Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een gecombineerde checklist voor inspecties in de primaire plantaardige productie

Dovnload 294.18 Kb.

Een gecombineerde checklist voor inspecties in de primaire plantaardige productie



Pagina1/2
Datum19.02.2019
Grootte294.18 Kb.

Dovnload 294.18 Kb.
  1   2



Een gecombineerde checklist voor inspecties in de primaire plantaardige productie
Iris Bracqué

Agro- en Biotechnologie

Academiejaar 2006 - 2007


Certagro

Leuvensesteenweg 130A

3191 Boortmeerbeek

tel. 015/515735

fax 015/514779



Woord vooraf

Een woord vooraf wilde ik u niet onthouden. Niet om u op te zadelen met extra leesvoer, wel om enkele mensen te bedanken. Zonder hun hulp zou ik er namelijk niet in geslaagd zijn om dit werk af te leveren in de huidige vorm. Zij hebben daar een groot aandeel in. Hun inspanning en kostbare tijd vergoeden met hun naam te vermelden, vind ik het minste wat ik kan doen.


Voornamelijk gaat mijn dank uit naar mijn projectmentor de heer Lieven Porreye (directeur Certagro) en mijn projectbegeleidster mevrouw Annemie Van Cauwenberghe (docente KaHo Sint-Lieven). Zij gingen samen met mij de uitdaging aan om dit project tot een goed einde te brengen. Na vele vragen en minstens evenveel antwoorden en raadgevingen van hun kant, ligt het eindresultaat voor u op tafel.

Tevens dank ik ook de keurders van Certagro, met wie ik bedrijf- en productcontroles mocht bijwonen: mevrouw Sandra Geysels, de heer Lieven Coppieters en de heer Tom Bolsens. De praktische ervaring en hun meningen waren voor dit project en voor mij een heuse verrijking.


Dank ook aan mevrouw Floortje Garreyn (Laboratory of Crop Protection, Ugent) en de heer Koen Mondelaers (Department of Agricultural Economics, UGent) , die ik in het kader van dit project mocht interviewen. De interviews hebben een meerwaarde aan dit project gegeven.
Dank ook aan de docenten, die me gedurende drie jaar tot op de eindbestemming loodsten.
Dank u wel aan iedereen die de tijd genomen heeft om mijn project eens rustig na te lezen.
Tot slot richt ik me tot mijn ouders, zus en vriend voor de onvoorwaardelijke steun en de bemoedigende schouderklopjes. Die onvergetelijke hulp was meer dan eens nodig tijdens het sleutelen aan dit project. Bedankt!





Inhoudstafel

Woord vooraf 2

Inhoudstafel 3

Inleiding 5

1. Het begrip “lastenboek” 6

1.1. Wat is een lastenboek? 6

1.2. Waarom een lastenboek? 6

1.3. De HACCP-methode 6


1.3.1. Definitie 6
1.3.2. Oorsprong van HACCP 7
1.3.3. Waarom HACCP? 7
1.3.4. Situering van HACCP 7
1.3.5. Wat is een autocontrolesysteem 8
1.3.6. Hoe moet het autocontrolesysteem uitgewerkt worden? 8
1.3.7. Het autocontrolesysteem in de primaire plantaardige sector 9

2. De Sectorgids Autocontrole voor de Primaire 10
Plantaardige Productie
(versie 1 dd 18.07.2006)

2.1. Ontstaan 10

2.2. Belangrijkste kenmerken 10

2.3. De structuur van de sectorgids 11

2.4. De richtlijnen van de sectorgids 12

3. De IKKB Standaard voor de Primaire Plantaardige 15
Productie
(versie 2.1 dd 31.10.2006)

3.1. Ontstaan 15

3.2. Belangrijkste kenmerken 16

3.3. De structuur van de IKKB Standaard 17


3.4. De richtlijnen van de IKKB Standaard 17

4. EUREPGAP Groenten & Fruit (versie 2.1 - Oct04) 20
4.1. Ontstaan 20
4.2. Belangrijkste kenmerken 20
4.3. De structuur van EUREPGAP 21
4.4. De richtlijnen van EUREPGAP 21
5. Motieven van telers om deel te nemen aan een lastenboek 25
6. De ontwikkeling van een gecombineerde checklist 28
6.1. Het verloop van een audit 29
6.2. De gecombineerde checklist 30

7. Besluiten 32


8. Bronnen 33
9. Bijlagen 34

Inleiding

De afgelopen halve eeuw is onze maatschappij grondig veranderd, en zo ook de agro- voedselketen.

Tot zeer kort geleden was de voornaamste doelstelling van de voedselproductie in Europa voldoende voedselhoeveelheden te produceren tegen redelijke prijzen. Naarmate de landbouwproductiviteit exponentieel verbeterde vond de consument kwantiteit en goedkope prijzen alsmaar vanzelfsprekender en hij begon meer aandacht te schenken aan kwaliteit en veiligheid van het voedsel en de manier waarop het geproduceerd wordt.
In plaats van zoveel mogelijk te willen produceren zijn kwaliteitscontroles, voedselveiligheid en traceerbaarheid een nieuwe prioriteit geworden.

Uitgangspunt is en blijft de consument, die veilig en kwalitatief hoogstaand voedsel wil en dat als basisrecht beschouwt. Om dit te garanderen voor de consument zijn er zowel voor de dierlijke als de plantaardige productie lastenboeken opgesteld.

In de primaire plantaardige sector zijn drie belangrijke lastenboeken:


  • de Sectorgids Autocontrole voor de Primaire Plantaardige Productie (G-012),

  • de IKKB Standaard voor de Primaire Plantaardige Productie,

  • EUREPGAP Groenten & Fruit.

Het spreekt voor zich dat er moet nagegaan worden in hoeverre de land- en tuinbouwers de richtlijnen van deze lastenboeken, indien ze hier aan willen deelnemen, effectief naleven. Daarom worden er op regelmatige basis onafhankelijke controles uitgeoefend die in het positieve geval resulteren in het gebruik van een certificaat of attest of in sommige gevallen een productlabel. Hierbij moet wel vernoemd worden dat de Overheid eist dat de wetgeving en de vastgelegde vereisten terzake door elke teler gerespecteerd worden, m.a.w. dit is voor elke teler een verplichting.

Vele land- en tuinbouwers kiezen ervoor om aan verschillende lastenboeken te voldoen en verschillende certificaten te behalen. Dit is natuurlijk een positieve zaak, maar voor controleorganisaties is dit niet altijd even gemakkelijk. Elk lastenboek heeft zijn eigen vereisten, dus als een controleur een gecombineerde controle voor verschillende lastenboeken wil uitvoeren, moet hij overeenkomstige vereisten doornemen, eventueel aan de hand van een checklist.
Het doel van dit project is het ontwikkelen van een gecombineerde checklist van de Sectorgids (G-012), IKKB en EUREPGAP, om zo de gecombineerde controles minder tijdrovend te maken. Maar is dit wel mogelijk?
In de literatuurstudie wordt eerst het begrip “lastenboek” toegelicht en daarna volgt een bespreking over de inhoud van de drie lastenboeken. De bedoeling is om via deze weg de verschilpunten van de drie lastenboeken boven water te laten komen. We besluiten het literaire deel met motivaties waarom telers wel of niet willen deelnemen aan een lastenboek.

In het praktische gedeelte wordt dan de ontwikkeling van de gecombineerde checklist verduidelijkt en tenslotte worden er enkele besluiten getrokken.


