Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina11/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   24

3.6 De verschillende visies op de liberalisering van de landbouw


In deze paragraaf wil ik aangeven wat de verschillende visies zijn op de liberalisering van de handel in landbouwproducten. Hieruit blijkt hoe de theorieën die ik in dit hoofdstuk heb behandeld, door de verschillende actoren in de praktijk worden uitgelegd in hun visie en oplossingsrichting ten aanzien van de liberalisering van de handel in landbouwproducten. Het uitgangspunt bij deze bespreking zijn mijn beoordelingscriteria op gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes uit paragraaf 3.3.

Omdat ik me in dit hoofdstuk vooral heb geconcentreerd op het neoliberalisme, bespreek ik vooral de achterliggende neoliberale visie van de voorstanders van een verdere liberalisering in de landbouw. Ik zal hierbij commentaar geven met behulp van andere deskundigen, op de gebruikte argumenten, onder andere op basis van de eerdere paragrafen in dit hoofdstuk. Dit geldt ook voor de daarop volgende visies op liberalisering, hierin wordt een kleiner of groter voorbehoud gemaakt ten opzichte van de liberalisering in de landbouw. Deze paragraaf moet ook worden gezien als een bijdrage aan het huidige debat rond de liberalisering van de handel in landbouwproducten.

Een groot deel van de informatie die ik in deze paragraaf gebruik, heb ik gehaald uit de documenten van verschillende maatschappelijke organisaties en interviews. Deze kunt u vinden in de bijlagen respectievelijk bijlage 11: Friends of the Earth Europe, bijlage 12: IFOAM (internationale biologische boerenorganisatie), Birdlife (Europese milieuorganisatie), het Ministerie van LNV, Novib/Oxfam (via handelscampagne ‘Make trade fair’ en de deelname aan debatten van Sylvia Borren), en bijlage 13: interviews met Aike Maarsingh (LTO Nederland), Joop de Koeijer (Nederlandse Akkerbouw Vakbond) en Friso de Vries van CSM Suiker B.V.

In bijlage 14 vindt u aanvullende informatie over de verschillende visies. Ik concentreer me hier vooral op de hoofdvragen van mijn onderzoek.
3.6.1 De verschillende visies op liberalisering

Uitgaande van interviews, documentenanalyse, het internet en andere literatuur, is er een indeling te maken in zes groepen van organisaties of individuen met betrekking tot hun visies op liberalisering van de handel in landbouwproducten. Bij de behandeling van deze visies zal ik indien van toepassing kritiek van anderen en mijn eigen kritiek geven.

1. Voorstanders van verdere liberalisering van de handel in landbouwproducten

De voorstanders moeten vooral worden gezocht binnen de WTO, de Wereldbank, het IMF en binnen Nederland de ministeries van LNV, Economische Zaken (internationale handel), Europese Zaken, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Via documentenanalyse en door deelname aan diverse debatten met vertegenwoordigers van deze ministeries, of hun ministers of staatssecretarissen, kan ik deze conclusie wel trekken. Een voorbeeld is een gezamenlijke notitie ‘Europese handelsbelemmeringen en ontwikkelingslanden’. Met het nieuwe kabinet van VVD, CDA en LPF zal hieraan niet veel veranderen.

Andere voorstanders zijn VNO-NCW (deelname aan debatten met dhr. Quaedvlieg) en de voedings- en genotmiddelenindustrie (deelname aan debatten met dhr. Laan (Unilever) en dhr. Hoek (Nestlé). Dit geldt ook voor plantagehouders en multinationals in ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld in de palmolieindustrie. Een paar wetenschappers zoals dhr. Kol of dhr. Labohm van Instituut Clingendael, schijnen met hun pleidooien voor verdere liberalisering veel invloed te hebben op de ministeries, het multinationale bedrijfsleven maakt hier dankbaar gebruik van. Een illustratie van deze visie:


“We moeten de grote voordelen voor velen van de handel veroveren door agressief te onderhandelen om markten open te stellen en barrières uit de weg te ruimen. (..) Uitbreiding van de handel leidt tot algemene economische groei. Van dat voordeel profiteren alle handelspartners. Zo kan de hele wereld erop vooruit gaan, omdat een beter leven, verbonden door de handel, een investering in vrede is.” Handel kan de “welvaart scheppen die het milieu kan helpen beschermen en de mensenrechten bevorderen.” (Smit, 2001, p.30)
Deze tekst had uit een willekeurig verkiezingsprogramma kunnen komen van elke Nederlandse politieke partij (op 1 of 2 na), hij stond echter in het Cargill-bulletin van februari 1998.

