Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina15/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24

Hoofdstuk 5 De sociale – en milieugevolgen van exportlandbouw




5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk ga ik verder in op de milieu- en sociale gevolgen van exportlandbouw, omdat deze vorm van landbouw nauw verweven is met de liberalisering van de handel in landbouwproducten.


5.1.1 De relatie tussen liberalisering en de exportlandbouw

De achterliggende theorie zegt zoals we in Hoofdstuk 3 zagen dat de productie daar moet plaatsvinden waar de comparatieve kosten het laagst liggen. Dat betekent in veel gevallen dat landen zich volgens de theorie specialiseren in die gewassen waarin zij het beste zijn. Via internationale handel van exportlandbouwproducten zal vervolgens iedereen hier voordeel bij hebben. Om deze handel zo gemakkelijk mogelijk te laten verlopen, moeten handelsbelemmeringen zoveel mogelijk worden verwijderd volgens de theorie. Dit betekent zo weinig mogelijk overheidsingrijpen via bijvoorbeeld normen op de producten en de productiewijze hiervan, importquota, prijsondersteuning en importheffingen. Dus een export georiënteerde landbouw en liberalisering hangen sterk samen. Dit uit zich ook in het internationaal (handels)beleid, zoals we al zagen in hoofdstuk 4 bij de visie van Wereldbank en IMF op exportlandbouw ten opzichte van landbouw voor de eigen voedselbehoefte.

De belangen van westerse exporterende en importerende multinationals en multinationals in de toevoer van inputs als zaden, bestrijdingsmiddelen en kunstmest, die op zoek zijn naar nieuwe markten spelen hierbij (achter de schermen) ook een belangrijke rol. Daarnaast is er een aantal grootschalige landbouwbedrijven die vooral willen concurreren op de wereldmarkt, in plaats van genoegen te nemen met de voorziening van voedsel voor de eigen bevolking. (zie paragraaf 3.6 voor de verschillende visies op de liberalisering in de landbouw)

In Hoofdstuk 6 zal ik specifiek ingaan op de gevolgen van de liberalisering in de landbouw. Deze kunnen dus niet los worden gezien van de gevolgen die ik in dit hoofdstuk bespreek.


5.1.2 De relatie tussen exportlandbouw en industriële landbouw

Er is een koppeling te maken tussen industriële landbouw en exportlandbouw enerzijds, en natuurlijke landbouw en landbouw voor eigen voedselvoorziening anderzijds. (Zie ook figuur 4 en 5 in §5.3.) Hierbij is het zo dat de meeste landbouw die gericht is op de export via industriële landbouw tot stand komt. Uitzonderingen zijn biologische producten, die in mijn ogen via traditionele landbouwmethoden tot stand komen, die worden geëxporteerd. Bijvoorbeeld biologische groenten uit Afrika die in Nederland verkocht worden. Ook wordt er al biologische koffie geteeld met het Max Havelaarkeurmerk.

Landbouw voor de eigen voedselvoorziening kan zowel via industriële (vooral in het Noorden, maar ook in het Zuiden na de Groene Revolutie) als traditionele landbouw (biologische landbouw in het Noorden, en verder vooral in het Zuiden) tot stand komen.

In dit hoofdstuk zal ik zoveel mogelijk die informatie en voorbeelden gebruiken waarin duidelijk de koppeling tussen industrielandbouw en exportlandbouw gemaakt kan worden.


Exportgewassen zijn landbouwgewassen die niet voor eigen levensonderhoud worden geteeld maar voor de export. Voorbeelden hiervan in ontwikkelingslanden zijn suiker, thee, koffie en cacao. Vaak hebben landen een comparatief voordeel voor deze gewassen, zoals een tropisch klimaat. Maar ook graan en maïs uit bijvoorbeeld de VS wordt nadrukkelijk als exportgewas geteeld. In deze paragraaf ga ik ervan uit dat de meeste exportgewassen via industriële landbouw tot stand komen. Kenmerken hiervan zijn volgens Wolters (2001, p.56-58):

  • kapitaalintensief, en toenemend invloed van de banken die kapitaal verschaffen in de vorm van krediet;

  • vervanging van arbeid door machines;

  • toenemend gebruik van energie (onder andere via inputs);

  • toenemende invloed van de staat op de landbouw;

  • tendens tot competitie, specialisatie en overproductie;

  • grotere interdependentie tussen boerenbedrijven en agribusiness die kunstmest (bestrijdingsmiddelen GG) en machinerie levert, de verwerking van producten ter hand neemt, transport verzorgt en de verkoop regelt.