1. Het begrip “lastenboek”

1.1. Wat is een lastenboek?

Een lastenboek is een document dat een overzicht geeft van normen en voorschriften of eisen waaraan bepaalde producten, processen, activiteiten, … moeten voldoen. Het dient om samen met de producent de juiste methoden te bepalen die dan door een externe dienst zullen gecontroleerd worden.
1.2. Waarom een lastenboek?
Elke schakel in de keten van de voedselproductie moet voldoen aan eisen op het vlak van kwaliteit en voedselveiligheid om in orde te zijn met de wetgeving. Het voldoen aan een lastenboek betekent dat de producent voldoet aan bepaald aantal eisen die aan een product of productiemethode worden gesteld.
Wetgeving:

Koninklijk Besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 april 1997. Het betreft de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten. Deze wet vloeit voort uit de Europese richtlijn 93/43/EEG van de Raad van 14 juni 1993 inzake de hygiëne van levensmiddelen.


Het doel van deze wetgeving is het bewijs afleveren dat voeding geproduceerd wordt die veilig is.

Alles in deze wetgeving draait rond HACCP. Vandaar dat lastenboeken of voedselveiligheidssystemen meestal op de zogenaamde Hazard Analysis Critical Control Points (HACCP) gebaseerd zijn.


Wat houdt de HACCP-methode nu precies in?

1.3. De HACCP-methode



1.3.1. Definitie

HACCP staat voor het Engelse ‘Hazard Analyses and Critical Control Points’, wat letterlijk vertaald betekent: ‘Gevarenanalyse en Kritische Controlepunten’.


De Federatie van de Belgische distributiesector (FEDIS) omschrijft HACCP als volgt:

Het is een zelfcontrolesysteem dat door middel van analyse van de risico’s en de kritieke punten voor het beheer, een bepaalde vooropgestelde kwaliteit wenst te garanderen aan de voedingsproducenten.



Het gaat dus om een preventief systeem voor kwaliteitsbewaking, dat op Europese schaal wordt toegepast. De bedoeling is om een wederzijds vertrouwen te creëren in het veiligheidsniveau van de voedingsproducten, nu het vrije verkeer ervan werkelijkheid is.”

Het HACCP concept is een bepaalde manier van werken in een voedingsdienst.


Het omvat een ingebouwd controlesysteem dat mogelijke fysische, chemische of microbiologische gevaren en allergenen bij de verschillende stappen van de verwerking van het voedsel beheerst. Om dit te kunnen realiseren worden er kritische controlepunten opgesteld. Hierdoor wordt een maximale veiligheidsgarantie aan de consument geboden.

HACCP toepassen betekent gevaren en risico’s:

- duidelijk omschrijven;

- vroegtijdig opsporen;

- doelmatig controleren;

- steeds evalueren en

- continu beheersen.
1.3.2. Oorsprong van HACCP
HACCP is ontstaan op het einde van de jaren '60 wanneer in de USA de eerste ruimtevluchten gepland werden en de behoefte zich voordeed om veilig voedsel te voorzien voor de astronauten. Ruimtereizigers hebben immers noch de tijd, noch de infrastructuur om uitgebreid te herstellen van een slecht verteerde maaltijd. De Pilsbury Company ontwikkelde daarom een systeem, HACCP genaamd, dat garandeerde dat hun voedsel in de meest hygiënische omstandigheden was gerealiseerd.

In de jaren '80 werd HACCP in de Verenigde Staten in wetten gegoten en toegepast in de bedrijven. Pas in de jaren '90 werden ook in Europa wetten hieromtrent uitgeschreven.


1.3.3. Waarom HACCP?
Wie voedsel verstrekt is zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het voedsel. Er moet een eigen controlesysteem worden uitgewerkt. De verantwoordelijke moet kunnen aantonen dat de microbiologische, chemische of fysische risicofactoren en de allergenen beheerst worden.
Door toepassing van het HACCP systeem wordt de consument beschermd tegen eventuele ongemakken of ziekten waarvan onhygiënisch of vervuild voedsel de oorzaak zijn. Wanneer zich toch eventueel een ongeval zou voordoen, kan een sluitend bewijs voorgelegd worden dat er wel degelijk een ‘voedselveilig’ beleid tijdens de productie gevoerd wordt. In verband met de aansprakelijkheid en bewijsvoering kan dit een doorslaggevend argument zijn.
1.3.4. Situering van HACCP
Vanaf 25 oktober 1997 is de ganse voedselketen verplicht zich te schikken naar het Koninklijk Besluit (KB) van 7 februari 1997, met betrekking tot de maatregelen die dienen in acht genomen te worden inzake de hygiëne van de voedingsmiddelen.

Het KB voorziet onder meer in de implementatie van een systeem van autocontrole met betrekking tot de veiligheid van de voedingsmiddelen, gesteund op de principes van HACCP.


Het Koninklijk besluit betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen van 14 november 2003 (aangepast door het Ministerieel besluit betreffende de modaliteiten voor de meldingsplicht van 22 januari 2004), verplicht aan alle exploitanten die voedingsmiddelen produceren, verwerken of in de handel brengen, een betrouwbaar autocontrolesysteem op te zetten. Het KB is van toepassing op de ganse voedselketen, inclusief de leveranciers aan de primaire sector, de verpakkers, de transporteurs en de onderaannemers.
1.3.5. Wat is een autocontrolesysteem?
Het doel van het autocontrolesysteem is de veiligheid van de volledige voedselketen te garanderen.

Het KB definieert autocontrole als volgt:

“Autocontrole is het geheel van maatregelen die door de exploitant worden genomen om ervoor te zorgen dat de producten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie die onder hun beheer vallen:

- Voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake voedselveiligheid.

- Voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake kwaliteit van zijn producten waarvoor

het Federaal Voedselagentschap bevoegd is.

- Voldoen aan de voorschriften inzake traceerbaarheid en het toezicht op de effectieve

naleving van deze voorschriften.”



1.3.6. Hoe moet het autocontrolesysteem uitgewerkt worden?

De exploitant mag zelf bepalen hoe hij zijn autocontrolesysteem uitwerkt, maar het systeem moet minstens gebaseerd zijn op de principes van het HACCP-systeem. M.a.w., de exploitant is niet verplicht om zich te laten certificeren voor het systeem, maar wel om de principes van het systeem toe te passen en dit te kunnen aantonen.


Hiervoor kan de exploitant beroep doen op gidsen die door het Voedselagentschap goedgekeurd zijn en opgesteld zijn per sector of deelsector. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) keurt het gedeelte van de autocontrole dat onder hun bevoegdheid valt goed, na advies van het Wetenschappelijk Comité. De gidsen kunnen de bedrijven aanzienlijk helpen bij het implementeren van hun eigen autocontrolesysteem en kunnen dienen als referentie voor de auditoren.
De validatie van het opzetten van een betrouwbaar autocontrolesysteem bij elk bedrijf kan, hetzij door het FAVV, hetzij door een geaccrediteerde certificeringsinstelling die erkend is door het FAVV, gebeuren. De controle op de autocontrole blijft de verantwoordelijkheid van het FAVV, zonder uit te sluiten dat het FAVV beroep kan doen op externe organismen.
De controle van productieprocessen op het terrein gebeurt in de eerste instantie door het bedrijf zelf (autocontrole). Deze controle kan daarnaast ook gebeuren door externe instellingen die geaccrediteerd zijn door BELAC, een organisatie die bevoegd is voor de controle en erkenning van OCI’s (Onafhankelijke Controle-Instelling).
Alle documenten die betrekking hebben op autocontrole moeten bewaard worden gedurende vijf jaar volgend op het verstrijken van de periode van houdbaarheid van het betreffend product, of bij gebrek daaraan, minimum vijf jaar. Deze documenten moeten steeds worden voorgelegd aan personen die belast zijn met controle.

