Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Edgar de Bruin Zo ontstaat een verhaal

Dovnload 22.01 Kb.

Edgar de Bruin Zo ontstaat een verhaal



Datum28.10.2017
Grootte22.01 Kb.

Dovnload 22.01 Kb.

Edgar de Bruin
Zo ontstaat een verhaal
Edgar de Bruin (1958) werd al als middelbare scholier tijdens een reis achter het IJzeren Gordijn gegrepen door de Tsjechische cultuur. Na een studie Tsjechisch ontwikkelde hij zich tot vertaler en literair agent – met Madla Hüblová runt hij het literair agentschap Pluh. Hij vertaalde bijna 50 romans en daarnaast ook korte verhalen, toneel en poëzie. Hij introduceerde schrijvers als Petra Hůlová, Jáchym Topol, Patrik Ouředník en Markéta Pilatová in Nederland. Voor uitgeverij Voetnoot deed hij de redactie van de Moldaviet-serie, een reeks klassieke en moderne pareltjes, ‘opgedoken uit de Moldau’. Ook doceert hij aan de VertalersVakschool Amsterdam. In 2015 ontving hij de Letterenfonds Vertaalprijs. ‘Zo ontstaat een verhaal’ werd speciaal voor VertaalVerhaal geschreven.
Zo ontstaat een verhaal
We hebben om halftien afgesproken op onze inmiddels vaste plek: het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis voor het Centraal Station. Ik ben wat vroeger, maar zie dan Jáchym met een grote grijns aan komen lopen. Jáchym Topol, door de Duitse literatuurkritiek tot de jongste klassieke schrijver van Europa gebombardeerd, heeft voor twee maanden op kosten van het Nederlands Letterenfonds als writer-in-residence zijn intrek genomen in het Schrijvershuis aan het Spui. Hij zit er al een tijdje en schrijft vooral stukjes voor een groot landelijk Tsjechisch dagblad. Zo heeft hij voor de krant een ode aan De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans geschreven, dat onlangs in het Tsjechisch is vertaald. Hij zit immers op een steenworp afstand van de Universiteitsbibliotheek waar Osewoudt in vluchtte. ‘Misschien wel het beste boek dat ik ooit heb gelezen,’ heeft hij me toevertrouwd. Later zal hij nog over de Damschreeuwer schrijven als hij op 4 mei de Dodenherdenking bijwoont. Verder, beweert hij, broedt hij op een nieuw boek.

Vandaag echter, het is eind april, maken we samen een uitstapje, een dagje uit naar Den Helder en Texel. Toen ik hem namelijk vertelde over de opstand van het door de Duitse Wehrmacht ingelijfde Georgische bataljon in april 1945 was zijn belangstelling direct gewekt. Communisten, nazi’s, oorlog, geschiedenis, daarvoor is Topol altijd te porren. Bovendien is hij wel benieuwd om te zien waar ik ben opgegroeid, Den Helder.

We pakken de trein en een uurtje later stappen we uit in de marinestad. Ik stel voor om eerst naar het Marinemuseum te gaan. Per slot van rekening was mijn vader marineman en Jáchym wil alles over hem weten. Over hoe hij is opgegroeid in Indonesië en tijdens de oorlog krijgsgevangen zat in Duitsland, over hoe hij na de bombardementen in Stuttgart lijken moest ruimen, over hoe hij tweemaal ontsnapte en de eerste keer in de trein naar Zwitserland werd gesnapt en de tweede keer door de boer werd verraden van wie hij eerst tegen een flink bedrag een bootje te leen had gekregen. Het filmpje over de mijnenveger Hr.Ms. Abraham Crijnssen, die gecamoufleerd als eiland uit handen van de Japanners wist te blijven, maakt indruk. ‘Jullie zijn een ingenieus volkje,’ merkt hij op. Hij vraagt van alles. ‘Weet je, over de oorlog in het Verre Oosten weten wij in Tsjechië gewoon heel weinig,’ en hij is oprecht ontsteld als ik hem vertel over een oom die door Jappen is onthoofd en een andere oom die aan beruchte Birmaspoorweg heeft gewerkt. We ronden het bezoek af met koffie en appeltaart.

Vervolgens wandelen we op ons gemak naar de veerboot naar Texel. We kopen kaartjes voor de overtocht. Jáchym blijft aan dek, we hebben mazzel, het is prima weer vandaag, terwijl ik binnen ga zitten. Aan de overkant besluiten we eerst iets te gaan eten. Ik trakteer hem in een nabijgelegen cafetaria op friet, sla en saté, Hollandser kan niet. We huren fietsen en nemen de oostkant van het eiland. Met windje tegen slalommen we tussen de schapen door die doodgemoedereerd over de weg drentelen en aan de hand van een klein kaartje navigeren we naar de Georgische Erebegraafplaats, het eerste doel van onze reis. Nadat ik hem had voorgesteld om een dagje Texel te doen, heeft Jáchym zich met behulp van internet ingelezen en weet dus in grote lijnen wat er zich in april tot bijna eind mei 1945 hier heeft afgespeeld. Toch slaat hij lachend steil achterover als we de begraafplaats op lopen en de grote gedenksteen zien met de beeltenis van Stalin. ‘De grootste massamoordenaar van de twintigste eeuw, bijna niet te geloven. Nou ja, Georgiërs zijn kennelijk zelfs trots op hun eigen tirannen. Maar kun je je voorstellen dat je op een Duitse erebegraafplaats de kop van Hitler tegenkomt?’

