerking bevestigt.

Wij zullen bij vervolg zien, dat de Doriërs, nooit, aan zulk eene vergelijking gedagt hebben, en alleen de Hut op paalen hebben gezet, hoog genoeg om ‘er onder door te gaan, en vervolgens die paalen langzaamerhand hebben verhoogd, gelijk uit den Tempel van Theseus te Athenen, en die van Posidonië beweezen kan worden.

III. Wat zullen wij zeggen van de hoogte der Corinthische Kapiteelen, daar die volgens het getuigen van Vitruvius zelven van verschillende hoogte gemaakt zijn geworden? Zoo dat die van de Portique van het Pantheum, hooger dan elders gevonden wierden.28

Het uitmuntend werk van den Heere Riou over de Grieksche Ordens van Architectuur, vooral de Voorreden is waardig geleezen, en vergeleken te worden met de schoone Overblijfzels der Grieken, door den Beroemden Le Roy ons naagelaaten, met die van Palmyra, van Balbek en andere vervallene Gebouwen, door de Grieken, en Romeinen wel eer in Klein Asië, en Syrië, gesticht, om overtuigd te zijn, dat niet alleen in de Onderscheidene, maar ook in de zelfde Ordens, een zeer groot verschil heerscht omtrent de verdeeling der Entablementen, in de Architraaven of Epistylia, in de Kroonlijsten, in de Friesen, of Zoophori, in de Metopes, Triglyphen, Modillons enz. Zoo waar is het, dat ‘er geene wezenlijke, standvaste, en gegronde proportie ooit, of ooit bij de schranderste Natiën in acht genoomen is. [70]

De Beroemde, en naauwkeurige Desgodetz heeft, behalven dat, zeer klaar beweezen, dat nog Palladio, nog Serlio de maaten der Antijke Gebouwen, die te Rome gevonden worden, juist hebben opgegeeven. Zelfs heeft de Heer Chambrai, in zijne Parallele van de Oude en Moderne Gebouwen, zig dikwijls daarin vergist, gelijk bij den zelfden op veele plaatzen gezien kan worden!29

Omtrent de Metopes, welke Vignola, op het voorbeeld van Vitruvius, volmaakt vierkant wilde hebben, hielden de Ouden van gelijken volstrekt geene maat; maar maakten die langer, of korter, naar hun goedvinden, gelijk in de Ruïnen van Paestum of Posidonië gezien kan worden,30 het is eveneens met alle de overige deelen gelegen!

Verkiest Gijl. te hooren G. T. met welk een blind vooroordeel, wij dit alles volgen, zoo raadpleegt Le Roy, die uitdrukkelijk zegt: dat alle de verdeelingen in de Bouwordens, welke haaren Oorsprong van den tijd van Pericles ontleenen, zeer aangenaam en bevallig zijn, dog, dat in tegendeel, alle die ‘er van afwijken, niet dan slegt, en grillig konnen gehouden worden!

Die groote Bouwkonstenaar eindigt met te zeggen, dat men om de best mogelijke proportien in de Ordens te verkrijgen, niet slegts uit die slegts uit die van Griekenland, Klein Asië, Syrië, en Rome moest kiezen, maar ook de gedagten raadpleegen van Vitruvius, en alle de beste Bouwkonstenaars van laatere tijden! Aangemerkt men de gronden der Bouwordens uit alle deeze met den anderen moest bevestigen. [71]

IV. Wanneer men den Oorsprong van een Dorisch gebouw naauwkeurig naagaat, zal men haast zien, dat Schoonheid ‘er de grond niet van is; maar dat alle de deelen van Triglyphen, Metopes, van Entablement, van modillons, onmiddelijk afhangen van de willekeurige ligging der Balken, Sparren, Dropplankjes of Triglyphen enz.

