Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een mens vol van geest als gelaat van God?

Dovnload 108.66 Kb.

Een mens vol van geest als gelaat van God?



Pagina2/3
Datum28.10.2017
Grootte108.66 Kb.

Dovnload 108.66 Kb.
1   2   3

Niet de teksten als zodanig echter binden ons samen en brengen ons tot “enigheid”, maar het gezamenlijk beamen van datgene wat zij willen zeggen, zoals ook Thomas van Aquino het formuleerde: actus credentis non est ad enuntiabilia sed ad rem.2 Om deze res, het eigenlijke geloofsgegeven, in elke tijd en plaats met adequate geloofsarticulaties en handelingsregels veilig te stellen en door te geven is er vanaf het eerste begin (Hand. 15) het gezamenlijke conciliaire beraad in de hermeneutische gemeenschap van de kerken. Het fides quae – het geformuleerde belijden, het belijden met de mond – kan immers nooit die koinonia bewerken, die er volgens de gezindheid van Jezus onder zijn volgelingen dient te zijn, zonder het fides qua, het beamen en dienen van zijn evangelie van het Rijk Gods met het hoofd en met het hart en met alle talenten die ons zijn gegeven.


De bundel die we vanmiddag bespreken bevat vele stamelende en zeer menselijke commentaren op de derde strofe van het in 2005 geïntroduceerde nieuwe remonstrantse vijf strofen belijdenislied over de roeping van de mens, over de kracht van de Adem Gods die ons doet leven, over de betekenis van Jezus en wat er door en met hem gebeurd is voor ons leven en over God, de Eeuwige die ons de weg wijst naar vrijheid en gerechtigheid en die ons met goddelijk geduld de tijd schenkt en wenkt naar een toekomst van vrede, een perspectief van leven, sterven en opstaan in het koninkrijk, waarin God alles in allen zal zijn.
Mijn reactie op de bundel bestaat uit vijf punten van instemming met wat ik in de bundel heb gevonden en uit één enkel, maar wellicht niet onbelangrijk punt van kritiek.
1. De noodzaak van telkens nieuw belijden
In de Remonstrantse traditie is het persoonlijk schriftelijk verwoorden van wat men gelooft een eeuwenlange gewoonte, maar – ondanks alle vraagtekens en waarschuwingen bij het verplichte karakter van geloofsformuleringen – toch vanaf de twintigste eeuw ook weer de herhaalde herlezing en vernieuwde formulering van de kerkelijke homologie en de daarmee verbonden kerkelijke praxis.
In het oecumenisch gesprek is dat een neuralgisch punt, waarop met name Faith and Order zich al vanaf 1963 (Montreal) heeft bezonnen: hoe binnen de christenheid overeenstemming te bereiken over de hermeneutiek van Schrift- en Credo-teksten. Arminius’ tamelijk onkritische beroep op de bijbeltekst als het Woord Gods en de Credo-teksten als mensenwoord biedt voor het huidige tijdsgewricht geen oplossing meer:, want beide zijn in de heilige Geest en via de geloofsgemeenschap de vrucht van Traditie, d.i. the paradosis of the Gospel. Wij hebben immers, afgezien van enkele fundamentalistische stromingen, ook de bijbel als product van menselijk geloof leren beschouwen, ook al spreken we nog zo vaak over het Woord Gods, dat ons daarin wordt toegesproken en ontsluierd. Ook het door Arminius aan de “pauselijken” toegeschreven, maar ook bij de gereformeerden vermoede beroep op formeel leergezag “zonder dolinge” dat de uitleg van de Schriften en van het Credo zou kunnen reguleren wordt nog door weinigen onderschreven.3
In de bundel staat inderdaad, naar goed remonstrantse en vrijzinnige traditie in het algemeen, de persoonlijke beleving en verbeelding van wie Jezus was en is en wat hij wilde en wil van zijn volgelingen, centraal. Dat sluit aan bij de moderne inkleuring van vrijheid als autonomie en bij de postmoderne, sterk op de individuele levenskeuze, de contextuele eigenheid en de verheerlijking van het verschil gerichte cultuur. Met name in het tweede deel over de verbeelding van Jezus in de kunst vallen de grote verschillen in Jezus-beleving op, maar ook tussen het evangelicale, gnostische, esoterische, sapiëntiële, bevrijdingstheologische, unitarische en patristische wereldbeeld , zoals beschreven in deel I, zijn er zeer grote verschillen en ook tegenstrijdigheden in beeldvorming en beleving van het Jezus-gebeuren. Alleen bij een grote bandbreedte van verdraagzaanheid en vrijheid van spreken over de persoonlijke beleving van dat Jezus-gebeuren , kan de “enigheid” van de geloofsgemeenschap zulke ingrijpende verschillen verdragen.

