Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina10/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24

3.5 De toepassing van de theorieën in de landbouw, kernbegrippen binnen de landbouw

In deze paragraaf ga ik in op de specifieke kenmerken van landbouwproducten, en de aspecten die samenhangen met achtereenvolgens een zelfvoorzienende, exportgerichte, geliberaliseerde en via protectie beschermde landbouw. Dit doe ik onder andere op basis van de beoordelingscriteria voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes, en de theorieën uit de vorige paragrafen. Deze paragraaf biedt zo een aanzet tot de empirische hoofdstukken 4 t/m 6 waarbij ik verder in zal gaan op de in dit hoofdstuk genoemde relevante factoren binnen de productie en handel van landbouwproducten.

De genoemde vormen van productie en handel binnen de landbouw staan op de volgende manier met elkaar in verband in relatie tot mijn onderzoek:

Landbouw is te verdelen in een zelfvoorzienende en een exportgerichte landbouw. Om de exportmarkt van landbouwproducten te reguleren zijn er verschillende nationale en internationale actoren actief, die elkaar beïnvloeden en of wel liberalisering nastreven, of (delen van) de handel via protectie willen beperken. Ook hebben beleidsbeslissingen op gebied van liberalisering en protectie, gevolgen voor de verdeling tussen zelfvoorzienende landbouwproductie, en productie voor de exportmarkt. De productie van - en handel in landbouwproducten als zelfvoorziening dan wel voor de exportmarkt (als geliberaliseerd of niet-geliberaliseerd product) heeft gevolgen voor het milieu en op de mogelijkheden van mensen om in hun basisbehoeftes te kunnen voorzien.

In paragraaf 3.6 zal ik de verschillende visies op liberalisering van de handel in landbouwproducten bespreken. Hiertoe biedt deze paragraaf een aanzet, omdat hierin verduidelijkt wordt waarom landbouw een speciale sector is met het oog op de behandelde theorieën. In de conclusies zal ik na de analyse van dit theoretisch hoofdstuk en de empirische hoofdstukken, ingaan op het juist toepassen binnen de landbouw van de vrije markt theorie, het neoliberalisme en alternatieven hiervoor, indien deze beter recht doen aan mijn beoordelingscriteria op gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes.

3.5.1 Specifieke kenmerken van landbouwproducten

Er zijn diverse aspecten en specifieke kenmerken van landbouwproducten waardoor deze zich onderscheiden van industriële en andere producten. Hierdoor zijn de vrijhandelstheorieën niet zonder meer toepasbaar in de landbouw en blijft overheidsbeleid noodzakelijk. Deze kenmerken zijn:



  • Landbouw zorgt voor de productie van een basisbehoefte van de mens namelijk voedsel.

  • De productie in landbouw betreft levende wezens die gevoelig zijn voor ziektes en plagen, klimaat- en weersschommelingen, en water- en nutriëntentekorten of -overschotten. Het is dan ook moeilijk om producten van een uniforme vooraf vastgestelde kwaliteit te leveren, hoewel dit in de industriële landbouw wel wordt nagestreefd, in tegenstelling tot de traditionele en in mindere mate de biologische landbouw.

  • Door de relatief lange en onzekere productietijd, is het voor boeren zeer moeilijk om in te spelen op veranderende verkoopprijzen. De risico’s zijn mede door het vorige genoemde aspect dan ook groot op tekorten of overschotten. Dit betekent bij volledig geliberaliseerde producten een groot risico op lage prijzen, bij overproductie. Over het algemeen zijn de prijsfluctuaties relatief sterk. (VROM, 2002)

  • De productie van landbouwproducten is multifunctioneel; hij gaat gepaard met andere waardevolle functies, zoals natuur- en landschapsbeheer, en eventueel recreatie, waterberging, educatie, en gezondheidszorg. Landbouw is dus multifunctioneel, dit betekent niet dat een boer ook al een goede beloning krijgt voor al deze functies. Ook kan productie via de markt ervoor zorgen dat er sprake is van marktfalen, waardoor deze andere functies te lijden hebben onder bepaalde landbouwmethoden. (CLM 1, 2001, p.10)

