Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een geschiedenis van god vierduizend jaar jodendom, christendom en islam

Dovnload 1.94 Mb.

Een geschiedenis van god vierduizend jaar jodendom, christendom en islam



Pagina1/29
Datum20.07.2017
Grootte1.94 Mb.

Dovnload 1.94 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29



Karen Armstrong


EEN GESCHIEDENIS VAN GOD
VIERDUIZEND JAAR JODENDOM,


CHRISTENDOM EN ISLAM

Vertaald door Ronald Cohen




FLAMINGO

Zeventiende druk

ISBN 90 414 0450 3

Copyright © 1993 by Karen Armstrong


Copyright © 1995, 2000 Nederlandse editie Ambo l Anthos uitgevers,
Amsterdam / Ronald Cohen
Oorspronkelijke titel A History of God, From Abraham to the Present: the 4000 Year Quest for God

Oorspronkelijke uitgever William Heinemann Ltd, Londen


Omslagontwerp Studio Jan de Boer BNO
Omslagillustratie Photonica

Flamingo Pockets worden uitgegeven door Ambo Anthos uitgevers, Amsterdam

Verspreiding voor België: Verkoopmaatschappij Bosch & Keuning, Antwerpen

Inhoud
Toelichting bij de Nederlandse vertaling

Inleiding

1. In den beginne...

2. Eén God

3. Een licht voor de heidenen

4. Drieëenheid: de christelijke God

5. Eenheid: de God van de islam

6. De God van de filosofen

7. De God van de mystici

8. Een God voor reformisten

9. Verlichting

10. De dood van God?

11. Heeft God toekomst?
Kaarten

Woordenlijst



Noten

Aanbevolen literatuur



Register


Toelichting bij de Nederlandse vertaling
Karen Armstrong heeft voor haar bijbelcitaten gebruik gemaakt van de zogenaamde (rooms-katholieke) Jerusalem Bible, de in 1966 voltooide En­gelse versie van de Bible de Jérusalem uit 1956. Afgezien van de normale verschillen in de vertaling wijkt de Jerusalem Bible in die zin van de gangbare New English Bible of de King James' Bible af dat de apocriefe boeken erin zijn opgenomen en dat de Godsnaam (het tetragram) voluit, dat wil zeggen met vocalen, is weergegeven, en niet met het gebruikelijke `the LORD God'. Deze, voor de schrijfster belangrijke punten van onderscheid waren reden om ook de Nederlandse citaten in deze vertaling te ontlenen aan een katho­lieke bijbelvertaling (i.c. de Willibrord), aangezien ze in bovengenoemde opzichten aansluit bij de Jerusalem Bible. Met nadruk wordt evenwel gewe­zen op de `Wenken aan de lezer' die aan de Willibrordvertaling voorafgaan en waarin over het daarin voluit geschreven tetragram wordt gezegd: `Bij gebruik van deze tekst in de liturgie is het in overeenstemming met een oud kerkelijk gebruik gewenst, in plaats van "Jahwe" te lezen: "(de) Heer"** De geïnteresseerde lezer wordt geattendeerd op een publikatie van de Katholieke Bijbelstichting waarin wordt stilgestaan bij de problematiek van het uitspreken en uitschrijven van de vierletterige Godsnaam (Naar mijn daden word IK genoemd. Over de betekenis en het gebruik van de Godsnaam, KBs/Tabor Boxtel, 1989), in het bijzonder de `Inleiding' van H. van de Sant en de bijdrage `Eerbied voor de naam van God in de bijbel' van H. Bloemendal.
De Nederlandse korancitaten zijn afkomstig uit de koranvertaling van de arabist prof. dr. J. H. Kramers, in de bewerking van drs. Asad Jaber en dr. Johannes J. G. Jansen, Agon Amsterdam, 1992 15
Voor de schrijfwijze van eigennamen, religieuze begrippen, godsdienstige stromingen e.d. werden onder meer de volgende werken geraadpleegd: dr. L.A. Snijders, Bijbels woordenboek, Thieme Zutphen, 1984, en Encyclopedie van het Christendom, Elsevier Amsterdam, 1956, 2 delen (voor het christen­dom); drs. R. C. Musaph-Andriesse, Wat na de Tora kwam, Ten Have Baarn, 1992 4, en dr. J. Soetendorp, Ontmoetingen in ballingschap, De Haan Zeist/ Van Loghum Slaterus Arnhem, 1963, 2 delen, en Woordenlijst van het Joden­dom, Callenbach Nijkerk, 1988 (voor het jodendom); Jacques Waardenburg (red.), Islam. Norm, ideaal en werkelijkheid, Wereldvenster Weesp, 1984 (voor de islam); Ganesha, kleine woordentolk der geesteswetenschappen, Uitg. Theosofische Vereniging Utrecht, 1977, en Sri Srimad A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupáda, Sri Isopanisad, The Bhaktivedanta Book Trust Amster­dam, 1985'3 (voor het hindoeïsme en boeddhisme).
De translitteratie van vreemde woorden is altijd een hachelijke zaak wan­neer men een middenkoers wenst te varen tussen het strikt wetenschappe­lijke systeem en de gangbaardere maar vaak op de Engelse spelling geba­seerde methode. Om klippen te omzeilen en uniformiteit te verzekeren (want in dit geval betrof het meer dan één vreemde taal) diende daarom als uitgangspunt van de in deze vertaling gehanteerde translitteratie het vereen­voudigde wetenschappelijke systeem zoals vermeld in Waardenburg, Islam (p. 26). Op grond hiervan werd het vreemde woord volgens de Neder­landse uitspraakregels en schrijfwijze omgezet, opdat de uiteindelijke letter­tekens niet alleen leesbaar en herkenbaar zouden zijn, maar ook (en vooral) uit te spreken. In twijfelgevallen werd dankbaar gebruik gemaakt van de aanvullende adviezen van prof. dr. mr. J. Brugman en drs. F.J. Hoogewoud voor resp. het Arabisch en het Hebreeuws.

