Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een Bredase grand seigneur

Dovnload 72.74 Kb.

Een Bredase grand seigneur



Datum26.10.2018
Grootte72.74 Kb.

Dovnload 72.74 Kb.

Een Bredase grand seigneur


Prins Willem van Oranje en Breda
Prof. dr. Wim Klinkert

René van Chalon


Op 13 juli 1544 arriveerde de Duitse Keizer Karel V (1500-1558) met meer dan tienduizend man voor de muren van Franse stad Saint Dizier, in de Champagnestreek ten zuidoosten van Reims. Hij voerde op dat moment oorlog in Italië en Frankrijk om zijn uitgestrekte Habsburgse dynastieke belangen te verdedigen. De vesting St. Dizier, die de toegang tot de Marnevallei vanuit Duitsland beschermde, was in handen van de Franse koning François I (1494-1547). De Habsburgse troepen groeven loopgraven rond de vesting en stelden geschut op, om de stad onder vuur te nemen. Tussen de officieren van het Habsburgse leger bevond zich een prins uit Breda: René1 van Chalon, prins van Oranje. De jonge prins, pas 25 jaar oud, was de zoon van de kort voordien overleden Hendrik III van Nassau, een van de vertrouwelingen van keizer Karel en lid van hoge adel uit de Nederlanden. René had niet alleen de uitgestrekte Nassau bezittingen in de Nederlanden geërfd, maar via zijn oom, Filibert van Chalon (1502-1530), ook het soevereine prinsdom Oranje2 en dat maakte hem tot eerste van de edelen in de Nederlanden. Een prinsdom dat hij nooit zou bezoeken. Hij resideerde in het Bredase renaissancekasteel, een pronkpaleis dat Hendrik in de plaats van het oude kasteel vanaf 1536 had laten bouwen. Daar was René geboren en opgevoed als een heuse renaissanceprins om hoge functies aan het Habsburgse hof te gaan bekleden. Zijn huwelijk met hertogin Anna van Lotharingen (1522-1568), weerspiegelde en versterkte die positie.

René kreeg, zoals een prins betaamde, ook een militaire opleiding, zodat hij reeds in 1537, op achttienjarige leeftijd, bevel kreeg over een legereenheid. In de bijna onophoudelijke reeks oorlogen tussen de keizer en de Franse koning kon het niet lang duren of de prins betrad het slagveld. In 1537 voerde Floris van Egmont (1470-1539) in opdracht van de keizer in Artois een succesvolle campagne tegen de Franse koning. René onderscheidde zich bij een tweetal belegeringen. Kort nadien vielen zware verantwoordelijkheden op de schouders van de jonge René. Zijn vader overleed en het al eerder geplande huwelijk met Anna moest gesloten worden. Gelukkig stond zijn Duitse familie in de persoon van graaf Willem van Nassau (1487-1559) hem hierbij in raad en daad terzijde. Bijna daags na zijn huwelijk, op 25 en 26 augustus 1540, verbleef Karel V op het kasteel in Breda en gastheer René verzorgde uitbundige feestelijkheden. Karel verleende de prins het stadhouderschap over Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht en verhief hem tot ridder van het Gulden Vlies.

René was aldus in korte tijd in de voetsporen van zijn vader getreden met eenzelfde nauwe band met de het Habsburgse hof. Een schitterende toekomst lag in het verschiet. Op 8 oktober 1540 hield hij zijn prachtvolle blijde inkomste in Breda. Maar militaire plichten lieten niet lang op zich wachten.

Tot Karels tegenstanders behoorden naast de Franse koning ook de Gelderse hertog, die weigerde zich aan de keizer te onderwerpen. Diens krijgsheer, Maarten van Rossum (1478-1555), trok in 1542 door Brabant en dat leidde tot een tweejarige strijd die de prins van Noord-Frankrijk tot West-Duitsland bracht en die het Gelderse verzet brak.

Nog geen half jaar later deed de keizer opnieuw een beroep op de prins, nu voor zijn oorlog in Frankrijk. In mei ontmoette René de keizer in Metz. Op 20 juni 1544 maakte hij te velde zijn testament, de volgende maand lag hij voor St. Dizier. Op 17 juli, terwijl hij in een van de loopgraven in gesprek was met zijn commandant Ferdinand Gonzaga (1507-1557) trof een kanonskogel vanuit de vesting hem tussen hals en schouder. De verwonding leidde tot hoge koorts en de volgende dag overleed de prins. Zijn recente testament werd nu realiteit: aangezien hij zonder wettige kinderen3 was gestorven, vervielen zijn uitgestrekte bezittingen aan zijn jonge Duitse neef, Willem van Nassau. De zoon van graaf Willem, die René nog geen vier jaar eerder had bijgestaan.4

Willems komst naar Breda5


Het nieuws van het sneuvelen van prins René was begin augustus 1544 op Dillenburg bekend. Graaf Willem van Nassau vertrok spoorslags naar Brussel om met keizer Karel de gevolgen van de omvangrijke erfenis die zijn elf jaar oude zoon nu ten deel viel, te bespreken. De Nassaus van Dillenburg waren luthers en in die zin waren de kinderen opgevoed, heel anders dan de katholieke omgeving van de keizer, waarin zoon Willem nu zou komen te verkeren. Daarom was graaf Willem zelf geen erfgenaam. Zijn oudste zoon daarentegen was nog jong genoeg om hem katholiek op te voeden. Die zoon werd door deze erfenis plotsklaps de voornaamste edelman van de Nederlanden en trad in de voetsporen van zijn Bredase voorgangers Hendrik III en René, die beiden een zo eminente plaats binnen de entourage van de Habsburgse keizer hadden bekleed en eervolle en delicate opdrachten voor hem hadden uitgevoerd. De Bredase Nassau’s torenden in bezit, status en invloed ver boven hun Duitse verwanten uit.