Laan van Unilever windt er minder doekjes om: ‘De vraag is wie voedsel zal leveren aan de wereld. Doen we als EU daaraan mee door concurrerend te worden, of laten we het over aan andere regio’s. Voedingsconcerns als Unilever en Nestlé willen meedoen. Maar als binnen de EU de prijzen te hoog blijven, dan zoeken we naar grondstoffen buiten Europa.’ (..) ‘Het is (voor telers GG) beter garanties bij de afnemers te zoeken, dan bij de overheid. Dat is precies de hoofdlijn die ook in WTO-afspraken tot uiting komt.’ En over verbeterde toegang voor ontwikkelingslanden: ‘Maar als ze toegang krijgen, is het geen eenrichtingsverkeer. Dan kunnen wij ook meer exporteren.’ (Oogst, oktober 2001)


Ik zal na deze inleiding per argument van deze visie die verdergaande liberalisering in de landbouw wil, mijn commentaar geven. Binnen deze visie worden onder andere de volgende argumenten en standpunten ingebracht in de liberaliseringsdiscussie:



  • Liberalisering leidt tot welvaartsverbetering voor alle betrokken partijen.

Handelsbelemmeringen zorgen er namelijk voor dat de productie niet op die plaats geschiedt waar dit op de efficiëntste manier kan gebeuren. Dit volgt uit de behandelde comparatieve kostentheorie, waarbij er een optimale internationale arbeidsverdeling optreedt. (NRC, 10-11-2001) Daarbij ziet men landbouw niet als een aparte sector, maar vergelijkbaar met elk ander product of dienst. Als de landbouw uit Nederland zou verdwijnen zou dit geen ramp zijn. Ook het beschermen van de landbouw in andere delen van de wereld heeft hierbij geen prioriteit. Volgens de moderniseringsgedachte (zie ook §3.4.2) die ook bij deze visie hoort, is het namelijk goed dat de rurale bevolking die overbodig is geworden door technische ontwikkeling werkt gaat zoeken in de stad.

Naomi Klein (2000, p.238-264) toont echter aan wat de (mondiaal 27 miljoen) werknemers (waaronder vele ex-agrariërs) in free export zones in landen als Mexico, de Filippijnen, Vietnam, Indonesië, Sri Lanka en China te wachten staat. Onder druk van multinationals die hun kosten hebben verschoven van productie naar marketing, wordt er ingekocht via contractanten (plaatselijke naamloze bedrijven) in plaats van de oorspronkelijke fabrieken in Westerse landen. Zo is men namelijk ook niet meer direct zelf verantwoordelijk voor bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden. Terwijl plaatselijke overheden geen belasting heffen en onder druk worden gezet met dreiging van vertrek, wordt er gewerkt onder erbarmelijke werkomstandigheden, lage lonen (vaak te laag voor het eigen levensonderhoud) en zonder rechten. Tijdelijke arbeidscontracten worden hierbij vaak niet verlengd omdat er toch genoeg aanbod van mensen is.

De oorspronkelijke theorie dat deze industriële ontwikkeling nodig is op weg naar een verdere ontwikkeling van het land door technologieoverdracht en toenemende investeringen blijkt soms niet te werken, omdat multinationals net als bij boeren, de bedrijfjes tegen elkaar laten concurreren tegen de laagste prijzen. Dit geldt vooral voor laaggeschoolde arbeid in bijvoorbeeld de textielindustrie. Als de prijs in China lager is dan wordt de productie hiernaar toe verplaatst vanuit bedrijfjes in Mexico of de Filippijnen.

De lonen in Mexico waren tot $1,50 per uur gestegen, in China zijn de lonen $0,2 tot 0,25 per uur dus dan vertrekken de Amerikaanse bedrijven die zich door NAFTA juist in Mexico hadden gevestigd. Er zijn al 170.000 banen verloren gegaan in de sweatshops (12%). ‘Those countries are observing, once again, that what corporate globalisation gives to the poor, it may also take away.’ (Greider, 2001)



Binnen bedrijven die gebruik maken van hooggeschoolde arbeid zijn de prikkels om bedrijven te verplaatsen naar andere landen minder hoog, omdat het hernieuwde opleidingsproces in nieuwe landen te veel kosten en tijd vergen. Hierbij is er dus eerder sprake van technologie-overdracht en een industrialisatie die wel bijdraagt aan een succesvolle ontwikkeling van een land.



  • In ontwikkelingslanden moet worden gewerkt aan corruptiebestrijding, inkomensnivelering en benoemen van eigendomsrechten (NRC, 10-11-2001)

Met dit standpunt kan ik voor een groot deel meegaan. Ook Westerse bedrijven die meewerken aan corruptie moeten hierbij worden aangepakt. Binnen ontwikkelingslanden is echter ook sprake van een grote informele economie, en is nog veel landbouwgrond in gemeenschappelijk bezit van lokale gemeenschappen. Deze zullen niet meteen profiteren van deze maatregelen, maar zijn meer gebaat bij een blijvende toegang tot hun gronden, zonder dat dit privé-bezit hoeft te worden. Dit laatste werkt namelijk averechts omdat door toenemende concurrentie op termijn een deel van de boeren zal moeten vertrekken. Door het communaal bezit van grond (zoals in Mexico voor het NAFTA-verdrag) wordt gewaarborgd dat alle bewoners toegang hebben tot de voorziening van voedsel.


