Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een mens vol van geest als gelaat van God?

Dovnload 108.66 Kb.

Een mens vol van geest als gelaat van God?



Pagina1/3
Datum28.10.2017
Grootte108.66 Kb.

Dovnload 108.66 Kb.
  1   2   3

Een mens vol van geest als gelaat van God?
Martien E. Brinkman, Kanttekeningen bij de presentatie van een boek
Anton Houtepen, Jezus, God met ons. Vijf artikelen vóór de Remonstranten en één enkel tegen

Kanttekeningen bij de presentatie van een boek


Martien E. Brinkman

Introductie
Hartelijk dank voor de uitnodiging hier vanmiddag in uw midden te mogen zijn bij de presentatie van – laten we het maar zo noemen – bouwstenen voor een remonstrantse christologie. Hoewel ….misschien riekt dat al weer wat te veel naar een stevig fundament, een degelijke constructie, een fors bouwwerk en daar houden remonstranten niet van, heb ik uit dit boek begrepen.

Het moet een ‘stamelende christologie’ zijn aldus Goud, die onzekerheid niet verdoezelt. Dat klinkt heel sympathiek, maar met dat stamelen valt het doorgaans bij de remonstranten nogal mee, zo is mijn indruk – en over onzekerheid wordt soms wel erg stellig gesproken.

Maar nu de inhoud:

Laat ik beginnen met een viertal opmerkingen vooraf, schijnbaar terzijde, maar de goede verstaander zal tussen de regels door mijn positie ‘ter zake’, ten aanzien van de zaak die hier vanmiddag aan de orde is, ongetwijfeld wel bespeuren.


Opmerking vooraf
Opmerking een. Uitnodigingen als deze heb ik meestal te danken aan mijn jaargenoot en vriend Johan Goud die me nogal eens vraagt om mee te denken met remonstrantse zaken die in statu nascendi zijn zoals een paar jaar geleden de nieuwe geloofsbelijdenis.

Ik doe dat altijd graag omdat ik me vaak meer aan de linker- en trouwens ook aan de rechterzijde van het protestantisme thuis voel dan in het midden.

Aan de VU werk ik in een sectie met gereformeerde bonders, hersteld hervormden, pinkstertheologen, doopsgezinden en evangelisch, charismatisch en oecumenisch ‘angehauchte systematici en daar voel ik me erg ‘senang’ bij.
Dat voel ik me aanmerkelijk minder met de aanduiding PKN-theoloog op het programma. Zo ben ik nog nooit eerder genoemd. Dat klopt in de eerste plaats ook al formeel niet.

Van de PKN mogen wij aan de VU geen studenten voor haar opleiden, althans in hun laatste anderhalve jaar niet – en als we het wel nog hadden gemogen zouden we ons toch nooit PKN-theologen noemen.

Dat zou immers een verloochening van het vrije karakter van de theologiebeoefening aan de Vrije Universiteit impliceren, namelijk vrij van kerk en staat.

In de tweede plaats is het ook inhoudelijk een te vage term. Er is immers niet zoiets als een officiële PKN-theologie. Vanuit m’n VU-achtergrond verlang ik daar ook niet naar.

Zelf ga ik liever in gesprek met de beide vleugels van het Nederlands protestantisme, de vrijzinnigheid en de orthodoxie. Daar leer je het meest, zo is mijn ervaring. Achter die voorkeur schuilt ook een opvatting van de bandbreedte van de christenheid die ik – geloof ik tenminste, hij wijdt er maar een paar zinnen aan – met Adriaanse deel.

In zijn bijdrage stelt hij in kritisch gesprek met Roessingh vast dat je, indien je maar met een van beide uitersten, in zijn geval een lage christologie, uit de voeten kunt, toch nog wel een christen kunt zijn (52).

Ik stem daarmee in, maar stel vast dat die vraag nooit ten aanzien van de orthodoxie, de voorstanders van een hoge, hemelse christologie wordt opgeworpen, maar altijd slechts ten aanzien van de vrijzinnigheid, van hen die een lage, aardse christologie voorstaan.

Dat acht ik onjuist. Persoonlijk acht ik beide posities – zowel een exclusief accent op Jezus’ godheid als ook op zijn mensheid – even onvruchtbaar, maar ze horen wel thuis op de bandbreedte waarop het gesprek over de vraag ‘Wil de ware Jezus opstaan?’ gevoerd dient te worden.