Elke regel kent echter zijn uitzondering. In dit geval werd een klinker in een gesloten lettergreep die lang moet worden uitgesproken, niet overeen­komstig de Nederlandse regel verdubbeld (aatma), maar voorzien van een bovengeplaatst verlengstreepje (atma), tenzij het desbetreffende woord zo in het Nederlands is ingeburgerd, dat dit diacritische teken afbreuk zou doen aan de herkenbaarheid (koran in plaats van koran; imaam in plaats van imam). Het verlengstreepje werd bovendien gebruikt voor lange Arabische eind­klinkers.


Deze vertaling zou niet mogelijk zijn geweest zonder de royale hulp en aanwijzingen van derden. Ze zijn het alleszins waard hier te worden ge­noemd: dr. A.A.R. Bastiaensen (vroegste en vroege Kerk, Neolatijnse en -griekse teksten); prof£ dr. mr. J. Brugman (islam); drs. D. Cohen (voor zijn vertaling van Blake en Hardy); drs. A. C. Geljon (voor zijn vertaling van Philo); drs. F.J. Hoogewoud (jodendom); prof.dr. S.L. Radt (voor zijn vertaling van Pindarus en Aristoteles); prof. dr. N. J. Tromp (Oude Testa­ment).

Inleiding
Als kind geloofde ik onvoorwaardelijk in een aantal geloofspunten, maar mijn geloof in God was niet erg groot. Er is een groot verschil tussen 'geloven in een aantal leerstellingen' en 'ons geloof erin', dat wil zeggen dat we bereid zijn er ons vertrouwen in te stellen. Ik geloofde onvoorwaardelijk in het bestaan van God; ik geloofde ook in de waarachtige tegenwoordig­heid van Christus in de eucharistie, in de werkdadigheid van de sacramen­ten, het vooruitzicht van eeuwige verdoemenis en de objectieve werkelijk­heid van het vagevuur. Ik kan echter niet zeggen dat ik door mijn geloof in al die religieuze opvattingen over de natuur van de ultimate reality of 'uiterste werkelijkheid', zoals Tillich God noemt, er veel vertrouwen in had dat het leven hier op aarde dan ook goed of weldadig was. Het katholicisme van mijn jeugd was een vrij angstig geloof. Het beeld dat James Joyce in zijn boek A Portrait of the Artist as a Young Man schildert klopt precies: ook ik heb mijn portie hel-en-verdoemenispreken gehad. Eigenlijk was de hel voor mij als werkelijkheid veel overtuigender dan God, want daarvan kon ik me tenminste een voorstelling maken. God daarentegen was een enigszins vage figuur die eerder in intellectuele abstracties dan in beelden werd beschreven. Toen ik een jaar of acht was moest ik het antwoord op de bekende vraag uit de katechismus: 'Wat is God?' uit het hoofd kennen: 'God is een oneindig volmaakte geest, Schepper, Heer en Bestuurder van hemel en aarde, van wie alle goeds voortkomt.' Het zal niemand verbazen dat het me weinig zei en ik moet zeggen dat het me nog steeds koud laat. Ik heb het altijd een gortdroge, hoogdravende en aanmatigende definitie gevonden en sinds ik aan dit boek ben begonnen, ben ik ook nog tot de overtuiging gekomen dat ze niet klopt.

