Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina14/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24

4.3 Structurele aanpassingsprogramma’s en ander beleid van de Wereldbank en het IMF



4.3.1 Inhoud van de SAP’s

Om landen te helpen uit hun betalingsbalansproblemen te komen ontwikkelden de Wereldbank (in de late jaren ’70) en het IMF (vanaf 1987), structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s). Vooral toen bleek dat de reguliere leningen niet terugbetaald konden worden, werden deze ontwikkeld. Als ontwikkelingslanden nieuwe leningen wilden afsluiten om onder andere te kunnen voldoen aan de rente en aflossing van oude leningen, werden er condities aan deze leningen gesteld. Deze condities waren er vooral opgericht dat deze instellingen hun geld terugkregen van uitstaande leningen. Hierdoor werd er voor het eerst ingebroken in het interne beleid van soevereine nationale staten.

Uit deze SAP’s sprak vooral het neoliberale ontwikkelingsmodel, omdat de Wereldbank en het IMF een te grote rol van de staat, als een rem op de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden zagen. Het uiteindelijke doel was een nieuwe vorm van macro-economisch management waardoor lenende landen zouden integreren in het mondiale systeem van handel, financiering en investeringen. Hierbij werd geïndustrialiseerde importsubstitutie zoveel mogelijk omgezet in productie voor de export, en werd een gunstig klimaat gecreëerd voor de private bedrijfsleven, inclusief multinationals. ‘In essentie werden Structurele Aanpassingsleningen niet verstrekt om iets specifieks op te bouwen, maar om nationale economieën in een bepaalde richting op te bewegen.’ Vanaf het midden van de jaren ’80 werden ook andere projectleningen van de Wereldbank en IMF-leningen van ontwikkelingslanden onder ‘cross-conditionality’ van de SAP’s gebracht. (Cypher en Dietz, 1997, p.578-580)

Ook worden de SAP’s opgelegd bij de schuldkwijtscheldingsprogramma’s via het HIPC-initiatief, de gedeeltelijke schuldenkwijtschelding van de Heavily Indebted Poor Countries. Dit betreft ontwikkelingslanden die een ondraagbare schuldenlast hebben. Momenteel werkt men mede door de kritiek en nadelige effecten van de SAP’s (die ik zodadelijk behandel) met de zogenaamde Poverty Reduction Strategy Papers, waarbij de overheid en de bevolking van de ontwikkelingslanden mede mogen beslissen over armoedebestrijdingsprogramma’s. Deze PRSP’s staan echter ook nog steeds onder kritiek, omdat het consultatieproces vaak niet alle groeperingen in de samenleving betreft en de Wereldbank en IMF nog steeds de PRSP’s moeten goedkeuren als eindverantwoordelijke.


De condities binnen SAP’s bestonden onder andere uit:

  • het openen van de binnenlandse markten voor buitenlandse producten, hiertoe behoort het afschaffen van import- en exportbelastingen;

  • het openen van de binnenlandse markt voor buitenlandse investeringen zodat zij een meerderheidsbelang of zelf volledige bezit over bedrijven kunnen krijgen;

  • de eliminering van regulering op buitenlands bezit van bedrijven en hulpbronnen;

  • het verplaatsen van de economie van zelfvoorzienendheid naar exportgerichtheid;

  • het devalueren van de nationale munt, om de export te stimuleren en de import te belemmeren;

  • het verlagen van de lonen, waardoor het aantrekkelijker werd voor buitenlandse bedrijven om te investeren;

  • het verhogen van de binnenlandse rente, om inflatie te bestrijden en het sparen te bevorderen;

  • het verminderen van de overheidssubsidies op voedsel, brandstof, water en openbaar vervoer, in plaats van op defensie (onder druk van de militairen en de elite);

  • het herzien van de landbouwprijzen;

  • bezuinigingen op het overheidsbudget, waardoor vaak als eerste gezondheidszorg en onderwijs de dupe waren;

  • verhogen van de belastingen, met name van BTW op de eerste levensbehoeften;

  • privatisering van de publieke sector;

