Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Edmund Husserl: Erfahrung und Urteil – Untersuchungen zur Genealogie der Logik

Dovnload 34.2 Kb.

Edmund Husserl: Erfahrung und Urteil – Untersuchungen zur Genealogie der Logik



Datum13.11.2017
Grootte34.2 Kb.

Dovnload 34.2 Kb.

Samenvatting van de derde leesbijeenkomst op 21.12.’99
Edmund Husserl: Erfahrung und Urteil – Untersuchungen zur Genealogie der Logik

II. Kapitel: Schlichte Erfassung und Explikation (§§22-27)
§22. Die Stufen der betrachtenden Wahrnemung als Thema der weiteren Analysen.

De verdere analyse is deze van de onbelemmerde waarneming, waarin operaties voorkomen op verscheidene niveaus. Het actieve vatten van het object (cf. de waarnemingsinteresse die zich uitwerkt) wordt als snel beschouwing van het object. Het Ik wil het object nu niet enkel van alle zijden beschouwen, maar wil er ook in binnendringen, het ontvouwen (explizieren).

In het beschouwende waarnemen van een object kunnen de volgende niveaus onderscheiden worden:

1. De beschouwing vóór elke ontvouwing van het object, die op het object ‘in het geheel’ is gericht (de schlichte Erfassung und Betrachtung) is het laagste niveau van de objectiverende activiteit.

2. In de ontvouwende beschouwing werkt de interesse zich verder uit. Ook het eenvoudige vatten (niveau 1) heeft immers een mee opgewekte horizon, eerst en vooral een interne horizon. In de ontvouwing volgt de interesse de in de interne horizon aanwezige protentionele verwachtingen. De interne bepalingen worden nu gevat en worden op hun beurt ook weer ontvouwd. In het ongehinderde waarnemingsverloop komt het geanticipeerde tot originele gegevenheid.

3. Op een derde niveau wordt ook ingegaan op de medetegenwoordige en eveneens affecterende objecten van de externe horizon. Deze worden thematisch gemaakt en worden met het waarnemingsobject in betrekking gebracht. Daarbij blijft de waarnemingsinteresse echter op het ene object geconcentreerd; ze spreidt zich niet gelijkmatig over de ‘meerheid’ van objecten in het veld. Ze worden bovendien maar mee in de beschouwing betrokken in de mate waarin ze bijdragen tot een naderbepaling van het ene object.


§23. Die schlichte Erfassung und Betrachtung.
a) Die Wahrnehmung als immanent-zeitliche Einheit. Das noch-im-Griff-behalten als Passivität in der Aktivität des Erfassens.

De schlichte Erfassung constitueert zich in een veelheid van structuren als een immanent-tijdelijke eenheid. Nemen we als voorbeeld een voortdurend weerklinken van een klank. Deze is gedurig dezelfde en blijft aan zichzelf gelijk in het tijdelijk verloop en de continue wissel van de afzonderlijke fasen die verschijningswijzen zijn van het tijdsobject ‘klank’. Hij verschijnt als een Gestalt met een nu-punt, een horizon van verleden en een van toekomst. Er is een gedurige stroom van nu naar een steeds nieuw nu, terwijl de horizonten mee veranderen. Bovendien is hij ook ruimtelijk gelokaliseerd met als nulpunt het eigen lichaam. “In dieser Weise ist der Ton als Einheit der Dauer passiv vorgegeben.”1

Maar het actieve (receptieve) grijpen van de klank duurt zelf ook op een continue wijze (nl. zolang de toon verneembaar is). Daarbij is de Erfassungsstrahl niet zozeer op elk weerklinken in een nu-punt, een fase gericht, “sondern durch sie in ihrem Wandel hindurch auf den Ton als Einheit, die sich wesensmäßig in diesem Wandel, diesem Fluß von Erscheinungen darstellt.”2 Het betreffende moment in de continuïteit van deze verschijningswisseling in de passieve zelfdekking als één en hetzelfde, blijft in de continue actieve greep. Het gaat om de activiteit van het Noch-im-Griff­ doorheen het continuüm van het verleden. Voor de toekomsthorizon kunnen we spreken van een Vorgriff, die echter verloopt met medewerking van het Noch-im-Griff.

De activiteit van het vatten heeft een complexe opbouw, en gebeurt op grond van de wetmatigheid van de passief verlopende constitutie van de levendige duur. De passiviteit is echter niet zomaar een passiviteit vóór de activiteit (als passiviteit van de oorspronkelijk constituerende, maar slechts voorconstituerende tijdstromen), maar is ook een daaroverheen gelegde passiviteit, een eigenlijke thematiserende (of mee-thematiserende) passiviteit. Het gaat dus om een soort passiviteit in de activiteit, zodat de scheiding tussen activiteit en passiviteit geen starre scheiding is.