Toen ik ouder werd begon ik te beseffen dat godsdienst meer inhield dan alleen angst. Ik las de heiligenlevens, de metafysische dichters, T. S. Eliot en enkele eenvoudige werken van de mystici. Ik begon ontroerd te raken door de schoonheid van de liturgie en voelde, hoewel God ver weg bleef, dat het mogelijk was tot Hem door te dringen en dat zo'n visioen de hele geschapen werkelijkheid zou transformeren. Om die reden trad ik tot een religieuze orde toe, en als novice en jonge non kwam ik nog veel meer over het geloof te weten. Ik verdiepte me in de apologeten, de Schrift, theologie en kerkge­schiedenis. Ik groef in de geschiedenis van het kloosterleven en ging een omstandige discussie aan over de Regel van mijn orde, die we uit het hoofd moesten kennen. Vreemd genoeg speelde God bij dat alles een heel onder­geschikte rol. Alle aandacht leek zich op bijzaken en de meer perifere kanten van het geloof te richten. Tijdens het gebed worstelde ik met mezelf en probeerde ik mijn geest te dwingen God te ontmoeten, maar Hij bleef een strenge Opziener die elke overtreding van de kloosterregel opmerkte, of die tantaliserend afwezig bleef. Hoe meer ik over de extases van de heiligen las, des te meer voelde ik me mislukt. Tot mijn verdriet besefte ik dat het beetje religieuze beleving dat ik ervoer, door mezelf was opgeroepen op de mo­menten dat ik mijn gevoelens en verbeelding tot grotere activiteit aan­maande. Soms was een tinteling van devotie de esthetische reactie op de schoonheid van het Gregoriaans en de liturgie. Maar niets was me echt vanuit een bron buiten mezelf overkomen. Ik zag nooit een glimp van de God die de profeten en mystici hadden beschreven. Jezus Christus, over wie we veel vaker spraken dan over `God', leek een puur historische figuur die onveranderlijk in de late oudheid ingebed bleef. Bovendien begon ik ernstig aan enkele kerkelijke dogma's te twijfelen. Hoe kon iemand zeker weten dat de mens Jezus de vleesgeworden God was en wat hield dat geloofspunt in? Werd het minutieus uitgewerkte - en uiterst tegenstrijdige-leerstuk van de Drieëenheid echt wel in het Nieuwe Testament onderwezen, of was het, net als zoveel andere artikelen van het geloof, een fabricatie van theologen, eeuwen nadat Christus in Jeruzalem was gestorven?

Ten slotte keerde ik, met spijt, het religieuze leven de rug toe, en zodra ik niet meer gebukt ging onder de last van mislukking en tekortkoming voelde ik mijn geloof in God langzaam wegebben. Hij had mijn leven nooit echt beïnvloed, al had ik mijn best gedaan Hem er de mogelijkheid toe te geven. Nu Hij geen schuldgevoelens en angst meer bij me opwekte, kwam Hij te ver van me af te staan om nog een werkelijkheid te zijn. Maar mijn belang­stelling voor godsdienst bleef en ik maakte een aantal televisieprogramma's over de geschiedenis van het vroege christendom en de aard van de reli­gieuze ervaring. Hoe meer ik me in godsdienstgeschiedenis verdiepte, des te meer rechtvaardiging vond ik voor mijn eerdere twijfels. De leerstukken die ik als kind klakkeloos had aangenomen waren inderdaad door mensen gemaakt, waren in de loop van vele eeuwen gefabriceerd. De wetenschap leek korte metten te hebben gemaakt met God als Schepper en bijbelgeleer­den hadden bewezen dat Jezus nooit had beweerd dat Hij goddelijk was. Als epileptica had ik wel eens visionaire flitsen gehad, maar nu wist ik dat ze louter tot een neurologisch defect waren terug te voeren. Waren de visioe­nen en extases van de heiligen ook louter een gril van de geest geweest? God leek meer en meer een aberratie, iets wat het menselijke ras was ontgroeid.