(o.a. Cyper en Dietz, 1997, A SEED, 1994, p.11 en www.globalexchange.org)
Al deze maatregelen bevoorrechten de elite en buitenlandse multinationals boven de armen en zelfvoorzienende gemeenschappen, en zijn er vooral opgericht dat er geld vrijkomt om schulden af te betalen. (www.globalexchange.org)

Volgens ‘50 years is enough’ (www.50years.org) een Amerikaanse NGO die refereert aan de Breton Woods-instellingen, voldoen alle IMF-leningen aan deze condities en de meeste Wereldbankleningen. De rest van de Wereldbankleningen gaat naar grote infrastructurele projecten, zoals waterdammen, irrigatiesystemen en waterkrachtcentrales (Cypher en Dietz, 1997, p.575). Volgens the Worldwatch Institute (1994, p.158) bestonden in 1989 29% van de Wereldbank-leningen uit structurele aanpassingsleningen, in 1993 was dit 17%.


4.3.2 Negatieve gevolgen van de SAP’s

Vanuit vele maatschappelijke organisaties en wetenschappers is er kritiek geuit op deze SAP’s, omdat dit beleid vele negatieve effecten heeft. Hierbij moet naast de invloed van de Wereldbank en IMF, niet worden vergeten dat ook de nationale regeringen hierop invloed hadden, binnen het onderhandelingsproces met deze financiële instellingen. Door teveel te de belangen van hun eigen (etnische groep) of de elite te behartigen, hadden zij ook invloed. De gevolgen op gebied van landbouw, voorziening van basisbehoeftes en het milieu zijn:



  • Een verminderde voedselproductie per hoofd van de bevolking als gevolg van exportgeoriënteerde landbouwproductie. In Nigeria, Ethiopië, Sudan, Kenia, Tanzania en Zaïre (die 60% van de bevolking in Sub-Sahara Afrika vertegenwoordigen), is als het gevolg van SAP’s de graanproductie per hoofd gedaald met 33%, en het beschikbare voedsel per hoofd met 20%. Al deze landen zagen de geëxporteerde hoeveelheid wel toenemen. (Shiva, 2002).

  • Het bevoordelen van grote boeren boven kleine boeren.

  • In Bolivia bijvoorbeeld kregen de exportgerichte van chemicaliën afhankelijke landbouw, de vruchtbaarste gronden, terwijl de verplaatste Indiaanse boeren konden kiezen tussen erosiegevoelige hellingen, het kappen van regenwouden of werk zoeken in sweatshops. Ook werd via de overheid de opzet van vakbonden van landarbeiders tegengewerkt. (www.50years.org)

  • Grote problemen voor de lokale boeren die worden weggeconcurreerd doordat importbelastingen verplicht zijn afgeschaft. Zie onderstaande case in India. De problemen werden verergerd doordat inputs duurder werden door de devaluatie van de munt, en boeren dus extra geld moeten lenen. (A SEED, 1994, p.12)

  • ESAF-leningen (gebonden aan SAP’s) zorgden niet voor schuldafbouw, maar werden gebruikt om te voldoen aan verplichtingen van oude schulden waardoor probleem verergerde:

  • tussen 1990-95 werd er $673 miljoen per jaar geleend aan HIPC-landen echter door rente en aflossing betaalde deze landen netto $2 miljard terug aan de Wereldbank en het IMF;

  • tussen 1990 en 2000 verdubbelde de schuld: BNP-verhouding van de ESAF-landen;

  • tussen 1980 en 1995 nam de schuld/BNP-ratio toe in 91,5% van de HIPC-landen die onder een SAP-regime waren gevallen. (www.jubilee2000uk.org)

  • Een verminderde toegang van de armsten tot sociale voorzieningen en basisbehoeftes, doordat veel subsidies zijn afgeschaft en er is bezuinigd op overheidsuitgaven. Hierdoor nam de inflatie die volgens ‘de theorie’ had moeten dalen, door het bezuinigen op subsidies op eerste levensbehoeftes, juist toe. (Cypher en Dietz, 1997, p.568)

  • Vooral vrouwen waren de dupe van het lagere gezinsinkomen, omdat dit leidde tot een hogere werklast. Hierbij speelde hun grotere opofferingsgezindheid om het gezin draaiende te houden ook een rol. (Cypher en Dietz, 1997, p.581)

  • Werkloosheid onder overheidsambtenaren en overige werknemers, door overheidsbezuinigingen, concurrentie van buitenlandse bedrijven en het afschaffen exportbelasting op onbewerkte producten.