  • ‘Het aanbod is weinig elastisch om vier redenen: a) de landbouwproductie leunt sterk op de immobiele productiefactor grond, b) de sector bestaat uit een groot aantal gezinsbedrijven die individueel niet of nauwelijks reageren op prijssignalen uit de markt: als de vraag daalt, kunnen de meeste niet veel anders dan doorproduceren, c) de meeste boeren zijn geen homo economicus: hoewel het voor velen lonender zou zijn het bedrijf te verkopen dan het voort te zetten, kiezen zij ervoor om boer te blijven, d) voor veel bedrijven is omschakeling naar lucratievere takken moeilijk of zelfs onmogelijk. (VROM, 2002, p.4)

  • Voedselproducten zijn economisch gezien zeer prijsinelastisch, de vraag is dus weinig elastisch; het betreft producten die ieder mens nodig heeft ongeacht de verkoopprijs die hij moet betalen. ‘Luxe’ voedselproducten als vlees, koffie en alcohol, zijn met name in ontwikkelingslanden wel elastische producten. Deze elasticiteit geldt ook voor de 800 miljoen ondervoede mensen.

  • Over het algemeen heeft de individuele boer weinig invloed op de prijsvorming, behalve als hij zich organiseert in coöperaties of goede contacten kan opbouwen met een vaste afnemer.

Door deze kenmerken is er sprake van een uniek product. Een aantal van deze kenmerken komt ook terug in andere sectoren, maar niet allemaal tegelijk. Overheidsingrijpen via protectiemaatregelen is gerechtvaardigd als verschillende kenmerken van een product aanleiding geven tot marktfalen. ‘Het is niet toevallig dat de overheid van oudsher ook intervenieert in andere sectoren die voorzien in een basisbehoefte: water, energie, woningen, gezondheidszorg en verkeer & vervoer.’ De pogingen van de laatste decennia om hier marktwerking in te introduceren zijn niet allemaal succesvol geweest, en zijn geen reden dit ook bij landbouw te doen. ‘Als de markt bij basisbehoeften faalt, zullen kiezers daar altijd ook de overheid op afrekenen.’ Zoals bij de voedselschandalen in Duitsland en België.

Het feit dat de landbouw werkt met levende organismen pleit voor minder marktwerking, dat hebben de recente catastrofes met dierziekten aangetoond. (VROM, 2002)

3.5.2 Zelfvoorziening van landbouwproducten

Definitie: het via de landbouw kunnen voorzien in de eigen voedselbehoeftes door de bevolking in een gebied van nader te bepalen omvang. Deze omvang kan een dorp, regio, land of handelsblok als de EU betreffen. De omvang van het gebied is afhankelijk van de mogelijkheid tot het maken van afspraken op gebied van productiebeheersing die afgestemd is op de eigen consumptie. Ook is bindende regelgeving over maatschappelijke eisen binnen dit gebied noodzakelijk, zodat er geen sprake is van oneerlijke concurrentie en geen race-to-the-bottom op gebied van deze eisen ontstaat. In het ideale geval met internationale bindende regelgeving, kan de wereld als geheel worden beschouwd. Internalisatie van milieukosten als gevolg van transport zal echter voorkomen, dat de internationale handel en transport drastisch toenemen.

Aspecten en voorwaarden:


  • Voor de voorziening van voedsel op de lange termijn binnen een bepaald gebied is het van belang is dat deze op een zo duurzaam mogelijke manier wordt ingevuld. Dit betekent een gesloten kringloop van mineralen, organische stof en water.

  • Binnen een zelfvoorzienende landbouw is (informele) handel wel mogelijk, echter alleen zolang dit niet ten koste gaat van de eigen kwantitatieve en kwalitatieve voedselzekerheid op lange termijn.