Op onderstaande figuur wordt een schematische voorstelling van het systeem gegeven:





1.3.7. Het autocontrolesysteem in de primaire plantaardige sector

Er bestaan algemene publicaties over HACCP maar de implementatie in de praktijk is eigen aan de sector. Daarom is er voor de primaire plantaardige sector de Sectorgids Autocontrole voor de Primaire Plantaardige Productie (G-012) uitgewerkt.

In de primaire sector is het invoeren van een autocontrolesysteem niet verplicht. Wel moeten de bedrijfsleiders de goede landbouwpraktijken eerbiedigen die in detail beschreven zijn in de gidsen. Er moeten geen procedures worden opgesteld, wel moeten registers bijgehouden worden.

Veel bedrijven gaan echter veel verder dan de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake de preventieve beheersing van het productieproces door deel te nemen aan andere lastenboeken, zoals bijvoorbeeld IKKB en EUREPGAP. Dit wordt bovendien ook gestuurd vanuit de handel en afnemers.

Als opmerking moet er hier gezegd worden dat HACCP geen verplichting is voor de primaire sector en autocontrole wel!

2. De Sectorgids Autocontrole voor de Primaire
Plantaardige Productie
(versie 1 dd 18.07.2006)
2.1. Ontstaan

De Sectorgids Autocontrole voor de Primaire Plantaardige Productie is ontstaan om te voldoen aan het Koninklijk Besluit van 14 november 2003 inzake autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid voor de schakel van de primaire plantaardige productie en is opgesteld door de sector of de landbouworganisaties zelf.

In deze gids worden de vereisten of richtlijnen voor de primaire plantaardige productie met betrekking tot voedselveiligheid en traceerbaarheid onder de bevoegdheid van het FAVV opgenomen. Deze sectorgids (eerste versie) werd op 24 juli 2006 officieel goedgekeurd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Daarna heeft het FAVV op basis van deze sectorgids een eigen checklist en een leidraad ontwikkeld. Het FAVV gebruikt deze checklist voor het controleren van de autocontrole in de land- en tuinbouwbedrijven. De leidraad geeft bijkomend interpretatie aan de vereisten opgesomd in de checklist (zie www.favv.be).

Autocontrole of interne zelfcontrole vormt de basis van deze gids. Dit wil zeggen dat de landbouwer zelf, aan de hand van dit document, nagaat of zijn bedrijf voldoet aan de wettelijke voorschriften. Deze autocontrole is onderworpen aan “externe controle op de autocontrole”. Deze externe bedrijfscontrole kan uitgevoerd worden door een door het FAVV erkend certificeringsorganisme of door het FAVV zelf.

Drie belangrijke voordelen en redenen waarom een teler een certificaat van de Sectorgids Autocontrole wil zijn de volgende:


  • Het certificaat is onmiddellijk te verkrijgen.

  • Het verkrijgen van een bonus.

  • De kans op een negatieve FAVV-controle verkleint.

2.2. Belangrijkste kenmerken

De Sectorgids Autocontrole vormt een essentieel instrument om de landbouwers te helpen bij de controle op de vastgelegde voorschriften. In deze sectorgids worden de vereisten voor de primaire plantaardige sector met betrekking tot voedselveiligheid en traceerbaarheid onder de bevoegdheid van het FAVV opgenomen. De gids legt in eenvoudige bewoordingen uit wat de verschillende eisen in verband met autocontrole op het landbouwbedrijf inhouden (hygiënevoorschriften, traceerbaarheid – registratie, meldingsplicht).

2.3. De structuur van de sectorgids

De gebruikersgroep van de sectorgids voor de primaire plantaardige productie zijn alle landbouwers. In deze gids worden de volgende activiteiten beschreven:




  • Ontvangst, opslag en gebruik van grondstoffen:

  • Zaaizaad, plant- of pootgoed

  • Bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden

  • Meststoffen

  • Teelt en oogst van de plantaardige producten met als bestemming menselijke en/of dierlijke voeding;

  • Opslag en transport van de geoogste primaire plantaardige producten, voor zover deze activiteiten plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van het productiebedrijf;

  • Bewerken: bv. wassen, sorteren, snijden, verpakken, … van verse producten.

De volgende voederteelten zijn niet opgenomen in deze sectorgids PPP: voederbieten, grasland en ook de sierteeltgewassen.

Het autocontrolesysteem dat in deze gids wordt beschreven, bestaat uit verschillende elementen:



  • Hygiënevoorschriften: Deze voorschriften staan centraal in de sectorgids en vormen een handleiding voor de landbouwer. Ze omvatten de na te leven hygiënemaatregelen onder de vorm van concrete voorschriften. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen horizontale en verticale voorschriften. De horizontale voorschriften zijn voor alle landbouwers van toepassing en de verticale voorschriften zijn enkel van toepassing voor bepaalde activiteiten.



  • Registratie: Het KB betreffende autocontrole, traceerbaarheid en meldingsplicht zegt dat registers moeten bijgehouden worden door producenten van de primaire plantaardige producten. Deze registers dienen 5 jaar bewaard te worden.




  • Meldingsplicht: Elke exploitant in de voedingsketen moet voldoen aan de meldingsplicht indien een product schadelijk kan zijn voor de gezondheid van mens, dier of plant (MB 22.01.2004). Voor de primaire plantaardige productie houdt deze meldingsplicht concreet in dat de landbouwer verplicht is het FAVV te melden wanneer hij een vermoeden of bewijs heeft dat een product een mogelijk gevaar voor de menselijke of dierlijke gezondheid inhoudt. Ook vastgestelde quarantaineziektes en plantenziektes met gevaar voor de gezondheid van mens, dier en plant worden gemeld.
    Er zijn ook andere zaken die onder de meldingsplicht vallen. Deze zijn gebundeld in een leidraad en terug te vinden op www.favv.be.

2.4. De richtlijnen van de sectorgids

De richtlijnen of vereisten van de sectorgids worden weergegeven in een checklist (zie www.vegaplan.be). Deze checklist vormt de basis tijdens de jaarlijkse interne audit die de producent moet uitvoeren. De checklist wordt ingedeeld in 6 beheersitems waaronder de 74 controlepunten of vereisten vermeld staan.


Hieronder vindt u de onderverdeling van de checklist:


  1. Bedrijf en gebouwen: de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden moet correct toegepast worden overeenkomstig met de toepasselijke wetgeving. Ook moet er voor gezorgd worden dat de productie, het vervoer en de opslag van de plantaardige producten in hygiënische en veilige omstandigheden kan gebeuren door de reinheid van de productie-, bewerkings- en stockageruimten te handhaven.



  1. Machines, apparatuur en gereedschappen die in contact komen met het product voor oogst en na oogst behandeling: er moet gezorgd worden voor hygiënische omstandigheden. Voorzieningen, uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen moeten schoon gehouden worden en moeten indien nodig na het schoonmaken op passende wijze ontsmet worden. Ook het correct gebruik van spuittoestellen wordt nagegaan.