  • Binnen de landbouw moeten productiebeheersing en importbescherming afgeschaft worden, de wereldmarktprijs wordt dan maatgevend hiervan profiteren consumenten

‘De winst van handelsliberalisatie komt grotendeels ten goede aan consumenten, niet aan producenten.’ (Internationale Samenwerking, mei 2002, p.16) De behandeling van de situatie rond koffie in Hoofdstuk 6 zal echter aantonen, hoe desastreus dit kan uitwerken voor boeren, milieu en inheemse volkeren. De enige die profiteren van de ontstane overproductie van koffie, zijn de koffieverwerkende industrie en de detailhandel, de consument merkt immers zeer weinig van prijsdalingen in de winkel. Ook consumenten in landen als Noorwegen en Australië, profiteren niet van een lage wereldmarktprijs voor suiker (zie interviews Maarsingh en de Vries, bijlage 13).
De internationale organisatie Consumers International is ook negatiever hierover, want zij schrijven: ‘Consumers International steunt inspanningen om het internationale aanbod van voedzaam, veilig en betaalbaar voedsel te vergroten, speciaal voor kwetsbare consumenten. Met het alleen verwijderen of verlagen van handelsbelemmeringen, kan dat doel echter niet bereikt worden.’ Vooral arme consumenten en mensen in rurale gebieden hebben juist last van liberalisering, door toenemende concurrentie uit het Noorden. (Consumers International, 2001)



  • Een vergrote markttoegang voor ontwikkelingslanden tot het Noorden is noodzakelijk

Dit argument gaat vooral op indien voor onbewerkte producten als koffie, thee en bananen een fairtrade-prijs wordt betaald aan kleine boeren. Ook een verbeterde markttoegang voor bewerkte en industriële producten (zoals textiel, en bewerkte tropische producten als koffie en chocolade) zou meer ontwikkelingsrelevant zijn, omdat hier voor ontwikkelingslanden een grotere toegevoegde waarde is te behalen dan voor onbewerkte landbouwproducten. Tariefescalatie voor deze bewerkte producten voorkomt echter een verbeterde markttoegang van ontwikkelingslanden tot onze markten. Uit dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat landbouwproducten niet te vergelijken zijn met andere producten, en exportlandbouw ten koste kan gaan van eigen voedselzekerheid en het milieu. Daarbij leidt overproductie in primaire producten tot lage prijzen en dus ruilvoetverslechtering.

Kenmerkend is ook dat bijvoorbeeld het miniserie van LNV vooral de positieve kanten van markttoegang voor het landbouwbedrijfsleven benadrukt, voor Nederland als traditioneel exportland. De negatieve effecten worden wel gesignaleerd binnen de nota ‘Boeren bij vrijhandel’, maar het wordt al als niet meer realistisch beschouwd dat de liberaliseringsgolf nog te keren is. Via de non-trade concerns en een internationalisatie van beleid, probeert men nog bij te sturen. (Min.LNV, 2002, p.15-18) Deze visie bleek overigens in nog sterkere mate binnen de nota ‘Voedsel en groen’ uit 2000 van hetzelfde ministerie.



Het argument wordt ook vaak gebruikt dat we ook moeten denken om ontwikkelingslanden, door hun meer markttoegang te bieden. Hierbij wordt gemakshalve vergeten dat de westerse landen in ruil daarvoor ook markttoegang willen, of dat we de stem van ontwikkelingslanden nodig hebben bij WTO-onderhandelingen om bijvoorbeeld de handel in diensten via GATS verder te liberaliseren. Zie ook de zelfvoorzienende benadering binnen deze paragraaf.



  • Ontwikkelingslanden die integreren in de mondiale economie via exportproductie, maken een hogere economische groei door, dit is goed voor de armen (NRC, 10-11-2001)

Dit argument wat zou blijken uit onderzoek van de Wereldbank, gaat vooral op bij de al eerder genoemde export van bewerkte en industriële producten. Dit wordt echter bemoeilijkt zoals zal blijken in de volgende hoofdstukken. Daarbij zegt een stijging van het gemiddeld BNP per hoofd van de bevolking nog niets over de voorziening van basisbehoeftes van alle delen van de bevolking. Zo wordt door dit argument India genoemd als succesvol land, terwijl in dit land 200 miljoen ondervoede mensen voorkomen. Volgens Went (2002, p.63) kwam dit argument tot stand na het ‘extreem misleidend’ weergeven van de conclusies van een Wereldbank-onderzoek