De jonge erfgenaam belandde in een nieuwe wereld. Hij moest Frans gaan spreken en kreeg een hoogadellijke opvoeding onder de hoede van de landvoogdes, Maria van Hongarije (1505-1558), de zuster van de keizer die in Brussel zetelde. Daar was ook het tweede grote paleizencomplex dat Willem naast het Bredase kasteel erfde, het Hof van Nassau. Dit omvangrijke en schitterende bouwwerk, waar boven de schouw in de Grote Zaal Jeroen Bosch’ befaamde drieluik De Tuin der Lusten hing, werd bewoond door de weduwe van René van Chalon. Willem zou er pas in 1555 intrekken.6

Op 28 augustus 1544 arriveerde prins Willem met zijn gevolg in Breda. De vergulde koets waarmee hij door de stad reed, bleef aansluitend op het kasteel te pronk staan. Hij zag het renaissancepaleis van Hendrik III toen voor de eerst maal. Het fraaie bouwwerk, eerste van zijn soort in de Nederlanden, was nog niet voltooid. Ook delen van de Middeleeuwse burcht van de Polanens, die voor de Nassau’s Breda in bezit hadden gehad, stond er nog. Aan het kasteelplein gaf een fraai geornamenteerde poort met de wapens van Karel V, Nassau en Chalon aan, waar het terrein betreden moest worden. Rechts hiervan was het woonhuis gelegen, het zogenaamde blokhuis en links hiervan de rekenkamer waarin de uitgebreide Nassause bezittingen werden geadministreerd. Een galerij verbond beide gebouwen. Het paleis zelf bevatte onder meer gastenverblijven en de Ridderzaal, waarin de Nassau’s hun rijkdom en importantie toonden. In een reisverslag beschreef Cornelius Ettininius (van Etten), begeleider van de pauselijke nuntius Pieter Vorstius, het kasteel als een van de prachtigste adellijke verblijven van Duitsland.7

Het Bredase kasteel lag aan de noordrand van de stad, nabij de haven en de Grote Kerk, waarin de prachtige graven van de Nassaufamilie zich bevonden. De stad zelf had tien jaar voor Willems intrede een verwoestende brand gekend, waardoor twee derde in de as was gelegd.8 Met steun van de Nassau’s en door het gunstig economisch klimaat was de stad fraaier dan ooit uit haar as herrezen. Grote zogenaamde hofhuizen omringden het uitgestrekte kasteelcomplex met zijn pronk- en moestuinen. Op 12 januari 1546, na de installatie van een nieuw stadsbestuur, beleefde de jonge Willem zijn eerste officiële feestmaal in Breda. Een formele intocht moest nog wachten tot hij meerderjarig was.9 Bij deze eerst gelegenheid nuttigde het gezelschap een schaap en 35 potten wijn. Een flauwe afspiegeling van wat de volgende jaren zou volgen.

Twee Duitse leeftijdgenoten10 waren met Willem meegekomen, hun opvoeding, samen met die van Willem kwam in handen van Claude Bouton (1473-1556)11 een vertrouwelingen van keizer Karel. Willem verbleef de eerste jaren veel in Breda en was tot 1551 regelmatig te gast in het Brusselse paleis van de landvoogdes, die de jonge prins graag in haar nabijheid had. Maria introduceerde hem bij belangrijke politieke en ceremoniële gebeurtenissen. De lessen die hij ontving weerspiegelden het ideaal van de renaissance hofadel: vaardigheden als paardrijden, jagen en deelnemen aan toernooien12 en studie van Frans en Latijn, wiskunde, recht en geschiedenis.13

Staatszaken en politiek leerde hij onder meer op zijn reizen met de landvoogdes, zoals in 1548 toen hij met de keizer en haar aanwezig was bij vaststelling van de Transactie van Augsburg, waarbij de Zeventien Bourgondische Nederlanden nader samengesmeed werden en losser van het Duitse Rijk kwamen te staan. Het was de eerste keer dat hij zijn vader weer zag. In 1549 bepaalde de keizer dat de erfopvolging in alle Nederlandse gewesten ondeelbaar was Zo werkte Karel aan de fundamenten van een staat die centraal bestuurd en katholiek moest zijn. Willem diende aan die staat loyaal te zijn.

Een belangrijke symbolische stap in dit eenwordingsproces was in 1549 het kennismakingsbezoek van kroonprins Filips aan de Nederlanden. Van april tot en met oktober begeleidde Willem hem hierbij. Toen Filips op 21 en 22 september feestelijk in Breda onthaald werd, was Willem voor de eerste maal gastheer in grootste stijl op zijn eigen Bredase kasteel. Ook hier gaf de landvoogdes acte de présence.14 Het bevestigde tevens Oranje’s positie als leenman van de Habsburgse vorsten.

Anna van Buren


Rond Willems achttiende jaar kwam onvermijdelijk de vraag van de huwelijkspartner naar voren. Voor een prins die zo in de nabijheid van het hof leefde en zich een vertrouwenspositie verwierf, was ook dit een staatszaak, waar de keizer en de landvoogdes zich mee bemoeiden.