Het in-greep-houden kan nog verder beschreven worden, via de contrastering met andere fenomenen die er gemakkelijk mee te verwisselen zijn.
b) Verschiedene Weisen des Im-Griff-behaltens und dessen Unterschied gegenüber der Retention.

Het nog-in-greep-houden komt ook voor wanneer men zich achtereenvolgens naar meerdere objecten toewendt, die elk voor zich wel de interesse opwekking, maar zonder samenhang in de interesse. Terwijl het ik op één object gericht is, kan het toch in een protentioneel Vorgreifen een ander object toegewend zijn. Volgt het dan dat andere object, dan is het eerste object niet langer in een primaire greep, maar toch is het ook niet gedropt. “Er is noch im Griff, d.h. er befindet sich nach der Zuwendung zum anderen nicht bloß in einem passiven retentionalen Absinken in den Bewußtseinshintergrund, sondern das Ich ist in modifizierter Weise auch noch auf ihn aktiv gerichtet.”3

Het onderscheid met het eerst beschreven nog-in-greep-houden bestaat eruit dat er in het eerste geval sprake is van dekking, in het tweede geval niet (er is wel een zekere Überschiebung).

In het tweede geval kunnen nog enkele complicaties vermeld worden:



1) Bij het zich toewenden naar een nieuw object, kan het gebeuren dat het eerste object nog duurt. Het in-greep-houden is dan impressional.

Hiertoe behoren hetgeen beschreven is onder a) en het geval van de Überschiebung.

2) Het kan ook gebeuren dat het eerste object intussen niet langer origineel gegeven is. Tegelijk wordt het echter in zijn retentioneel weerklinken nog in de greep gehouden. Het gaat dan om een nicht-impressional in-greep-houden.

Maar ook hier zijn de twee gevallen mogelijk die vermeld zijn onder 1. Zich toewenden naar een nieuw object en het eerste object nog in-greep-houden, kan ook wanneer het eerste object niet meer gegeven is. Ten tweede kan het Ik het object nog opmerkzaam toegewend blijven wanneer het niet meer gegeven is. Ik kan bijvoorbeeld na het ophouden van de klank, deze in zijn retentioneel weerklinken nog opmerkzaam toegewend zijn. Er is dan een synthetische dekking tussen het actieve vatten in de retentie en het nog-in-greep-hebben van zijn voorheen ‘impressioneel’ gegeven duur.

“Aus dieser Beschreibung geht hervor, daß das Im-Griff-behalten als eine modifizierte Aktivität, unterschieden werden muß von dem Behalten der Retention, (…). Diese ist eine intentionale Modifikation im Rahmen der puren Passivität; sie spielt sich nach einer absolut starren Gesetzmäßigkeit ohne jede Beteilingung der vom Ich-zentrum ausstrahlenden Aktivität ab.”4 Retenties zowel als protenties spelen zich volledig af in de passiviteit, in tegenstelling tot het nog-in-greep-houden dat zich (weliswaar als passiviteit) afspeelt binnen de activiteit.

Wanneer het Ik het object laat gaan uit zijn nog-in-greep-houden, dan volgt een modificatie van de oorspronkelijke acitiviteit in de zin van een puur passief retentioneel behouden. Tijdens het nog-in-greep-houden daarentegen blijven de retentioneel weerklinkende fasen noch wirklich fungierende. Dezelfde opmerkingen kunnen gemaakt worden m.b.t. de protentie. Nadat een act afgebroken is, is er wel nog een verderwerken van de passieve wetmatigheid van de protentie, maar de protentie is geen werkelijke activiteit meer in de modus van het Vorgreifen.
§24. Das explizierende Betrachten und die explikative Synthesis.
a) Die explikative Synthesis als Ursprungsort der Kategorien “Substrat” und “Bestimmung” und die Aufgabe ihrer Analyse.

Op het tweede niveau, dit van de ontvouwing, wordt er ingegaan op de interne horizon van het object. Er is een keten van enkelvoudige Erfassungen, die met elkaar verbonden een polythetische eenheid vormen. Omdat het object van in het begin in een karakter van vertrouwdheid daar is, is de richting van de verwachtingen reeds uitgestippeld.