Dit zijn vooral de sociaal-economische gevolgen van de industriële landbouw. In §5.2 zal ik hier verder op ingaan.
5.1.3 De relatie tussen de sociaal-economische en milieugevolgen binnen de landbouw

Dat de sociaal-economische gevolgen vaak samenhangen met negatieve milieugevolgen behandeld Brown (Worldwatch Institute, 1997). Volgens hem heeft archeologisch onderzoek uitgewezen dat landbouw de schakel is tussen milieudegradatie en economische achteruitgang. De ondergang van de Mesopotamische beschaving (verzilting door irrigatie), het Romeinse Rijk (bodemdegradatie en woestijnvorming in Noord-Afrika) en de beschaving van de Maya’s in Guatemala (ontbossing en bodemerosie), kunnen allen in verband worden gebracht met milieuproblemen als gevolg van onduurzame landbouw. Als door toenemende milieudegradatie de productie van belangrijke voedselgewassen als granen gaat dalen, zullen door stijgende voedselprijzen vooral de 1,3 miljard armsten (minder dan $1 per dag) hiervan te lijden hebben volgens Brown. Juist de liberalisering van de handel en daarmee gepaard gaande exportgerichtheid, zorgt voor een toenemend aantal milieuproblemen zoals behandeld zal worden.

In deze discussie speelt ook de consumptie van vlees een rol die nu vooral in het Noorden plaats vindt maar ook sterk groeit in Azië. Vooral mensen uit de midden- en hogere inkomensklassen hebben toegang tot vlees. Productie van veevoeder al dan niet via exportlandbouw gaat hierdoor ten koste van productie voor menselijke voeding. Via de productie van vlees wordt in het algemeen een groter beslag gedaan op de natuurlijke hulpbronnen, in vergelijking met een dieet zonder vlees. Dit komt omdat er energieverlies optreedt in de fase tussen veevoer en vleesproductie.

Volgens de Koeijer van de NAV (zie interview bijlage 13) draagt de WTO en het GLB (zie hoofdstuk 6) rechtstreeks bij aan een beleid waarbij de EU 55 miljoen ton graanvervangende en eiwit- en oliehoudende gewassen, zoals maïsgluten en sojaschroot zonder importheffingen importeert. Tegelijkertijd wordt er 25 miljoen ton graan geëxporteerd, waarbij 7 % van de grond braak ligt. De EU is dus helemaal niet zelfvoorzienend laat staan exporterend, maar netto-importerend. Door de lage veevoederkosten vanwege de liberalisering worden de productie en dus consumptie van vlees via intensieve veehouderij, extra goedkoop gehouden.

In paragraaf 5.2 ga ik in op de sociaal-economische gevolgen van exportgewassen, in paragraaf 5.3 op de milieugevolgen. Deze gevolgen hangen vaak samen, in beide paragrafen zullen dan ook de gevolgen voor de voorziening van basisbehoeftes aan de orde komen.

5.2. Sociaal- economische gevolgen



5.2.1 Toename inkomsten

Aan de teelt van exportgewassen kunnen positieve effecten verbonden zijn. Exportgewassen leveren deze landen vaak de broodnodige deviezen op en leveren tevens de extra inkomsten voor boeren op om overige artikelen te kunnen kopen. Voorwaarde is dat de boeren een vergoeding krijgen door middel van de verkoopprijs die alle gemaakte kosten dekt. Dit is in veel gevallen in zowel Noord als Zuid niet het geval. Ook is een voorwaarde in ontwikkelingslanden dat de verdiende inkomsten niet vooral gebruikt worden voor het betalen van de rente en aflossingsverplichtingen, in verband met de schuldenlasten. (zie Hoofdstuk 4)