  • Het milieu is gebaat bij internationale handel, omdat hierdoor minder productiemiddelen worden verspild, de vervuiler moet ook internationaal gaan betalen (NRC, 10-11-2001)

Inderdaad moet de vervuiler ook internationaal gaan betalen, dat moet echter ook gelden voor degene die hulpbronnen op een niet duurzame manier uitput. Binnen de landbouw is een sluitende kringloop van zoet water, organische stof en nutriënten noodzakelijk, om landbouw op de lange termijn te waarborgen. Chemische vervuiling dient ook te worden voorkomen. Als via financiële prikkels aan deze eisen tegemoet wordt gekomen, en als dit argument ook de bijdrage aan het broeikaseffect bevat, kan ik hierin meegaan omdat de bijbehorende energieheffing, een flinke rem zal betekenen op het internationaal transport en dus handel.



  • Te hoge eisen en normen op gebied van voedselveiligheid, milieu en arbeidsnormen worden misbruikt als verkapt protectionisme door het Noorden.

Het is dan nodig om aan ‘capacity- en institutionbuiling’ te doen in ontwikkelingslanden. (min. LNV, 2002, p.15-18) Hiervoor dienen onder andere private bedrijven te worden ingezet via bijvoorbeeld public-private-partnerships. Dit is een argument dat naar mijn mening vooral door multinationals die afhankelijk zijn van agrarische producten uit andere landen wordt misbruikt, om op zoek te gaan naar de producten voor de laagste prijs. Door ongelijke regelgeving tussen bijvoorbeeld de EU en ontwikkelingslanden, treedt hierdoor een oneerlijke concurrentie op ten opzichte van plaatselijke boeren. Door het wel toepassen van deze normen (inclusief het recht op voedselsoevereiniteit op lange termijn) worden ook boeren en de bevolking in ontwikkelingslanden beschermd tegen het onduurzaam uitputten van hun hulpbronnen, ten bate van exportproductie in plaats van eigen voedselproductie. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat in Brazilië kleine boeren met geweld van hun land worden afgejaagd, en oerwouden worden vernietigd, ten bate van grootgrondbezitters die hun suikerplantages willen uitbreiden. Landloze boeren kunnen hier onder erbarmelijke omstandigheden op werken (zie video SWR).



  • Handelsliberalisering leidt tot verliezers (NRC, 10-11-2001)

Dit argument slaat bijvoorbeeld op de werknemers in industriële productie in het Noorden, wanneer deze bedrijven vertrekken naar het Zuiden op zoek naar lagere lonen. Hiervoor in de plaats komt echter weer andere werkgelegenheid zoals diensten. Het zojuist genoemde voorbeeld van bedrijven die van de VS via Mexico naar China trekken, toont echter aan dat de voormalige boeren in Mexico nu ook hun tijdelijke baan kwijt zijn en al eerder hun landbouwbedrijf. Zij verliezen dus dubbel.



  • Exportsubsidies en andere subsidies moeten worden afgeschaft

Dat exportsubsidies in de landbouw moeten worden afgeschaft is ook een deel van deze visie. Dit is echter het enige onderdeel waar wel een breed gedragen overeenstemming over is binnen de meeste andere ‘kampen’ die ik nog behandel.



  • Arme landen kunnen zich binnen de WTO-onderhandelingen niet laten bijstaan door een groot aantal juridische experts, ook kan men zich te weinig beschermen tegen multinationals (NRC, 10-11-2001)

Hier ben ik het helemaal mee eens, de VS en de EU en met name hun multinationals hebben een veel te grote invloed op de WTO-uitkomsten. Maar ik zou dit willen uitbreiden naar alle bevolkingsgroepen inclusief etnische minderheden binnen deze landen. Deze groepen worden vaak in het geheel niet vertegenwoordigd door ontwikkelingslanden. Zo behoren landen als Brazilië, de Filippijnen en Thailand tot de Cairnsgroep (voorstanders van verder gaande liberalisering) terwijl zal blijken dat grote delen van de boeren en inheemse volkeren hier veel last van ondervinden.

Voorstanders van verdere liberalisering onder voorwaarden

Binnen deze groep bevinden zich de VN en verschillende maatschappelijke groeperingen en politieke partijen. Te onderscheiden zijn drie verschillende groepen die willen liberaliseren onder voorwaarde dat er meer rekening wordt gehouden met respectievelijk de belangen van de boeren; - met ontwikkelingslanden; en - met het milieu en ontwikkelingslanden.