Men zal, uit den tempel van Theseus te Athenen, klaar zien, dat ze, in de aloudste tijden, aan de Kolommen geene Basementen maakten, en slegts dikke plankjes tusschen de Kolom, en dwarsbalk of Architraaf lagen, die naderhand tot Kapiteelen gevormd zijn! Dat men er de basementen heeft bij gevoegd, mischien om een te kort afgezaagden stam, door het ondersteeken van een blokje te verhoogen; mischien om de verrotting voor te koomen; de Gecannelleerde Kolommen heeft men, waarschijnelijk, gemaakt, in naavolging der gescheurde basten van de oude Sparreboomen, welke men tot groote Gebouwen bezigde Vitruvius zal UL. van de gebreken der Dorische Orde, als toen, nog onbeschaafd, overtuigen;31 en, dat alles uit nood, en geenzins om schoonheids wille zoo geordend is! ‘t welke door Thomas Major, van gelijken, bevestigd wordt!32

De Jöniers schijnen hun dat werk ligter te hebben gemaakt, en de panlatten niet eerst op sparren, maar onmiddelijk op de muurplaat gelegd te hebben; waar van daan het Tandwerk zig onder de Kroonlijst koomt te vertoonen.

Aan het Theater van Marcellus te Rome, vindt men het Tandwerk onder de Kroonlijst van de Dorische Orde. Chambrai, p. 17. [72]

V. Niemand mijner Toehoorders is onkundig omtrent den oorsprong van het Corinthisch Capiteel, door Callimachus, volgens het verhaal van Vitruvius,33 toevallig gevonden, als een Korf met eenig speeltuig op het Graf van eene jonge dogter was staan gebleeven met een steen overdekt, waar in, en tegens, een Acanthe Plant niet onaartig gegroeid was? Wij zijn niet onkundig van de gedagten van Vilalpande, en van den Beroemden Paauw, uit deeze vermaarde Stad geboortig, als of deez Oorsprong voor eene fabel gehouden moest worden?34 Laat dit Kapiteel naa die van Salomons Tempel genoomen, of naagemaakt zijn naa de Aegyptische Kolommen! Het is en blijft altoos ongerijmd, een geheel gebouw te zien rusten op Korven, op klokken, en op weeke bladen van eene sappige plant! Of op Laurierbladen! of op Struisveders, Palmtakken, en dergelijke! Met recht heeft derhalven de Naamlooze Schrijver35 tegens Winkelmans aandrang om de Grieksche werken altoos naa te volgen, beweert, dat dit belagchelijk was, en enkel door gewoonte bij ons voor fraai gehouden konde worden; even als Ovidius36 van zijn bemind voorwerp, dat waarschijnelijk niet zeer schoon gewesst zal zijn, zegt.

Eximit ipsa dies omnes ê corpore mendas,

Quodque fuit vitium, definit esse mora!
[73] “Alle gebreken verdwijnen langzaamerhand, En ‘t geene eerst aanstootelijk was, word draagelijk door den tijd!

Plinius, en Vitruvius hebben geoordeeld, dat het ongerijmd was, in hunnen tijd, een zwaar gebouw door tedere Vrouwenbeelden, en door Mansbeelden te doen schraagen, op het voorbeeld der Atheniensers, die zulks uit hoon de Vrouwen van Carië doen lieten! Beide die Romeinen zeggen eenpaarig, dat zulks, als een bewijs van verachting, toen nog wel eenigzints verschoonelijk was, maar nu geenzints!

De Beroemde Chambraij37 en Riou38 oordeelen ‘er, onder de hedendaagsche Bouwkonstenaars even eens over! En, in weerwil van die gezonde aanmerkingen, zien wij, dat A. Carrache, dat Serlio, Michael Ange, en verscheidene anderen in de voorledene Eeuwe, dien kwaaden smaak, hoe ongerijmd ook, overal hebben ingevoerd! Hoe veele Schoorsteen-mantels vindt men niet nog heden in onze oude huizen, door een Man en teder Vrouwenbeeld ondersteund? Chabraij verfoeit inzonderheid ook, dat men niet slegts door Slaaven gebouwen heft laaten torssen, maar door achtbaare figuuren, door Deugden, door Zanggodinnen, door de Gratiën, zelfs door Engelen!