Ook al ben ik jarenlang non geweest, de manier waarop ik God ervoer is, geloof ik, niet zo uitzonderlijk. Mijn ideeën over God hadden in mijnjeugd vorm gekregen, maar ze hadden geen gelijke tred gehouden met mijn groei­ende kennis op andere terreinen. Ik had simplistische kindergedachten over Sinterklaas en de Kerstman gecorrigeerd; ik had meer inzicht gekregen in de complexiteit van het menselijk lot, een inzicht dat rijper was dan ik op de kleuterschool had kunnen hebben. Maar mijn oorspronkelijke, verwarde ideeën over God had ik nooit bijgesteld of verder ontwikkeld. Ook mensen zonder mijn specifieke religieuze achtergrond merken misschien dat ze hun godsbeeld in hun kindertijd hebben gevormd. Maar sindsdien hebben we kinderlijkheden afgelegd en hebben we de God van onze jeugd losgelaten.


Toch is me uit de bestudering van de godsdienstgeschiedenis duidelijk ge­worden dat de mens een spiritueel dier is. Inderdaad is er alle reden om te stellen dat de Homo sapiens óók een Homo religiosus is. Mannen en vrouwen begonnen goden te aanbidden zodra ze herkenbaar menselijk waren gewor­den; ze schiepen religies op hetzelfde moment als waarop ze kunstwerken schiepen. Ze deden het niet simpelweg omdat ze machtige krachten gunstig wilden stemmen, maar omdat ze in die eerste religies uitdrukking wilden geven aan de verwondering en het mysterie die altijd essentiële componen­ten van de menselijke beleving van deze wondermooie maar angstige we­reld geweest schijnen te zijn. Net als kunst is religie een poging geweest om in dit leven zin en betekenis te ontdekken, ondanks het lijden dat het vlees als erfdeel toebedeeld krijgt. Net als alle andere, menselijke activiteiten kan ook religie worden misbruikt, maar toch schijnt ze iets te zijn geweest wat we altijd een plaats in ons leven hebben gegeven. Religie was geen geesteshou­ding die manipulerende vorsten en priesters aan een van oorsprong seculiere menselijke natuur hebben geplakt, maar is de mens ingeschapen. Sterker nog, de secularisatie die we momenteel meemaken is een volstrekt nieuw probeersel en nooit eerder in de geschiedenis van de mens voorgekomen. We moeten dus nog afwachten hoe het zal uitpakken. Maar aan de andere kant is het ook waar dat het liberale humanisme dat we in het Westen kennen, ons niet is aangeboren; net als waardering voor kunst of poëzie moet het worden ontwikkeld. Op zichzelf is ook humanisme een religie, maar dan zonder God - niet alle religies zijn immers theïstisch. Ons secu­liere ethische ideaal heeft zijn eigen methoden om de geest en het hart te verheffen en biedt mensen de mogelijkheid om daarin het geloof in een hogere zin van het leven te vinden, een geloof dat eens door de conventio­nele religies werd aangereikt.