Als meerderjarige kreeg Willem in 1551 geheel zelfstandig, zonder tussenkomst van de keizer en zijn voogden, het kasteel van Breda en de omvangrijke bezittingen die daartoe behoorden, in bezit. Hij ging nu het leven leiden van een grand seigneur in de luisterrijke stijl van het Nederlandse hoge adel en daarbij hoorden het dienen van de keizer in zijn leger, zoals René voor hem had gedaan, en het versterken van de positie van zijn familie via het opbouwen van netwerken en een profijtelijk huwelijk. En dat was de verbintenis met de grafelijke familie Van Buren zeker.

Maximiliaan van Egmont, graaf van Buren (1509-1548) was de zoon van de eerder genoemde Floris, onder wie Chalon gediend had. Maximiliaan behoorde tot de edelen die dicht bij de keizer stonden en hem in bestuurlijke functies en in het harnas dienden.15 Hij bezat een dochter, Anna, die bij zijn overlijden erfgename was geworden van uitgestrekte bezittingen in de Nederlanden. Waarschijnlijk hebben Maximiliaan en de keizer de verbintenis tussen Willem en Anna kort voor Maximiliaans overlijden afgesproken. Namens Willem voerde zijn zwager, Herman van Nieuwenaar van Meurs (1514-1578) de finale onderhandelingen. Het huwelijk werd op 7 juli 1551 op het kasteel van Buren met veel pracht en praal voltrokken. Het werd door de aartsbisschop van Keulen, Adolf von Schaumburg (1511-1556), die met een gevolg van zeshonderd was gekomen, op 9 juli in de St. Lambertuskerk in Buren ingezegend. De hoge Nederlandse adel was in grote getale aanwezig. Breda haalde het jonge paar op 28 juli feestelijk in.16

De prins kon nu ook in zijn eigen residentie formeel worden geïnstalleerd, dat vond van 28 tot 30 maart 1552 plaats. Het was een grootse inhuldiging. Voor het stadhuis “hadt men aldaer een schoone vercierde Zuyl geplaatst, waar uyt witte en roode wyn sprong.”17 Stad en land van Breda schonken hem 20.000 gulden.

Van het eerste huwelijk van Willem van Oranje kennen we weinig details. Uit de enkele Franstalige brieven die van Willem aan zijn vrouw bekend zijn, komt een liefdevolle relatie naar voren, hoe gearrangeerd het huwelijk ook was. Anna verbleef meestal in Breda, waar zij voor de hofhouding zorgde. Willem was veel op reis. Om Anna gezelschap te houden en om de Duitse familie te helpen nam Willem zijn zussen Juliana (1546-1588) en Magdalena (1547-1633) op in zijn huishouding. Zijn broer Lodewijk (1538-1574) was vanaf jonge leeftijd ook veelvuldig op het Bredase kasteel te vinden. Van Anna weten we dat ze zich bezighield met de verdere verfraaiing van het kasteelcomplex en dat ze recepten voor medische en cosmetische producten verzamelde.18

Kort na zijn huwelijk moest Willem zich in dienst van de keizer vooral aan militaire taken wijden. In 1551 was opnieuw oorlog uitgebroken tussen de Habsburgers en de Franse koning, inmiddels Henri II (1519-1559). Willem diende troepen te werven, maar te velde ging hij nog niet19, dat gebeurde pas het volgende jaar, maar deze en andere staatszaken hielden hem regelmatig langere tijd uit Breda weg. Van april tot november en tweede helft van december 1552 was Willem als kolonel te velde in de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk (Artois). In juli 1553 maakte hij het beleg van Hesdin, westelijk van Arras, mee.

Op 1 december 155320 werd het eerste kind van Willem en Anna in Breda geboren. Het dochtertje Maria werd in de kapel van het kasteel, gebouwd door René, gedoopt. Willem was er niet bij. Ze stierf ruim een jaar later. Voor de volgende bevalling ging Anna naar Buren. De eerste zoon, Filips Willem, genoemd naar kroonprins Filips, werd wel in Breda gedoopt. De omvangrijke feestelijkheden op 18 februari werden opgeluisterd door de aanwezigheid van hertog Willem van Kleef (1516-1592). De jonge vader kon er net vier dagen voor vrijmaken, zo dicteerden de verzoeken van de keizer Willems leven. In de zomer van 1554 verkeerde hij opnieuw met de keizerlijke troepen te velde in Artois. Hij maakte op 13 augustus 1554 zijn eerste veldslag mee, de slag bij Renty.

In 1555 woedde de oorlog tussen de keizer en de Franse koning in alle hevigheid door. Willem nam op verzoek op 25 juli het commando over het Maasleger op zich. Op 22-jarige leeftijd bezat hij de rang van generaal. Hij verbleef de maanden nadien meestentijds te velde ten zuiden van Charleroi. Vanuit zijn legerkamp vertrok hij 20 oktober 1555 naar Brussel omdat Karel V afstand deed van de troon. Zeer uitzonderlijk had Willem voor deze plechtigheid de overkomst van Anna, die weer zwanger was, naar Brussel geregeld. Ze zag op 25 oktober de zieke en snel verouderde keizer leunend op haar man de zaal van de ridders van het Gulden Vlies waar de troonsafstand plaatsvond, binnentreden. Reeds de volgende dag vertrok Willem weer naar legerkamp om pas in februari 1556 in Breda terug te zijn, kort na de geboorte van zijn dochter, Maria. Ze werd in de kasteelkapel gedoopt.

