Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een mens vol van geest als gelaat van God?

Dovnload 108.66 Kb.

Een mens vol van geest als gelaat van God?



Pagina3/3
Datum28.10.2017
Grootte108.66 Kb.

Dovnload 108.66 Kb.
1   2   3

Ignace d’Hert schreef daarover onlangs een scherp kritisch artikel in Volzin. Ik citeer:
Als er één historisch feit is waarmee christelijk geloof staat of valt, dan is het Jezus’ kruisdood. Vanaf het begin heeft de christelijke geloofsgemeenschap met veel nadruk hieraan vastgehouden. Dit gegeven wordt reeds in de eerste officiële geloofsbelijdenis extra benadrukt: “geleden, gestorven en begraven”. Daaruit volgt dat Jezus in elk geval geleefd moet hebben op een wijze die door de leidinggevende figuren van zijn dagen als onverdraaglijk ervaren werd. Meer zelfs, als godslasterlijk. Jezus’ leven eindigt historisch gesproken in een mislukking. Hij wordt geëxecuteerd. Bij het uitschot gerekend.
Die dissonant is in het Jezusbeeld van de beeldende kunst, zoals deze bundel daarvan voorbeelden geeft, veel krachtiger zichtbaar, zoals bij Willem Jan Otten of bij.de vele oude en nieuwe kruisigingsscènes als die van Grünewald of die van Goya’s Fusillado

Maar ook in het artistieke Jezusbeeld – met name dat van de recente Jezus-films, met uitzondering van het al wat oudere werk van Pasolini Il vangelo secondo Matteo, ontbreekt veelal de kritiek op de macht van het politieke en religieuze establishment en van de burgerlijke gehoorzaamheid en de burgermans berekening die Kajafas gaarne volgt in diens brisante uitspraak “Het is beter dat één mens sterft, dan dat het hele volk te gronde gaat.”

Heel wat christelijke soteriologie heeft die uitspraak, die het doodslot van Jezus bezegelde, vergeestelijkt door er een satisfactie-leer van te maken: het is maar goed dat deze ene mens door en voor de wil van God en tot de stilling van Gods toorn zijn leven heeft gegeven, opdat alle mensen aan het eeuwige verderf zouden ontkomen.

Het is, ook uit deze bundel en uit de recente nieuwe geloofsbelijdenis duidelijk, dat de traditie van de Remonstrantse Broederschap dit type soteriologie heeft afgezworen, zoals dat ook de meeste van de nieuwere geloofsbelijdenissen van de afgelopen halve eeuw hebben gedaan12 en zoals ook de herlezing van de christelijke tradities, die plaatsvindt in de multilaterale en bilaterale oecumenische dialogen een andere toon heeft aangeslagen wat betreft de visie op de bevrijdende en helende kracht van Jezus’ executie, of liever, van de wijze waarop Jezus tot op het schavot zijn zending trouw bleef: te getuigen van Gods vergevende lankmoedigheid en van een wel vragend, maar niet wankelend Godsvertrouwen. Tot in het uur van de dood.

Deze dissonant in het verhaal van Jezus is ook een dissonant in het verhaal van de relatie van God en mensen, God en de geschiedenis van de mensen. Het is te gemakkelijk om daarin een theocratie te veronderstellen of te construeren. Het is ook te gemakkelijk om een twee werelden schema te bouwen naar het model van de natuur en de bovennatuur, van de kerk en de wereld, van de verloste en de nog onverloste mensheid of van het rijk van het licht en de dat van de duisternis. Vrijwel alle godsdiensten en daaronder ook het christendom hebben dit dualisme van tijd tot tijd als uitweg uit valse dilemma’s of als troost in barre tijden als het ware geloof aanvaard. Maar dit geloof is van meet af aan vals, het doet afbreuk aan de scheppende Geest van God, die de wereld met heel haar reilen en zeilen heeft goed bevonden en die er, na afloop van de scheppingsarbeid een dag rust van nam om ervan te kunnen genieten, niet om er even vanaf te zijn.