Er zijn verschillende voltrekkingswijzen van de ontvouwing, die echter alle dezelfde grondstructuur vertonen. Een object S en de interne bepalingen a, b, … ervan worden in het proces van de zich uitwerkende interesse niet gegrepen in de volgorde S, dan a, dan b, …, alsof ze met elkaar niet te maken hadden en er een wisseling van thema zou zijn. “Vielmehr in dem ganzen Prozeß von Einzelakten, (…), lernen wir S kennen. Der Prozeß ist eine entfaltende Betrachtung, eine Einheit gegliederter Betrachtung.”5 S behoudt gedurende het hele proces het karakter van thema, terwijl de bepalingen ervan niets zijn voor zich, “sondern etwas von Gegenstande S, etwas aus und in ihm.”6 Het onbepaalde thema S wordt in de ontvouwing het substraat van de naar voor getreden eigenheden, die zich zelf als bepalingen van S constitueren.

Maar hoe komt het dat a, b, … op een andere wijze bewust zijn dan S of een willekeurig andere S’? Doorheen het zich voltrekkende proces is er continue een dekkingseenheid van een bijzondere aard. Door verder in te gaan op ‘substraat’ en ‘bepalingen’ wordt dat verduidelijkt. We staan hier aan de plaats van oorsprong van de eerste zgn. ‘logische categorieën’.


b) Explikative Deckung als besondere Weise von Synthesis der Überschiebung.

Bij de overgang van het vatten van S naar het vatten van a is er een zeker over elkaar schuiven van beide. Dat gebeurt in alle gevallen van ontvouwing. Het Ik gaat in een synthetisch doen over van greep naar greep. Het ik is bij het vatten van het tweede nog op het eerste gericht, met en door het nieuwe is het nog op het oude gericht. “Das Nacheinander der Aufmerksamkeits- und Erfassungsstrahlen is zu einem Doppelstrahl geworden.”7

Als we overgaan van een kleur naar een toon, dan is er geen dekking volgens gegenständlichen Sinn. In het geval van overgang van een kleur naar een kleur wel (wegens gelijkheid of gelijkaardigheid). In het geval nu van de synthese van een ding en een eigenheid ervan is er een eigensoortige identiteitsdekking. Deze explikatieve dekking mag echter niet verwisseld worden met de totale identiteitsdekking. In het geval van de explikatieve dekking is er een identificeren waarin continuïteit en discretie zich op merkwaardige wijze verknopen. De bepaling a is niet bewust als hetzelfde als S, maar evenmin als zomaar anders. “In jeder das S explizierenden Bestimmung ist das S in einer seiner Besonderheiten, und in den verschiedenen als Explikate auftretende Bestimmungen ist es dasselbe, nur in verschiedenen Besonderheiten als seinen Eigenheiten.” 8
c) Das Im-Griff-behalten bei der Explikation gegenüber dem Im-Griff-behalten bei schlichter Erfassung.

In de ontvouwing van een object, voltrekken we steeds nieuwe actieve bijzondere toewendingen en grepen, terwijl we continu ook op het volledige object gericht blijven. De partiële grepen dekken zich met de totaalgreep op zo’n wijze dat we in elke partiële greep het geheel grijpen. In de schlichte Erfassung gaat de aan het Ik ontspringende stroom van activiteit naar het ongedeelde, volledige object. Bij het ontvouwende beschouwen gaat een nieuwe stroom van originele activiteit naar de betreffende eigenheden van het object. De intentionele modus van de aanvankelijke activiteit die op het geheel gericht is, is nu echter veranderd, “es ist nicht ein Verbleiben der aktiven Erfassung des Ganzen in der ursprünglichen und urlebendigen Form, sondern ein Sicherhalten der Aktivität in einer intentionalen Modifikation, eben als Noch-im-Griff-behalten.”9 Hetzelfde geldt voor de overgang van een Explikat naar een volgend.

Het verschil met de schlichte Erfassung ligt in het volgende: “das Im-Griff-haben des in der Explikation stehenden Objektes ist nicht ein inhaltlich unveränderliches Im-Griff-haben, also ein Noch-im-Griff-haben desselben­, “so wie” es vor diesem Schritte bewut war, vielmehr vermöge der ständig neuen Partialdeckungen ein immer wieder verschiedenes.”10 Er is m.a.w. een verrijking van de inhoud door de partiële grepen. Na de ontvouwing van a is S Sa, na de ontvouwing van b (Sa)b, enz. Het ik is daarbij niet meer in het bijzonder op a of b gericht, maar wel op S, die a, b, enz. als Niederschläge in zich bergt. Wat het overgaan van bepaling naar bepaling betreft is er dus een discretie of discontinuïteit, maar tegelijk is er wegens het neerslaan van de bepalingen in S een continuïteit gewaarborgd (cf. de bijzondere dekkingssynthese).
d) Explikation und Mehrheitserfassung.