2. Langzame liberalisering meer nadruk op belangen van de Noordelijke boeren; LTO-Nederland

Het op de export gerichte deel van de Nederlandse boeren denkt dat een verdere liberalisering gunstig zal uitpakken, omdat hierdoor de kansen voor markttoegang op markten buiten de EU verbeterd worden. Op dit moment hebben de tuinbouwsector en de intensieve veehouderijsector al te maken met een stuk minder marktbescherming dan de akkerbouwsector en de melkveehouderij. Het standpunt wat dan naar buiten komt is een voorzichtig optimisme over verdere liberalisering via de WTO, omdat hier tenminste afspraken te maken zijn. Een duidelijk andere stem liet Aike Maarsingh horen, in het interview dat ik met hem had (zie bijlage 13) “Liberalisering maakt de rijken rijker, en de armen armer.” zei hij onder andere. Het inruilen van prijsondersteuning en importheffingen, voor prijsverlaging en hectaretoeslagen zou hij het liefste terugdraaien.

De LTO gaat nog steeds niet zo ver dat men de exportsubsidies wil afschaffen, uit angst dat dan andere ontwikkelde landen als de VS, Nieuw-Zeeland en Australië, en rijkere ontwikkelingslanden als Argentinië, Brazilië en Thailand, hun markten overnemen. (LTO, 2001, p.5) Daar zit wat in, zeker zolang exportkredieten en oneigenlijke voedselhulp wel geaccepteerd blijven binnen de WTO. Ook is er een padstelling (of overeenstemming) tussen de VS en de EU over het accepteren van inkomenstoeslagen, men is nog niet zover dat deze worden gezien als een verkapte vorm van dumping.

Samenvattend kan worden gezegd dat de exportgeoriënteerdheid met acceptatie van schaalvergroting en verder technologische ontwikkeling, het wint binnen de LTO van de noodzaak om zoveel mogelijk boeren (hun leden toch?!) hun bedrijf te laten behouden. Ook ziet men nog te weinig in dat men in de tang wordt gehouden door multinationals in de toevoer van kredieten, zaden, bestrijdingsmiddelen, kunstmest en landbouwmachines, in de (detail)handel en in de verwerkende industrie. Mede hierdoor ziet men regelgeving op gebied van milieu en dierenwelzijn, nog teveel als een bedreiging in plaats van een kans. Juist deze multinationals willen namelijk over het algemeen zo weinig mogelijk normen en regelgeving, om boeren internationaal en binnen de EU tegen elkaar uit te kunnen spelen.


3. Liberalisering met meer nadruk op de belangen van ontwikkelingslanden; Novib / Oxfam

‘Novib stelt dat handel een belangrijke motor voor ontwikkeling kan zijn. Toegang tot de koopkrachtige westerse markten kan een belangrijk middel zijn om economische groei te versnellen, en kansen te creëren voor arme mensen. Juist in en rond de landbouwsector is de concentratie van mensen die onder de armoedegrens leven hoog. Maar ook juist de landbouwsector wordt in het Noorden sterk beschermd. Het huidige WTO-akkoord maakt het mogelijk dat ontwikkelingslanden in hoog tempo hun markten openen, terwijl het Noorden de landbouw nog altijd sterk kan beschermen.’ (Milieudefensie, Novib, 2002)

In bijlage 12 kunt u zien wat de aanbevelingen zijn van Novib als onderdeel van Oxfam en haar campagne ‘Make Trade fair’. Hierin komt het bovenstaande ook terug. Men meent dus sterk dat een toegenomen toegang tot westerse markten, een duidelijk stap voorwaarts kan zijn om armoede te bestrijden. Er is van verschillende kanten veel kritiek gekomen op deze campagne, die zo dadelijk aan de orde zal komen. Daarnaast mis ik het probleem van de schuldenlasten, de macht van de multinationals en het milieuprobleem op haar agenda.

Zij zoeken dus nog steeds een (neoliberale) oplossing via een exportgeoriënteerde ontwikkeling, zonder zich af te vragen of armoedebestrijding hetzelfde is als een verbetering van de toegang tot basisbehoeftes. Dit heeft er alles mee te maken dat men milieu nog steeds als een luxe product ziet. Shiva gaat hier binnen de hierna volgende zelfvoorzienende benadering verder op in. Ook het tegenover elkaar plaatsen van Noordelijke boeren en Zuidelijke boeren getuigt naar mijn mening van een gebrek aan inzicht. Zie bijlage 14 voor mijn verdere reactie op deze campagne.