Daar staat echter tegenover, dat de beleving van Jezus en de ervaring van God wel degelijk gebonden zijn aan enkele epistemologische voorwaarden en grondbeginselen voor de christelijke “homologie”, zoals met name in de bijdragen van Meijering, Holtzapfel, Van Leeuwen en Goud wordt betoogd en zoals in het nieuwe belijdenislied ook wordt beoogd. Bij dit streven naar “homologie” (waarom het ook Arminius te doen was) een viertal opmerkingen:



  1. Het grondbeginsel van alle zogenaamd vrijzinnige vormen van Godsgeloof – binnen Jodendom, Christendom en Islam – is inderdaad, dat gelovigen niet over kenniskanalen omtrent dood en leven, verleden of toekomst, aarde of kosmos, God of diens rol in de geschiedenis beschikken, waarvan zij alleen de decoder bezitten of die ze met geweld of dwang aan anderen zouden kunnen opleggen.. Daarom is in die tradities bijbel- of koranhermeneutiek niet van een andere of hogere orde dan alle andere vormen van tekstuitleg en tekstgebruik die in de verschillende culturen en religies gangbaar zijn.

  2. Maar daarom zijn tegelijkertijd de feitelijke historische gegevens omtrent Jezus en omtrent de aard van diens Godsgeloof, die door de kritische bijbelexegese en de kennis van de Joodse en hellenistische cultuur van zijn dagen zijn blootgelegd, het eerste uitgangspunt voor de geloofstrouw van zijn leerlingen en een welkome en broodnodige begrenzing van vrome fantasie, van bijgeloof en ongeloofwaardige theologische en filosofische speculaties, hetzij in gnostische of esoterische richting dan wel in metafysische of psychologische categorieën. Op grond van dit voortschrijdend inzicht kunnen we enerzijds niet zomaar wat roepen over wie Jezus voor ons is4, noch ons alleen beroepen op wat de oecumenische concilies over hem hebben uitgezegd.

  3. Vanwege het ook door Jezus zelf nergens geheel onthulde geheim van zijn Godsrelatie en vanwege de tastende en zoekende beschrijving van de wil van God, het Rijk Gods ofwel het beleid van God over ons bestaan en over het reilen en zeilen van de natuur en de geschiedenis, waarvan de evangelisten en de eerste leerlingen getuigen, kan geen enkele geloofsformulering uit later tijd of uit welke context dan ook geheel en al waar zijn in de zin van een voor altijd geldende propositionele waarheid of “Satzwahrheit” (H.Küng): Inderdaad: Actus credentis non terminatur ad enuntiabile, sed ad rem en: articulus fidei est adhaesio veritatis tendens in ipsam (Thomas van Aquino).