We lopen de diverse graven langs, ik maak foto’s en vertaal af en toe wat opschriften. We stappen weer op de fiets, want we willen nog naar het Oorlogsmuseum waar een speciale expositie is gewijd aan de Georgische opstand. We hebben nog altijd flink wind tegen en als een jongetje ons op de fiets inhaalt, begint Topol als een verwoede te peddelen om het jochie weer voorbij te steken, want dat laat hij niet op zich zitten. Tegen halfvijf zijn we op onze bestemming, maar het museum blijkt gesloten, terwijl het volgens de folder toch tot vijf uur geopend moet zijn. Maar ja, het is buiten het seizoen, dus veel aanloop zullen ze niet hebben en men heeft het kennelijk vandaag voor gezien gehouden. Naast het museum is het Paracentrum, dat nog wel open is, en daar besluiten we te vragen of we toch op een of andere manier naar binnen kunnen. Jáchym voert het woord en vertelt in opzettelijk gebroken Engels dat we Georgiërs zijn en helemaal uit Tbilisi zijn gekomen om iets mee te krijgen van de heroïsche daden van onze voorouders op Texel. Om hun eer te bewijzen. Ik kan mijn lachen bijna niet houden, vooral niet als ik zie hoe sneu de medewerkers van het Paracentrum het voor ons vinden. Helaas hebben zij geen sleutel van het museum, anders hadden ze ons graag even naar binnen gelaten. We dringen niet langer aan. Weer buiten koekeloeren we door de ramen van het museum, maar veel zien we niet. ‘Weet je, eigenlijk is het beter zo,’ zegt Jáchym, ‘als we nu die expositie zouden zien, zou het ten koste gaan van onze verbeelding. Nu kunnen we ten minste onze eigen voorstelling van alles maken.’ Ik schiet nog een paar plaatjes, onder andere van Jáchym voor het museum met op de achtergrond een grote illustratie van onze Georgische broeders.

We besluiten terug te gaan naar de veerboot. Nadat ik hem heb uitgelegd hoe de versnellingen op de fiets werken, zoeven we op ons gemak met de wind in de rug richting ’t Horntje – toch nog een klein uurtje fietsen. Dan begint Jáchym: ‘Ik zie het voor me. Op een dag kom ik in Amsterdam een kennis uit Georgië tegen, Jarditsj heet hij.’ En hij begint te vertellen over hoe Jarditsj bij hem intrekt in het Schrijvershuis, er steeds meer Georgiërs komen en met Jáchym als tolk vervolgens naar Texel gaan. Hij praat zeker een halfuur honderduit en fantaseert erop los. In ’t Horntje leveren we de fietsen in en schepen in op de veerboot. Terug in Den Helder kopen we onderweg naar het station een sixpack. Jáchym valt in de trein in slaap en als we in Amsterdam aankomen, gaan we bij Scheltema eten. Onderweg koopt hij op de Nieuwezijds nog een joint. De rest van de avond drinken we afwisselend bier en koffie, en verzanden in oeverloos geouwehoer. ‘Dit was de mooiste excursie van mijn leven, wat een dag,’ zegt Jáchym bij het afscheid op de hem gebruikelijke overdreven wijze. ‘We mailen.’

Twee dagen later ontvang ik een mailtje van hem met in de bijlage een dik dertig pagina’s tellend verhaal getiteld Zilver op Texel. De schrijver van het verhaal ontmoet in Amsterdam een zekere Jarditsj en reist met een grote groep Georgiërs naar Den Helder af. Ze kapen de veerboot naar Texel, landen op het strand en roepen Texel uit tot de Vrijstaat Georgië. Op de Georgische begraafplaats verwijderen ze de gedenksteen met de beeltenis van Stalin, want daaronder ligt de zilveren kogel – gegoten van de omgesmolten sieraden van de Georgische vrouwen in de oorlog – waarmee de leider van de opstand in 1945 later Stalin had moeten doden. Het is een fantasmagorisch, magisch realistisch verhaal over de opstand in 1945, over Georgië, over Rusland, over het communisme, over Europa, Oost en West. En deze nieuwe Georgische opstand op Texel? Die wordt uiteindelijk met groot vertoon door de Nederlandse strijdkrachten – luchtmacht, leger en marine – de kop in gedrukt.

Gezamenlijk korten we het verhaal in en mijn vertaling verschijnt in Armada. Diverse keren is me gevraagd hoe het is om het werk van Topol te vertalen en vaak antwoord ik dan dat het is alsof hij naast me in de kroeg zit en gewoon zijn verhaal vertelt. Ditmaal reed hij op de fiets naast me.

We maakten een uitstapje.

Zo ontstaat dus een verhaal.








Dovnload 22.01 Kb.