De beste garantie op een kostendekkende prijs voor het Zuiden bieden Fairtrade producten, waarvoor bijvoorbeeld het Max Havelaar-keurmerk geldt. Dan is gegarandeerd dat kleine boeren of coöperaties van kleine boeren een goede prijs krijgen, en niet zoals bij de gangbare exportlandbouw, de handelaren en verwerkende industrie meestal de meeste winst genereren. Dit terwijl de boeren niet uit de kosten kunnen komen en soms zelfs failliet gaan. Goede voorbeelden zijn de fairtrade in koffie, bananen, thee en cacao. Bepaalde producten worden nu ook milieuvriendelijk of zelfs biologisch geteeld, zodat niet alleen de sociaal-economische situatie op de korter termijn maar ook op de lange termijn verbetert. Exportgewassen kunnen echter ook leiden tot de volgende problemen die nu aan de orde komen.
5.2.2 Problemen op gebied van voedselzekerheid en voedselveiligheid in Noord en Zuid

Exportgewassen worden meestal op de beste grond geteeld, waardoor de marginale gronden overblijven voor de teelt van voedsel voor het huishouden of de gemeenschap.

‘Als gevolg van de eerste Groene Revolutie, waarbij ook westerse multinationals en de Wereldbank betrokken waren (zie §4.2 en bijlage 3), verdrongen granen, maïs en rijst met hoge opbrengst en westerse landbouwtechnieken in Azië, Afrika en Zuid-Amerika, lokaal fruit en groenten van de velden. Dit leidde tot ernstige dieetproblemen door een gebrek aan mineralen en vitaminen.’ (A Seed Europe)

Een duidelijk voorbeeld van exportlandbouw die ten koste gaat van eigen voedselzekerheid, en de overheid die niet opkomt voor de belangen van de armsten, blijkt uit de volgende gegevens uit India. Overigens blijken in meerdere exporterende landen als de Filippijnen, Vietnam en Indonesië, de overheden veraf te staan van de voorziening van basisbehoeftes van alle lagen van de bevolking. In India dat 250 miljoen mensen met honger telt (meer dan éénderde van het mondiale aantal) was in 2000 een voorraad tarwe en rijst opgebouwd van 44 miljoen ton. Dit is 20 miljoen ton meer dan de jaarlijks benodigde buffer van 24 miljoen ton. ‘In plaats van het verdelen van het graanoverschot onder hen die het het meeste nodig hebben, speelt de overheid met het idee om een exportmarkt te zoeken of om het tegen een gesubsidieerde prijs toe te laten tot de open wereldhandel (lees: private handel).’ ‘Achtereenvolgende regeringen hebben vooral in de laatste 3 decennia -na de opkomst van de Groene Revolutie- met groot gemak afstand genomen van hun constitutionele verantwoordelijkheid om de natie te voeden. ‘De regering slaagt er wel in voorraden op te bouwen (voor de export GG), maar ontneemt daarbij ‘de armen een van de basale mensrechten: voedsel.’ (Sharma, 2000)

Landen moeten door de exportgerichtheid ook meer voedsel importeren voor de eigen bevolking, waardoor gemeenschappen kwetsbaar worden voor prijsfluctuaties van dit geïmporteerde voedsel.

Doordat de EU op gebied van plantaardige gewassen niet zelfvoorzienend is (vooral door de grote behoefte aan veevoer zie §5.1.3), kunnen er zelfs in de EU in toekomst problemen ontstaan op gebied van voedselzekerheid. Als het broeikaseffect op grote schaal gaat leiden tot misoogsten is dit gevaar niet denkbeeldig. Ook is het risico op de insleep van dier- en plantenziektes veel groter door sterke afhankelijkheid van producten buiten de EU.

Bijkomend nadeel is dat geïmporteerde groenten, fruit en graan meer overschrijdingen van de norm voor residuen van bestrijdingsmiddelen bevatten, dan Nederlandse producten. Volgens EU normen bevat respectievelijk 70 en 45% teveel bestrijdingsmiddelen. Volgens Nederlandse normen werd in 1999 in gemiddeld 30% van de gevallen, de norm overschreden. (De Gelderlander, 2001)

Ook kan al het veevoer (exclusief biologische landbouw) van buiten de EU genetisch gemanipuleerde ingrediënten bevatten. Dat betekent dat alle dierlijke producten met uitzondering van biologische producten, nog genetisch gemanipuleerde bestanddelen kunnen bevatten. De effecten voor de volksgezondheid van langdurig gebruik hiervan, zijn echter nog onbekend. Deze situatie is nog verergerd door het verbod op het gebruik van diermeel in veevoer, dat diende als een belangrijke eiwitbron. De risico’s van gebruik van diermeel in veevoer voor varkens en pluimvee (omnivoren) lijken door strenge keuringen van geslachte dieren echter nihil. Als gevolg van dit verbod wordt er overigens ook meer vismeel gebruikt, wat weer tot overbevissing kan leiden.