Onderscheiden van boven beschreven ontvouwingsproces, is de synthese die in het grijpen van een meervoud (Mehrheitserfassung) plaatsheeft, bijv. bij het grijpen van een sterrengroep, een groep kleurvlekken. Op grond van een profilering en affectering die één geheel vormt kan zo’n meervoud als één geheel een thema worden. De ontvouwing bestaat er dan uit dat de gegenständlichen Einzelnen als de bepalende delen ervan worden ervaren. De delen worden als snel elk thema, niet elk helemaal afgezonderd, maar zich aaneenrijgend. Als de interesse vervuld wordt, “erwächst ein einheitlich aktiver Prozeß, in dem jedes schon Erfaßte noch im Griff bleibt, so daß in der Tat nicht nur ein Nacheinander von Aktivitäten, sondern eine Einheit verharrender Aktivität durch das Nacheinander hindurch erwächst.”11

Het verschil met de ontvouwing beschreven onder c) ligt in het volgende. In het geval van een configuratie als één geheel, een meerheid, geen doel van de ervarende kennisname. De partiële identificatie (de explikatieve dekking) treedt hier niet op. De eenheid van de activiteit komt hier niet tot stand door activiteit, maar door een verbinding tot stand gebracht vanuit een passieve bron. De eenheid komt met andere woorden in beide gevallen op een andere wijze tot stand.
§25. Der habituelle Niederschlag der Explikation. Das Sich-einprägen.

Zoals gezegd is geen enkel object volledig onbekend wegens een horizon van typische vertrouwdheid en voorbekendheid. Die horizon is echter voortdurend in beweging, hij verandert met elke stap die genomen wordt in de ontvouwing. De beleving van het grijpen van een object kan ‘vergeten’ worden, maar is daardoor geenszins spoorloos verdwenen. Ze is enkel latent geworden, is een habitueel bezit geworden dat telkens bereid is tot vernieuwde actuele associatieve opwekking. Na het proces van de ontvouwing is het object blijvend geconstitueerd als bepaald door de betroffen bepalingen, ook nadat het in de passiviteit verzonken is. Wanneer nu opnieuw kennis genomen wordt van het object, origineel of in de herinnering, is het object met een betekenisinhoud voorgegeven die wezenlijk anders is dan in de vroegere waarnemingen ervan. De neerslag van vroeger toebedeelde bepalingen is nu een element van de opvattingszin van de waarneming geworden, zelfs als het object niet opnieuw ontvouwd wordt. In het geval van ontvouwing echter, heeft deze het karakter van herhaling en reactivering van een reeds verworven ‘weten’. Al dat gebeurt volgens een algemene wetmatigheid van het bewustzijnsleven, als het ware zonder ons toedoen.

Toch kan ook het tot stand brengen van een habitualiteit gewild zijn. Dan zal men de explikatieve synthese herhaaldelijk doorlopen (in de waarneming of de herinnering) met het doel zich het ontvouwde object in te prenten. Men concentreert zich dan op bijzondere kenmerken van het object. “Die Betrachtung wird zur eindringlichen Betrachtung, in der das Wahrnehmungsinteresse sich in der Vielheit der beim Explizieren hervortretenden Washeiten auf die besonders auffälligen und charkteristischen richtet.”12
§26. Die Explikation als Verdeutlichung des horizontmäßig Antizipierten und ihr Unterschied gegenüber der analytischen Verdeutlichung.

De ontvouwing van een object en het totstandkomen van habitualiteit, is niet iets dat enkel het object in kwestie betreft. Meteen wordt een Typik uitgestippeld op grond waarvan, door een apperceptieve overdracht, ook andere objecten van een gelijkaardige soort als een object van deze typiek in een zekere vertrouwdheid verschijnen. Elke ontvouwing kan zo ook gezien worden als een verduidelijking en verheldering, als een naderbepaling van hetgeen in horizonvorm onbepaald is. Helderheid is echter nooit zuivere Selbstgebung, de uitgestippelde zin is nooit een absolute bepaling. De vage algemeenheid van het ‘voorgemeende’ blijft steeds, en wordt slechts vervuld in de Gestalt van een Näherbestimmung.