En als men al van de ‘ketterij van de eenzijdigheid’ zou willen spreken – op zich vind ik dat nog niet eens zo’n onbruikbare omschrijving van de essentie van ketterij – dan zal men toch moeten beamen dat de orthodoxie ook heel wat ketters kent. Dat zeg ik niet om u te vleien, maar benadruk ik ook altijd bij de Bonders.

Maar ketters horen wel in de kerk, zou ik er meteen aan toe willen voegen, want eenzijdigheden scherpen de geest aanmerkelijk meer dan tussenposities, ook al blijken die vaak na verloop van tijd de meest redelijke uitkomst te bieden.


Opmerking twee. Op de uitnodiging staat ook dat ik met een boek over ‘De westerse Jezus’ bezig ben. Dat is een relevante opmerking en dat is de tweede reden dat ik zonder aarzeling deze uitnodiging aanvaardde. Want de opzet van dit boek spreekt me aan en komt overeen met wat me zelf voor ogen staat.

Toen ik met mijn boek over ‘De niet-westerse Jezus’ bezig was en daarover sprak met Afrikaanse en Aziatische gesprekspartners, zeiden ze herhaaldelijk tegen me: ‘Het is terecht dat u onze Jezusbeelden tegen de achtergrond van onze context, onze cultuur beschrijft, maar doet u dat met uw eigen, westerse Jezusbeelden ook of – hoorde je hen dan als het ware denken – beschouwt u die nog altijd als universeel?’


Historisch is het niet zo moeilijk aan te tonen hoe contextueel cultureel bepaald de westerse theologie is. Toch worden er nog steeds volop nieuwe christologieën geschreven zonder ook maar enige contextuele verantwoording.

Goed, ik weet dat dat lastig is. Er zijn immers geen dominante filosofische stromingen meer aan te wijzen en ook kunst en literatuur laten een uiterst gevarieerd beeld zien. Toch moeten er meer lijnen zijn te trekken dan wij nu vaak waar willen hebben, zo is mijn indruk.

Daar zijn de paar voorbeelden in dit boek uit de wereld van de muziek, kunst en literatuur al een eerste bewijs van. Er zijn wel degelijk tendensen te signaleren.

Dit boek is daar een aanzet toe, ook al hadden er wat mij betreft, meer verbindingslijnen van deel II over de Jezusbeelden in kunst en literatuur naar deel I en III over theologie en kerk getrokken mogen worden. Het zijn nog wat te veel gescheiden circuits gebleven.



Opmerking drie. In het boek heeft men het herhaaldelijk over vrijzinnigheid, maar dan wel over een heel ander soort vrijzinnigheid dan die nu haar honderdduizenden verslaat. Het gaat continu over de ‘oude’ vrijzinnigheid, nooit over de ‘nieuwe’.

Volgens het rapport uit 2006 van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid behoort 26% van de Nederlandse bevolking tot de categorie ‘ongebonden spiritueel’.

Bij hen scoort het geloof in een hogere wereld hoog, inclusief de esoterische items als het geloof in paranormale gaven, geesten en spirituele wezen, buitenzintuiglijke waarneming en het geloof in reïncarnatie.

Gnostische, hindoeïstische en boeddhistische motieven zijn hier populair. Tromp refereert er in zijn bijdrage even aan, maar geeft er zich bepaald niet aan gewonnen.

Deze belevingswereld sluit nauw aan bij die van veel jongeren die dag in dag uit interactief meespelen in een virtuele wereld waarin kosmische strijd en instortende en verrijzende universa virtuele realiteit zijn.

Ook de neiging ‘bijbelse’ verhalen te schrijven die niet in het Nieuwe Testament staan – denk maar aan De Da Vinci Code van Dan Brown – en de heruitgave of ontdekking van apocriefe evangeliën als die van Thomas en Judas passen in dit beeld. In deze bundel stipt Moerdijk dit fenomeen even aan. Deze nieuwe vrijzinnigheid laat ook haar sporen in de christologie na, maar daarover lees ik niets in deze bundel.

Houd u mij ten goede: ik roep u niet op u in de lijn van deze nieuwe vrijzinnigheid te begeven, maar constateer slechts dat er een tamelijk omvangrijke nieuwe, ongebonden vrijzinnigheid is ontstaan die veel vrijmoediger over God spreekt dan de oude vrijzinnigheid gewend was.
Van Schaik, een deskundige op het gebied van het esoterisch christendom, kan in het blad Volzin dan ook opmerken: ‘Ik verbaas er mijzelf vaak over: hoewel ik deskundig ben op het gebied van het esoterisch christendom, kan ik zonder meer het orthodoxe credo onderschrijven’. Hij doelt dan op de erkenning van de godheid van Jezus.