4) Jezus heeft ons geen kant en klare uitspraken overgeleverd, noch over God, die hij aanroept als Abba, maar die hij ook beleeft als Ruach, Adem en Kracht van Geest die de mensen stuwt en overschaduwt, sterkt, doet leven en opwekt uit de doden, noch over zijn zelfverstaan.. De evangelisten vertellen van Jezus, hoe hij woorden en beelden tekort kwam om te vertellen hoe God en mensen met elkaar van doen hebben (de parabels van Jezus)en hoe hij zichzelf als diaken en gezant van God beschouwde (Mk 10,45), juist in zijn radicale inzet voor de bevrijding van mensen uit vastgeroeste religieuze kaders, maatschappelijke en culturele vooroordelen en conventies en hoe hij, als onbevoegde rabbi zonder enig diploma (Grollenberg)5, het clericale en intellectuele establishment van zijn dagen, maar ook de politieke leiders die het keizerlijke gezag vertegenwoordigden, aan de tand voelde en ontmaskerde met gewetensvragen en ontnuchterend vermaan op profetisch gezag. Het kwam hem duur te staan, het kostte hem marteling en de dood op het schavot, uitstoting en excommunicatie. Wie hem volgt kan nooit meer goddelijk gezag toekennen aan menselijke gewoonten (Mt 6) of aan enige menselijke autoriteit (Mt 23); en kan niet langer het beroep op traditie tot enige norm maken van wat en hoe er geloofd moet worden (vergelijk de herhaalde aanhef van Jezus’ uiteenzetting over de “grotere gerechtigheid” in Mt. 5, 21-48)). Wie hem volgt zal in elke context van tijd en plaats naar woorden en beelden moeten zoeken om de beleving van Jezus en van diens Godsgeloof te kunnen communiceren met medegelovigen én buitenstaanders, verantwoording afleggend van de hoop die in hem is (1 Petr 3, 15).
De thans verschenen bundel met bijdragen van remonstrantse theologen is van een dergelijke verantwoording een goed voorbeeld, “zachtmoedig en met respect” (1Petr 3,16 NBV) geschreven, waarbij de context van de secularisatie en agnosme met betrekking tot de godsidee en de nadruk op de individuele beleving van het geloof in Jezus en diens heilsbetekenis de hoofdtoon vormen. Omdat het geloof in God en in Jezus als de Christus algemeen betwijfeld wordt (H.Kuitert)6, kan geen belijdenistekst de geloofsvragen van mensen buiten beschouwing laten en zal zij het vragende en zoekende geloven niet frustreren door formuleringen, die het geloofsgeheim aantasten. Dat heeft tot gevolg, dat er in de hele bundel ook een onderliggend akkoord lijkt te worden aangeslagen, een gezamenlijke teneur van waardering voor een veelheid van woorden en beelden en van verzet tegen een uniforme belijdenisdwang of een al te eenzijdig kerkelijke dan wel binnenkerkelijke geloofstaal. Het “Noli me tangere” uit het Paasverhaal naar Joh.20,11-18 wordt in de hele bundel uitgelegd als het onaantastbare geheim van de gekruisigde die leeft bij God en als een gebod van Jezus zelf om niet te proberen hem in aardse termen te duiden en op te sluiten.
2.De noodzaak van gezamenlijk belijden: eenigheyt.
De nieuwe remonstrantse geloofsbelijdenis wil inderdaad duidelijk ook niet-kerkelijken of niet zo kerkse mensen aanspreken en uitnodigen en dat beoogt ook deze bundel met commentaren over de belijdenis omtrent Jezus. De christelijke kerk is er immers voor de wereld en elk credaal getuigen heeft ook een missionaire strekking (A. Hoekema). De missionaire impact ervan hangt echter ook in hoge mate af van de vraag of het om common Christian witness gaat en om “Apostolic Faith” of “faith of the Church through the ages” (F&O, Lima tekst Baptism, Eucharist and Ministry, Preface), dat wil zeggen belijden in de geest van de apostelen en de apostolische traditie, zoals die de eeuwen door en ondanks de wisseling der tijden, der woorden en beelden, getrouw is overgeleverd.

In onze dagen is een dergelijke diachrone eenstemmigheid in het belijden geen eenvoudige opgave, maar toch ondanks en ook dankzij het pluralisme van belijdenissen, bitterhard nodig. Om die te bereiken is echter, naast het bundelen van belijdenissen of het aanwijzen van één klassieke belijdenis als oecumenisch credo7, ook gezamenlijk beraad nodig over wat in de traditionele belijdenissen ontbreekt, overbodig of onverstaanbaar is geworden. Arminius vroeg daar in 1608 terecht om. De onderhavige bundel doet dat in vele bijdragen eveneens. Wij – en niet alleen remonstrantse of vrijzinnige theologen - hebben kennelijk grote moeite met het artikel over Gods almacht, met de preëxistentie van de Zoon Gods, diens maagdelijke geboorte, verzoenende lijden, lichamelijke opstanding en wederkomst en met het geloof in en de voorstellingen van het leven na de dood, het einde van de wereld en het algemene oordeel Gods over levenden en doden. Over dat alles zwijgt de nieuwe belijdenis en blijft het ook opmerkelijk stil in deze bundel. Gaat het hier, zoals de Berlijnse pastoraal-theoloog Klaus-Peter Jörns betoogde om “Notwendige Abschiede auf dem Weg zu einem glaubwürdigen Christentum”8 of om het “Afscheid van het conventionele Christendom”, zoals Van de Pol en Bischop Robinson dat al in 1964 beschreven? Zodat het hier slechts tijdgebonden interpretaties van het Jezus-gebeuren betreft, die ook Arminius tot de voor het heil overbodige of op zijn minst secundaire artikelen zou hebben gerekend?