Willems openbare leven raakte met de troonsbestijging van Filips verder in een stroomversnelling. Filips wenste de hoge adel vast aan zich te verbinden, te meer daar hij op korte termijn naar Madrid zou vertrekken. In november 1555 trad Willem toe tot de Raad van State. Op 30 januari 1556 nam Filips de prins van Oranje met een ridderslag op in het selecte gezelschap van Vliesridders. In juni 1558 kreeg hij van Filips het bevel over de in de Nederlanden geworven troepen.21 In 1559 ten slotte benoemde Filips hem tot stadhouder. Anna maakte de laatste twee benoemingen niet meer mee. Ze was op 24 maart 1558 in Breda overleden. Willem en Anna hadden weinig werkelijk samengeleefd. Nooit was hij langer dan enkele weken achtereen op zijn Bredase kasteel geweest. En hoe liefdevol de relatie ook mag zijn geweest, verhalen over Willems feestelijkheden in het nachtleven in Brussel of ander steden, en te velde bleven de ronde gaan. In september 1559 werd Justinus geboren, Willems zoon bij zijn maîtresse Eva Elincx (±1535-±1590), dochter van de burgemeester van Emmerik.

Hofleven
Op het moment dat Willem als elfjarige in bezit kwam van de erfenis van René van Chalon kreeg hij een eigen hof zoals dat hoorde bij de hoge adel rondom de landsheer. Een hof was hiërarchische organisatie van zeer uiteenlopende functionarissen die het dagelijks leven van de prins en zijn gezin vorm gaven. Hoffunctionarissen voerden namens de prins bestuurstaken uit en lieten de entourage waarin de prinselijke familie verkeerde schitteren door pracht en praal die de hoge status van de familie beklemtoonde.

Willems eerste hof was nog zeer bescheiden, naast de twee jonge graven die met hem uit Duitsland waren meegekomen, kon hij beschikken over een kamerheer, een page, een lakei, een leraar, een stalmeester en een paardenknecht. Zij kregen een plaats op het Bredase kasteel, waar de organisatie van René van Chalon voorlopig in tact bleef. Was de prins in Brussel, dan zag hij het toppunt van Bourgondische pracht en praal rondom de keizer en de landvoogdes. Hij kon daar ervaren wat hofleven op het hoogste niveau inhield: jachtpartijen, exorbitante culinaire genoegens, politieke intrige, roddels en pikanterieën. In dat rijke hofleven werd Willem geïntroduceerd en hij zou er zich als een vis in het water in bewegen.

Willems Bredase hofhouding groeide gestaag in omvang. Begin jaren vijftig had hij ongeveer 160 mensen als persoonlijke hofhouding in dienst. Aan de top stonden de zogenaamde Gentilshommes22 jongere edelen, veelal ongehuwd, die aan het hof verbleven en behoorden tot het netwerk van de prins. Zij kregen aan het prinselijke hof een opvoeding, bouwden eigen netwerken op en verleenden de vorst allerlei diensten tot aan het bedienen en voorsnijden van vlees en vis tijdens het diner toe. Dan volgden de pages, jonge jongens uit gegoede families die opgevoed werden en eenvoudige diensten verrichtten. Willems onechte zoon Justinus verbleef als page in Breda. Daarnaast waren er hofdames, zij ondersteunden vooral Willems echtgenote. Hiertoe behoorden bijvoorbeeld de vrouwelijke familieleden van Willem die aan het Bredase hof verbleven.

Een tweede grote groep waren de burgers die de voeding en drank, de kleding en de stallen verzorgden: foeriers, palfreniers, koks, patissiers, sommeliers, kleermakers en nog vele anderen. Zij deden tevens de zaken met de hofleveranciers die veelal in Breda of de nabije omgeving woonden. Ten slotte zorgde een klein leger van bedienden, staljongens, wasvrouwen en andere ongeschoolden hulpen voor een vlotte gang van zaken van het drukke hofleven.

Eten en drinken waren bijzonder belangrijke activiteiten. In feesten, maaltijden en drinkgelagen kon de vorst zijn rijkdom tonen en zijn netwerk onderhouden. Bovendien verbleven regelmatig gasten langere tijd op het kasteel, die goed verzorgd moesten worden, naast het verzorgen van de eigen bewoners. Delen van de administratie van Willems hof zijn bewaard gebleven waaruit we weten wat er zoal in het Bredase kasteel op tafel verscheen. Vlees werd in grote hoeveelheden geconsumeerd, niet alleen van schapen, runderen en varkens maar ook van ongebruikelijker herkomst zoals reigers, zwanen en pauwen. Ook vis verscheen in vele vormen op tafel, gedroogd, gezouten of gerookt. Tong en forel waren het populairst. Een bijzondere invulling van ‘vis’ waren kikkers, deze konden op vrijdag geserveerd worden. Gemiddeld bereidde de keuken op een dag dat vlees op het menu stond 2½ schaap, een kalf, een speenvarken en tien kilo rundvlees. Op een visdag werden zo’n zeventig vissen bereid.