Ik kom hier nog op terug.



Eerst nog een afrondende, laatste, vierde opmerking. De vandaag te presenteren bundel haalt heel veel over hoop. Dat gold ook al voor de bundel over de geloofsbelijdenis uit 2004. De remonstranten zijn wat dat betreft voor geen kleintje vervaard en staan daarmee in een mooie en lange remonstrantse traditie van diepgaande theologische reflectie. Maar soms is het allemaal wel wat veel. Even stond ik dan ook in de aanvechting Johan Gouds e-mail te beantwoorden met dit gedichtje van J.B. Charles:
In antwoord op uw schrijven van

de dato dinges kan ik U berichten

ik doe reeds wat ik kan,

alleen ik kan niet veel verrichten

ik heb het zelf niet in de hand

en wat ik doe doe ik niet goed

niet goed genoeg naar wat ik kan,

dus wacht U af zoals ik ook maar doe

verblijvende in de hoop U hiermee te verlichten:

ik doe al voor U wat ik kan.


Maar goed, ik heb me toch maar aan de bundel gezet en ga natuurlijk niet alles schools nalopen, maar zou mijn bijdrage aan deze middag willen toespitsen op een drietal vragen te stellen aan de remonstrantse auteurs. Een vraag ten aanzien van de goddelijke nabijheid in Jezus, een over de ‘Christus in mij’ en een over het ‘intreden voor’.
Goddelijke nabijheid in Jezus
De redacteuren van deze bundel merken in hun ‘ten geleide’ op, dat evenals orthodoxe christenen ook vrijzinnigen op hun wijze de aanwezigheid of de nabijheid van God zelf en van zijn Geest in Jezus beleven.

Ze verwijzen daarbij naar de woorden van de nieuwe remonstrantse geloofsbelijdenis als ‘verbindende woorden’.

Daarbij doelen ze waarschijnlijk op de zinsnede die over Jezus als het ‘gelaat van God’ spreekt.

Meijering spreidt hier de minste scrupules ten toon en Adriaanse de meeste.

De dialectiek tussen enerzijds de menswording van God (de neerdalende lijn) en anderzijds de vergoddelijking van de mens (de opstijgende lijn) die de christelijke traditie in het denken over de figuur van Jezus steeds heeft volgehouden, wordt in deze bundel maar zelden in het voetspoor van ‘verbindende woorden’ in de trant van Jezus als gelaat van God voortgezet. Daarvoor beheerst de lage christologie die vanaf het midden van de negentiende eeuw vooral in het Westen zulke diepe sporen heeft getrokken, waarschijnlijk nog te veel de ter beschikking staande denkkaders.

Dat verklaart waarschijnlijk de bijna exclusieve aandacht voor de ‘opstijgende lijn’ van de lage christologie en het bijna geheel uit het oog verliezen van de ‘neerdalende lijn’ van de hoge christologie.


Daarom vraag ik het maar ronduit: Is het spreken over Jezus als ‘mens vol van geest’ en als het ‘gelaat van God’ inderdaad een poging een moderner credo te verbinden met het aloude credo van Jezus’ godheid?

Goud gaat op deze vraag het meest expliciet in in zijn subtiele bijdrage over Jezus als het gelaat van God. Zijn formuleringen zie ik als een poging om het dilemma tussen een lage of hoge christologie te doorbreken. Dat is inderdaad een onvruchtbaar dilemma omdat het in beide gevallen een scheidingsdenken tussen God en mens veronderstelt en de christologie wil die nu juist doorbreken. Dat dilemma is dit boek echter maar zeer ten dele te boven gekomen.

Tekenend is dan ook dat in de titel van dit boek de dubbele titel uit de nieuwe geloofsbelijdenis van 2006 – een mens vol van Geest en gelaat van God – tot de helft is teruggebracht: een mens vol van Geest.
In het moderne interreligieuze gesprek is het tegenwoordig ‘bon ton’ beelden van elkaar te schetsen. Een boeddhist schetst dan zijn beeld van het christendom, een christen zijn beeld van het boeddhisme, etc. Dit ‘spiegelen’ van elkaar posities is vaak heel instructief. Niet alleen de karikaturen komen dan snel aan het licht maar ook de essentialia. Vaste denkpatronen zie je in de diverse spiegels dan steeds terugkeren, soms tot verrassing van de betrokkenen.