Ik denk, dat de situatie ernstiger is en dat het stilzwijgen over deze kern-begrippen uit de traditionele geloofsarticulatie blijk geeft van een fundamentele aporie, niet alleen ten aanzien van de klassieke credo’s uit de eerste vier eeuwen, maar ook ten aanzien van grote stukken van het Schriftverhaal en van het evangelie van Jezus. Er is daarom, wat het gezamenlijke belijden of homologie betreft, sprake van een actuele en universeel-christelijke necessitas concilii (Bellarminus) en van een nieuwe agenda voor de oecumenische dialoog, als voorbereiding op “a genuine universal council” zoals de Wereldraadassemblee van Uppsala (1968) daar al om vroeeg: vanwege de globalisering en gelijktijdige localisering van de cultuur, vanwege de interreligieuze ontmoeting en confrontatie wereldwijd en ter plaatse, vanwege het voortgeschreden inzicht in het gewelds- én vredespotentieel van de religies, vanwege de gegroeide oecumenische verhoudingen tussen de kerken, die zonder een zekere homologie inzake de persoon en het werk van Jezus niet kunnen beklijven, maar vooral vanwege de context van onze Secular Age (Charles Taylor), die het antieke wereldbeeld volstrekt heeft verlaten en die overtuigd is van de menselijke oorsprong van alle vormen van religie.
3. De noodzaak van een soteriologisch perspectief van het belijden: de naam van Jezus als belangrijkste christologische titel en de betekenis van Jezus als de “gezant”, “het gelaat”of “de icoon” van God als bevrijdende God.
De mooiste Jezustitel uit de Schriften die ik ken – tegelijkertijd Abrahamitisch, dat wil zeggen geschikt voor joden, christenen en moslims – is Emmanuel: God met ons. In de betekenis van de Jezus-naam zelf – God, die redt – en in die van zijn functie-titel Christus- de door God aangestelde profeet en leidsman van de mensen van God – horen we dezelfde klank van het verbond van God en mens. Beide functie-aanduidingen zijn meer dan een eigennaam, het zijn werkwoorden, uitroepen en aanroepingen tegelijk. Ze lopen minder dan de andere Hoheitstitel Jesu gevaar te worden gehypostasieerd, dat wil zeggen ontologisch of essentialistisch te worden verzelfstandigd of zelfs losgeweekt uit de concrete biografie van Jezus: de bijbelse functiebenaming Zoon van God wordt dan immers al te vlot tot God, de Zoon (E.Flesseman-Van Leer)9, de tweede Persoon van de Drieëenheid. Die van Christos/Xrèstos wordt tot Kurios en krijgt zo niet alleen op paradoxale wijze een keizerstitel, maar ook de Godsnaam – Adonai – aangezegd, waarbij zijn eigen getuigenis dat hij optreedt in dienst van God en om Gods wil te doen, wordt vervangen door een voor joden en moslims blasfemische identificatie, die voor de Christenheid een lange periode van Christologische strijd heeft ingeluid, die nog altijd niet ten einde is.

Ofschoon de titel ‘Emmanuel’ niet voorkomt in enige bijdrage in deze bundel, sluit hij wel naadloos aan bij de visie op en het beeld van Jezus dat in deze bundel wordt getekend in woord en beeld en vat hij ook het Jezusbeeld samen uit de remonstrantse geloofsbelijdenis van 2005., die luidt als volgt:


Wij geloven in Jezus, een van Geest vervulde mens,
het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust.
Hij had de mensen lief en werd gekruisigd 
maar leeft, zijn eigen dood en die van ons voorbij.
Hij is ons heilig voorbeeld van wijsheid en van moed
en brengt ons Gods eeuwige liefde nabij.
De betekenis en de waarde van deze Jezus-belijdenis is gelegen in het feit, dat de relatie van God en Jezus én de relatie van God-met-ons er in samen worden gebracht. We kunnen noch over God, noch over Jezus anders spreken dan in relationele termen. We kunnen over Jezus’ relatie met God en Gods relatie met ons ook niet anders spreken dan hijzelf over God en tot God heeft gesproken.