5.2.3 Verlies van inkomsten en boerderijen, toename van ongelijkheid

Nauw verwant met de teelt van exportgewassen is de Groene Revolutie in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. ‘De enige die ervan hebben geprofiteerd, zeggen critici, zijn grootgrondbezitters, handelaren in zaden en bestrijdingsmiddelen, en fabrikanten van landbouwmachines. De arme boeren en boerinnen (40 procent van de voedselproductie is in handen van vrouwen) vielen ten prooi aan de internationale handel. Velen van hen raakten grond en werk kwijt en trokken naar de steden. De FAO heeft het beleid inmiddels herzien en richt zich veel meer op der participatie van de lokale boeren, op versterking van boerenorganisaties en op landelijke en regionale planning.’ (De Volkskrant, 1992)



Boeren worden afhankelijk van de inkomsten die door deze gewassen gegenereerd worden, en van de kosten van inputs, en dus kwetsbaar voor prijsfluctuaties. Tevens kan men wegge-concurreerd worden dumping met gesubsidieerde exporten, hierbij spelen de door de SAP’s gedwongen verlaagde importheffingen een grote rol. Terugval in verkoopprijzen kan dan leiden tot honger en ondervoeding. Ook concurrentie tussen ontwikkelingslanden is een probleem, zo had de kokosoliesector in India te leiden onder goedkope palmolie uit Indonesië en Maleisië. De bananen- en ananasteelt in de Filippijnen kreeg concurrentie uit Vietnam en Indonesië; toen bleek dat hier de lonen lager lagen, verdwenen Dole en Del Monte gedeeltelijk naar deze landen. Ook nieuwe producten hadden maar een korte tijd succes. (www.isgn.weg.org)

Omdat boeren die exportgewassen telen vaak moeten concurreren met boeren uit andere delen van de wereld, is het gebruik van inputs als kunstmest en bestrijdingsmiddelen vaak hoger dan bij voedselgewassen. Pesticiden worden vaak gebruikt om de abnormale hoge niveaus van ziekten en plagen te bestrijden die voorkomen binnen monoculturen. Kunstmest is nodig om de opbrengsten te maximaliseren. Deze inputs worden gewoonlijk geïmporteerd uit geïndustrialiseerde landen en moeten in buitenlands geld betaald worden. (Sustain 2, p.11)

Bijkomend nadeel van deze inputs is dat boeren geld moeten lenen om deze te kunnen betalen. Bij misoogsten of lage prijzen voor hun producten kunnen zij gedwongen worden om hun land te verkopen aan grootgrondbezitters waar men eventueel nog als landarbeider aan de slag kan. Een ander alternatief is dat men naar (sloppenwijken in) de stad verhuist om daar werk te zoeken. (Zie §3.6 voor de slechte situatie binnen de free export zones waar vele ex-boeren terecht komen.) Het gevolg is dat men zijn voedselzekerheid via eigen productie verliest. Volgens Shiva (Hivos and FOEI, 2002) is er een toenemend aantal boeren dat zelfmoord pleegt doordat ze hun schulden niet meer konden afbetalen.

Door de afhankelijkheid van de export van slechts één of enkele grondstoffen of landbouwproducten is men afhankelijk van de wereldmarktprijs hiervan, wat de economie kwetsbaar maakt. Dit geldt ook voor de afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen, die bij sterke stijgingen van de olieprijs hele economieën kunnen ontwrichten. Daarnaast hebben ontwikkelingslanden al vele jaren te maken met een ruilvoetverslechtering, terwijl de prijzen van geëxporteerde goederen dalen, stijgen de prijzen voor de geïmporteerde goederen. Als oorzaken voor deze lage prijzen kunnen de overproductie worden genoemd en het internationale handelssysteem. Deze laatste zorgt er bijvoorbeeld voor dat de koffieprijzen nu op laagste punt in de afgelopen dertig jaar zijn aanbeland. (Zie ook paragraaf 6.7.) ‘Hetzelfde verhaal gaat op voor cacao, thee, katoen, hout en andere ruwe grondstoffen uit Afrika. In geld uitgedrukt maakt Afrika slechts 2 procent deel uit van de wereldhandel, maar in volume neemt het waarschijnlijk 30 procent voor zijn rekening. Als het niet meer is.’(..) ‘Maar niemand heeft het er ooit over dat de Afrikanen een goede prijs voor hun producten behoren te krijgen.’ (Volkskrant 31-5-2001).