  • Het bevoordelen van exportbedrijven boven bedrijven voor binnenlandse markt.

  • Grote financiële problemen door ruilvoetverslechtering, wanneer de wereldmarktprijzen instorten van de die enkele grondstof waar men van afhankelijk is (werd), zoals momenteel bij koffie. De devaluatie van de nationale munt die de export had moeten stimuleren, had door de grote vraaginelasticiteit van deze primaire producten dus een averechts effect. De kapitaalgoederen die men nodig had voor de opbouw voor een eigen industrie, werden door de devaluatie, juist duurder. (Cypher en Dietz, 1997, p.567)

  • Het bevoordelen van de private sector boven de publieke sector.

  • Er is meer nadruk op buitenlandse schuld dan op binnenlandse behoeftes.

  • Er is meer nadruk op economische groei dan op de groei van de werkgelegenheid.

  • Er is meer nadruk op de korte termijn in plaats van productieverhoging en investeringen op de lange termijn waardoor de economie zich blijvend kan verbeteren.

  • Het afbreken van sociale vangnetten en het ontwrichten van lokale productiesystemen en plattelandsgemeenschappen.

  • De verspreiding van AIDS wordt bevorderd, onder andere door de trek van jongeren naar de stad als er geen perspectief meer is op het platteland doordat men wordt weggeconcurreerd met buitenlandse landbouwproducten door het verlagen van de importheffingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongens en mannen die gaan bijverdienen in de stad terwijl de meisjes en vrouwen op het platteland blijven. Ook de verbeterde infrastructuur, de urbanisatie en de bezuinigingen als gevolg van SAP’s op onderwijs en voorlichting, verstrekking van condooms en gezondheidszorg hebben hier aan bijgedragen. (www.50years.org)

  • Uit een onderzoek tussen landen uit Azië, Afrika en Latijns Amerika die al dan niet te maken kregen met SAP’s in de periode van 1980-1987 bleek dat:

  • SAP’s een positief effect hadden op de export en de betalingsbalans;

  • de totale investeringen (publiek plus privaat) terugliepen in landen met SAP’s;

  • SAP’s niet bijdroegen aan de economische groei en aan buitenlandse investeringen in vergelijking met de periode voor de SAP’s;

  • de levensstandaard van de armsten daalden onder SAP’s.

Door de bezuiniging op overheidsuitgaven als gevolg van SAP’s gecombineerd met een zwakke private sector en een dalende economische ontwikkeling, was het voor binnenlandse en buitenlandse bedrijven in tegenstelling tot de ‘theorie’ niet aantrekkelijk om meer te investeren, maar juist minder. Ook de devaluatie van de munt zorgde ervoor dat er juist kapitaalvlucht optrad. Op een gedeelte van de overheidsuitgaven werd terecht bezuinigd, maar de SAP’s zorgden echter ook voor een bezuiniging op nuttige overheidsuitgaven, vooral door niet in te spelen op lokaal specifieke kenmerken, maar het toepassen van een universeel standaardrecept. Daarnaast werd er te weinig aandacht geschonken aan een verbetering van het belastingssysteem, waardoor de betalingsbalans ook hersteld had kunnen worden.