Zo kan ook het verhaal van Jezus’ executie niet door het verrijzenisgeloof en de paaspreek tot een “happy end”verklaard worden of tot triomf over de dood, zo min als het verhaal van Jezus’ verrijzenis ook de eindigheid van het menselijk leven of de angst voor de dood kan wegnemen met de belofte van hemels leven dat ons wacht. We zullen het paasverhaal c.q. de paasverhalen moeten afgrenzen van het uit de hand gelopen genezingsverhaal van Jezus’ vriend Lazarus, die wel weer uit het graf opstond door de Geestkracht die van Jezus uitging, maar die daarna toch weer gewoon moest sterven. We zullen er het paasverhaal van de leerlingen van Emmaüs en van Maria van Magdala bij moeten nemen, waarin de gestalte van de levende Heer slechts een ogenblik oplicht, om daarna te verdwijnen: “een wolk onttrok hem aan hun ogen”, “hij verdween uit haar gezicht, zeggende: houd mij niet vast” evenals dat van Thomas, die te horen kreeg: “zalig zij die niet zien en toch geloven.” Of dat van Paulus die bij het verschijnen van de levende Christus van zijn paard viel en van Joods-orthodoxe vervolger zich tot “apostolos kai diakonos” van Jezus, als de Christus bekeerde, zonder het geloof van Israël te verloochenen of aan Joden hun bijzondere relatie met God te ontzeggen (Rom. 8-9). Het “niet-zien en toch geloven” zat Paulus in het bloed. Het vat ook Jezus’ eigen relatie met God in het uur van zijn dood samen. En het is een blijvend storend element in elke vorm van religieus securisme. Zonder apofatische of negatieve theologie valt elke Godsaffirmatie of christologie ten prooi aan zulk religieus securisme. En precies daarin schuilt het geweldspotentieel, ook van het Christendom, dat van het kruis als onrechtvaardig martel en executieinstrument van Gods geliefde gezant en dienaar Jezus een God en mens onterende krijgsbanier heeft gemaakt dan wel een vrijwillig offeraltaar voor de knecht Gods, die uit den hoge neerdaalde om onze schuld te dragen en om voor hen die aan de kruisiging van Jezus deze betekenis geven, de toorn van God over hun zonden te stillen en hen weer in genade aan te nemen. Ignace d’Hert daarover:


Verrijzenisgeloof is dan ook niet in eerste instantie een triomfkreet. Zo klinkt al evenmin het verhaal over de getuigen bij het lege graf. Zij worden van het graf weggewezen naar hun alledaagse bezigheden (in Galilea, die ze weer hebben opgenomen AH): “Dáár zult ge Hem zien” (Marcus 16, 7). De geschiedenis zelf is toetssteen voor de geloofwaardigheid van het geloof in de verrijzenis. Opstanding is geen spektakelgebeuren. Het gebeurt al dan niet in het gewone leven van mensen. Die verhalen verdienen het doorverteld te worden. Zij getuigen van de levenskracht die tot op vandaag van Jezus en zijn Geest uitgaat. Het wordt geen aaneenrijging van schitterende overwinningen op onrecht of lijden. Het gaat veeleer om de volhoudende nabijheid bij wie onrecht en lijden te verduren krijgen. Om vasthoudend verzet tegen alles wat mensen omlaag haalt. Vanuit het geloof dat daarmee het laatste woord niet gesproken is. Dit kan enkel geloofwaardig worden in de levensverhalen van mensen die zich wagen aan Jezus’ voorbeeld. (VolZin van 18 juli 2008) 
Besluit

Het mooiste gedeelte van de nieuwe Remonstrantie zijn dan ook wat mij betreft de laatste twee strofen:


Wij geloven in God, de Eeuwige,

Die ondoorgrondelijke liefde is, de grond van ons bestaan,

Die ons de weg van vrijheid en gerechtigheid wijst

En ons wenkt naar een toekomst van vrede.

Wij geloven dat wij zelf,

Zo zwak en feilbaar als wij zijn,

Geroepen worden om,

Met Christus en allen die geloven verbonden,

Kerk te zijn in het teken van de hoop.
Want wij geloven in de toekomst van God en wereld,

In een goddelijk geduld dat tijd schenkt

Om te leven en te sterven en om op te staan,

In het koninkrijk dat is en komen zal,

Waar God voor eeuwig zijn zal: alles in allen.
Aan God zij de lof en de eer

In tijd en eeuwigheid.


Het moet mogelijk zijn vanuit deze vierde en vijfde strofe van het remonstrantse belijdenislied een Christologie te formuleren vanuit het heilzame leven van Jezus en diens relatie met God, die hij als Abba wil eren en dienen, waarvan hij zich als een zoon de gezant en de woordvoerder weet en in wiens levendmakende Pneuma hij zich gedreven voelt tot genezing van zieken, tot eerherstel van allerlei ontrechten en tot troost voor de rouwenden om hun te vroeg gestorven familieleden, aan wie hij door de kracht Gods het leven teruggeeft. Maar in wiens Geest hij ook als een wervelwind huishoudt onder huichelaars en handelaars in offerwaar en religieuze artikelen alsook zijn leerlingen instrueert tot waarachtigheid, geduld, bescheidenheid, dienstbaarheid,vredelievendheid en vergevingsgezindheid (vgl Gal. 5,22), ondanks de dood hem door mensen aangedaan. .
Anton Houtepen

Naarden/Bussum, 29 augustus 2008





1 Voor de teksten, zie: E.J.Kuiper en Th.M. van Leeuwen, Als een vuurbaken. Teksten over de functie van belijdenissen naar remonstrants inzicht, Meinema, Zoetermeer 1994, 12 e.v.