  1. Bedrijfsleider, personeel en derden: exploitanten van levensmiddelen moeten er in de mate van het mogelijke op toezien dat primaire producten beschermd worden tegen verontreiniging met betrekking tot elke verdere verwerking van primaire producten. Ze moeten er ook op toezien dat zijzelf en het personeel dat levensmiddelen hanteert in goede gezondheid verkeren, onderricht worden in gezondheidsrisico’s en over de nodige hygiënische voorzieningen beschikken.



  2. Teelttechniek en na-oogstbehandeling: hieronder worden de maatregelen voor het onder controle houden van verontreiniging door lucht, bodem, water, diervoeder, meststoffen, bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biocioden en de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen verstaan. Er wordt aandacht geschonken aan het gebruik van drinkbaar of schoon water wanneer dit noodzakelijk is om verontreiniging te voorkomen.



  1. Schadelijke organismen: er moet voor zover mogelijk voorkomen worden dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging veroorzaken. Ook meldingsplicht is hier aanwezig.



  2. Registratie: exploitanten van levensmiddelen moeten beschikken over systemen en procedures voor de registratie van ontvangen en afgevoerde producten. Ze moeten registers inzake maatregelen ter beheersing van gevaren voor levensmiddelen bijhouden en minimaal 5 jaar bewaren. Ze moeten de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking kunnen stellen van de bevoegde autoriteit.

    Bovendien moeten er ook in het bijzonder registers bijgehouden worden over elk gebruik van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden, elke aanwezigheid van schadelijke organismen of ziekten die de veiligheid van producten van plantaardige oorsprong in het gedrang kunnen brengen en de resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters.


In onderstaande tabel worden de 73 vereisten weergegeven. Ze zijn onderverdeeld in drie karakteristiek gekleurde types (type A = zwart, type B = grijs en ‘+’ of opmerking = wit) die de maximale non conformiteit (MNC) aangeven die kan gegeven worden bij een tekortkoming op deze vereiste.

Deze onderverdeling komt overeen met de onderverdeling van de checklist voor de validatie van de aanwezige autocontrole voor de bedrijven van de primaire plantaardige productie, die opgesteld is door het FAVV.


BEHEERSITEM

A

B

+

Totaal

1.

Bedrijf en gebouwen

16

2

7

25

2.

Machines, apparatuur en gereedschappen die in contact komen met het product voor oogst en na oogst behandeling

7

1

3

11

3.

Bedrijfsleider, personeel en derden

3

1

1

5

4.

Teelttechniek en na-oogstbehandeling

10

1

0

11

5.

Schadelijke organismen

11

1

1

13

6.

Registratie

8

0

0

8




Totaal

55

6

12

73

Het niet respecteren of een tekortkoming van een vereiste resulteert in:



    • Major non-conformiteit (type A)

    • Minor non-conformiteit (type B)

    • Opmerkingen

naargelang de gevolgen van de tekortkomingen op de voedselveiligheid of naargelang het belang van de tekortkomingen (gedeeltelijk of volledig).

Non-conformiteiten A dienen weggewerkt te worden binnen een bepaalde termijn (min 1 maand en max 12 maanden, afhankelijk van de tekortkoming). Non-conformiteiten worden bij de beoordeling vastgelegd in een non-conformiteitenrapport. Dit rapport moet door de landbouwer aangevuld worden met corrigerende maatregelen, dit wil zeggen beschrijven hoe hij de tekortkomingen zal wegwerken. Binnen de vooropgestelde termijn vindt een aanvullende audit plaats, waarbij enkel de tekortkomingen opnieuw beoordeeld worden. Dit kan ter plaatse of administratief gebeuren.

Non-conformiteiten B worden ook opgenomen in het non-conformiteitenrapport. Deze non-conformiteiten dienen weggewerkt te worden tegen de opvolgingsaudit. Meerdere non-conformiteiten B kunnen aanleiding geven tot een A.
Opmerkingen zijn in principe punten van aandacht. Wanneer ze niet in orde zijn, hebben ze niet onmiddellijk gevolgen voor de beoordeling. Maar meerdere opmerkingen op hetzelfde item geven wel aanleiding tot een non-conformiteit B.

3. De IKKB Standaard voor de Primaire Plantaardige Productie (versie 2.1 dd 31.10.2006)

3.1. Ontstaan

Sinds 1999 werken de verschillende beroepsverenigingen uit de verwerkende industrie van plantaardige grondstoffen aan een sluitend systeem voor traceerbaarheid, voedselveiligheid en kwaliteitscontrole binnen de volledige plantaardige keten.

In juni 2000 resulteerden de besprekingen in het Overlegplatform voor de Verwerking van Plantaardige Grondstoffen (OVPG). Het OVPG groepeert een aantal Belgische beroepsverenigingen uit de voedingsindustrie met één gemeenschappelijk belang, nl. de verwerking van plantaardige grondstoffen. Dankzij een plan van Integraal Keten Kwaliteit Beheersysteem (IKKB) wil het overlegplatform bijdragen tot de ontwikkeling van een uniek kwaliteitssysteem voor de keten van plantaardige productie. Teneinde kwaliteitsvolle én veilige plantaardige eindproducten af te leveren, dienen alle schakels betrokken te zijn; zijn gestelde eisen en normen voor productieprocessen onmisbaar en is controle een belangrijk element.

Een eerste versie van de IKKB Standaard voor de Primaire Plantaardige Productie werd ontwikkeld op 21 september 2004 door het OVPG in overleg met Agrofront en wordt administratief beheerd door Vegaplan.be vzw. Agrofront is een feitelijke vereniging die bestaat uit de Belgische Boerenbond, het Algemeen BoerenSyndicaat (ABS) en het FWA (la Fédération Wallonne de l’Agriculture). De basis van dit lastenboek is de sectorgids autocontrole.
Een tweede versie (versie 2.0) van dit lastenboek ontstond op 5 juli 2006. De reden hiervan was een uitbreiding van de scope aardappelen, groenten en fruit (AGF) met suikerbieten, granen, olie- en proteïnehoudende gewassen en cichorei. Ook een aanpassing van de vereisten met betrekking tot de sectorgids heeft hiertoe geleid. In deze versie werden tevens de codes aangepast (i.p.v. afkorting hoofdstuk werd een nummering toegepast). Bovendien werden de hygiënevoorschriften en vereisten voor registratie duidelijker gescheiden. En om volledig te zijn moet er ook nog vermeld worden dat de lay-out werd aangepast.

De tot nu toe laatste versie (versie 2.1) werd operationeel op 31 oktober 2006. Sinds 25 september 2006 bestaat er een akkoord tussen FAVV en BELAC waarbij het aspect verhouding sectorgids autocontrole en IKKB Standaard werd uitgeklaard. In de IKKB Standaard versie 2.1 worden de sectorgids en de specifieke vereisten uit IKKB vormelijk gescheiden in een deel 1 en 2 dat vooraf gegaan wordt door een inleidend hoofdstuk waarin de relatie tussen sectorgids en IKKB Standaard éénduidig vastgelegd wordt. De bedoeling van deze versie is een “one stop” audit mogelijk maken.

3.2. Belangrijkste kenmerken

IKKB is een systeem dat voedselveiligheid, kwaliteitscontrole en traceerbaarheid doorheen de volledige plantaardige productie garandeert. Elke schakel van de productieketen is verantwoordelijk voor de totale voedselveiligheid.

In de teelt van plantaardige grondstoffen wordt rotatie toegepast. Een efficiënt systeem van autocontrole kan enkel bekomen worden indien alle roterende gewassen - bieten, aardappelen, groenten, granen, maïs, cichorei, enz - in rekening worden gebracht én indien alle betrokken partijen - landbouwers en hun toeleveranciers, verwerkende industrie, transport, handel en distributie, verbruikers en de publieke autoriteiten - geïntegreerd worden in het systeem.