Het valt me dan steeds weer op hoe vaak westerse theologen pijnlijk verrast zijn door het feit dat de vertegenwoordigers van andere religies hen steeds weer de zopas genoemde dialectiek van menswording en vergoddelijking voorhouden en dus beide aspecten van Jezus noemen en vervolgens de christelijke theologen vragen dat in hun eigen woorden uit te leggen. Dan wil er nogal eens grote verlegenheid heersen. Een verlegenheid die ik hier ook bespeur.


De Christus in mij
In de huidige literatuur over Jezus zien we dat vaak vanuit verrassende invalshoeken het goddelijke in Jezus weer sterk wordt beklemtoond. De protestantse en rooms-katholieke orthodoxie deed dat altijd al, maar krijgt tegenwoordig steun uit de kring van de esoterie als ook van de door het hindoeïsme en boeddhisme beïnvloede Aziatische christelijke theologie. Maar er komt nu een nieuw aspect bij.

De goddelijke aanwezigheid wordt nu niet tot Jezus beperkt. Goddelijke aanwezigheid en menselijke zelfontlediging worden elkaar in elk mens geacht te veronderstellen.

Hun twee-eenheid wordt doorgaans verwoord in de paulinische notie van ‘de Christus in mij’.

De eerder genoemde Van Schaik is daar een goed voorbeeld van. Daarom noem ik hem nog maar eens.

Als verklaring voor het feit dat hij geen enkele moeite heeft het goddelijke in Jezus te erkennen, geeft hij in het blad Volzin het volgende antwoord: ‘Omdat de geest en de geestelijke wereld voor mij realiteit zijn’.

Hij zinspeelt hier op het gnostische levensgevoel van waaruit onze aardse werkelijkheid alleen maar vanuit een hogere, alles omvattende geestelijke werkelijkheid kan worden verstaan.

Doordat al deze esoterische stromingen en vele vormen van Aziatische theologie de godheid van Jezus ook als model voor elk mens zien, kan er onbekommerd over het goddelijke in elk mens worden gesproken. Over zijn/haar participatie, deelname, aan het goddelijke.

De Aziatische theoloog Panikkar spreekt in dit verband van het ‘Christusprincipe’ waaraan elk mens deel kan krijgen. Hij doelt daarmee op de goddelijke nabijheid die elk mens kan ervaren. Een dergelijke benadering zet me aan het denken.

In het Westen is de discussie over het godmenselijke van Jezus vaak behandeld als een geïsoleerd leerstuk, enkele beroemde mystici als een meester Eckhart uitgezonderd.

De tweenaturenleer ging over Jezus en niet over ons. Ik neig ertoe dat steeds meer te betwijfelen.

Vooral in de dooptheologie gaat het immers om een bewuste identificatie van de gelovige met Jezus. Elke dopeling sterft symbolisch met hem en staat eveneens symbolisch met hem op. Ons oude ‘ik’ sterft dan. Daarvoor in de plaats komt het nieuwe ‘ik’ van de in Jezus herboren nieuwe mens.

Zo wordt Jezus de Christus, de heilbrenger, voor elke gelovige afzonderlijk.

Uit het werk van heel wat Aziatische theologen blijkt dat in toenemende mate Galaten 2, 20 voor hen een sleuteltekst is geworden. Paulus zegt daar: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.’

Het gaat hier om onze excentrische identitieit in Christus, een gedachtelijn die ik ook herken in Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. Ik doel dan op de zinsnede in antwoord op de vraag wat mijn enige troost in leven en sterven is, namelijk dat ik niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van Christus.

Men zou hier ook kunnen denken aan andere bijbelteksten als I Kor.3, 23 (‘u bent van Christus en Christus is van God’).

In Gouds verwijzing naar die mooie passage in II Kor.4, 6-7 waar Paulus spreekt over het licht dat God in ons hart heeft laten schijnen als weerglans van het gelaat van Jezus herken ik iets van die verbinding, ook al werkt hij die gedachte niet in de zin van een verinnerlijking, een toe-eigening van Jezus uit.