Toen ik me begon te verdiepen in de geschiedenis van het godsbegrip en de godservaring in de drie verwante geloven van joden, christenen en mos­lims, verwachtte ik dat ik zou ontdekken dat God gewoon een projectie van menselijke behoeften en verlangens was geweest. Ik dacht dat `Hij' een afspiegeling zou zijn van de angsten en hunkeringen die een samenleving in elke fase van haar ontwikkeling kent. Helemaal onjuist bleken mijn voor­spellingen niet te zijn, maar toch hebben enkele bevindingen me bijzonder verrast en ik vind het jammer dat ik dat allemaal niet dertigjaar geleden heb ontdekt toen ik tot het religieuze leven toetrad. Het zou me veel angsten hebben bespaard als ik toen had gehoord - uit de mond van vooraanstaande monotheïsten van alle drie geloven - dat ik, in plaats van te wachten tot God uit den hoge zou neerdalen, bewust voor mezelf een eigen godsbesef moest creëren. Andere rabbijnen, priesters en soefi's zouden me flink de les hebben gelezen om mijn aanname dat God - in elk opzicht - een werkelijkheid 'ergens daarginds' was; ze zouden me hebben gewaarschuwd dat ik niet moest verwachten dat ik Hem zou ervaren als een objectief feit dat langs de weg van het normale, rationele denken kon worden ontdekt. Ze zouden me hebben gezegd dat God in belangrijke mate het produkt van de creatieve verbeelding was, net als de poëzie en muziek die ik zo inspirerend vond. En een paar zeer gerespecteerde monotheïsten zouden me kalm maar resoluut hebben verteld dat God niet echt bestond - maar dat 'Hij' desalniettemin de belangrijkste werkelijkheid op aarde was.

Dit boek wil geen geschiedschrijving van de onzegbare werkelijkheid van God zelf zijn (die ligt buiten tijd en verandering), maar een geschiedschrij­ving van de manier waarop mannen en vrouwen vanaf Abraham tot aan onze tijd tegen Hem hebben aangekeken. Het godsbegrip van de mens heeft zijn eigen geschiedenis, aangezien het voor elke groep mensen, die het elk op een ander tijdstip heeft gehanteerd, altijd net iets anders heeft betekend. Het godsbegrip dat in de ene generatie door een bepaalde groep mensen werd gevormd, kon in de andere heel goed geen inhoud meer hebben. Sterker nog, de verklaring `Ik geloof in God' betekent, in objectieve zin, als zodanig niets, maar betekent net als elke andere verklaring alleen maar iets in een bepaalde context, betekent alleen maar iets wanneer ze door een bepaalde samenleving wordt verkondigd. Het gevolg is dan ook dat het woord 'God' niet één onveranderlijke idee dekt, maar dat het een breed spectrum van betekenissen heeft, waarvan sommige elkaar tegenspreken of zelfs uitsluiten. Als het godsbeeld deze flexibiliteit niet had gehad, zou het nooit hebben standgehouden en een van de belangrijkste menselijke denk­beelden zijn geworden. Wanneer één bepaalde godsvoorstelling op een zeker moment geen betekenis meer had of niet meer relevant was, werd ze rustig terzijde geschoven en door een nieuwe theologie vervangen. Een fundamentalist zou dat ontkennen, aangezien het fundamentalisme antihis­torisch is: het gelooft dat Abraham, Mozes en de latere profeten hun God allemaal op precies dezelfde manier ervoeren als de mensen van nu. Maar als we naar onze drie godsdiensten kijken, wordt het duidelijk dat er geen objectieve visie op `God' bestaat: elke generatie moet het godsbeeld schep­pen dat voor haar werkt. Hetzelfde geldt voor het atheïsme. De verklaring 'Ik geloof niet in God' heeft in elke periode van de geschiedenis altijd net iets anders betekend. De mensen die in de loop van de tijd voor atheïst zijn uitgemaakt, zijn altijd de mensen geweest die een bepaalde godsvoorstelling niet mochten hanteren. Is de 'God' die tegenwoordig door de atheïst wordt verworpen, de God van de aartsvaders, de God van de profeten, de God van de filosofen, de God van de mystici of de God van de achttiende-eeuwse deïsten? Al deze goden zijn door joden, christenen en moslims op verschil­lende momenten in hun geschiedenis als de God van de Bijbel en de Koran aanbeden. We zullen zien dat ze hemelsbreed van elkaar verschillen. Atheïsme is vaak een overgangsfase geweest: zo werden joden, christenen en moslims door hun heidense tijdgenoten vaak voor 'atheïsten' uitge­maakt, omdat ze er een revolutionaire opvatting over de godheid en trans­cendentie op na hielden. Is het moderne atheïsme een soortgelijke ontken­ning van een 'God' die niet meer aansluit bij de problemen van deze tijd?