In volgend schema wordt de ketenaanpak geïllustreerd:





Het 4-letterwoord ‘IKKB’ onderschrijft de ketenbenadering:


Integraal’ verwijst naar de link die gelegd wordt tussen elke verantwoordelijke partner van de keten (in functie van zijn belangen), opdat de hele keten kan geoptimaliseerd worden. Elke partner moet zijn eigen, persoonlijke verantwoordelijkheid nemen evenals zijn toewijding aan de sterkte van de keten garanderen.

De ‘keten’ omvat alle partners in de voedselketen: toeleveranciers, landbouwers, handelaars en tussenpersonen, de verwerkers van basisgrondstoffen en bijproducten, de verwerkers van basisgrondstoffen tot eindproducten, transport en opslag, groothandelaars en de eigenlijke consument.



Kwaliteit’ omvat het geheel van kenmerken die beantwoorden aan de eisen inzake productveiligheid, technologische productkwaliteit (de aard, de gesteldheid, de samenstelling, de nutritionele aspecten, de verpakking en de etikettering), milieu en gezondheid. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de basiskwaliteit (wettelijke eisen) en de sectorspecifieke kwaliteit (aanvullende eisen);

Beheer’ houdt concreet planning, uitvoering, controle (monitoring) en verbetering in.

3.3. De structuur van de IKKB Standaard


De Sectorgids Autocontrole voor de Primaire Plantaardige Productie is integraal opgenomen in de IKKB Standaard voor de primaire Plantaardige Productie. Het is dus vanzelfsprekend dat de structuur van IKKB hetzelfde is als die van de sectorgids (zie 2.3.). In de IKKB Standaard wordt niet alleen uitgegaan van de wetgeving maar van een gevarenanalyse, alsook van inter-professionele akkoorden. Bovendien worden er ook vereisten met betrekking tot milieu opgenomen in de IKKB Standaard.
3.4. De richtlijnen van de IKKB Standaard

De onderverdeling van de checklist van de IKKB Standaard (zie www.vegaplan.be), die de basis vormt voor een externe audit van de teler, is hetzelfde als de sectorgids. Hierin staan eveneens de vereisten die de producent tijdens de jaarlijkse interne audit moet controleren. Maar de IKKB Standaard is een lastenboek voor de teelt van plantaardige producten met respect voor basisvereisten inzake voedselveiligheid én milieu. Aangezien milieu niet onder de bevoegdheid van het FAVV valt, zijn er geen milieuvereisten in de Sectorgids Autocontrole terug te vinden, maar wel in de IKKB Standaard. De IKKB Standaard biedt dus extra waarborgen. Bovendien is de IKKB Standaard gebaseerd op een ketenbenadering, waarbij zowel de toeleveranciers, de landbouwers als de afnemers van plantaardige producten betrokken zijn.


De Checklist wordt ingedeeld in 6 beheersitems waarin de 212 controlepunten of vereisten vermeld staan.

Hieronder vindt u de onderverdeling van de checklist:



  1. Bedrijf en gebouwen: de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden moet correct toegepast worden overeenkomstig met de toepasselijke wetgeving. Ook moet er voor gezorgd worden dat de productie, het vervoer en de opslag van de plantaardige producten in hygiënische omstandigheden kan gebeuren door de reinheid van de productie-, bewerkings- en stockageruimten te handhaven. Hier komt voor IKKB ook nog eens bij dat er aandacht moet besteed worden aan de aanwezigheid van de gepaste beschermkledij en de brandveiligheid van de gebouwen. Er wordt ook gelet op het sanitair, de opslag van meststoffen en een afvalbeheer.



  1. Machines, apparatuur en gereedschappen die in contact komen met het product voor oogst en na oogst behandeling: er moet gezorgd worden voor hygiënische omstandigheden. Voorzieningen, uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen moeten schoon gehouden worden en moeten indien nodig na het schoonmaken op passende wijze ontsmet worden. Ook het correct gebruik van spuittoestellen wordt nagegaan.
    Voor IKKB moet specifiek de meststofstrooier goed afgesteld en onderhouden worden, moet de thermometer jaarlijks gecontroleerd worden en moeten ook andere hulpwerktuigen in orde zijn.



  1. Bedrijfsleider, personeel en derden: exploitanten van levensmiddelen moeten er in de mate van het mogelijke op toezien dat primaire producten beschermd worden tegen verontreiniging met betrekking tot elke verdere verwerking van primaire producten. Ze moeten er ook op toezien dat het personeel dat levensmiddelen hanteert in goede gezondheid verkeert, onderricht wordt in gezondheidsrisico’s en over de nodige hygiënische voorzieningen beschikt. Verder moet de teler voor IKKB nagaan of de uitgevoerde werken door een loonwerker voldoen aan de IKKB voorschriften.




  1. Teelttechniek en na-oogstbehandeling: hieronder worden de maatregelen voor het onder controle houden van verontreiniging door lucht, bodem, water, diervoeder, meststoffen, bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biocioden en de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen verstaan. Er wordt aandacht geschonken aan het gebruik van drinkbaar of schoon water wanneer dit noodzakelijk is om verontreiniging te voorkomen. Voor IKKB wordt ook het gebruik van GGO’s en nieuwe productievelden (= nieuw voor agrarische doeleinden) gecontroleerd. Verder wordt er nagegaan of de teler bodem en/of substraatanalyses van de productielocatie uitvoert en of hij aan bodembeheer doet. Onkruidbestrijding, dunning en zetting, lichtinval, … zijn bijkomende aspecten die ook aandacht krijgen tijdens de IKKB-controle.



  1. Schadelijke organismen: er moet voor zover mogelijk voorkomen worden dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging veroorzaken.



  2. Registratie: exploitanten van levensmiddelen moeten beschikken over systemen en procedures voor de registratie van ontvangen en afgevoerde producten. Ze moeten registers inzake maatregelen ter beheersing van gevaren voor levensmiddelen bijhouden en minimaal 5 jaar bewaren. Ze moeten de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking kunnen stellen van de bevoegde autoriteit. Bovendien moeten er ook in het bijzonder registers bijgehouden worden over elk gebruik van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden, elke aanwezigheid van schadelijke organismen of ziekten die de veiligheid van producten van plantaardige oorsprong in het gedrang kunnen brengen en de resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters. IKKB eist daar nog eens bovenop dat er jaarlijks een interne audit wordt uitgevoerd en dat deze checklisten bijgehouden worden.

In onderstaande tabel worden de 212 vereisten weergegeven. Zij zijn onderverdeeld in drie karakteristiek gekleurde types (niveau 1 = zwart, niveau 2 = grijs en niveau 3 = wit) die de maximale non conformiteit aangeven die kan gegeven worden bij een tekortkoming op deze vereiste.



BEHEERSITEM

1

2

3

Totaal

1.

Bedrijf en gebouwen

29

22

20

71

2.

Machines, apparatuur en gereedschappen die in contact komen met het product voor oogst en na oogst behandeling

11

6

9

26

3.

Bedrijfsleider, personeel en derden

5

12

1

18

4.

Teelttechniek en na-oogstbehandeling

32

14

10

56

5.

Schadelijke organismen

11

1

1

13

6.

Registratie

27

0

1

28




Totaal

115

55

42

212

In de IKKB Standaard zijn er drie types van vereisten: niveau 1, 2 en 3.