Volgens Einarsson, een medewerker van een Zweedse NGO (2000, p.21), wordt om de volgende reden teveel verwacht van verbeterde markttoegang van ontwikkelingslanden tot Noordelijke markten:

  • ontwikkelingslanden zijn vooral kopers in plaats van verkopers op de wereldmarkt, bij een verbeterde markttoegang tot ontwikkelde landen zal de eis andersom ook gelden, waardoor ontwikkelingslanden juist in het nadeel zijn door toegenomen concurrentie vanuit het Noorden;

  • ontwikkelde landen produceren meestal goedkoper voedsel dan ontwikkelingslanden, ook dit leidt bij liberalisering weer tot meer concurrentie voor ontwikkelingslanden dan andersom;

  • ontwikkelde landen domineren de voedsel- en veevoerexport; bij wederzijdse vergrootte markttoegang is de concurrentie wederom voor ontwikkelingslanden het grootste;

  • tropische producten hebben al een redelijk goede markttoegang, met uitzondering van bananen, suikerriet en tropische oliën; ook hier profiteren ontwikkelde landen weer meer van wederzijdse importtariefafbraak;

  • de exportsector in ontwikkelingslanden staat vaak los van de voedselproductiesector; hierdoor is het zeer onzeker dat de landbouw als geheel en daarmee ook kleine boeren zullen profiteren. Ook is concurrentie onderling om de hulpbronnen (land, water, arbeid) tussen exportlandbouw en de eigen voedselproductie niet ongewoon (zie Hoofdstuk 5 en 6).

Concluderend zullen volgens Einarsson die landen of sectoren binnen landen profiteren van wederzijdse tariefreductie, die het potentieel hebben om te kunnen exporteren. Het zou echter degene in toenemende problemen brengen die afhankelijk zijn van de bescherming van hun productie voor de nationale markt.
4. Groen Liberalisme: meer nadruk op belangen van milieu en ontwikkelingslanden; Groene politieke partijen, Friends of the Earth Europe en Birdlife International

Deze organisaties hangen de groene marktbenadering aan, ook wel ‘Groen Liberalisme’ genoemd. Zij willen binnen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid dat subsidies van de productie ontkoppeld worden, via een verschuiving van eerste pijlerbudget naar tweede pijlerbudget. Boeren moeten betaald worden voor hun publieke diensten als water, biodiversiteit en landschap. Prijsondersteuning wordt hierbij afgeschaft en de wereldmarkt bepaalt de prijs. (FOE Europe, 2002) Bij deze benadering wordt de liberalisering als uitgangspunt genomen, dus wordt geaccepteerd dat de boer geen kostendekkende prijs meer kan krijgen. Daarmee blijft dumping op de derde wereldmarkt dus mogelijk, omdat de prijs kunstmatig laag gehouden wordt. (FOE Europe, 2002a) Sommige Friends of the Earth-groepen behoren echter meer tot de Zelfvoorzienende benadering (zie 6). Milieudefensie neemt op dit moment een tussenpositie tussen deze twee benaderingen in.

Volgens Koning (2001, p.11) wordt door een keuze voor inkomenstoeslagen in plaats van prijsondersteuning, een sectorbrede omslag in de landbouw naar een duurzame productie juist tegen gehouden. Hiervoor is namelijk een hogere in plaats van een lagere prijs noodzakelijk om extra inspanningen te kunnen betalen. Dit is al gebleken bij de Farmbill in the USA.

Een argument om de inkomenstoeslagen onafhankelijk te laten zijn van de productie kan wel een verbetering zijn ten opzichte van gekoppelde steun aan een product, omdat bepaalde gewassen als hennep (dat zeer vele gunstige kenmerken heeft) dan weer aantrekkelijk wordt. Nu is het saldo in vergelijking met graan (inclusief hectaretoeslag) te laag, om aantrekkelijk te zijn. Een nog beter alternatief blijft wat mij betreft een kostendekkende prijs, gekoppeld met quotering. Een ander voordeel van subsidies zou kunnen zijn dat je een maximum per bedrijf kan vaststellen, zodat niet alleen de grootste bedrijven profiteren.


Tegenstanders van verdere liberalisering

5. De boerenbenadering

Naast de groene marktbenadering onderscheidt FOE Europe (2002) de boerenbenadering. Deze wordt bijvoorbeeld aangehangen door José Bové en zijn boerenorganisatie Confederation Paysanne (CPE) uit Frankrijk, maar ook door Via Campesina (een internationale boerenorganisatie), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontact (NAJK , 12.000 jonge agrariërs in Nederland) (IS, 2002), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) en de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV). Maar ook Japan en Zuid-Korea verkondigen binnen de WTO dit standpunt om hun eigen boeren beschermen. (Hines, 2000, p.207)

Al deze organisaties willen verkoopprijzen die de totale productiekosten dekken. Dit kan via garantieprijzen en importheffingen door de EU tot een prijsniveau waarop duurzame (ecologisch en sociaal) productie mogelijk is, gekoppeld aan productiebeheersing om overproductie te voorkomen. Dit betekent een herstel van de situatie binnen de EU van voor de Mac Sharry-hervormingen, gekoppeld aan productiebeheersing (zie Hoofdstuk 6).