De Franschen hebben er van gelijken sterk in gedaan, de gebouwen van Marot zijn ‘er vol van, in Duitschland vindt men de steenen balkons boven den ingang van het huis dus ondersteund. De groote Mengs heft nog onlangs het zolderstuk in het Theater te Aranjuez met Caryatides geschraagd. [74]

Zedert onze bezittingen in de Indiën, hebben wij op verscheidene plaatsen, onze balcons door zwarte Slaaven laaten torssen.



Die haatelijke verachting moeten wij nog bij de onverdiende slaavernij van die ongelukkigen voegen! Ik had uuren noodig, als ik alle die ongerijmde voorbeelden aanhaalen wilde!

Wat is ‘er, behalven dat, afschuuwelijker, wat aakeliger, als men ‘er bedaard over redeneert, dan enkele Koppen van Marmer, en van brons in den hals afgesneeden te zien? Welk denkbeeld schroomelijker dan een buste, een term met afgesneedene armen, of met de beenen in een blok van steen te zien eindigen!

Wat kan men onnatuurlijker bedenken, dan Centauren, Minotauren, Sphinxen, Satijrs, en dergelijke Monsters!

Van alle die stootende ongerijmdheden kan men niet anders zeggen, dan quodque fuit vitium definit esse mora! Dat eene loutere gewoonte dit draagelijk, daarnaa in onze Oogen aanneemelijk, en eindelijk schoon gemaakt heft!

Men heft het hier niet bij gelaaten! Vitruvius39 heft reeds, zeer bitter, geklaagd over den slegten, en ongerijmden smaak van zijn tijd: Dat men in plaats van de Gebouwen met figuuren, die in de natuur bestonden, te versieren, dezelve met Monsters had opgeschikt. Dat men uit Krollen en Bloemen halve menschen liet voordkoomen! In de fries van de frontispiece van Nero te Rome, in dat door Winkelman40 afgebeeld; en in de Ruïnen van Palmyra vindt men zulke voorbeelden. Vignola, Serlio, en Picart [75] hebben die belagchelijkheid gevolgd, en men heft haar zelfs fraai gevonden!

Indien ik wel oordeele, zoo heft men ook te Rome den ongerijmden, en belagchelijken smaak, overeenkomstig met dien der Chineezen, thans bij ons met zoo veel greetigheid overgenoomen, ten tijde van Vitruvius gevolgd! Hij beschrijft immerse en Theater41 door zekeren Apaturius geschilderd, ‘t welke van Licinius een Wiskundigen, en een man van verheeven smaak zoo sterk beschimpt wierdt, dat Apaturius zelf het uit schaamte veranderde! Over welk gelukkig gevolg Vitruvius42 met rede uitroept, Utinam dii Immortales fecissent, ut Licinius revivisceret, corrigeret hanc amentiam! “Gaven de Onsterfelijke Goden, dat Licinius weder opstondt, en die bespottelijke dwaasheid uitroeide!

In weerwil van zoo veele Ongerijmdheden, durft men, evenwel, nog staande houden; Dat alle menschen een ingeboren gevoel hebben van Gedaante-schoon.

VI. Vermits de Grieken niet alleen hunne Goden, maar hunne meeste fraaije konsten van de Aegyptenaaren schijnen ontleend te hebben, oordeelde ik, dat de oorsprong der Bouwkonst mede in dat Land gezogt moest worden. Als ik de keurige Reizen van Pocock43 doorlas, vond ik wel haast, dat hunne Kolommen nu, gelijk voor henen, van de aloudste tijden, kort, dik, en slegt gevormd waren! En, dat in Alexandrie alléén, eenige fraaije [76] Kolommen gevonden wierden, die evenwel niet door de Aegyptenaaren, maar door de Romeinen gebouwd zijn.