Uit een ander onderzoek onder 33 Afrikaanse landen met SAP’s tussen 1980 en 1989, bleek dat de koopkracht van de mensen met een minimumloon daalde met 25%, overheidsuitgaven voor onderwijs daalden met 36%, en het aantal kinderen in het basisonderwijs daalde met 14%. (Cypher en Dietz, 1997, p.568, 569 en 580)



  • Er ontstaat grote milieuschade door exportlandbouw, boskap en mijnbouw (zie §4.3.4)




In bijlage 3 vindt u meer informatie over India, waaruit blijkt dat de schulden in India mede veroorzaakt werden door de Groene Revolutie. Banken, de chemische industrie en de zaadindustrie zochten nieuwe markten voor hun producten. Door een droogte in 1965 kon men alleen voedselhulp krijgen van de VS als men haar landbouw zou hervormen. Door dit Groene Revolutie-pakket werd echter een schuldenlast opgebouwd. Daarnaast traden er watertekorten op, en kwamen boeren in de problemen door de hoge kosten voor inputs in vergelijking met de opbrengsten. Hierdoor verloren veel boeren hun land aan banken of grootgrondbezitters. Door de exportgerichtheid, het inferieur verklaren van traditionele voedselgewassen als gierst, het kwijtraken van de eigen grond en deze gemanipuleerde handelsverhoudingen, worden boeren maar ook de derde wereld in een situatie van afhankelijkheid gedwongen.(Shiva in Kodewes, 1994, p.32-35)

Vanaf 1991 werd India geconfronteerd met een SAP, met als voorwaarde en gevolgen op het gebied van landbouw:



  • meer ruimte voor buitenlandse concerns, waardoor zij nu een meerderheidsbelang kunnen verwerven tot zelfs 100 % (vroeger was dit maximaal 40%), en kan de winst geëxporteerd worden;

  • beperking van de steunmaatregelen aan kleine boeren;

  • terugbrengen van de importheffing op buitenlands zaad van 95 naar 15%, en het voorkomen dat boeren aan elkaar leren hoe zaad te vermeerderen, hierdoor werd de zaadmarkt opengebroken door multinationals als Cargill (door TRIPs binnen de WTO moest men voortaan ook patenten gaan betalen voor zaad, hierdoor namen de schulden nog verder toe);

  • verplichting buitenlands graan aan te schaffen als dit goedkoper is dan Indiaas graan;

  • multinationals kunnen de zaadhandel gaan beheersen die oorspronkelijk in handen van de overheid was;

  • (buitenlandse) bedrijven kunnen nu grond van kleine boeren opkopen, om er grootschalige boerenbedrijven of plantages te beginnen;

  • (buitenlandse) mijnbouwbedrijven kunnen makkelijker grond aankopen,

  • (buitenlandse) hotelketens kunnen eenvoudiger grond in natuurgebieden verwerven, en de inheemse volkeren die daar wonen verjagen.

Gevolgen waren dat India in 1992 verplicht werd ‘een miljoen ton tarwe te importeren uit de VS, in plaats van deze aan te kopen bij kleine boeren. De graanimport veroorzaakt dus armoede en teleurstelling op het Indiase platteland en vergroot het tekort op de betalingsbalans.’ De export was echter alleen maar mogelijk door de zeer grootschalige Amerikaanse productiewijze èn een exportsubsidie van $30 per ton. ‘Intussen zijn de Indiase overheidsuitgaven gestegen en is het tekort op de betalingsbalans toegenomen, hoewel het officiële doel van de Wereldbank/IMF-maatregelen juist was dit te voorkomen.’

Onduidelijk is geweest wat de invloed van Cargill was bij de opstelling van dit SAP. Men geeft hierover geen commentaar. In Amsterdam waren er echter protesten van Indiase boeren “Cargill kills!” ‘De agro-multinationals – vormen de motor achter de schaalvergroting en de mechanisering in de landbouw. Zij zijn er in de eerste plaats voor verantwoordelijk dat zovele boeren en landarbeiders hun land en hun beroep hebben moeten verlaten en met name in de derde wereld in de miserabelste omstandigheden terecht gekomen zijn.’ Duidelijk is in dit geval dat ook multinationals profiteren van deze SAP’s hoewel moeilijk te bewijzen is dat ze bij de opstelling betrokken waren. (Smit, 2000, p.44)


In bijlage 3 vindt u ook cases over de gevolgen van SAP’s in de Filippijnen en Papua Nieuw Guinea. Hieruit blijkt dat ook in de Filippijnen boeren door het gedwongen verlagen van de importheffingen, het afschaffen van subsidies aan boeren en van het productie- en prijsstabiliseringssysteem in de problemen kwamen. Ook werden er landhervormingen doorgevoerd in het voordeel van grootgrondbezitters die vooral voor de export telen.