Mijn vraag hier luidt: Waarom staat er in deze bundel zo weinig over de ‘Christus in mij’?
Te lang acht ik dit verinnerlijkingsaspect in de westerse kerk verwaarloosd.

Wanneer we de essentie van dit denken dieper peilen, kan wellicht vanuit de kerk ook een meer vruchtbare bijdrage geleverd worden aan de discussie over het in onze westerse cultuur zo centrale begrip zelfverwerkelijking.

In de doop leren we immers hoe we ons ware ‘zelf’ als in Christus herboren mens moeten vinden. Dat ‘nieuwe zelf’ mag ook het goddelijke in ons, de ‘Christus in ons’, genoemd worden.

In het buiten ons plaatsen van het goddelijke zie ik een van de belangrijkste oorzaken van de westerse secularisatie. Op den duur verdwijnt God dan uit beeld.

Aan mijn pleidooi voor een onbevangener verinnerlijking moet echter wel iets toegevoegd worden. Dat brengt me bij mijn derde punt, de plaatsvervanging en de navolging
Plaatsvervanging en navolging
Jezus kan alleen maar als ‘model’ voor de doorwerking van het goddelijke in ons leven fungeren, wanneer we het belang van zijn levensinzet voor ons eigen leven aanvaarden.

Jezus’ ‘vergoddelijking’ heeft immers alles met zijn kruisdood te maken.

Zijn kruisdood staat voor zijn plaatsvervangend intreden voor ons.

Dat intreden heeft als doel verstoorde verhoudingen te herstellen. Verstoorde verhoudingen tussen God en mens en tussen mensen onderling vanwege geborneerde ik-gerichtheid die vanaf Augustinus als dé definitie van zonde geldt.

Die fixatie op het eigen ik wordt christelijk gesproken doorbroken door een levensoffer dat bevrijdende, vergevende kracht losmaakt.

Het symbool daarvan is bloed.

Haast in alle culturen is bloed het centrale symbool voor de essentie van het leven.

Bloed wordt vaak verbonden met de levensinzet voor anderen.

Het was voor mij de afgelopen jaren nieuw om te signaleren dat Afrikaanse en Aziatische christenen de betekenis van Jezus’ leven vaak illustreren aan de hand van in hun culturen al eeuwenlang bestaande verhalen of mythen over het met de inzet van eigen leven intreden voor anderen.

Het valt me tevens op dat zoveel moderne films deze bevrijdende levensinzet voor anderen als centraal motief kennen en zo als het ware anonieme Jezusfilms zijn.

Ik denk dan aan films als ‘Breaking the waves’ en ‘As it is in heaven’. Steeds valt het me daarbij ook weer op hoe haarfijn moderne filmmakers de onthullende betekenis van bloed kennen. Mijns inziens is er dan ook geen existentiële christologie mogelijk zonder de verwijzing naar de cruciale rol van bloed. Daarvoor is bloed een te belangrijke levenservaring.

Ik realiseer me terdege dat ik me met dit pleidooi voor het belang van het ‘intreden voor’ op glad ijs begeef.

Toch staat hier alles op het spel.

Zonder deze notie lijkt me geen menswaardig leven mogelijk.

We zijn letterlijk vanaf het eerste uur dat we leven afhankelijk van iemand die voor ons in wil treden.

Zoals altijd kan echter ook hier het mooiste in één handomdraai omgedraaid worden tot het lelijkste.

Dan verandert ‘intreden voor’in ‘de ander zich voor jou op laten offeren’.

Dat risico bestaat vooral daar waar de oproep tot ‘intreden voor’ bij voorkeur tot slechts bepaalde groepen of een specifieke sexe wordt gericht.

Vooral vrouwelijke theologen hebben hier een gevoelige antenne voor.

Ook onder hen echter – zoals bij de Nederlandse theologe Van Heijst en de Ghanese theologe Oduyoye – groeit het besef dat hier het kind niet met het badwater moet worden weggegooid. Misbruik diskwalificeert immers lang niet altijd het gebruik.


Daarom luidt mijn derde en laatste vraag: Waarom wordt in dit boek zo weinig over bevrijdende plaatsvervanging gesproken?

Juist de moderne film biedt toch aanknopingspunten genoeg hier in nieuwe beelden over te spreken?


Een laatste verwijzing in dit verband tot slot. Eergisteren zag ik in Utrecht de film Cordero de Dios van de 34-jarige Argentijnse regisseuse Lucia Cedron. Met deze film maakte ze haar fimdebuut in januari op het filmfestival te Rotterdam.

