Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina16/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24

5.3 Milieugevolgen en (in)directe gevolgen voor de voorziening in basisbehoeftes



5.3.1 Algemeen

(Mede) als gevolg van de (geïndustrialiseerde) exportlandbouw zijn er aantal ernstige milieuproblemen ontstaan, die op de korte en lange termijn zeer ongunstig kunnen uitpakken voor de voedselzekerheid van allereerst de kwetsbaarsten op deze wereld..





Figuur 4 Het natuurlijke landbouwsysteem (Internal Input Farming System) (Shiva, 1993, p.43)

Figuur5 Het industriële landbouwsysteem (External Input Farming System) (Shiva, 1993, p.44)
In figuur 4 en 5 geeft Shiva aan wat volgens haar de verschillen zijn tussen een op interne inputs gerichte traditionele (natuurlijke) landbouw en een op externe inputs gerichte industriële landbouw. In ‘The violence of the Green Revolution’ maakt ze ook duidelijk de koppeling tussen deze op externe inputs gerichte landbouw en toegenomen exportgerichtheid. Duidelijk is dat zowel aan de inputzijde als outputzijde er toegenomen ‘kosten’ (nadelige effecten) zijn, vergeleken met het oorspronkelijk systeem waarbij beide kostensoorten werden bespaard.

Door een oneerlijke vergelijking tussen deze twee landbouwsystemen, namelijk een reductionistische benadering (zie §3.4.3) die zich alleen richt op de output in kilogram per hectare van granen, kwamen deze voordelen van het natuurlijke systeem echter niet tot uiting. De voordelen van een gemengd landbouwsysteem met meerdere gewassen, zoals een uitgebalanceerd dieet, betere bemesting via dieren en veevoer voor de dieren, en betere resistentie tegen ziekten en plagen door de veel grotere diversiteit aan rassen, worden hierbij over het hoofd gezien. Daarbij hebben de High Responsive Varieties (HRV) meer water en kunstmest nodig om deze hogere productie te kunnen behalen. Door monoculturen is de vatbaarheid voor ziekten en plagen groter, en zijn bestrijdingsmiddelen noodzakelijk geworden. Door toenemende resistentie van ziekten en plagen, en de desastreuze effecten op nuttige dieren stijgt het gebruik van deze bestrijdingsmiddelen ook alsmaar (vooral in ontwikkelingslanden).

Zoals op Java waar het ecosysteem binnen natte rijstvelden van vissen, reigers, rijstvogels, nuttige insecten en slangen die schadelijke insecten en ratten onder controle hielden, teloor ging. Het gevolg was een bruine sprinkhanenplaag. De schadelijke chemicaliën verspreidden zich via irrigatie- en drainagesysteem over grote gebieden en bereikte zelfs de kustwateren. Vissen die ook te leiden hadden onder zuurstofgebrek door kunstmestgebruik zijn onontbeerlijk als eiwitbron, en als mogelijkheid tot neveninkomsten. (Kleinpenning, 1993, p.40-45)

Stalenhoef (1996, p.8) heeft de milieueffecten van een aantal exportgewassen onderzocht. In deze studie (die ik kan aanraden voor meer informatie, zie bibliotheek Milieudefensie) concludeert zij: ‘Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de natuurwaarden die bij een groot aantal produkties, in verschillende mate, worden aangetast zijn: het kappen of ernstig aantasten van tropische bossen (cassave (ook wel tapioca genoemd, een veevoer GG), cacao, garnalen, tabak), bodemuitputting door monocultures (cassave, cacao), bodemdegradatie door intensieve teelten (garnalen) en vervuiling van bodem, water en lucht door intensief gebruik van bestrijdingsmiddelen (bananen, tabak en katoen) en het hiermee gepaard gaande verlies aan biodiversiteit. Benadrukt wordt dat gelet op de aard van dergelijke effecten, niet mag worden geconstateerd dat het met de effecten op de natuur wel meevalt.’ Zij adviseert dan ook tot gedetailleerd nader onderzoek per product, per productiemethode en per gebied, en met inachtneming van sociaal-economische omstandigheden.


5.3.2 Teruggang biodiversiteit

Volgens Friends of the Earth Europe zijn landbouwgewassen geselecteerd op basis van verschillende kenmerken zoals een hoge productie, snelle groei, vroegrijpheid, resistentie tegen ziekten, resistentie tegen pesticiden, het goed kunnen reageren op kunstmest, een harde schil om getransporteerd te kunnen worden en lang opgeslagen te kunnen worden, en nog vele andere commerciële voordelen. Ze zijn echter zelden geselecteerd op het behoud of de verbetering van de voedingswaarde. (UK Health Education Authority in FOE Europe, 2002) Verder is 75 % van de biodiversiteit in de landbouw verloren gegaan in de twintigste eeuw, vooral veroorzaakt door industriële landbouw. (PAN in FOE Europe, 2002)

Ook Evenblij (2001, p.4) constateert deze schadelijke effecten van monoculturen. ‘De industriële landbouw is verreweg het schadelijkst voor de biodiversiteit, constateren zeer veel deskundigen. Monoculturen van moderne gewassen hebben vele traditionele landrassen verdrongen en wilde variëteiten uitgeroeid. Daarnaast hebben de grootschaligheid en het grote beslag dat zij doen op de ecologische ruimte (door gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en bodemschatten zoals grondwater en mineralen) de soortenrijkdom aangetast. Helaas leveren deze landbouwmethoden vaak weinig op voor de lokale bevolking. Verbetering van hun economie, die zich kenmerkt door een kleinschalige productie en een grote informele sector, levert in het algemeen slechts een marginale bijdrage aan de verbetering van de nationale economie.’ Met dit laatste wordt duidelijk dat nationale en internationale belangen dus vaak haaks staan op lokale belangen.