2 Thomas van Aquino, Summa Theologiae II,II, q.1, a.2 ad 2), Cf. Vigilius van Thapse:”Non praejudicantur verba, ubi sensus incolumis permanet.” (PL 62, 119B en Irenaeus: “Nam etsi in mundo loquelae dissimiles sunt, sed tamen virtus traditionis una et eadem est.” (PG VII, 551). Cf. A. Houtepen, `Wie zegt gij dat Ik ben? Het oecumenisch probleem van de homologie’, in: J. Hebly & J. Jongeneel (red.), Tussen uitdaging en traditie. Kerkelijk belijden in historisch en oecumenisch perspectief, Boekencentrum, ‘-Gravenhage 1984, 33-55.

3 Over de aard van het kerkelijk leergezag, zoals het in de verschillende confessionele tradities functioneert – hetzij als bisschoppelijk of primatiaal leerambt dat door ordinatie aan individuele personen toekomt, hetzij als synodale of conciliaire “episkopè” (het kerkelijke opzicht, waarin de tuchtuitoefening of disciplina functioneert, ook met betrekking tot de trouw aan de belijdenis)– orgnaiseerde Faith and Order in de zeventiger jaren een apart studieproject, Zie: Verbindliches Lehren der Kirche heute (beiheft zur Ökumenischen Rundschau 33, Lembeck, Frankfurt aM 1978, 208-227.

4 Vgl. Paul Ricoeur:”La foi nést pas un cri, c’est une intelligence”, geciteerd door E.J. Kuiper, in: E.J. Kuiper en Th.M van Leeuwen, Als een vuurbaken. Teksten over de functie van belijdenissen naar remonstrants inzicht, Meinema, Zoetermeer 1994,9. In de bundel wordt m.i. ten onrechte gesteld, dat men “door de eeuwen heen Jezus steeds ervaren [is] als een levende gestalte en niet allereerst als historische figuur” (‘Ten geleide’, p. 7.)..Dat is zeker niet waar voor het Nieuwe Testament en voor de klassieke Credo’s en op zijn minst een vreemde tegenstelling, die aan Bultmanns befaamde onderscheid tussen “der historische Jesus”en “der Christus des Glaubens” herinnert. Theologen als Wolfhart Pannenberg en Edward Schillebeeckx hebben de in dit onderscheid gesuggereerde tegenstelling m.i. grondig weerlegd., ook al blijft het waar dat het beeld van Jezus in het geleefde geloof van christenen .de eeuwen door sterk heeft gewisseld en dat die beelden het feitelijke optreden van Jezus vaak hebben “overgeschilderd” en al weten we dat we geen historisch objectieve biografie van Jezus hebben, maar slechts de posthume en “kerygmatische configuratie” daarvan in het getuigenis van de nieuwtestamentische schrijvers.

5 L.Grollenberg, `Was Jezus een schriftgeleerde?’, Tijdschrift voor Theologie 13 (1973) 3-19.

6 H.M. Kuitert, Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening, Ten Have, Baarn 1992 en id., Jezus: nalatenschap van het christendom, Ten Have, Baarn 1998.

7 Zoals gebeurde in het Faith and Order project “The Apostolic Faith Today”, dat het Credo van Nicea-Constantinopel tot het oecumenische Credo voor alle kerken bestempelde en daarvan ook een oecumenische interpretatie nastreefde: zie: Confessing the One Faith (Faith and Order Paper No. 153, WCC, Geneva 1991)

8 Klaus-Peter Jörns, Notwendige Abschiede. Auf dem Weg zu einem glaubwürdigen Christentum. Gütersloher Verlagshaus, Gútersloh 2005, 2e Aufl.

9 E. Flesseman-Van Leer,Wie toch is Jezus van Nazareth?, Boekencentrum, ’s-Gravenhage 1985,47.

10 Vgl A. Houtepen, God, een open vraag. Theologische perspectieven in een cultuur van agnosme, Meinema, Zoetermeer 1997 en A. Ravestein, De roepende. Een theologisch onderzoek naar het appèlkarakter van de relatie God, de ander en ik, Boekencentrum, Zoetermeer 1999.

11 Vlijmscherp beschreven in Siebelinks roman Knielen op een bed violen.

12 Zie: P. Hoogeveen, Belijden in Context.dl I, Tendenzen en motieven in het actuele christelijke belijden en id. (red.), Belijden in Context. 37 Nieuwere geloofsbelijdenissen 1968-1980, dl II (IIMO Reserach Publication No. 13), IIMo, leiden/Utrecht 1985.

1   2   3


Dovnload 108.66 Kb.