Naast vlees en vis gebruikten de Bredase koks vele kruiden, zuidvruchten, marsepein, noten en als duurste ingrediënt saffraan. Groenten kwamen uit de eigen moestuin: komkommer, kool, knolraap en ui. De meeste calorieën kregen de kasteelbewoners echter van wit brood – bruin brood gold als armenvoedsel en werd niet geserveerd – samen met rode wijn en bier.23 Deze dranken werden in onvoorstelbare hoeveelheden genuttigd. Willem zelf had daar ook weinig moeite mee, hij verdroeg alcohol goed. Dat was een nuttige eigenschap want zowel in Breda als in Brussel maakte hij zeer vele drinkgelagen mee. In het Brusselse paleis stond zelfs een extreem groot bed, waar zeker een tiental feestgangers hun roes kon uitslapen. Het was bovendien gebruikelijk dat edelen in de ochtend hun gasten in hun slaapkamer ontvingen, terwijl ze nog in bed lagen.

Behalve eten en drinken bestond het vermaak uit muziek en dans, de jacht, bord- en kaartspelen, schaatsen en toernooien, al zijn die laatste in Breda niet bekend. Willem kon zich in al deze activiteiten uitstekend bewegen. Hij was een goed danser. Zijn feesten in Brussel en Breda waren vermaard.

De keerzijde waren de kosten. Hofleven was extreem duur en zelfs Willem, de rijkste van alle edelen, raakte in de loop van de jaren vijftig in de financiële problemen. Hij moest bezuinigen, maar op termijn lukte dat niet. In 1553 kostte zijn hof 52.000 pond per jaar, in 1560, toen het 256 personen omvatte, 90.000. Zijn schuld was opgelopen tot 900.000.24 Huwelijken die het familiekapitaal aanvulden waren alleen om deze reden al wenselijk. Afzien van leven in grootse staat was geen optie, een grand seigneur kon zich alleen zo handhaven.

Als Willem op veldtocht ging, en dat gebeurde in de zomermaanden zeer frequent, dan reisde zijn persoonlijke hofhouding mee. Ook in de legertenten mocht het de prins en zijn entourage aan niets ontbreken. Van pasteibakker tot valkenier, ze volgden hun prins. Aan de fraaie legertenten wapperden rijk uitgevoerde wimpels; zilveren borden en kristallen wijnglazen behoorden tot de meegevoerde inventaris. 25

Ten slotte was het hof een plaats waar familie- en politieke banden aangehaald en onderhouden werden. Op 22 september 1556 bijvoorbeeld vond in Breda de ontvangst van koning Filips II plaats. En na de slag bij St. Quentin (10 augustus 1577) verkeerde een bijzondere gevangene op het kasteel van Breda, Jacques d'Albon de Saint-André (1505-1562). Hij nam deel aan hofleven, waarbij hij zo’n nauwe band met Willem ontwikkelde, dat deze via d’Albon goede ingangen in Franse hofkringen verwierf. Mede hierdoor kon Willem een belangrijke onderhandelaarsrol spelen tijdens de vredesbesprekingen tussen de Franse koning en Filips die in de zomer van 1558 tot een wapenstilstand leidden en uiteindelijk tot de vrede van Cateau Cambresis (3 april 1559) waarmee een einde kwam aan 65 jaar strijd tussen Frankrijk en de Habsburgers.

Familieleden uit Duitsland logeerden ook regelmatig bij Willem. Moeder Juliana bijvoorbeeld verbleef in de herfst van 1561 in Breda. Veel langer was het verblijf van Lodewijk, die zich ontwikkelde tot secretaris en persoonlijk gezant van Willem. De lutherse Lodewijk had geen formele band met koning Filips, was onstuimiger van karakter dan zijn broer en fungeerde als belangrijke schakel met de lagere adel in de Nederlanden. Bovendien kon Willem via Lodewijk gemakkelijk in calvinistische kringen contacten onderhouden.

Mede via Lodewijk speelde het Bredase kasteel een rol in de groeiende oppositie van de adel van de Nederlanden tegen Filips’ bewind. Willem stelde vanaf ongeveer 1561 zijn paleizen in Breda en Brussel open voor overleg tussen opposanten. Hij gebruikte hier mede grote hoffeesten voor, waarbij in de marge de oppositie werd voorbereid. Zulke bijeenkomsten zijn bekend in Breda in de maanden april, juni en juli 1563 waarbij de vooraanstaande edellieden Filips van Montmorency van Hoorne (1524-1568) en Lamoraal van Egmont (1522-1568) aanwezig waren. Voor de lagere adel fungeerde Lodewijk als organisator. Van 7 tot 13 november 1563 verbleef om deze reden Hendrik van Brederode (1531-1568) in Breda. Een andere voorname gast in de roerige jaren 1565-1566 was Filips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), toen een jonge theoloog wiens calvinistische opvattingen dicht bij die van Lodewijk lagen, maar die wel Willems tolerantie steunde.26

Bij Willem was sinds 1559 langzamerhand weerstand gegroeid tegen de fanatieke kettervervolging van koning Filips, tegen de aanwezigheid van Spaanse troepen in de Nederlanden en tegen centralisatie van de regeringsmacht in Brussel, waardoor de machtspositie van de hoge adel afkalfde. Vanaf 1561 uitte Willem zijn verzet steeds openlijker, niet alleen door zijn Bredase kasteelpoort voor andersdenkenden te openen maar ook door zijn protestante Bredase stadsgenoten te beschermen. Nog manifester werd zijn oppositie tegen de koning in Willems beroemde rede voor tolerantie voor de Raad van State van 1564. Desondanks bleef hij zijn persoonlijke band met de moederkerk onderstrepen.27

In februari en maart 1566 overlegde de Liga, waarin de hoge adel zich verenigd had, in Breda en Hoogstraten, maar de door Willem gewenste samenwerking met de lage adel kwam niet tot stand. Op 5 april kreeg de landvoogdes alleen van de lage adel het Smeekschrift der edelen aangeboden, dat niet tot blijvend resultaat leidde. De tegenstellingen verhardden. In de zomer raasde de beeldenstorm over de zuidelijke Nederlanden. Deze bereikte op 22-23 augustus Breda, waar Willem, in lijn met zijn streven vrijheid voor alle godsdiensten te bewerkstelligen, zich inzette voor bescherming van kloosters.28 Lodewijk intussen wierf troepen voor zijn broer in Duitsland.