  • Over het algemeen komt zelfvoorzienende landbouw binnen kleine regio’s nog voor als traditioneel landbouwsysteem, waar de op westerse kennis gebaseerde moderne landbouwtechnieken nog niet (volledig) zijn doorgedrongen, of deze worden gecombineerd met lokale kennis. Binnen de EU is zelfvoorziening ook mogelijk via de huidige industriële landbouw, die echter op termijn volledig biologisch zal moeten worden om voedselzekerheid op de lange termijn te waarborgen.


3.5.3 Produceren van landbouwproducten voor de exportmarkt

Definitie: dit betreft producten die niet worden geproduceerd voor eigen consumptie binnen het land, maar worden geëxporteerd naar het buitenland. (zie ook Hoofdstuk 5)

Aspecten:


  • De wereldmarkt is niet zo groot als de meeste mensen denken, de meeste voedselproducten worden binnen de eigen markt geconsumeerd. In het algemeen zijn de markten van de EU, de VS, China en India groter dan de wereldmarkt. De enige producten die vooral voor de export worden geproduceerd zijn typische plantagegewassen als koffie (80% export), cacao, palmolie en rubber. Gewassen als bananen (20% export), thee (40%), katoen (30%) en jute (10%) worden hoofdzakelijk voor de eigen markt geproduceerd.

Van de granen is tarwe met 17% het grootste exportgewas, voor maïs, gerst en andere voedselgranen is dit ongeveer 11 % en voor rijst 6 %. Voor soja en suiker ligt de export ongeveer op 30%. De ontwikkelde landen hebben ongeveer 70% van de wereldhandel in handen. Opgemerkt dient te worden dat voor bepaalde individuele landen (als Thailand en Vietnam) de export van bijvoorbeeld rijst wel zeer belangrijk is voor de economie.

  • Achter de stimulering van exportlandbouw, zitten vaak dezelfde visies als achter de liberalisering. De Wereldbank en het IMF volgen deze visies ook (zie Hoofdstuk 4). Producten moeten daar geteeld worden waar de comparatieve kosten het laagste zijn. Dit betekent dat wereldwijd elk land zich gaat concentreren op exportgewassen, en dat het dagelijks voedsel overal vandaan kan komen. Deze exportgeoriënteerde benadering neemt echter niet alle milieukosten mee binnen deze comparatieve kostentheorie.

  • Meestal zijn multinationals in de toeleverende en verwerkende industrie en de groot- en detailhandel betrokken bij deze landbouwproductie.

Productie van landbouwproducten voor de exportmarkt kan worden onderverdeeld in producten die geliberaliseerd zijn of onderhevig zijn aan protectiemaatregelen.


3.5.4 Liberalisering van de handel in landbouwproducten

Definitie: het internationaal vrijmaken van de handel in landbouwproducten. Dit betekent dat nagenoeg alle handelsbelemmerende of handelsbeschermende maatregelen door nationale en internationale overheden worden opgeheven op termijn. Slechts bij hoge uitzondering zoals bij voedselveiligheidseisen mogen producten uit andere landen of handelsblokken worden geweigerd. Er zijn echter uitzonderingen binnen het huidige WTO-verdrag op deze liberalisering, die vooral in het voordeel van het bedrijfsleven in de VS en de EU werken, ten koste van ontwikkelingslanden.

Aspecten (o.a. op basis van McMurtry, 2001, zie bijlage 4):


  • Achter de liberalisering zitten economische handelstheorieën en een neoliberale wereldvisie, die ervan uitgaan dat via een vrije markt de productie en consumptie op de meest efficiëntste manier plaatsvinden, hierdoor zijn de welvaartseffecten het grootste voor alle delen van de bevolking. Hoewel wordt toegegeven (door onder andere de Wereldbank) dat in eerste instantie de ongelijkheid tussen en binnen landen wordt vergroot door liberalisering en globalisering, is de gedachte dat uiteindelijk ook de allerarmsten profiteren van deze ontwikkeling, via het thrickle-down-effect. Bij een goed werkend sociaal-democratisch politiek stelsel, waarbij naar verhouding rechtvaardige belastingen worden geheven, en economische ontwikkeling er ook voor zorgt dat alle lagen van de bevolking kunnen profiteren, kan deze ontwikkeling er voor zorgt dat de gehele bevolking profiteert. Op deze theorie en visie is veel af te dingen, als we de praktijk bekijken. Hierop en ook of de theorie momenteel wel goed kan worden toegepast in de landbouwpraktijk, zal ik ingaan in dit hoofdstuk en bij de Conclusies in Hoofdstuk 7.