Alle vereisten van niveau 1 - van toepassing op het bedrijf - moeten in orde zijn, vooraleer het bedrijf een IKKB certificaat kan verkrijgen.
Vereisten van niveau 2 moeten voor minstens 70 % in orde zijn. Dit wil zeggen dat van het totaal aantal vereisten van niveau 2 die van toepassing zijn voor alle activiteiten van de landbouwer er aan minstens 70 % moet voldaan worden. Het niet respecteren van een vereiste van niveau 2 wordt ook genoteerd in het non-conformiteitenrapport.
Vereisten van niveau 3 zijn aanbevelingen. Dit wil zeggen dat ze overlopen worden tijdens de audit en bij het niet respecteren ook genoteerd worden in het non- conformiteitenrapport. Het niet naleven van een vereiste van niveau 3 zal echter nooit resulteren in het niet bekomen van een certificaat.
In onderstaande tabel wordt nog eens een overzicht gegeven van de drie types van vereisten met de bijhorende minimumscores.


Type van vereiste

Minimumscore

Niveau 1

100 %

Niveau 2

70 %

Niveau 3

Aanbevelingen

!Er kan enkel een certificaat worden verkregen voor de IKKB Standaard, indien ook aan alle voorwaarden van de Sectorgids Autocontrole wordt voldaan. !




4. EUREPGAP Groenten & Fruit (versie 2.1 – Oct04)
4.1. Ontstaan
Het woord EUREPGAP is op te splitsen in EUREP en GAP. EUREP staat voor “Europian Retailer Produce Working Group”, dit wil zeggen een werkgroep van Europese distributeurs rond de productie. GAP staat voor “Good Agricultural Practice” en is de code voor goede landbouwpraktijken. Hierin staan allerlei richtlijnen omtrent veilige en duurzame landbouw.
In tegenstelling tot IKKB, dat ontstaan is door gebrek aan een kwaliteitssysteem voor de keten van de plantaardige sector, is EUREPGAP ontstaan door de toenemende groei aan lastenboeken.

EUREPGAP ging er in 1997 vanuit dat totale productveiligheid voor voedingsmiddelen enkel kon worden gegarandeerd wanneer producenten als één Europees geheel optraden. EUREPGAP wou de verschillen in lokale, regionale en nationale regelgevingen over de landsgrenzen overstijgen.

Om aan de wensen en eisen van de consument naar meer voedselveiligheid van land- en tuinbouwproducten tegemoet te komen, heeft EUREP dus in 1997 het initiatief genomen om de voorwaarden die zij naar hun leveranciers van verse producten toe hanteren, op elkaar af te stemmen. Daartoe werd het zogenaamde EUREPGAP-protocol opgesteld.
Dit protocol creëert het kader voor de goede agrarische praktijk (GAP) op het bedrijfsniveau. Het bepaalt de minimumnormen waaraan de productie moet voldoen om te worden aanvaard door de grootwarenhuizen. Het doel is dat de producten moeten voldoen aan de hoge eisen van gezondheid, dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid.
Het overschrijden van de landsgrenzen was eerst beperkt tot Europa, maar is geëvolueerd tot een meer mondiale aangelegenheid.
4.2. Belangrijkste kenmerken
EUREPGAP ondersteunt de HACCP-methode en stimuleert het gebruik ervan.

Om het vertrouwen van de consumenten in verse land- en tuinbouwproducten te behouden, moet de teler rekening houden met de regels van de Goede Landbouwkundige Praktijk (GAP). Dit document beschrijft de minimumeisen voor de belangrijkste detailhandelketens in Europa. Dit document is niet bedoeld als voorschrift voor productiemethoden. De producenten moeten rekening houden met: de kwaliteit en de veiligheid van het voedsel, het minimaliseren van de schadelijke effecten op het milieu en het beschermen van de natuur, het minimaliseren van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, het meer gebruik maken van natuurlijke hulpbronnen en ten slotte moet de teler rekening houden met de gezondheid en veiligheid van zijn/haar werknemers.


4.3. De structuur van EUREPGAP
Het kader ligt vast en wordt beheerd door FoodPLUS. FoodPLUS bestuurt het hele EUREPGAP gebeuren.

De verzamelde groep van supermarktketens samen met landbouwbedrijven wensen een antwoord te geven op de vragen die de consument zich stelt over de veiligheid van groenten en fruit, over de impact van de productie op het milieu en over het welzijn van de werknemers die betrokken zijn bij de productie. Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het EUREPGAP protocol opgesteld. Hierin beschrijft men de essentiële elementen van de geïntegreerde productie van land- en tuinbouwproducten. Tevens biedt het lastenboek de minimumnormen waaraan de productie moet voldoen om aanvaard te worden door de grootdistributie.


De normen die in het protocol zijn opgenomen kunnen ingedeeld worden in vier groepen:


  • Teelttechnische normen: hierbij wordt er gestreefd het groenten en het fruit te telen met een minimum aan bestrijdingsmiddelen zodat de invloed van residu ’s zowel voor mens als milieu zoveel mogelijk beperkt blijft.
    Vb. Door het inzetten van biologische bestrijders, kan de producent het gebruik aan chemische gewasbeschermingsmiddelen verminderen.

  • Hygiënische normen: deze normen zorgen ervoor dat het geoogste product niet gecontamineerd is of wordt en dit door het uitvoeren van procedures, vb. schoonmaakplannen en hygiëneprocedures.

  • Arbeidsomstandigheden: deze maatregelen worden voornamelijk genomen om mistoestanden bij werknemers te voorkomen en vooral voor de niet Europese landen waar groenten en fruit geteeld wordt.

  • Registratie: Registraties vormen een gedocumenteerd bewijs dat de teler in orde is of niet.

4.4. De richtlijnen van EUREPGAP
De richtlijnen van EUREPGAP zijn een middel om de geïntegreerde gewasbescherming of de duurzame land- en tuinbouw sneller ingang te doen vinden in de conventionele, commerciële land- en tuinbouw. Sinds 2000 is een correcte registratie een eerste belangrijke stap die de producent dient te zetten om ten allen tijde de kwaliteit van zijn product en zijn productieproces te garanderen en te bewijzen.
De EUREPGAP checklist (zie www.eurep.org) wordt ingedeeld in 14 beheersitems waarin de Control Points and Compliance Criteria of de 210 controlepunten vermeld staan.
Hieronder vindt u de onderverdeling van de checklist:

  1. Traceerbaarheid: alle producten moeten terug te traceren zijn tot het bedrijf waar ze geteeld werden. Indien er een voedselcrisis in de tuinbouwsector zou ontstaan, willen de supermarktketens snel een antwoord kunnen bieden.
    Hierbij is belangrijk het probleem snel te onderkennen en isoleren. Hierdoor kunnen snel de betreffende producten uit de handel worden genomen en kan de consument een veilig gevoel gegarandeerd worden.

  2. Registraties en interne audit: de producent dient de gevraagde registraties in verband met de teelt, twee jaar te bewaren. Jaarlijks moet er een interne audit worden uitgevoerd op het bedrijf waarbij alle aandachtspunten moeten worden gecontroleerd (door teler) en de eventuele corrigerende acties genoteerd worden.

  3. Rassen en uitgangsmateriaal: er moet rekening worden gehouden met de eisen van de afnemers, de gezondheid van het zaad of plantgoed (vb. beschikken over een gezondheidscertificaat). Ook moeten alle teelttechnische handelingen die het zaai- en plantgoed hebben ondergaan geregistreerd zijn.