Het volgende jaar was het Bredase hof nog eenmaal de plaats voor overleg van opposanten. Op 1 februari 1567 werd in Breda besloten dat Brederode leider van de Nederlandse calvinisten zou zijn, en Willem zou zich op Duitsland richten om via die vorsten Filips tot matiging bewegen. Tevens viel het besluit de landvoogdes opnieuw een smeekschrift aan te bieden. Dat gebeurde op 8 februari. Dit zogenaamde compromis van Breda had geen positief resultaat. Integendeel, de opstand tegen het beleid van Filips luidde einde van Willems hofleven in Breda in.


Anna van Saksen

Met het overlijden van Anna van Egmond in 1558 was Willem een 25-jarige weduwnaar. Een nieuw huwelijk diende gearrangeerd te worden. In 1559, toen Willem in Frankrijk verbleef, kwam twee kandidaten in beeld, maar de dames waren om politieke redenen niet aanvaardbaar voor de Franse koning.29 In de herfst liet Willem zijn mogelijkheden aan het hof van de Saksische keurvorst in Dresden polsen. Een huwelijk met Anna zou grote voordelen opleveren, zij was immers de dochter van een aanzienlijk en bemiddeld Duits vorst. Tevens versterkte een liaison met Saksen de positie van de Nassaus in Duitsland. Dat Anna niet de mooiste was en over wat eigenaardige karaktertrekken beschikte kon Willem wel op de koop toe nemen. Haar lutherse levensovertuiging lag in de Nederlanden, en dan vooral bij Filips weliswaar gevoelig, maar Willem zette door. De Saksische schoonfamilie werd verzekerd dat Anna in Breda niet onderworpen zou worden aan enige dwang op godsdienstig gebied, Breda was een tolerante omgeving.30

In december 1560 zag Willem Anna in Dresden voor het eerst. De jonge prinses bewonderde de vlotte, sociaal vaardige en charmante prins meteen. Na het huwelijk in Leipzig vond op 4 oktober 1561 de feestelijke ontvangst in Breda plaats. Met een triomfboog en beschilderde zuilen langs de route, met muziek en veel versieringen heette de stad het paar welkom. Anna kreeg een kostbaar juweel aangeboden.31 Een gift van zes vette schapen van de Norbertijner abdij van Tongerloo, waarmee de Nassaus al lang nauwe banden hadden, werd door de secretaris van de prins geweigerd. Het was de vorst onwaardig. Er kwamen zilveren schalen voor in de plaats.32 Kinderen volgden snel. Het tweede en het derde kind werd in de kapel van het kasteel in Breda katholiek gedoopt, Anna op 5 november 1563 en Maurits in februari 1565. 33 Het jongetje stierf jong.34

Snel werd het duidelijk dat het huwelijk slecht was. Anna voelde zich aan het hof Breda dat veel wereldser was dan ze Saksen gewenst was geweest niet thuis. Ze sloot zich meer en meer af. Willem vluchtte in buitenechtelijke relaties. De huwelijksmisère raakte al snel vrij algemeen bekend. Deze perikelen vielen samen met het groeiend verzet van verscheidene groepen in de Nederlanden tegen het beleid van Filips. De beeldenstorm en Filips’ compromisloze houding in 1566 en 1567 gooiden olie op het vuur. Willem, inmiddels uitgegroeid tot een van leiders van de oppositie, wist dat Filips zijn pijlen op hem zou richten. Hij besloot hem voor te zijn. Van 13 tot 22 april 1567 verbleef de prins voor het laatst in Breda. Hij gaf opdracht de omvangrijke en rijke inboedel van het kasteel naar Duitsland te versturen, voordat Filips ze kon confisqueren. De prins vertrok in ballingschap, vier maanden later trok de hertog van Alva met zijn leger Brussel binnen. Op 18 januari 1568 beschuldigde de regering Willem van rebellie en verklaarde zijn goederen en paleizen in Breda en Brussel35 verbeurd. Zijn oudste zoon, Filips Willem, die in Leuven studeerde, werd gevangen genomen en naar Spanje overgebracht.

De beschrijving van de inboedel van het kasteel van Breda vormt een vele pagina’s lange lijst van gouden en zilveren voorwerpen, tapijten, eetgerei, linnengoed, meubels en vele sier- en gebruiksvoorwerpen. Zo goed als alle gouden en zilveren voorwerpen liet Willem in Duitsland omsmelten, veel objecten verpandde hij.36 De collectie middeleeuwse handschriften bleef in Breda, Filips liet ze naar Spanje verschepen37, samen met Jeroen Bosch’ drieluik uit Brussel. Willem nam 48 boeken mee naar Duitsland.38 De koning stelde Bernard van Schouwenburg voorlopig als zijn bestuurder van Breda aan. Op 6 juli 1568 bezocht Alva namens Filips Breda en hij bezegelde de inbezitname officieel. Dit moment had moeten wachten op de formele verbeurdverklaring van Willems bezittingen. Inmiddels had als Van Schouwenburgs opvolger een nieuwe gouverneur zijn intrek in het kasteel genomen, Pieter van Quaderebbe van Berchem. Deze oud-burgemeester van Leuven was een getrouw uitvoerder van het beleid van de koning, Alva kon Breda gerust in zijn handen laten. Hij zou de stad tot 1572 blijven besturen.