  • Tussen de EU-lidstaten is sprake van een volledig geliberaliseerde handel in landbouwproducten.

  • Binnen de WTO (World Trade Organisation) worden mondiaal afspraken gemaakt om te komen tot volledige liberalisering. Bij de totstandkoming van WTO-, VN-, en EU-verdragen op het gebied van handel, landbouw, milieu en armoedebestrijding, spelen verschillende actoren een rol zoals multinationals, soevereine staten, boeren en NGO’s.

  • Van groot belang hierbij is hun visie op liberalisering en de machtsrelaties die de verschillende actoren ten opzichte van elkaar hebben (zie §3.6). Zoals zal blijken (in Hoofdstuk 6) hebben vooral de EU en de VS, en hun multinationale bedrijfsleven een grote stempel gedrukt op deze WTO-onderhandelingen, terwijl ontwikkelingslanden, NGO’s, inheemse volkeren en zelfvoorzienende boeren maar ook de gewone burger in Noord en Zuid, naar verhouding van het aantal mensen dat ze vertegenwoordigen zeer weinig invloed hebben.

De drang tot liberaliseren komt dan ook vooral vanuit multinationals in de toeleverende en verwerkende industrie, in de (detail)handel en de kredietverschaffing. Deze bedrijven zoeken nieuwe markten voor hun producten, en/of landen voor hun investeringen, en/of willen toegang krijgen tot nieuwe hulpbronnen om de koopkrachtige vraag in het Noorden te kunnen voorzien met nog meer luxe-consumptie. Ze hebben hiervoor, met behulp van sponsorgeld, vaak intensief bij hun nationale overheden (en politieke partijen) gelobbyd die optreden als formele onderhandelingspartner.

De toegang tot nieuwe hulpbronnen in ontwikkelingslanden wordt bijvoorbeeld momenteel sterk belobbyd met behulp van ontwikkelings-NGO’s en sociaal-democraten in de politiek, via de retoriek van ‘markttoegang’ van ontwikkelingslanden tot het Noorden, en ‘uitbuiting is beter dan uitsluiting’ van de globaliserende wereldeconomie. Deze door multinationals gedreven globaliserende economie is echter alleen geïnteresseerd in consumenten met koopkracht, en zal nooit vrijwillig maatschappelijke problemen van de overige wereldburgers (zonder koopkracht) oplossen, dit geldt ook natuur- en milieuproblemen. Beide problemen worden juist verergerd door dit proces, omdat er in de race naar zo hoog mogelijke winsten, de kosten zo laag mogelijke moeten zijn. Het voldoen aan maatschappelijke eisen is hierbij per definitie een verhoogde kostenpost die via liberalisering moeten worden vermeden.



  • Dezelfde strategie hebben multinationals, zoals zal blijken in Hoofdstuk 4, toegepast bij de totstandkoming van Wereldbank en IMF-beleid, met hetzelfde doel. Hieruit blijkt het belang van de mede (of vooral) door het Noorden veroorzaakte schuldenlasten (een proces wat nog steeds doorgaat), want deze maken het mogelijk dat deze financiële instellingen toegang krijgen tot het voorheen soevereine nationale beleid van ontwikkelingslanden waardoor een gunstig klimaat wordt geschapen voor investeringen en producten van deze multinationals.