  4. Perceelsgeschiedenis en -beheer: de plaats van de productie en de historiek van de percelen moeten beschreven zijn en er moet kunnen worden aangetoond dat het perceel geschikt is voor het telen van plantaardige producten.

  5. Bodem- en substraatbeheer: bodemtype, grondontsmetting en de keuze van de eventuele grondontsmetting en de recyclage van het substraat worden hieronder verstaan. Er moet aandacht worden geschonken aan bodemerosie.

  6. Bemesting: de hoeveelheid en het type van de gebruikte meststoffen zijn gebaseerd op een analyse naar de behoefte van de plant en van de voedingstoestand van de bodem. Ook de opslag en de toediening van de meststoffen en de controle op de staat van de bemestingsapparatuur moet volgens de richtlijnen van het lastenboek plaatsvinden.

  7. Irrigatie/Fertigatie: de bron, de kwaliteit en de methode van de toediening krijgen meer aandacht.

  8. Gewasbescherming: de plantenbescherming is een belangrijk onderwerp. Als eerste is er de geïntegreerde (biologische) bestrijding waardoor er een minimum aan gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt. Verder worden volgende zaken besproken: de middelenkeuze, de hoeveelheid, de wachttijden, de staat van de spuitapparatuur, de bevoegdheid en de veiligheid van de gebruikers, de opslag van de gewasbeschermingsmiddelen, de verwerking van de overschotten en van de lege verpakkingen en tenslotte de vooroogst residuanalyse.

  9. Oogst: er moeten een aantal richtlijnen worden gevolgd in verband met hygiëne om te voorkomen dat vreemde voorwerpen in het geoogst product terechtkomen. Dit kan gaan van schadelijke bacteriën tot fysische verontreiniging.

  10. Productbehandeling: hier wordt er zowel gesproken over de opslag, het wassen, als de behandeling met gewasbeschermingsmiddelen.

  11. Afval- en milieubeheer, recycling en hergebruik: er dient een actieplan afval te worden opgesteld met de bedoeling het afval te beheren en verontreiniging te voorkomen. Een ander onderdeel is dat er een natuurbeheersplan moet worden aangemaakt.

  12. Gezondheid, veiligheid en welzijn van werknemers: er moet een ongevallenprocedure en een calamiteitenprocedure worden opgehangen in geval er zich een ongeval voordoet. Iedere werknemer moet op de hoogte zijn van de hygiënemaatregelen en deze dienen nageleefd te worden. In de buurt waar de werken plaatsvinden moet een EHBO-koffer aanwezig zijn.

  13. Milieuaspecten: de teler dient te kunnen aantonen dat hij de gevolgen van de tuinbouwactiviteiten op de natuur begrijpt en dat hij acties neemt om deze tot een minimum te herleiden.

  14. Klachtenformulier: er is een klachtenformulier aanwezig waarop de klachten van afnemers worden genoteerd en ingevuld door de teler wat hij daaraan heeft gedaan. In deze productievoorwaarden worden specifieke details aangegeven over hoe de teler in overeenstemming met de eisen van het schema moet handelen.

In onderstaande tabel worden de 214 EUREPGAP controlepunten of richtlijnen, die een oriënterende rangschikking in functie van belangrijkheid hebben, weergegeven. Zij zijn onderverdeeld in drie karakteristiek gekleurde klassen Major Must, Minor Must en Should (zwart - grijs - wit).


BEHEERSITEM

Major Must

Minor Must

Should

Totaal

1.

Traceerbaarheid

1

0

0

1

2.

Registratie en interne zelfinspectie

3

1

0

4

3.

Rassen en uitgangsmateriaal

1

6

4

11

4.

Perceelsgeschiedenis en -beheer

2

2

1

5

5.

Bodem- en substraatbeheer

1

3

6

10

6.

Bemesting

2

15

4

21

7.

Irrigatie/Fertigatie

1

0

15

16

8.

Gewasbescherming

15

43

6

64

9.

Oogst

6

1

2

9

10.

Productbehandeling

13

14

5

32

11.

Afval- en milieubeheer, recycling en hergebruik

0

0

6

6

12.

Gezondheid, veiligheid en welzijn van medewerkers

2

13

9

24

13.

Milieuaspecten

0

1

8

9

14.

Klachtenformulier

2

0

0

2

Totaal

49

99

66

214

Uit bovenstaande tabel kunnen we op basis van het respectievelijke aantal afleiden dat gewasbescherming, bemesting, naoogstbehandeling en gezondheid, veiligheid en welzijn van medewerkers de hoofditems zijn.


De richtlijnen betreffende traceerbaarheid, interne zelfinspectie en klachtenformulier zijn enkelvoudig maar wel allemaal Major Musts.

Voor de majors en minors zijn minimumscores vastgelegd. De score wordt bij inspectie bepaald en is een procentuele uitdrukking van het aantal nageleefde normen. De derde klasse “shoulds” is een klasse van aanbevelingen. Op deze richtlijnen wordt inspectie uitgevoerd, maar de score van deze klasse is niet bepalend voor certificatie.

Major Musts zijn verplichte voorwaarden waaraan voor alle Major Must-beheerspunten die van toepassing zijn voor 100 % moet voldaan worden.
Minor Musts zijn verplichte voorwaarden waaraan voor alle Minor Must-beheerspunten die van toepassing zijn voor 95 % moet voldaan worden. Om dit te kunnen berekenen, is de volgende formule van toepassing:
Totaal aantal Niet van toepassing Totaal

MINOR MUST- behaalde MINOR x 5 % = MINOR MUST-

beheerspunten MUST-beheerspunten beheerspunten



De uitkomst van de formule wordt naar beneden afgerond
Voor aanbevelingen wordt geen minimum percentage voor naleving vastgesteld.
!Alle beheerspunten moeten worden gecontroleerd, inclusief de
aanbevelingen. !
In onderstaande tabel wordt nog eens een overzicht gegeven van de drie klassen met de bijhorende minimumscores.


Klasse

Minimumscore (%)