Kortstondige terugkeer
Na 1567 beleefde Willem de zware jaren van de Opstand. Daaraan leek rond 1575 een einde te komen, toen onderhandelingen tussen de opstandelingen en de regering werden gevoerd, die uitmondden in de Pacificatie van Gent. Op weg daar naar toe vond in het voorjaar en de zomer van 1575 vredesoverleg op het stadhuis in Breda plaats, de zogenaamde Bredase vredehandel. De onderhandelingen betroffen de terugtrekking van Spaanse troepen, de godsdienstvrijheid en het bijeenkomen van de Staten-Generaal. Willem werd vertegenwoordigd door zijn zwager Gunther von Schwarzburg (1529-1583) en zijn toekomstige schoonzoon Filips van Hohenlohe (1550-1606). De onderhandelaars gingen zonder overeenstemming weer uiteen.39

De Pacificatie van Gent (8 november 1576) betekende een eerste doorbraak. Breda kwam weer terug in handen van Willem, hoewel voorlopig alleen in naam. In de zomer van 1577 teisterden plunderende Duitse legereenheden de stad. Hohenlohe moest met een legermacht naar Breda optrekken, om het gezag van de prins te herstellen. Op 4 oktober 1577 kwam Breda, geschonden en ontredderd na moeilijke jaren, weer in handen van de prins. De intocht van Willems derde echtgenote, Charlotte de Bourbon, op 15 oktober, was dan ook bescheiden. De stad deed haar best met fakkels en pektonnen een feeërieke sfeer te scheppen en de straten waren versierd. Op een geschenk van de stad moest Charlotte nog even wachten, enkele jaren later schonk Breda haar alsnog een kostbaar zilveren lampetstel, “la vaiselle de Breda”.40 Willem zelf verbleef deze periode afwisselend in Dordrecht, Geertruidenberg, Antwerpen en Brussel. Op afstand nam hij wel een belangrijk besluit. In 1578 kondigde hij een religievrede af. Drie jaar lang konden de calvinisten, naast de katholieken, in Breda vrij hun godsdienst belijden. Willems streven naar religieuze tolerantie was hiermee, zij het kort en slechts lokaal, verwezenlijkt.41 Op 13 september 1579 sloot Breda zich aan bij de Unie van Utrecht.

Inmiddels werkte Willem samen met de nieuwe landvoogd, Matthias van Oostenrijk (1557-1619), benoemd tegen de zin van koning Filips. Willem verbleef nu meestentijds in Antwerpen. Op 24 januari 1580 hield hij samen met Matthias zijn feestelijke intocht in Breda. Kort nadien was hij al weer weg, aan zijn reizend bestaan tussen Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen kwam geen einde. Breda heeft hij niet meer gezien.42 Op 28 juni 1581 namen Spaanse troepen plunderend en moorden de stad in: de furie van Haultepenne.43

Terugkeer na vier eeuwen


De herinnering aan Willem en Anna van Buren bleef op het Bredase kasteel leven. De galerij tussen het blokhuis en de rekenkamer, waarin de grote toegangspoort was gelegen, heet tot op de dag van vandaag Egmondgalerij. In 1896 schonk koningin-regentes Emma een portret van Anna aan de militaire academie die inmiddels in het kasteel was gevestigd.

Het vierde eeuwfeest van Willems geboorte werd in 1933 in het door crisis geteisterde Nederland uitbundig gevierd. Hierbij bleef Breda niet achter. Het kasteel, de belichaming van de band tussen leger, staat en Oranje, vormde daarin een natuurlijk middelpunt. Op 2 mei 1933, in aanwezigheid van civiele, militaire en kerkelijke autoriteiten onthulde de commissaris van de koningin in Noord-Holland, tevens voorzitter van het Nationale Herdenkingscomité, Antonie Röell (1864-1940) in de Henricuspoort een plaquette ter herinnering aan Willems verblijf in Breda, een ontwerp van Ir. Vetter, docent aan de KMA.



Op 13 mei 1933 schonken Breda en de baronie een gebrandschilderd raam aan de Nieuwe Kerk in Delft. Het verbeeldt “de intocht in Breda onder leiding van Willem de Zwijger” en was ontworpen door Willem van Konijnenburg (1868-1943). De tekst luidt:
“Zoo bond Breda’s kasteel Oranje aan Nederland”


1 Ook Reynout en Renatus genoemd. Zelf koos hij voor de Franse vorm van zijn naam.


2 Het prinsdom Orange was in 1393 in handen gekomen van de familie Chalon. In 1530 was met de dood van Filibert, broer van Hendriks echtgenote, de familie in mannelijke lijn uitgestorven.


3 Hij had wel een onechte zoon, Palamedes van Chalon, geboren omstreeks1540.


4 F. Rachfahl, Wilhelm von Oranien und die niederländische Aufstand (Halle, 1906), 119-123; H. van Alfen, “De sterfdag en het testament van René de Chalon”, Bijdragen voor de vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde 1933, 185-200 en D.C.J. Mijnssen, “René van Chalon”, Jaarboek De Oranjeboom 4 (1951), 75-94.