Zij zien de inkomenstoeslagen binnen de EU en de VS ook duidelijk als handelsverstorend, wat blijft uit de verschillende cases in Hoofdstuk 6 (Mexico, andere landen in Centraal-Amerika, de Filippijnen, India, China) waarbij goedkoop graan, maïs of rijst uit ontwikkelde landen op hun markt gedumpt werd. Dit was onderdeel van regionale (NAFTA) of mondiale vrijhandelsverdragen.


CPE zegt hierover: “directe betalingen aan boeren die een prijsverlaging min of meer compenseren, is directe besteding van overheidsfinanciën aan grote detailhandels en de agro-industrie.” Zij zijn door de lagere inkoopprijs namelijk in staat om hogere marges te behalen. De voorstellen binnen deze boerenbenadering kosten dan ook geen belastinggeld, maar brengen dit juist op door de importheffingen aan de grenzen. (Friends of the Earth, 2002a)

Binnen de boerenbenadering wil men in eerste instantie een kostendekkende prijs, en daarbij voor boeren die hier toe in staat zijn extra beloningen voor extra inspanningen op gebied van natuur en landschap. Als men voor het inkomen te veel afhankelijk is van inkomenstoeslagen, is men te zeer afhankelijk van de politieke kleur (binnen de uitvoerende lidstaten) die op elk moment kan besluiten de subsidies te verlagen om het geld voor andere doeleinden te gebruiken.


6. De zelfvoorzienende benadering

Deze benadering ligt dicht bij de boerenbenadering, maar deze concentreert zich vooral op de discussie van enerzijds een exportgeoriënteerde ontwikkeling als hulpmiddel voor de ontwikkeling van ontwikkelingslanden waarbij de ontwikkelde landen hun markttoegang moeten verbeteren (benadering 3), tegenover anderzijds dat deze exportgeoriënteerde ontwikkeling ten koste gaat van eigen voedselvoorziening, milieu en biodiversiteit en kleine boeren (deze benadering).

Bij de exportgeoriënteerde ontwikkeling gaan de winsten volgens hen vooral naar multinationals in toevoer, afvoer en verwerking, en niet naar de armste bevolking en deze kleine boeren. Tot deze laatste groep behoort Via Campesina, de meeste Friends of the Earth-groepen in Latijns-Amerika, en bijvoorbeeld Vandana Shiva en Walter Bello (Focus on Global South in de Filippijnen). (FOEE, 2002a)

De grootste kritiek op de benadering die zich richt op verbeterde markttoegang is dat deze uitgaan van het vrijhandelsparadigma dat verspreid wordt via de WTO, in plaats van zich te richten op de negatieve effecten van deze WTO voor ontwikkelingslanden. De WTO vindt Bello (2002) niet representatief, ondemocratisch, niet transparant en wordt gedomineerd door supermachten. Het grote probleem is de exportgeoriënteerde landbouw en het feit dat ontwikkelde landen in ruil voor markttoegang tot hun markt ook toegang willen tot de markten van ontwikkelingslanden. Vooralsnog is dit, en dat zal ook blijken uit de hoofdstukken 4 t/m 6, een veel groter probleem.

Shiva (2002) vindt dat het verschil zit in het streven naar de principes van mensenrechten, rechtvaardigheid, democratische participatie, soevereiniteit en duurzaamheid enerzijds, tegenover het ontmantelen van deze principes als handelsbarrières door de liberaliserings-benadering anderzijds. Door handel uit zijn sociale en ecologische verband te halen raken de mensen ontvreemd als lid van de samenleving, en worden ecosystemen vernietigd. Ze vindt dat Oxfam deze twee benaderingen onterecht heeft proberen te koppelen.

Door te streven naar markttoegang in rijke landen, stimuleert ze het exportgerichte model vanuit ontwikkelingslanden, dat al jaren geen rekening houdt met de onzichtbare sociale en ecologische kosten. Niet de rijken moeten dus een offer brengen door hun markt te openen (zoals zo vaak gezegd wordt), maar de armen doordat hun hulpbronnen voor eigen voedselvoorziening worden ingezet om de behoefte aan luxe-consumptie (zoals vlees, garnalen, bloemen en groenten) van het Noorden te vervullen. Juist in het Noorden moet de consumptie dus nog meer stijgen, terwijl zij al boven de draagkracht van de hulpbronnen van de aarde leven.

Door het onduurzame inzetten van hulpbronnen voor de export, worden de bestaansbasis van kleine producenten verwoest, en armoede verder verergerd in plaats van opgelost. In plaats van de $100 miljard die ontwikkelingslanden volgens Oxfam mislopen door handelsbarrières in het Noorden, zouden werkelijke kosten voor ontwikkelingslanden $1 triljoen zijn als deze ingezet zou worden in de productie van rundvlees, bloemen en garnalen. Dit komt door de milieudegradatie en boeren en vissers die hun bestaansmogelijkheid verloren zien gaan. Voor iedere dollar verdient met de export van rundvlees, gaat $15 verloren aan ecologische functies (mest, trekkracht) waarvoor machines en kunstmest moeten worden teruggekocht, en het broeikaseffect wordt hierdoor versterkt. Door exportoriëntatie is de voedselzekerheid in India met 75% afgenomen en het handelstekort met $1 miljard toegenomen.