Dat houdt ook in, dat wij over Jezus’ relatie met God ook vanuit zijn bijbel, de Tenach of het Oude Testament moeten spreken en dat alle latere eretitels voor Jezus, die in het hellenistische, Syrische, of Noord-Afrikaanse milieu van de vroege kerk zijn ontstaan niet zo mogen worden begrepen, dat ze in strijd zouden komen met de Oud-testamentische visie op Gods relatie met mensen, of de Oud-testamentische betekenis van Gods verbond met Israël, Ismaël en de andere volkeren. Ook de overige Nieuwtestamentische eretitels als Zoon van God , Mensenzoon, of Kurios moeten dus vanuit hun betekenisveld in het Oude Testament en in de Joodse uitlegtraditie van Jezus’dagen worden geïnterpreteerd. Ofschoon ik veronderstel, dat geen van de auteurs van deze bundel het daarmee oneens zal zijn, is het wel opvallend, dat ze geen van alle veel aandacht besteden aan de mens Jezus als Jood en zijn Joodse geloof in God en diens wil voor zijn volk.

Dat we over Jezus intussen niet anders dan in relatie met ons kunnen spreken heeft ook te maken met het kritische inzicht in de betrekkelijkheid van het historische Jezus-onderzoek. Er zijn te weinig harde gegevens over Jezus, dan dat we hem uit de vele beelden van Jezus zouden kunnen isoleren. Hij is ons met woord en beeld overgeleverd en als zodanig heeft hij vorm gegeven aan het geloof van de christenen door de eeuwen heen.

Dat we over God niet anders dan in relationele termen kunnen spreken – beter nog: alleen in en vanuit de geloofservaring, die de vocatief “God?” vragend en zoekend in de mond durft nemen en zich door God als de roepende weet aangesproken 10 – is ons in de theologie van de 20e eeuw en in de oecumenische beweging duidelijk geworden, al blijven er nog altijd groeperingen die zich op een exacte kennis van God beroepen die ons door God zelf in de bijbel of door innerlijke verlichting van onze geest door de Geest van God is geopenbaard.

Iedere vorm van Godsgeloof, die miskent dat we over God en tot God slechts in mensenwoorden kunnen spreken en dat God zich ook slechts in menselijke taal en menselijke verbeelding tot ons kan richten, iedere identificatie van menselijke ideeën, beelden, geboden als “Godsspraak” – zo spreekt de Heer –, grenst aan fetisjisme, ontaardt in machtsmisbruik en dogmatisme en doet afbreuk aan het geheim van de Godsrelatie. Ze is de voornaamste oorzaak van het 19e en 20e eeuwse atheïsme, dat zich overigens met de verabsolutering van zijn loochening van iedere mogelijke Godsrelatie aan een vergelijkbaar fetisjisme, machtsmisbruik en dogmatisme heeft schuldig gemaakt, zowel in zijn kapitalistische als communistische varianten.

Dat we over God niet anders dan in bevrijdende termen kunnen spreken houdt ook in dat soteriologisch spreken over Jezus – als verlosser, verzoener, bevrijder van mensen uit angst en nood, uit minachting en vervloeking, uit schuld en straf - op grond van zijn naam – God die redt – altijd ook tegelijk soteriologisch spreken over God is. Wie Jezus aanvaardt als de Christus, de gezant, het gelaat en de icoon van God, kan zich niet langer een Godsbeeld veroorloven, dat met het Godsbeeld van Jezus in strijd zou zijn. Geen willekeur-God van “eigen volk eerst” dus, die een God van selectieve verontwaardiging en selectieve voorkeur zou zijn; geen oorlogs- of kruistochten-God die geweld of dwang zou hanteren of van mensen zou willen billijken om een heilig doel te bereiken; geen elite-God, die er alleen voor de machtigen, de rijken en de geleerden zou zijn, maar een God van zorg voor allen die in nood zijn; geen God van mannen alleen, maar een God van alle mensen; geen tempel-God of projectie-God, die geacht wordt in al onze noden en behoeften te voorzien (Levinas: ün Dieu du besoin), als wij daarom vragen met offers en gebeden, maar de promotor van onze passie voor het mogelijk goede, van het handelen naar de wil en volgens het beleid van God, zoals ons in het “Onze Vader” wordt betuigd en zoals Jezus ons leerde bidden.