Ondanks haar transcendente oriëntering is religie uiterst pragmatisch. We zullen zien dat het voor een bepaalde godsidee veel belangrijker was dat ze aansprak dan dat ze met de logica of de wetenschap rijmde. Zodra ze niet meer effectief is zal ze worden veranderd - soms in iets radicaal anders. Dat stoorde de meeste monotheïsten vóór onze tijd niet, want ze lieten er geen twijfel over bestaan dat hun ideeën over God niet sacrosanct waren, maar alleen provisorisch konden zijn. Die ideeën waren helemaal door mensen gemaakt - en dat kon ook niet anders - en stonden geheel los van de onbeschrijfbare werkelijkheid die erin werd gesymboliseerd. Sommige monotheïsten ontwikkelden vrij gedurfde manieren om dit wezenlijke on­derscheid te onderstrepen. Zo ging een bepaalde middeleeuwse mysticus zo ver dat hij zei dat die uiterste werkelijkheid - waaraan per abuis de naam 'God' werd gegeven - zelfs niet in de Bijbel werd genoemd. Door de hele geschiedenis heen hebben mannen en vrouwen een spirituele dimensie erva­ren die de alledaagse wereld overstijgt. Het is inderdaad een verrassend kenmerk van de menselijke geest dat hij in staat is om concepten te scheppen die zijn eigen grenzen overschrijden. Hoe we zulke transcendente ervarin­gen ook wensen te interpreteren, ze hebben altijd tot de realiteit van het leven behoord. Niet iedereen zal ze echter als goddelijk aanmerken; we zullen later zien dat boeddhisten ontkennen dat hun visioenen en inzichten van bovennatuurlijke oorsprong zijn; zij beschouwen ze als belevingen die de mens zijn ingeschapen. Maar alle drie wereldreligies zouden het met elkaar eens zijn dat het onmogelijk is deze transcendentie in normale, conceptuele taal te beschrijven. Monotheïsten hebben deze transcendentie `God' genoemd, maar ze hebben er een haag van belangrijke beperkingen omheen gelegd. Zo mogen joden de heilige Godsnaam niet uitspreken en moeten moslims zich van visuele afbeeldingen van God onthouden. Deze regels moeten ons eraan herinneren dat de werkelijkheid die we `God' noe­men, zich aan elke menselijke uitdrukkingswijze onttrekt.

Dit boek zal geen geschiedschrijving in de gebruikelijke zin van het woord zijn, aangezien het godsbegrip niet vanuit één punt is geëvolueerd en zich vervolgens lineair in de richting van een definitief concept heeft ont­wikkeld. Zo gaat het met wetenschappelijke noties, maar niet met de ideeën in de kunst en religie. Zoals de liefdespoëzie maar een vast aantal thema's kent, zo blijft ook de mens telkens weer dezelfde dingen over God zeggen. Inderdaad zullen we in de joodse, christelijke en islamitische godsbegrippen een verrassende gelijkvormigheid aantreffen. Zo hebben zowel joden als moslims hun eigen versie van het controversiële leerstuk van de Drieëen­heid en Menswording ontwikkeld, ook al vinden ze de desbetreffende chris­telijke dogma's bijna godslasterlijk. Elke uitdrukking van deze universele thema's verschilt echter licht van de andere en toont aan hoe vernuftig en inventief de menselijke verbeelding is bij haar worsteling om haar besef van `God' onder woorden te brengen.

Omdat het hier om een veelomvattend onderwerp gaat heb ik me met opzet beperkt tot de Ene God die door joden, christenen en moslims wordt aanbeden, al heb ik nu en dan ook heidense, hindoeïstische en boeddhisti­sche concepten van de uiterste werkelijkheid in mijn beschouwing betrok­ken om een monotheïstisch standpunt te verduidelijken. Het blijkt dat de monotheïstische godsidee opvallend dicht bij ideeën in andere religies komt die zich er volkomen onafhankelijk van hebben ontwikkeld. Welke conclu­sies we ook trekken over de werkelijkheid van God, de geschiedenis van deze idee moet ons iets belangrijks kunnen vertellen over de menselijke geest en de doelen die we nastreven. Ondanks de seculiere grondtoon van de meeste westerse maatschappijen, blijft de godsidee het leven van miljoenen mensen beïnvloeden. Uit recente onderzoeken blijkt dat negenennegentig procent van de Amerikanen zegt in God te geloven; er worden echter een heleboel goden aangeboden en de vraag is dus op welke `God' ze hebben ingetekend.