In Papua Nieuw Guinea moest binnen twee jaar alle van oorsprong gemeenschappelijke grond in handen van dorpsgemeenschappen worden geprivatiseerd en ‘ontwikkeld’. In beide landen bleek dat de nationale overheid de kant koos van of de Wereldbank, de WTO of de grootgrondbezitters, en dus lijnrecht inging tegen de belangen van de armste bevolking, dorpsgemeenschappen en kleine boeren.



Voor meer cases in tal van ontwikkelingslanden van de gevolgen voor SAP’s en/of WTO zie Stichting Oecumenische Hulp (1999) en Madeley (2001).
4.3.3 Ander beleid van Wereldbank en IMF

Door de gerichtheid op economische groei op korte termijn, werd vooral de export gestimuleerd. Niet vergeten mag hierbij worden dat hoewel de Wereldbank als doelstelling armoedebestrijding heeft, men een neoliberale visie heeft om hoe dit bereiken. Dit betekent het bevorderen van een economische groei die dan via het zogenaamde thrickle-down effect, uiteindelijk ook bij de allerarmsten terecht zou moeten komen. Daarbij is men nog steeds een bank evenals het IMF, die zoveel mogelijk zekerheid wil hebben dat de uitgeleende gelden worden terugbetaald. Dus in plaats van direct in te zetten op de armste lagen van de bevolking, wilde men een macro economische groei bewerkstelligen en vooral de revenuen uit export vergroten. De inzet van multinationals blijkt hierbij deel uit te maken van het standaardrecept.

Volgens bepaalde critici: ‘the Fund’s (IMF, GG) objectives are not really tied to the improvement of the performance of the less-developed nations, but to the long-term improvement of conditions which allow major participants in the international economy, such as the transnational corporations, relatively free access to the widest possible range of production and sales sites in the global economy.’ (Cypher en Dietz, 1997, p.573)

Een oorzaak voor de neoliberale visie op ontwikkeling van deze instellingen kan liggen in het groot aantal economen en ingenieurs op hun hoofdkantoren, ten opzichte van milieukundigen en antropologen. Ook is maar een klein deel van de werknemers in de landen zelf gevestigd. In ontwikkelingslanden worden ook weer zaken gedaan met dezelfde soort mensen die vaak op westerse universiteiten gestudeerd hebben. Dit alles leidt er toe dat er weinig consultatie plaats vindt met de lokale bevolking, terwijl juist zij te maken krijgt met de (negatieve) uitwerking van de projecten. Zoals gedwongen verhuizing, vervuiling van hun milieu, het veranderen van eigendomsrechten (bijvoorbeeld grondrechten die van communaal - naar privé-bezit overgaan GG). (WWI, 1994, p.159-160) Volgens oud-chefeconoom bij de Wereldbank Stiglitz, domineren bankiers uit rijke industrielanden het IMF-bestuur, en komen hierdoor de belangen van westerse investeerders op de eerste plaats. ‘De steun die landen in crisis ontvangen, onder meer om de rente hoog te houden, is vooral bedoeld om westerse investeerders de mogelijkheid te bieden zich zonder veel financiële schade terug te trekken.’ Ook deert het de economen niet dat de armste bevolking te leiden heeft onder het IMF-beleid, waaronder het gedwongen intrekken van voedselsubsidies. (Internationale Solidariteit, oktober 2002, p.44)