‘Volgens de cijfers van UNCTAD zijn nog altijd 80 van de 147 ontwikkelingslanden voor meer dan 50 % afhankelijk van de export van grondstoffen. Vooral de schuldenproblematiek, de verschuiving in het Westen van de industriële productie naar de dienstensector (minder grondstoffen nodig) en de toename van het gebruik van grondstofbesparende technologieën zijn debet aan de ruilvoetverslechtering van de ontwikkelingslanden de laatste decennia. (EFTA in Stalenhoef, 1996, p.35) Dat het Westen minder grondstoffen nodig heeft, betwijfel ik overigens, gezien de stijgende economische groei en de stijgende consumptie.
5.2.4 Toenemende macht multinationals

De toenemende macht van multinationals in de landbouw blijkt uit figuur 3. In de tekst hierna zal ik deze gegevens illustreren met voorbeelden.


1. Landbouw: 2,5 à 3 miljard boeren, waarvan 2 miljoen in de VS, 13

miljoen in Europa, en 5 à 600 miljoen in zowel India als

China

2. Handel, transport en verwerking: 5 à 10 agro-giganten (in de nabije toekomst) als Cargill;



deze leveren ook aan de boeren kunstmest, zaad en bestrijdingsmiddelen

3. Voedingsindustrie: 5 multinationals per sector, zoals Unilever en Nestlé,

die 80 % van de markt beheersen (in de nabije toekomst)

4. Detailhandel: 5 à 10 giga-winkelketens als Ahold (in de nabije toekomst)

en een heleboel kleinere ketens en losse winkels.

5. Consumptie: 6 miljard mensen


Figuur 3 De vijf schakels van de voedingsketen (Smit, 2000, p.27)
Zoals al gezegd wordt er in de geïndustrialiseerde landbouw gewerkt met vele inputs. Hierdoor wordt de invloed van toeleverende bedrijven van krediet en leningen, machines, zaden, bestrijdingsmiddelen en kunstmest, op de landbouw vergroot. Ook de internationale voedingsmiddelenindustrie en -handel hebben hun invloed steeds verder vergroot. Via verder liberalisering van de handel proberen zij daar de landbouwproducten te betrekken waar de kosten het laagste zijn.

Maarsingh van LTO Nederland vertelde me een paar voorbeelden van, die verduidelijken dat de consument niet automatisch profiteert van een liberalisering, en duidelijk maak wie hiervan wel profiteert. Zo is er import van graan uit Oost-Europa en de Oekraïne, waarbij de graanhandel al zonder importheffingen kan importeren. Hierdoor wordt de prijs gedrukt in de EU. Dit is beleid waar de Europese Commissie en de multinationals achter staan, om de prijs laag te houden. Twee tot drie grote graanhandelaren hebben veel verdiend aan deze graanhandel, omdat de lage inkoopprijs niet terugkomt in een lage prijs in het eindproduct van de verwerkte producten. Hierdoor worden boer uitgebuit, omdat men op zoek is naar de laagste inkoopprijs. Door het GATT-akkoord (zie Hoofdstuk 6) hebben handelaren en multinationals 300 tot 400 miljard dollar extra verdiend. Een voorbeeld is Coca Cola dat een hogere prijs voor haar product berekent in Australië, terwijl de suikerprijs daar lager is dan in de EU. Een ander voorbeeld is dat in een bepaald jaar in Nederland de broodprijs stijgt met f 0,17, terwijl de graanprijs daalt met 17 %. (Interview Maarsingh zie bijlage 13)

Het probleem bij de machtsconcentratie die te zien is in figuur 3, is dan ook dat de consument geen grip heeft op de tussenliggende onzichtbare schakels. Retoriek als bedrijven moeten wel maatschappelijk verantwoord ondernemen, want anders kiest de consument een ander product gaan dan ook niet op voor bedrijven als Cargill (graanhandel) en Monsanto (zaad- en bestrijdingsmiddelenleverancier).