5 H. Klink, Opstand, politiek en religie bij Willem van Oranje (Heerenveen, 1998), 75-86.


6 K. Vetter, Aan het hof van Willem van Oranje (Haarlem, 1992), 20 en M.-A. Delen, Het hof van Willem van Oranje (Amsterdam, 2002), 60-67.


7 Vetter, hof, 14; G.W.C. van Wezel, Het paleis van Hendrik III (Zwolle, 1999) en E.F.T.M. Vink, Breda en de Nassaus (Breda, 2004).


8 Th. E. van Goor, Beschryving der stadt en lande van Breda (Breda, 1744),139.


9 Delen, hof, 238.


10 Wolfgang von Isenburg- Ronneburg (1533-1597) en Georg von Leiningen-Westerburg (1533-1586). Zij keerden in 1547 terug naar Duitsland.


11 In december 1549 opgevolgd door Jerôme Perrenot de Champagney (1524-1554).


12 Deelname van Willem is alleen bekend op 8 februari 1551 in Augsburg, zie Delen, hof, 172.


13 M.E.H.N. Mout, “Het intellectuele milieu van Willem van Oranje” BMGN 99 (1984), 603.


14 G. Parker, The Dutch Revolt (Harmondsworth, 1990), 23-30.


15 Stadhouder, militair commandant, kamerheer en ridder van het Gulden Vlies, vriend van Hendrik III van Nassau.


16 S. Groenveld, “Het huwelijk van Willem van Oranje en Anna van Egmont-Buren (1551) geplaatst in het kader van de Habsburgse adelspolitiek” Jaarboek Oranje-Nassau Museum 2001, 7-24 en J.H. Hofman, “Het huwelijk van prins Willem met Anna van Egmond, Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap, 1893, 69-88.


17 Van Goor, Beschryving, 140.


18 Delen, hof, 207.


19 J. van Hoof, “De loopbaan van Willem van Oranje in het Nederlandse leger”, Mars et Historia 18 (1984),178-185. Willems eerste militaire functie dateerde van december 1551 als kapitein van een compagnie.


20 Delen, hof. 254.


21 De zogenaamde benden van ordonnantie.


22 Delen, hof, 92-105.


23 Delen, hof, 156.


24 Vetter, hof, 30 en Rachfahl, Wilhelm, 210-214.


25 Delen, hof, 47.


26 A.A. van Schelven Marnix van Sint Aldegonde (Utrecht, 1939).

27 Klink, opstand, 97-99, Mout, “Het intellectuele milieu van Willem van Oranje” BMGN 99 (1984), 607 en A.J.M. Beenakker, Breda in de eerste storm van de opstand (Tilburg,1971), 32-37.


28 Van Goor, Beschryving, 94 en Beenakker, eerste storm, 69-79.


29 Dit betrof Renate van Lotharingen (1544-1602) en Marie de Bourbon de Saint Pol (1539- 1601) weduwe van Jean van Enghien (1528-1557).


30 Klink, opstand, 107 – 108.


31 R. van Roosbroeck, “Bredase Oranjesprokkels”, Jaarboek De Oranjeboom 23 (1970), 69-73.


32 M.W. Jurriaanse, “De inboedel van het kasteel te Breda in 1567”, BMHG 1935, 226-228.


33 Het Vaderland 25 april 1933.


34 Delen, hof, 255-257 en A.W.E. Dek, Genealogie van het vorstenhuis Nassau (Zaltbommel, 1970), 77.


35 Dit paleis kwam in 1601 in handen van Willems oudste zoon Filips Willem.


36 Jurriaanse, “inboedel”, BMHG 1935, 215-260.


37 A.S. Korteweg, “De bibliotheek van Willem van Oranje” in Boeken van en rond Willem van Oranje Koninklijke Bibliotheek 1984, 14-16.


38 C. de Wolf, “De bibliotheek van Willem van Oranje” in Boeken van en rond Willem van Oranje KB 1984, 29.


39 R. Fruin. “Prins Willem in onderhandeling met den vijand over vrede” in Verspreide geschriften deel II (’s-Gravenhage, 1900), 336-384, aldaar 379-381; W.A.F. Bannier, “Eenige brieven over de voorbereidingen van den Bredaschen vredehandel”, BMHG 1913, 538-562 en Van Goor, Beschryving, 143.


40 Roosbroeck, “Oranjesprokkels”, Jaarboek De Oranjeboom 23 (1970), 77-83.


41 Van Goor, Beschryving, 74, Pater Plancius, “De religievrede te Breda”, Jaarboek De Oranjeboom 7 (1954) 46-63, aldaar 51-56 en O.J. de Jong, “Unie en religie” in S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg (red.), De Unie van Utrecht (Den Haag, 1979), 155-181, aldaar 168-170. In 1566, kort na de beeldenstorm, had Willem de calvinisten nog een kerk binnen de Bredase stadswallen ontzegd. De lutheranen kregen die vrijheid wel, zie: Beenakker, eerste storm, 87-90, 106-109 en 114.


42 Merkwaardig is dat hij op 26 januari 1583 vanuit Breda een brief verstuurde en dat hij op 26 april 1583 kortstondig in Breda verbleef. H.J.P. van Alfen, “Dagregister van ’s prinsen levensloop” in B.C. de Savornin Lohman ea. (ed.) Willem van Oranje (Haarlem, 1933), 451.


43 Claude de Berlaymont de Haultepenne (1550-1587), in opdracht van landvoogd Alexander Farnese (1545-1592).



Dovnload 72.74 Kb.