De oprechte Antijke Aegyptische Kolommen door Pocock gemeeten, en afgebeeld,44 zijn met het basement 7. Diameters. De Schacht: het Kapiteel :: 4 : 1. Ook is ‘er rede te gelooven, dat de Kolommen in den Tempel van Salomon van geen beteren smaak zullen geweest zijn. Want wij vinden in het 1 Boek der Koningen, dat Hiram de twee koperen Pilaaren Jachin en Boas maakte ter hoogte van 18 Ellen, hebbende een middel-lijn van 4 Ellen. De Schacht van 4 ½ Diameters. En dus omtrent als de Dorische van den Eersten tijd, zoo als die van den Tempel te Delos.45 Vervolgens dat hij aan de Kapiteelen eene hoogte gaf van 5 Ellen. Derhalven waren de Kapiteelen als 5 : 18 :: 1 : 3 3/5, het welk onbegrijpelijk tegens alle andere Ordens, zelfs tegens de Toskaansche aanloopt, schoon anders de minst aangenaame.

In het 2 Boek der Kronijken, vindt men die zelfde Pilaaren beschreeven, als 35. Ellen tot 5. dat is tot de Kapiteelen als 7 : 1. ‘t gene met het Corinthische genoegzaam overeen zou koomen.

De Lijsten waren zeven in getal, en de Schacht als 1 : 7. waaruit ik besluit, dat de maaten in het boek der Kronijken opgegeeven, om de heiligheid van het zevental, meerder echtheid zullen hebben. De Uitleggers Patrik, Polus en Wells, die gene kennis van Bouwkonst hadden, geeven er dien zin aan, dog die is niet overeenkomstig met de opgaave, want 18 en 18. in den Text maaken 36. en niet 35. Ellen. [77]

Het zij zoo het wil, het is zeker dat Solomon, hoe wijs een Koning hij ook geweest mag zijn, even weinig, en even slegten smaak gehad zal hebben als de Aegyptenaaren, welke hij blindeling schijnt naagevolgd te hebben!

Dan, te willen, dat de Grieken den Corinthischen Kolom van de Jooden ontleend zouden hebben, gelijk Vilalpande heft staande gehouden, schijnt zeer ongerijmd. Ook merkt de Heer Wood te recht op in de beschrijving van Palmyra, dat ‘er nergens meer eenige gebouwen van Salomon te vinden zijn, om deeze stelling te bevestigen!

Pocock meent niet zonder grond, dat de Aegyptische Kolommen, en Kapiteelen eene naavolging zijn van de Palmboomen, welkers meijen alle jaaren afgesneeden worden. En dat de Pilaaren in Salomons Tempel, waarschijnelijk, van dat sort geweest zullen zijn!46

Wanneer wij nu alles, wat wij omtrent de Bouw-ordens der Grieken en Romeinen aangehaald, en uit de Aegyptenaaren betoogd hebben, tot een brengen, is het onwederspreekelijk.

I. Dat er in de Natuur gene waare, nog wezenlijke proportie gevonden wordt, welke die Ordens wettigt.

II. Dat enkele gewoonheid ons die aangenoomene Ordens, en derzelver proportion doet schoon vinden!

III. Dat het gezag daar in merkelijk mede werkt.

IV. En eindelijk, dat het Schoon in Gebouwen, een Schoon is van Overeenkomst, en niets anders!

En derhalven, dat wij, minder bepaald, en minder verslaafd zijnde aan de Inbeeldige Regels der Oude Bouwkonstenaars, de proportion [78] geheel en al, naa de welvoegelijkheid, en het gelang der Omstandigheden, kunnen, en vrijelijk mogen schikken!

  1   2   3


Dovnload 198.63 Kb.