De Wereldbank leent naast geld via ‘structurele aanpassingsleningen’ ook geld uit via normale projecten; zoals energie (winning, waterdammen), transport, onderwijs, stedelijke ontwikkeling. Voor agrarische projecten en plattelandsontwikkeling werd in 1993 14 % van het totaal uitgeleend. In 1980 was dit overigens nog 40 % van de totale leningen. Hiervan ging onder andere een kwart naar irrigatie en drainage, 17 % naar rurale financiën.
Deze leningen hadden ook niet het effect dat de armsten bereikt werden. Op het gebied van de rurale bevolking werden de armsten niet bereikt omdat dit of landloze boeren zijn, of landarbeiders of dat men als boer te arm is om geld te kunnen lenen. Hierdoor vergroten veel Wereldbankleningen de inkomensverschillen. Daarnaast werd landbouw die gericht is op nationale of internationale markten gestimuleerd, waardoor zelfvoorzienende voedsellandbouw-systemen verstoord werden. Met name vrouwen die verantwoordelijk zijn voor de voedselvoorziening van de familie, werden hierdoor het slachtoffer. Ook waren veel projecten het slachtoffer van corruptie en politiek gekonkel. (WWI, 1994, p.158, 168-169)

Een indirect nadeel van het beleid van Wereldbank en IMF is dat Noordelijke landen op gebied van hun bilateraal ontwikkelingsbeleid, vaak alleen leningen verstrekken aan die landen die ook leningen ontvangen van Wereldbank en IMF, en die dus min of meer ‘goedgekeurd’ zijn. (Cypher en Dietz, 1997, p.588)


4.3.4 Gevolgen voor het milieu

Het gevolg van genoemd Wereldbank- en IMF-beleid is enerzijds dat de kleine boeren die benadeeld worden en vaak hun grond kwijt raakten, gedwongen worden op niet duurzame wijze in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, bijvoorbeeld door bossen te kappen en op marginale gronden landbouw te bedrijven. Anderzijds kwam in landen die nog natuurlijke hulpbronnen te exploiteren hebben de nadruk op versnelde exploitatie hiervan te liggen voor de export. (WWI, 1994, p.160) Hiervan zijn verschillende voorbeelden te noemen:



  • Het IMF verbond als voorwaarde voor steun aan Indonesië, dat men haar areaal palmolieplantages uitbreidde, dit had grote gevolgen voor het tropisch regenwoud dat werd gekapt of verbrand. Dit had de grote bosbranden op andere Kalimantan tot gevolg.

  • Op vele plaatsen in Zuidoost Azië worden garnalenkwekerijen voor de export aangelegd waarvoor mangrovebossen moeten verdwijnen. Hiermee verdwijnen ook de kraamkamers van de vissen, waardoor de lokale voedselvoorziening in gevaar komt. In de Filippijnen bijvoorbeeld is nog maar 10 % van de mangrovebossen over die in 1920 aanwezig waren, terwijl 8 miljoen vissersfamilies tot de armsten van het land behoren. (Davidson p.163-164)

  • In landen als Ivoorkust, Maleisië en Papua Nieuw Guinea is de ontbossing direct gekoppeld aan de schuldenlast. In Ivoorkust worden op de vrijkomende gronden cacaoplantages aangelegd. In Centraal Amerika is de afgelopen 25 jaar tweederde van het bos verdwenen, om plaats te maken voor grote veeranches voor de productie van vlees voor de export. (Davidson p.165-166).

Verder verstrekken de Wereldbank en het IMF leningen voor mijnbouwprojecten en oliepijpleidingen (zoals de 1000 kilometer lange oliepijpleiding van Tsjaad naar Kameroen die het leefgebied van pygmeeën verwoest). Leningen voor waterdammen voor irrigatieprojecten voor exportlandbouw en elektriciteitsopwekking, hebben miljoenen mensen van hun leefomgeving hebben verjaagd naar vooral de stad. Ieder jaar moeten tussen de 1,2 en 2,1 miljoen hun oorspronkelijk grondgebied verlaten om deze reden. In India zijn naar verwachting 20 miljoen mensen en in China 10 miljoen mensen verplaatst de afgelopen 40 respectievelijk 30 jaar (Davidson p.177).
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24

  • 4.3.2 Negatieve gevolgen van de SAP’s
  • De Case India
  • 4.3.3 Ander beleid van Wereldbank en IMF
  • 4.3.4 Gevolgen voor het milieu

  • Dovnload 4.64 Mb.