In de ontvouwing bezet de oorspronkelijk volledig vage eenheid van de horizon zich, door de vervulling, met het verhelderende explikaat. Aangezien het explikaat echter steeds een partiële ontvouwing is, blijft er steeds een niet opgehelderde resthorizon over. “Dabei geht Klärung immer zugleich als “Näherbestimmung” vonstatten oder besser als Verdeutlichung, da hier das Wort Bestimmen einen neuen Sinn hat. Erst die wirkliche Klärung zeigt in umgrenzter Deutlichkeit, was vorgemeint war.”13

Gewoonlijk heeft “verduidelijking” een andere betekenis, nl. de analytische verduidelijking. Ook deze is een soort ontvouwing,maar dan een ontvouwing in het Leerbewußtsein, terwijl de besproken ontvouwing zich afspeelt in het bereik van de aanschouwelijkheid. De analytische verduidelijking, bij het oordeel, heldert een verward urteilendes Meinen op. Wat in het oordeel gemeend wordt, hoeft daarom niet aanschouwelijk gegeven te zijn. “Das liegt daran, daß das prädikative Urteilen eine fundierte Intentionalität hat.”14
§27. Ursprüngliche und nicht-ursprüngliche Vollzugsweisen der Explikation. Explikation in der Antizipation und in der Erinnerung.

Er zijn verschillende wijzen van voltrekking van de ontvouwing:

1.De oorspronkelijke ontvouwing, waarin een object volledig nieuw bepaald wordt. Niettemin is het object vooraf reeds zo en zo opgevat (als een object van dit of dat type), wegens vroegere analoge ervaringen van andere objecten.

Er zijn verschillende wijze van synthetische dekking tussen het geanticipeerde en het in de aanschouwelijkheid gegeven ‘explikaat’, naarmate het gaat om een bevestiging van het geen verwacht is, of een teleurstelling, of geen van beide (wanneer de anticipatie in het geval van een volledig onbekend object te onbepaald is).

2. Een object kan ook in de anticipatie ontvouwd worden op grond van een voorstelling in de fantasie. Daarbij spelen herinneringen aan objecten van eenzelfde of verwant type een rol. Dit is bijv. het geval wanneer van een louter analytische verduidelijking overgegaan wordt naar zijn veraanschouwelijkende verheldering.

3. Men kan ook terugkomen op een reeds ontvouwd object en de kennis ervan opnieuw actualiseren. Er zijn verschillende modificaties daarvan.



  1. Een object wordt opnieuw ontvouwd en tegelijk opnieuw waargenomen, zodat de ontvouwing in de herinnering in dekking is met de stapsgewijze vernieuwde waarneming.

  2. Men kan ook terugkomen op een vroeger ontvouwd object zonder dat dit tegelijk ook in de waarneming is gegeven. De herinnering eraan kan ofwel eerder onduidelijk zijn (maar toch anders dan de herinnering aan een vroeger nog niet ontvouwd object), ofwel wordt elke stap van de vroegere ontvouwing in de herinnering opnieuw gearticuleerd en zo tot aanschouwelijke gegevenheid gebracht. De structuur ervan is dezelfde als een ontvouwing in de waarneming; enkel is het in-greep-houden niet impressioneel.

4. Onder ontvouwing in de herinnering kan echter ook nog het volgende verstaan worden: een object kan origineel in de waarneming gegeven zijn en er kan tot ontvouwing overgegaan worden terwijl het niet meer zelfgegeven is (bijv. wanneer we iets vluchtig zagen en pas nadien ingaan op wat we gezien hebben). Het gaat hier om oorspronkelijke ontvouwing, hoewel niet in de zelfgegevenheid. Een verdere modificatie hiervan is dat een deel van de ontvouwing gebeurt terwijl het object zelfgegeven is, maar het volgende deel niet.

Hoe de horizonintenties in alle bovenstaande gevallen aanzet kunnen geven tot teleurstelling, terwijl het hier toch gaat om een voorstelling, moet nog in overweging genomen worden.




1 Husserl E., Erfahrung und Urteil, Felix Meiner, Hamburg, 1972, p. 117.

2 Ibid., p. 117.

3 Ibid., p. 120.

4 Ibid., p. 122.

5 Ibid., p. 126.

6 Ibid., p. 126.

7 Ibid., p. 128.

8 Ibid., p. 130.

9 Ibid., p. 131.

10 Ibid., p. 132.

11 Ibid., p. 135.

12 Ibid., p. 139.

13 Ibid., p. 142.

14 Ibid., p. 143.




Dovnload 34.2 Kb.