Overigens was India van oudsher bekend om haar peperexporten, die worden nu onmogelijk gemaakt door dumping. Ook de bestaansbasis van boeren wordt verwoest met gedumpt voedsel vanuit ontwikkelde landen op lokale markten, wanneer SAP’s landen dwongen hun importbelastingen op te heffen.

Tenslotte blijkt al jaren dat de prijzen dalen en de ruilvoet verslechterd als landen zich slechts richten op de export van primaire producten. Landen moeten dus meer en meer exporteren, voor steeds lagere inkomens. ‘De belofte van Oxfam wordt dus niet waargemaakt in de praktijk, dat 1% exportstijging $100 miljard oplevert voor de ontwikkelingslanden. Om deze ruilvoet te verbeteren moeten er structurele veranderingen plaatsvinden in de globale economie (vooral het kwijtschelden van schulden (GG)), het zijn die veranderingen die ook anti-globalisten willen.’ Juist deze anti- of anders-globalisten werden door Oxfam als globofoben in een hoek geplaatst.

De zelfvoorzienende benadering wil dus dat kleine boeren hun lokale en regionale markten (waar zij zich vooral op richten) via importtarieven en -quota kunnen afschermen tegen dumping. De exportgeleide ontwikkeling die Oxfam voorstaat leidt niet tot aansluiting bij de economische globalisering, maar tot economische en politieke uitsluiting. Juist door deze economische globalisering met als gevolg verwoesting van bestaansbasissen, banen, hulpbronnen en culturen, worden mensen in India en Frankrijk in de handen van de rechts-extremisten en nationalisten gedreven. In plaats van een sterke lokale en nationale economie isolationistisch te noemen zoals Oxfam gedaan heeft, is juist deze economische lokale zekerheid de enige oplossing tegenover toenemende vreemdelingenhaat, fundamentalisme, haatdragendheid en isolationisme. ‘Globalisering voedt dus isolationisme, uitsluiting en het fragmentatie van de samenleving. Sterke lokale economieën integreren gemeenschappen door algehele veiligheid te genereren en door culturen in zich op te nemen.’ (Shiva, 2002)

Volgens Bello (2002) zijn het vooral Australië, Nieuw-Zeeland en Argentinië binnen de Cairns-groep die zo aandringen op markttoegang, en willen Indonesië en de Filippijnen daarom misschien zelfs uit de Cairns-groep stappen (zie Hoofdstuk 6).

Shiva (2001) ziet vooral een oplossing door het centralistische systeem te decentraliseren. Gemeenschappen op het lokale niveau moeten over hun eigen voedselzekerheid kunnen beslissen. Nationale regeringen moeten vervolgens regionaal voedselbeleid opstellen en dit integreren in een nationaal voedselzekerheidsbeleid.

Het is overigens een mythe dat zelfvoorzienende landbouw minder productief zou zijn. In Brazilië was de productiviteit van boerderijen van minder dan 10 hectare $85 per hectare, voor bedrijven van 500 hectare was dit $2 per hectare. (www.twnside.org.sg , 1996)
3.6.2 Conclusies

Bij het vergelijken van de verschillende benaderingen is er naar mijn mening, naast een verschillende visie op gebied van ontwikkeling sprake van een gebrek aan integrale kennis, die ervoor zorgt dat er zo’n grote verschillen tussen betrokken actoren zijn, over een oplossingsrichting die tegemoet komt aan het voorzien van de basisbehoeftes en de bescherming van het milieu in Noord en Zuid. Het pleiten voor markttoegang houdt namelijk tevens in dat Noordelijke landen meer toegang tot ontwikkelingslanden eisen. Het middel kan in dat geval erger zijn dan de kwaal, waardoor de voorziening van basisbehoeftes op de lange termijn in gevaar komt, o.a. door uitputting van natuurlijke hulpbronnen en milieuvervuiling. Ook het accepteren van de liberalisering van de wereldhandel als een soort natuurlijk verschijnsel, dat niet meer te keren is speelt een grote rol bij een aantal van de genoemde actoren.

Het ziet er vooralsnog naar uit dat er zo weinig invloedrijke voorstanders zijn van de laatst genoemde boeren- en zelfvoorzienende benaderingen, dat deze voorlopig niet ingevoerd zullen worden. Daarentegen maken de voorstanders van liberalisering onder voorwaarde, de meeste kans op het werkelijk in de praktijk uitvoeren van hun visie.

1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   24

  • 1. Voorstanders van verdere liberalisering van de handel in landbouwproducten

  • Dovnload 4.64 Mb.