Ook in de Filippijnen zorgen multinationals ervoor dat de consument weinig merkt van de wereldmarktprijs. Zij kopen namelijk goedkoop in en verkopen dit duur op de consumentenmarkt. Zij verhinderen ook dat de rurale bevolking haar eigen voedsel kan produceren. (www.isgn.web.org/impact/chap3.htm)


De toenemende concentratie van multinationals blijkt uit de volgende gegevens:

* De totale waarde van verkopen van pesticiden in 1998 van de 10 grootste fabrikanten (in afnemende grootte Novartis, Monsanto, DuPont, Zeneca, AgrEvo, Bayer, Rhône-Poulenc, Cyanamid, Dow Agro en BASF) was meer dan $27.000 miljoen, wat overeenkomt met 90 % van de totale mondiale verkopen. Deze concentratie heeft zich verder voortgezet want nu zijn AgrEvo en Rhône-Poulenc gefuseerd tot Aventis, en Novartis en Zeneca tot Syngenta. Nu beheersen 8 bedrijven 80 % van de totale markt in pesticiden.

* 6 agrochemische bedrijven controleren 24 % van de zadenmarkt, deze 6 bedrijven vertegenwoordigen 95 % van de handel in genetisch gemanipuleerde zaden. (PAN Pesticide Action Network in FOE Europe, 2002)

* Verder vindt 80 % van de mondiale graanhandel plaats binnen twee bedrijven Cargill en Archer Daniels Midland.

* Vijf multinationals beheersen 75 % van de bananenhandel, drie multinationals 83% van de cacaohandel, drie multinationals 85% van de theehandel en 5 multinationals hebben 70% van de tabakshandel in handen. (FOEI, 2001, p.20)

Door deze concentratie wordt de macht ten opzichte van (ongeorganiseerde) boeren steeds groter, deze krijgt zo steeds minder zeggenschap over zijn kosten en opbrengstprijzen. Er zijn tendensen dat bedrijven door fusies de gehele productiekolom van toelevering tot aan verwerking en verkoop willen gaan beheersen. Een boer wordt zo gedegradeerd tot contractarbeider. Ook in Nederland waren bijvoorbeeld in 2002 de prijzen voor erwten niet voldoende om de rentekosten voor de grond volledig te kunnen terugbetalen, laat staan dat de eigen arbeidskosten betaald konden worden. (GG). ‘De boeren kopen van machtige bedrijven, maar de productiekosten zijn hoger dan de marktprijs: dat is een zelfmoordeconomie. Dit handelssysteem vermoordt de boeren die ze dit marktsysteem in duwt.’. (Shiva in Hivos en FOEI, 2002)

Dit blijkt ook uit de cacao- en tabakshandel. ‘In de commerciële cacaohandel gaat ongeveer 70% van de winst die op chocolade wordt gemaakt, naar de handelsorganisaties en de chocolade-industrie, terwijl de cacaoboeren (die gewoonlijk geen andere bron van inkomsten hebben) slechts 5% krijgen.’ ‘De multinationals strijken het leeuwendeel van de winst op, de ta-baksboeren verdienen er amper wat aan. Bovendien brengt de geëxporteerde ruwe tabak minder op aan buitenlandse valuta dan de geïmporteerde sigaretten kosten.’ (Stalenhoef, 1996, p.42)

Een andere ontwikkeling die zich al jaren voordoet is dat landbouwproducten worden ontleed tot koolhydraten, eiwitten en vetten, waaruit vervolgens voedingsmiddelen worden gefabriceerd. Als in zo’n proces tapiocazetmeel goedkoper is dan aardappelzetmeel, gaat de fabrikant over op dit product. Hetzelfde geldt voor vetten uit palmolie in plaats van olijf- en aardnotenolie (Smit, 2000, p.58), voor isoglucose uit maïs in plaats van suiker uit suikerbieten, en (genetisch gemanipuleerde) soja wordt gebruikt in de fabricage van vleesvervangers. (GG) ‘Unilever gebruikt ongeveer tien verschillende plantaardige oliën en vetten voor haar margarines. Afhankelijk van de prijs voegt ze wat meer zonnebloem-, koolzaad- of sojaolie toe.’ Het bedrijf houdt in drieploegendienst de wereldmarkten voor oliën en vetten in de gaten, om zo goedkoop mogelijk in te kopen. (Smit, 2000, p.58) Het contact van de consument met zijn voedsel zal, door deze steeds grotere afstand als gevolg van liberalisering en exportlandbouw, dus alleen maar toenemen.

