Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een omschrijving

Dovnload 15.84 Kb.

Een omschrijving



Datum05.12.2018
Grootte15.84 Kb.

Dovnload 15.84 Kb.

Psychotherapie

Een omschrijving

Psychotherapie is een koepelbegrip voor alle vormen van interventie die worden toegepast bij personen met psychische klachten en problemen <onze omschrijving>.


Volgens Ruberman (2002) kan psychotherapie een centrale rol spelen in de behandeling en begeleiding van kinderen met pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Zij pleit ervoor dat men al op jonge leeftijd start met psychotherapeutische interventies.

Vooraleer men een psychotherapie start, moet men als therapeut de natuur en achtergrond van een kind begrijpen (Shapiro, 2000):



  • De therapeut moet er zich van vergewissen dat hij de cognitieve en sociale vaardigheden van een kind correct inschat. Dit laat hem toe realistische doelen te stellen voor de therapie.

  • Hij moet ouders correcte informatie verschaffen zodat ze een zo realistisch mogelijk beeld hebben van de toekomst van hun kind.

  • Hij moet ervoor zorgen dat elk therapeutisch kader dat gehanteerd wordt binnen de therapie, aangepast is aan de unieke kenmerken en situatie van een kind.

Er zijn twee intensieve, psychodynamisch-gerichte programma’s voor vroege interventie die zowel ernstige cognitieve als taalproblemen behandelen bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen (Ruberman, 2002). De milieu-benadering van Allen en Mendelson (2000) probeert het kind zoveel als mogelijk te betrekken in sociaal aangepaste interacties met zijn directe omgeving en familie. De nadruk ligt in deze benadering op de affectieve betrokkenheid met het kind en de intensieve samenwerking met de familie.


Het programma van Greenspan en Wieder (Greenspan, 2000), floortime (voor meer info, zie < floortime) is eveneens psychodynamisch geïnspireerd. Men probeert er de betrokkenheid van het kind te stimuleren door te vertrekken van dingen die betekenisvol zijn voor het kind. Men leert ook ouders deze aanpak. Greenspan en Wieder gaan ervan uit dat affectieve ontwikkeling niet kan losgekoppeld worden van de cognitieve en taalontwikkeling. Zij beschouwen affect als de basis of organisatiestructuur van iemands ontwikkeling. In deze benadering gaat men sterk uit van de verschillen tussen individuen. Men houdt rekening met de unieke leerstijl, het temperament en de persoonlijkheid van een kind.
REFERENTIES

Allen, D.A., & Mendelson, L. (2000). Parent, child and professional: Meeting the needs of young autistic children and their families in a multidisciplinary therapeutic nursery model. Psychoanalytic Inquiry, 20, 704-731.


Greenspan, S.I. (2000). Children with autism spectrum disorders: Individual differences, affect, interaction and outcomes. Psychoanalytic Inquiry, 20, 615-703.
Ruberman, L. (2002). Psychotherapy of Children with Pervasive Developmental Disorders. American Journal of Psychotherapy, 56, 262-273.
Shapiro, T. (2000). Autism and the Psychoanalyst. Psychoanalytic Inquiry, 20, 648-659.

Wetenschappelijk onderzoek

In een casestudy beschrijft Ruberman (2002) de psychodynamische/psychoanalytische psychotherapie bij twee kinderen met aspergersyndroom (6 jaar en leeftijd niet vermeld). Zij schrijft het succes van de therapie toe aan het feit dat de therapeut telkens in staat was een ‘gemeenschappelijke taal’ te ontwikkelen, zodat communicatie met een kind met een afwijkende sociale communicatie mogelijk werd.

De vage beschrijving van de resultaten en de kleine steekproef vragen dat de resultaten van dit onderzoek met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden <onze commentaar>.
Bromfield (2000) beschrijft een elf-jaar-durende, psychoanalytische psychotherapie bij een zevenjarige jongen met autisme. Ook hij vermeldt het belang van een ‘gemeenschappelijke’ taal voor het slagen van een therapie.

Opnieuw vragen een vage resultaatsbeschrijving en kleine steekproef om een voorzichtige interpretatie van de onderzoeksresultaten <onze commentaar>.


Volgens Fonagy, Roth en Higgitt (2005) zouden kinderen met bepaalde stoornissen, zoals depressie, autisme en gedragsstoornis, slechts zeer beperkte baat hebben bij psychoanalyse of psychoanalytische psychotherapie.

Shapiro (2000) merkt op dat er tot nu toe te weinig studies zijn waarin de resultaten van psychotherapie bij kinderen met ASS gerapporteerd worden, zodat het onmogelijk is om de effectiviteit ervan te beoordelen.


REFERENTIES

Bromfield, R. (2000). It’s the tortoise race: Long-term psychodynamic psychotherapy with a high-functioning autistic adolescent. Psychoanalytic Inquiry, 20, 732-745.


Fonagy, P., Roth, A., Higgitt, A. (2005). Psychodynamic psychotherapies: Evidence-based practice and clinical wisdom. Bulletin of the Menninger Clinic, 69, 1-42.
Ruberman, L. (2002). Psychotherapy of Children with Pervasive Developmental Disorders. American Journal of Psychotherapy, 56, 262-273.
Shapiro, T. (2000). Autism and the Psychoanalyst. Psychoanalytic Inquiry, 20, 648-659.

  • Wetenschappelijk onderzoek

  • Dovnload 15.84 Kb.