Theologie lijkt vaak saai en zweverig, maar de geschiedenis van God heeft altijd vol hartstochten en emoties gezeten. Anders dan enkele andere opvattingen over de uiterste werkelijkheid ging ze aanvankelijk gepaard met de vreselijkste worstelingen en spanningen. De profeten van Israël ervoeren hun God als een pijn die door hun ledematen sneed en hen met heilig vuur en vervoering vervulde. De werkelijkheid die monotheïsten God noemden, ervoeren ze vaak onder extreme omstandigheden; zo zullen we lezen over bergtoppen, duisternis, woestijnen, kruisiging en doods­angst. Voor de westerse christenen was het contact met God vooral een traumatiserende ervaring. Hoe kunnen we die inherente spanning verkla­ren? Andere monotheïsten spraken van licht en transfiguratie. Ze bedienden zich van heel gedurfde beelden om de complexe werkelijkheid die ze ervoe­ren tot uitdrukking te brengen en waagden zich daarmee ver buiten de gebaande paden van de orthodoxe theologie. De laatste jaren kunnen we een herleefde belangstelling voor mythologie constateren, wat misschien wijst op een algemeen verlangen naar een meer imaginatieve vorm waarin de religieuze waarheid kan worden uitgedrukt. Het werk van de overleden Amerikaanse geleerde Joseph Campbell geniet weer grote populariteit; hij heeft studie gemaakt van het permanente mythologische corpus van de mens en een relatie gelegd tussen de mythen uit de oudheid en die welke nog steeds in traditionele gemeenschappen in omloop zijn. Men heeft vaak aan­genomen dat de drie theistische religies gespeend zijn van mythologie en poëtische symboliek. Maar hoewel monotheïsten in het begin de mythen van hun heidense buren afwezen, zijn deze toch vaak op een later tijdstip het geloof binnengeslopen. Zo hebben mystici gezien dat God in een vrouw mens werd. Anderen spreken eerbiedig over Gods seksualiteit en hebben in het goddelijke een vrouwelijk element ingevoerd.

Dit brengt me bij een netelig punt. Omdat deze God als een specifiek mannelijke godheid is begonnen, hebben monotheïsten er gewoonlijk met `Hij' naar verwezen. De laatste jaren hebben feministen hier begrijpelijker­wijs bezwaar tegen gemaakt. Aangezien ik hier de gedachten en voorstellin­gen van mensen weergeef die God `Hij' noemden, heb ik me bediend van de conventionele mannelijke terminologie. Toch moet ik er misschien op wij­zen dat niet alle talen dat probleem van die mannelijke teneur in hun verhan­delingen over God kennen. In het Hebreeuws, Arabisch, Frans en verschil­lende andere talen krijgt het theologische betoog door het grammaticale geslachtsonderscheid een soort seksuele contrapunt en dialectiek, en deze zorgen voor het evenwicht dat in talen als het Engels vaak ontbreekt. Zo is in het Arabisch het woord Allah (de hoogste naam voor God) grammaticaal mannelijk, maar het woord voor de goddelijke en ondoorgrondelijke we­zenheid van God - al-Dhát - vrouwelijk.

Aan elk woord dat over God wordt gesproken, kleven onnoemelijke problemen. Toch zijn de monotheïsten, op hetzelfde moment als waarop ze ontkennen dat taal in staat is de transcendente werkelijkheid tot uitdrukking te brengen, allemaal zeer positief over taal geweest. De God van joden, christenen en moslims is een God die in zekere zin spreekt. Zijn Woord is in alle drie geloven cruciaal. Het Woord Gods heeft de geschiedenis van onze cultuur bepaald. We moeten nu beslissen of het woord `God' ons vandaag de dag nog iets zegt.

Tot slot het volgende: aangezien ik de geschiedenis van God vanuit een joodse, christelijke en islamitische invalshoek bekijk, zijn de termen `vóór Christus' en `na Christus' die normaliter in het Westen worden gebruikt niet geschikt. Ik heb daarom mijn toevlucht genomen tot de alternatieven 'v.d.g.j.' (voor de gewone jaartelling) en `n.d.g.j.' (na de gewone jaartel­ling).


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

  • Toelichting bij de Nederlandse vertaling

  • Dovnload 1.94 Mb.