Major Must

100 %

Minor Must

95 %

Should

Geen minimumscore



5. Motieven van telers om deel te nemen aan een lastenboek
Om inzicht te creëren in de manier waarop telers tegen lastenboeken aankijken, worden hieronder motivaties weergegeven waarom een teler wel of niet wil deelnemen aan een lastenboek. Deze motivaties, als resultaat van een dialoog rond de vraag ‘Waarom labels en lastenboeken in de landbouw?’, zijn overgenomen uit de dialoogronde rond labels in de Belgische voedingssector, uitgevoerd door de Universiteit Gent via financiering van de Koning Boudewijn Stichting (KBS). Deze dialoogronde maakte deel uit van het project ‘Dialoog voor het versterken van de rol van kwaliteitsspecifieke labels voor duurzame ontwikkeling’, georganiseerd met het oog op de bevordering van samenwerking en dialoog binnen de voedingsketen.
Motivatie van telers om deel te nemen:
1. In de lange keten van producent tot producent en uiteindelijk tot consument geldt het lastenboekcertificaat als een schouwingkaart. De bedoeling is het vertrouwen te bekomen en behouden van de andere marktdeelnemers en finaal de consument, ook bij de crises. Het getuigt ook van een bereidheid om verantwoordelijkheid op te nemen naar de consument en naar collega-telers toe. Door bv. de traceerbaarheid en registratie kan de (economische) schade in geval van een crisis beperkt worden.
2. Het verkrijgen van een certificaat is vergelijkbaar met een merk, het is gelinkt met een imago. Op die manier wordt getracht zich te onderscheiden binnen de markt.
3. Voor kleinere bedrijven (zoals de Vlaamse) die trachten een meerwaarde te zoeken is de product- en productiekwaliteit een aangewezen piste. Een certificaat kan dit aspect communiceren.
4. Deelname bevordert de opbouw van kennis, houdt de telers scherp, zorgt voor een tijdige bijsturing en optimalisatie van de productiemethodes.
5. Het bekomen van het certificaat bevordert de fierheid en bevestigt de beroepskunde.
6. De betrokkenheid van de producent met zijn product stijgt, ook na afzet in de kanalen stroomafwaarts.
7. De externe druk speelt ook een rol. Zonder lastenboek geen toegang tot bepaalde markten. Dit is vaak de meest belangrijke reden!
De telers voelen een heel sterke verantwoordelijkheid naar de consument, maar ook commercieel naar de collega’s toe. Wanneer de sector negatief in de pers komt, betekent dit een verlies voor de hele sector in de daaropvolgende maanden.
Motivatie van telers om niet deel te nemen:
Volgens de dialoogronde, uitgevoerd door UGent,is het percentage producenten dat niet volgens een lastenboek teelt of dat niet via de veiling zijn producten afzet laag tot zeer laag en varieert van gewas tot gewas. Volleveldsgroenten worden bijvoorbeeld beduidend meer via andere circuits verhandeld dan serreteelt groenten. Handelaars die rechtstreeks van de producent afnemen, verwachten ook een vorm van kwaliteitswaarborging, die sterk toegespitst is op de specifieke eisen van een afnemer.

De producenten die geen lastenboek volgen kunnen in 2 groepen onderverdeeld worden: zij die het liefst niet gecontroleerd worden, in hoofdzaak om financiële redenen en zij die in bulk willen produceren.

Deze laatste groep is niet op zoek naar een meerprijs maar tracht vlug en veel te leveren. Hun inkomsten zijn gebaseerd op volumes i.p.v. op kwaliteit. Het gaat ook dikwijls om telers die een individueel en exclusief contract met een afnemer hebben onderhandeld. De eerste stap tot deelname in de lastenboeken wordt gezet wanneer producent lid wordt van de veiling (en dus instemmen met een visuele keuring en de teeltregistratie). De veiling speelt bij de implementatie en sturing van lastenboeken dan ook een cruciale rol.
Hoe staan telers die niet aan een lastenboek deelnemen tegenover een lastenboek? Zuiver financieel is deelname aan een lastenboek dikwijls niet lonend. Indien men zuiver rekent, zonder de duurzaamheidaspecten mee in beschouwing te nemen, dan komen ze tot de conclusie van ‘laat de andere producenten maar eerst proberen’. De motivatie, de gedrevenheid bij deelname aan een lastenboek is essentieel.
Een relevante vraag in deze context betreft de mate waarin de kwaliteit en prijs leiden onder deze keuze. Veel hangt in deze af van de vraag en het aanbod. Er zijn momenten waarop de prijs naast de veiling even hoog als binnen de veiling, of dat de kwaliteit even goed is. De regel is dat een sterke klok op de veiling (een hoge prijs) ook een hogere prijs buiten de veiling oplevert.

Een andere economische wetmatigheid betreft de verhouding producenten die leveren buiten de veiling versus binnen de veiling. Indien veel telers ervoor opteren buiten de veiling om te leveren, dan stijgt de marktmacht van de afnemers (zoals de distributie). De niet-georganiseerde teler heeft daarnaast minder inzicht in de heersende prijzen. Op een dergelijk moment worden de producenten individueel tegen elkaar uitgespeeld, wat resulteert in lagere prijzen. De veiling zorgt dus voor een concentratie van het aanbod, met een betere onderhandelingspositie t.o.v. de afnemers, zowel op als naast de veiling.

Sommige telers hebben de indruk dat de producent die superieure kwaliteitsproducten op de markt brengt, automatisch naar de veiling trekt voor de kwaliteitserkenning en de onafhankelijke keuring, zodat aan de invloed van de handelaren kan ontkomen worden. De zwakkere, auditschuwe elementen zoeken de handelaren sneller rechtstreeks op. Andere telers zijn van mening dat ook telers met een goede kwaliteit buiten de veiling om leveren.
Bij de overstap naar een lastenboek wordt de factor leeftijd ook als belangrijk ingeschat. Enigszins veralgemenend geldt hoe ouder, hoe meer moeite men heeft met de nieuwe ontwikkelingen, voornamelijk voor het veranderen van vastgeroeste gewoontes.
De investeringsdruk op verouderde bedrijven ligt ook hoger omdat de aanpassing van de infrastructuur van het bedrijf, als voorwaarde om gecertificeerd te worden, kostelijker is. Deze bedrijfsleiders vragen zich dan af of een investering nog rendabel is en verkiezen liever te sparen of in iets anders te investeren.

Als besluit kan er gezegd worden dat inzet en motivatie doorslaggevend zijn voor het welslagen van een lastenboek. Infrastructuur kan een bemoeilijking betekenen maar is niet noodzakelijk een reden om niet deel te nemen aan een lastenboek.


In onderstaande tabel worden de voordelen en nadelen van deelname aan een lastenboek nog eens samengevat:


Voordelen

Nadelen

Richtlijnen geven van wat kan/niet kan

(= handleiding bij de wetgeving)



Niet gekend bij de consument (de primaire sector staat ver van de consument, ze kennen weinig of niets van de teelten, de teeltwijzen, infrastructuur, systeem van vermarkten, …)

Producent blijft kritisch

Te weinig gecommuniceerd naar de consument

Lager en bewuster gebruik van GBM: positieve invloed op milieu

Het kost tijd en geld (papierwerk, controles, …), investeringen ( in kennis en materiaal)

Voorlopend op wetgeving

Introductie: opbrengstdaling?

Vertrouwen

Lastenboekeisen en markteisen contradictorisch (bv. inzake recycleerbare verpakking)

Waardering/fierheid

Ondanks inspanningen teler ziet het product er in de winkel dikwijls slecht uit: de andere marktdeelnemers hebben ook een verantwoordelijkheid, en de teler is hier afhankelijk van

Motor voor evolutie, stuwt vooruitgang, o.a. sterk op technisch vlak (selectieve middelen, waarschuwingssystemen, verpakking, …)

Veelheid aan lastenboeken

Duidelijke oplijsting van wetgeving

Te grote lastenboekinitiatieven (met te veel deelnemers) worden te theoretisch

Uniformiteit

Dikwijls geen meerprijs

Extra kenmerken beter communiceerbaar

Leeftijdsonvriendelijke evolutie

Toegang tot bepaalde marktkanalen

Export soms bemoeilijkt (bv. groenten met rest strips tgv. biologische bestrijding niet naar VS)

Goed uitgewerkte en doordachte systemen

Hoe meer teelten, hoe meer werk

Goede opvolging

Opbod van regels: telers hebben de middelen niet om alles na te leven

Versnelde investering

In bepaalde lastenboeken is product zelf onbelangrijk

Creatie van meerwaarde

Wetgeving al streng, lastenboek nog strenger

Efficiënter telen (bv. niet meer buitensporig spuiten)

Sommige lastenboeken werken schaalvergroting in de hand, kleine bedrijven verdwijnen daardoor
  1   2

  • 7. Besluiten 32
  • Het 4-letterwoord ‘IKKB’ onderschrijft de ketenbenadering

  • Dovnload 294.18 Kb.