Multinationals maken vaak gebruik van de zogenaamde transfer pricing. Hierbij zorgen ze ervoor dat ze zo door te hoge of te lage rekeningen op te stellen voor de levering van producten aan hun dochter- of moederbedrijven, zo min mogelijk belasting betaald wordt in het land waar de belastingen het hoogste zijn, en zoveel mogelijk in landen met lage belastingen. Hierdoor wordt vaak winst vanuit ontwikkelingslanden naar het moederland gesluisd. (Held et al., 1999, p.277) Zo blijkt uit onderzoek dat ontwikkelingslanden maar 10% van de prijs krijgen, die hardhout in het Noorden opbrengt. Dit komt enerzijds door transfer pricing en anderzijds door de hoge importheffingen in het Noorden op bewerkt hardhout. Had men het hardhout tegen een redelijke prijs zelf mogen verwerken dan had dit kunnen oplopen tot 35% (Davidson p.168-169).

Multinationals ontlopen naast gebruik te maken van transfer pricing ook veel belasting door druk uit te oefenen op de regeringen van ontwikkelingslanden. Men kan vaak eisen stellen op dit gebied als voorwaarde dat men zich in dit land vestigt, of als voorwaarde dat men niet naar een ander land verdwijnt waar lagere belastingen gelden. (Held et al., 1999, p.277) Hetzelfde geldt voor milieuwetgeving en normen op gebied van arbeidsomstandigheden. Als deze te streng zijn zal een multinational vaak druk uitoefenen op nationale regeringen, waarbij dezelfde dreigementen gebruikt worden. Buiten de landbouw gebeurt dit alles vooral in de industrie, waarbij vele multinationals zich vestigen in Free Export Zones, waar men helemaal geen belasting hoeft te betalen, en vaak zeer weinig wetgeving is of wordt nageleefd op gebied van arbeidsomstandigheden. (Klein, 2000, p.238-264, zie ook §3.6)

Zie voor de ‘universele’ principes rond multinationals bijlage 4, John McMurtry (2001):’The FTAA and the WTO: The Meta-Program for Global Corporate Rule’.

5.2.5 Concurrentie vanuit het Noorden

Het EU-landbouwbeleid, met name het op export gerichte deel van dit beleid veroorzaakt zeer grote nadelige gevolgen voor ontwikkelingslanden. In feite zijn dit de exportgewassen van het Noorden. Zo worden er met behulp van exportsubsidies, overschotten gedumpt in ontwikkelingslanden, waardoor lokale boeren die produceren voor de eigen voedselmarkt weggeconcurreerd wordt. Hierdoor komt de eigen voedselvoorziening in gevaar, en zijn veel boeren gedwongen om hun bedrijven te verlaten. Hetzelfde gebeurt binnen de VS en de EU via de inkomenstoeslagen die als verkapte dumping wordt gebruikt, en binnen de VS met behulp van exportkredieten en oneigenlijke voedselhulp. (zie ook Hoofdstuk 6)

Via tariefescalatie worden er een hogere importheffing op bewerkte landbouwproducten geheven dan op onbewerkte producten (zoals cacao en koffie), waardoor noordelijke industrieën beschermd worden tegen concurrentie uit ontwikkelingslanden (zie §5.2.4). Hierdoor komt juist de arbeidsintensieve be- en verwerkingsindustrie niet echt van de grond in deze landen.

Door exportkredieten en gebonden hulp wordt het bedrijfsleven in het Noorden verder bevoordeeld boven producten afkomstig uit de nationale economieën van ontwikkelingslanden.

Er is ook een tegenstelling tussen de SAP’s die sterk gericht waren op de export van landbouwproducten bijvoorbeeld suiker (om een land tot ontwikkeling te brengen GG), en het EU-beleid dat door haar gesubsidieerde export zorgt voor een dalende wereldmarktprijs. Hierdoor wordt het telen van exportgewassen dus minder aantrekkelijk. (Sustain 2, p.9)

1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24

  • 5.2. Sociaal- economische gevolgen

  • Dovnload 4.64 Mb.