  • De schuldenlasten van de ontwikkelingslanden en daarop volgend beleid van Wereldbank en IMF, zorgen daarbij voor een ongelijke uitgangspositie bij een vrije wereldhandel en bij de onderhandelingen, ten opzichte van de Noordelijke landen. (zie Hoofdstuk 4) Deze zijn ook in het voordeel omdat zij met export- en inkomenssubsidies hun landbouw van oudsher hebben kunnen beschermen, naast het gebruik van importheffingen. De meeste ontwikkelingslanden hebben alleen deze laatste protectiemogelijkheid, bij gebrek aan financiën voor subsidies.

  • Er wordt momenteel binnen de WTO nog nauwelijks rekening gehouden met het speciale karakter van landbouwproducten (zie hiervoor), dit gebeurt wel in iets grotere mate binnen de EU. Echter ook binnen de EU is men vooral exportgeoriënteerd, is het aantal boeren sterk teruggelopen, krijgen de grootste boeren de meeste subsidie, en komt het natuur- plattelands- en milieubeleid moeizaam van de grond. (zie Hoofdstuk 6)

  • De deelnemende landen zijn het er nog niet over eens in hoeverre onderwerpen als milieu, dierenwelzijn, multifunctionaliteit, sociale normen (voedselzekerheid en arbeidsomstandigheden) mogen worden meegenomen, en kunnen dienen als handelsbelemmerende maatregel. De vooruitzichten hierop zijn vooralsnog niet gunstig. Hier treedt ook een botsing op tussen VN-verdragen op gebied van mensenrechten, milieu en armoedebestrijding en handelsverdragen. De WTO-verdragen hebben echter als voordeel dat men wel sancties tegen landen mag heffen. (zie Hoofdstuk 6)


3.5.5 Protectie van de markt in landbouwproducten

Definitie: Het via (inter)nationale overheidsmaatregelen beschermen of stimuleren van de eigen economie, door buitenlandse concurrentie te belemmeren of eigen export te stimuleren. Ook worden er wel eens exportbeperkende maatregelen genomen.

Aspecten (die nog niet genoemd zijn in §3.5.4):


  • Binnen de EU gelden handelsbeschermende maatregelen vooral voor grondgebonden landbouwproducten als melk, rundvlees, schapenvlees, tabak, rijst, graan en bietsuiker. Dit zijn de producten waarbij de multifunctionaliteit en de afhankelijkheid van het weer, van de landbouw het meeste tot uiting komt. Andere akkerbouwproducten, groente en fruit, bloemen, varkensvlees, kippenvlees en eieren kennen geen of minder beschermende maatregelen en zijn dus binnen en buiten de EU min of meer geliberaliseerd.

  • Protectie kan plaatsvinden via tarifaire en non-tarifaire handelsbescherming. Tarifaire bescherming bestaat uit bijvoorbeeld importheffingen, productondersteuning en exportsubsidies. Non-tarifaire bescherming betreft onder andere normen op gebied van milieu, dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden, en importquota.

  • Ontwikkelingslanden kunnen binnen de tarifaire handelsbescherming, vrijwel alleen beschikken over importheffingen. Zij hebben in tegenstelling tot de ontwikkelde landen vaak geen geld voor export- en inkomenssubsidies en productondersteuning.

  • Voor de minst ontwikkelde ontwikkelingslanden (MOL’s) en voormalige koloniën (ACP-landen) gelden soepelere regelingen bij export naar de EU, dan voor andere landen. Hiervoor worden onder andere importquota, en tariefvrije toegang gebruikt.

  • Voor bewerkte landbouwproducten gelden meestal hogere importtarieven dan voor onbewerkte producten. Dit is de zogenaamde tariefescalatie waardoor de industrie in het Noorden beschermd wordt en het Zuiden blijvend te maken heeft met ruilvoetverslechtering.



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24

  • 3.5.1 Specifieke kenmerken van landbouwproducten
  • 3.5.2 Zelfvoorziening van landbouwproducten
  • 3.5.3 Produceren van landbouwproducten voor de exportmarkt
  • 3.5.4 Liberalisering van de handel in landbouwproducten
  • 3.5.5 Protectie van de markt in landbouwproducten

  • Dovnload 4.64 Mb.