4. Jezus en God, Vader en Geest: geen geloof in Jezus zonder Godsgeloof
Wie Jezus zou willen ontdoen van diens Godsrelatie – zoals ook vele theologen in de 19e en 20e eeuw hebben geprobeerd – ontmantelt deze profeet en ontdoet hem van wat hem het meest bezielde: een leven naar de wil en het beleid van God, beleefd en aangeroepen als Abba en een leven vervuld van de Ruacht, de Adem, de stuwkracht van God. En het maakt zijn volgelingen, die in zijn woorden en daden, zijn executie en blijvende nabijheid, de hand Gods hebben gezien, zoals o.a. Petrus getuigt op die eerste Pinksterdag volgens Hand. 2, tot zielige schlemielen en godsdienstwaanzinnigen, wier missie en kerkvorming, martelaarschap en ascese, wereldbeschouwing en mensenliefde één groot projectiefenomeen genoemd moet worden.

In Jezusontmoeten we het heilzame gelaat van God, die naar ons omziet en die ons uitdaagt en roept, die ons verontrust in onze eigenwaan en schijnbare autonomie, in ons narcisme en onze zelfontplooiingideologie en die ons doet omzien naar de lijdende ander. Als gezant en dienaar van Jahweh vervult Jezus het verbond van God met Israël, zonder het te ontkrachten. De vervulling bestaat in de uitnodiging tot een verruimd verbond van God, dat leerlingen van Jezus uit alle volkeren omvat, die willen leven naar wat hij heeft geleerd en voorgeleefd en waarin de Levensadem van God werkzaam tegenwoordig zal zijn en de leerlingen­gemeenschap bijeen zal houden in een gemeenschap van geheiligde, vernieuwde mensen, - communio sanctorum - die op een voor ons lichamelijk oog en menselijk inzicht onbereikbare wijze - reiken zal tot voorbij de dood en het graf.

.

5. Geen geloof zonder daden van geloof


Het verzet tegen de gnosis, dat de vroege kerk- en theologiegeschiedenis kenmerkt, is ook een karakteristiek van de Arminiaanse spiritualiteit, de eeuwen door. (vgl de bijdrage van J. Tromp). Van Jezus’ leerlingen wordt verwacht dat zij handelen in zijn geest. Het mathèteuein waartoe hij hen volgens Mt. 28 oproept heeft betrekking op het “onderhouden van alles wat ik jullie geboden heb”. Wie gelooft in de lijn van Jezus, moet dus aller dienaar worden, andere mensen gastvrij de voeten wassen en aan allen die in nood zijn of gebrek lijden soelaas bieden, als was het aan Jezus zelf, die in armen en vervolgden ons zijn gelaat laat zien, dat tegelijk ook het gelaat van God is (Mt. 25). Terecht wijst Anne Claar Rosingh. erop dat de remonstranten deze Arminiaanse spiritualiteit delen met het methodisme van de beide Wesleys en als gevolg daarvan ook met vele evangelicale groeperingen. Zij had ook kunnen zeggen, dat dit een gemeenschappelijke karaktertrek is van de spiritualiteit van de katholieke tradities van Oost en West. De door de Reformatoren en het concilie van Trente afgewezen verdienstenleer is daarvan een Middeleeuwse uitwas, die terecht is aangeklaagd en bestreden, omdat ze werkheiligheid tengevolge had en een daarmee gepaard gaande faalangst wat betreft iemands “staat van genade” als strenge voorwaarde voor de toelating tot het eeuwige heil, alsook een veel te grote nadruk op de kerk (en de clerus) als bemiddelend heilsinstituut. Maar de bestrijding ervan in de kerken van de Reformatie heeft evenzeer scheve interpretaties van het evangelie gebaard, zoals Luthers afwijzing van de Jacobusbrief en van de Middeleeuwse deugdenleer, de predestinatieleer van Calvijn en de Heidelbergse Catechismus, de imputatieve en forensiscbe rechtvaardigingsleer van de Nadere Reformatie en in sommige groeperingen11 een haast even neurotische onzekerheid en angst omtrent het eigen heil als die welke Luther vanuit Paulus’ brieven had willen bestrijden. .