De titel betekent: Lam Gods, agnus dei, en gaat over de ‘vuile oorlog’ in Argentinië in de jaren zeventig onder generaal Videla.

Zelf heeft ze in die oorlog ook haar eigen vader verloren. In die film gaat het over vuile handen, over liefde, over niet kunnen vergeven, over losgeld en over een speelgoedbeest, een lammetje.

In de film wordt ook een echt lammetje geboren. Midden in de film en het wordt herhaald bij de aftiteling wordt er door vader en dochter een kinderliedje gezongen waarvan de tekst gaandeweg alles op zijn kop zet. Vaste woordverbindingen worden verwisselend.

De lammetjes zijn boosaardig en de wolf vriendelijk.

Letterlijk wordt er gezegd dat de wereld wordt omgekeerd: het lijkt me de essentie van het evangelie van het lam Gods, verkondigd in een Utrechtse bioscoop.


M.E. Brinkman is hoogleraar interculturele theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en publiceerde De Niet-Westerse Jezus. Jezus als bodhisattva, avatara, goeroe, profeet, voorouder en genezer, Zoetemeer: Meinema, 2007.

Jezus, God met ons.

Vijf artikelen vóór de Remonstranten en één enkel tegen
Anton Houtepen
Reactie op Johan Goud e.a. (red.), Een mens, vol van Geest - Jezus in woord en beeld, Meinema, Zoetermeer 2008
De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Messias, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas (1 Kor. 1,22-23)

Het zijn geheimen, waarin zelfs engelen graag zouden doordringen (1 Petr. 1,12)
Inleiding
Op 30 oktober 1608 – dit jaar 400 jaar geleden – legde Arminius, samen met zijn tegenstander Gomarus voor de Staten van Holland gedaagd, zijn beroemde Verklaring af, die uitgangspunt werd voor de Remonstrantie van 1610 en het protest daartegen in de Vijf leerregels tegen de Remonstranten van de Dordtse Synode van 1619.1 In zijn Verklaring – die ik in vijf punten samenvat – benadrukte Arminius


  • dat alleen het Woord Gods boven elk dispuut verheven is en het waard is door allen aanvaard te worden

  • dat alle latere geloofsbelijdenissen daaraan blijvend getoetst mogen en moeten worden;

  • dat een geloofsbelijdenis alles ter sprake moet brengen wat het uiteindelijke heil van mensen dient, dat er niets in mag staan wat overbodig is voor dat heil en dat we in ieder geval moeten onderscheiden tussen voor het heil fundamentele en secundaire geloofsartikelen;

  • dat de gebruikte formuleringen helder moeten zijn, niet dubbelzinnig en niet met elkaar in strijd

  • zodat ze niet de oorzaak zijn van twist, maar de vrede en eendracht met de andere (gereformeerde) kerken bevorderen.

Deze vijf criteria voor een waarachtige en de christelijke koinonia dienende articulatie van het christelijke belijden, gelden in bijzondere mate voor het belijden omtrent de betekenis van Jezus van Nazareth voor het heil van de mens en voor de eendracht van zijn volgelingen. Belijden wil immers zeggen: het met de mond en het hart beamen (Rom. 10,9-10) van het verhaal van God en de mensen, zoals het in de canonieke Schriften van Israël en de Kerk wordt verteld en waarvan het verhaal van Jezus, de Levende naar christelijk besef de clou en de climax vormt..

Daarbij is met name ook het gezamenlijke belijden (homologia) in het geding, als wachtwoord voor de geloofstrouw van allen die op naam van Jezus zijn gedoopt, als samenvatting van wat Jezus voor hen, voor hun kinderen en voor catechumenen betekent en als wervend getuigenis in het publieke domein voor de blijvende waarde van diens levenswijze en levenslot voor alle mensen, met name ook voor hen die niet, niet meer of nog niet in de God van Jezus geloven..
Terecht stelde Arminius destijds al, dat zulke articulaties van het belijden menselijke geschriften zijn, die telkens weer – zij het niet perse “jaerlijc” – herijkt dienen te worden en getoetst aan het Woord Gods, aan hun functie voor het heil van de mens en – als ik zijn wat beperkte oecumenische visie mag verbreden – voor de eendracht van alle christenen.

  1   2   3

  • Jezus, God met ons.

  • Dovnload 108.66 Kb.