Met name de theologie van G. J. Heering vormt op dit punt een belangrijke oecumenische brug naar een volop katholieke, ook politiek geëngageerde, bevrijdings- en vredestheologie, waarin de geloofspraxis de weg wil gaan van de mensenrechten, de vredes- en de milieubewegingen, de interreligieuze dialoog en het respect voor de vreemdeling in ons midden.


6. Eén tegenstem
Hoe mooi dit ook klinkt en hoe van harte ik dit lied ook kan meezingen, er ontbreekt een toon aan, zoals die de moderne muziek kenmerkt, maar ook het levensverhaal van Jezus, zoals de geschriften van het Nieuwe Testament dat schetsen. Dat is de toon van het ongeloof, het verraad en de verloochening van zijn leerlingen en van het onrecht een rechtvaardige aangedaan door religieuze en politieke autoriteiten die hem als godslasteraar en onruststoker uit de weg hebben geruimd in een lange – not invented – traditie van de executie van profeten, boetepredikers en herauten van het Rijk Gods, martelaren omwille van hun Godsvertrouwen en oproep tot gerechtigheid en barmhartigheid. Die toon vinden we in het evangelie van Lukas (Lk 20) in het verhaal van de moord op de zoon en gezant van de wijngaardenier, dat staat in een lange keten van verhalen, vanaf de rechtvaardige Abel die om zijn religieuze overtuiging en vanwege religieuze jaloezie door zijn broer Kaïn wordt vermoord, via Hagar en Ismaël die door Sara en Abraham de woestijn in worden gejaagd, via Esau, de schlemiel aan wie door Jacob de zegen en de rechten van de eerstgeborene worden ontfutseld, via Jacobs zoon Jozef wiens broers hem uit de weg hadden willen ruimen, via de lijdende man Job, die niet wil geloven, dat zijn ellende het gevolg is van schuld en goddelijke bestraffing, zoals zijn theologische aanklagers betogen tot en met de liederen van de dienaar van Jahweh uit deutero-Jesaja, die zwijgend naar het schavot wordt geleid.

Het is dit verhaal en deze toon van de lijdende rechtvaardige, die door menselijk onrecht en vergrijp in zijn of haar rechten wordt beknot, wiens eer wordt geschonden en die zelfs ter dood wordt gebracht, maar door God zelf wordt gerehabiliteerd, zoals dat volgens de Openbaring van Johannes ook zal geschieden met hen die in Jezus’ naam zijn vervolgd.. Het is dat verhaal, dat ik ook mis in deze bundel vol stamelende, maar ook indringende visies op de betekenis van Jezus van Nazareth, toen, in de dagen van keizer Augustus, de keizerlijke satraap Pontius Pilatus en de hogepriester Kajafas, in de twintigste eeuw met zijn gruwelijke oorlogen, vluchtelingestromen, werldwijde armoede, de Holocaust en massamoorden op hele bevolkingsgroepen , maar ook nu aan het begin van de 21e eeuw: in de dagen van koningin Madonna en koning voetbal, van de keizers Poetin en Bush en hun satrapen, en een economische graaicultuur, die de winst van de rijken “verdient”met de ellende van de armen. Ook in de theologie van Benedictus XVI mis ik, ondanks zijn oprecht inzet voor gerechtigheid en vrede in de wereld, deze dissonant, in elk geval in zijn Verklaring Dominus Jesus uit 2000 ( toen nog als hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer) en in zijn prekenbundel Jezus van Nazareth uit 2007. Het is de dissonant, die Jezus’ executie in het verhaal van zijn grote menslievendheid en edele humanisme, van zijn Godsvertrouwen en hoop op een messiaanse toekomst van vrede en heil aanbrengt: de dissonant van onrecht en rechteloosheid, van wanhoop en ogenschijnlijke mislukking van diens geweldloos humanisme, van verraad en verstrooiing van de gemeenschap van leerlingen, van meet af aan, van kerkscheuringen, anathema’s en religieuze competitie, allemaal zogenaamd in Jezus’naam.

1   2   3


Dovnload 108.66 Kb.