5.3.3 Bodemdegradatie

Door slechte landbouwtechnieken was in 1990, 562 miljoen hectare gedegradeerd in matige tot zeer ernstige mate, dit is ongeveer 38 % van het mondiale areaal landbouwgrond van 1,5 miljard hectare. Dit wordt vooral veroorzaakt door bodemerosie, waarvan tweederde door watererosie en éénderde door winderosie.

Een andere tabel spreekt over bodemdegradatie als gevolg van de volgende menselijke factoren: 579 miljoen hectare verlies door het verwijderen van natuurlijke vegetatie (b.v. houtkap), 679 - door overbegrazing, 522 - door agrarische activiteiten, 133 - door overexploitatie en 23 miljoen hectare door industriële activiteiten. Afhankelijk van de regio wordt er mondiaal 16 tot 300 maal meer bodem gedegradeerd dan er via natuurlijke processen wordt aangemaakt.

Landbouwkundige oorzaken (die vaak samenhangen met industriële landbouw GG) voor degradatie van bodems zijn: bodemverdichting door grondbewerking, uitputting van nutriënten door te weinig braaklegging of te weinig bemesting, verlies aan nuttige bodemorganismen door chemische middelen, en slecht watermanagement en – drainage die leiden tot verzilting of waterverzadiging. (World Resources Institute et al., 1998)

Sinds de Tweede Wereldoorlog is een areaal ter grote van twee maal Canada ongeschikt geworden voor landbouwproductie. Dit zou genoeg zijn om 13 % van de mondiale populatie met graan te voeden. (WWI, 1996)

In Senegal bijvoorbeeld is de bodem al zo uitgeput door de teelt van pinda’s dat men te weinig aanvoer heeft om de met geleend geld gebouwde pinda-raffinaderijen draaiende te houden. In Tsjaad, Mali en Burkina Faso levert de teelt van katoen veel bodemuitputtingsproblemen op, vooral ook omdat men koemest en katoenresten moet verbranden omdat er geen brandhout meer is. Een indirect effect van deze exportlandbouw is dat de oorspronkelijke kleinschalige boeren en herders moeten verdwijnen naar de kwetsbaarste gronden en naar natuurgebieden. Hierdoor ontstaat er een vicieuze cirkel van toenemende armoede en milieuproblemen (Davidson p.166-167).

Koning et al (2002, p.6 en p.23-24) vinden dat vooral op armere gronden kunstmest onontbeerlijk is om uit de vicieuze cirkel rond honger te komen. Deze cirkel ziet er als volgt uit: ‘armoede – geen geld voor bemesting – bodemuitputting – slechte oogst – armoede’. Hierbij moeten niet alleen de macro-nutriënten (N stikstof, P fosfaat en K kalium) worden aangevuld, maar ook de micro-nutriënten om de effectiviteit van de macro-nutriënten te vergroten. Het beste is volgens hen te werken volgens lokaal-specifiek maatwerk, uitgaande van lokale kennis gecombineerd met geavanceerde technieken. Standaardbenaderingen van bovenaf als de Groene Revolutie zijn dan niet bruikbaar.
5.3.4 Broeikaseffect en klimaatverandering

De internationale handel, waaronder de handel in landbouwproducten draagt in grote mate bij aan het broeikaseffect, vanwege de vele transportbewegingen. Volgens The Ecologist (2001) wordt door de economische globalisering, ‘via het verwijderen van grenzen aan handel en investeringen, de behoefte aan energie vergroot, en wordt de koolstof-intensieve ontwikkeling mondiaal ‘ge-universaliseerd.’’

De volgende gegevens van illustreren het toenemende (onlogische) transport:

* De importen van visproducten en fruit en groente per vliegtuig zijn tussen 1980 en 1990 toegenomen met respectievelijk 240 en 90 %. Vrachtvervoer per vliegtuig zal naar verwachting tot 2010 jaarlijks met 7,5 % per jaar stijgen.

* In 1998 importeerde Groot-Brittannië 61.400 ton pluimveevlees uit Nederland, ook werd er in dat jaar 33.100 ton pluimveevlees geëxporteerd naar Nederland. Groot-Brittannië importeerde 240.000 ton varkensvlees en 125.000 ton schapenvlees, tegenover een export van respectievelijk 195.000 en 102.000 ton. (Caroline Lucas in FOE Europe, 2002)

De huidige en naar verwachting nog veel grotere klimaatveranderingen, zullen in toenemende mate tot droogtes en overstromingen leiden. Bij deze natuurrampen gaan vele oogsten en in het ergste geval ook grote arealen landbouwgrond verloren. Steeds weer blijkt dat de grootste rampen zich voordoen in ontwikkelingslanden, onder andere omdat hier vaak de financiële middelen ontbreken om zich te beschermen tegen zulke rampen. Door dit gebrek aan financiën en sociale zekerheid zijn de gevolgen van natuurrampen ook groter bij de armsten in ontwikkelingslanden. Ook lijkt een temperatuurstijging in eerste instantie juist gunstig uit te pakken voor de landbouwproductie in het Noorden. ‘Een beperkte opwarming voor rijke landen op het noordelijk halfrond (heeft) waarschijnlijk licht gunstige effecten voor de economie, en slechts beperkt negatieve gevolgen voor het ecosysteem.’ (Volkskrant, 2001)

Een ander probleem dat ontstaat door het broeikaseffect is het smelten van gletsjers, waardoor boeren (vooral in berggebieden) in droge tijden in de toekomst geen toegang meer hebben tot rivierwater voor irrigatie.
5.3.5 Wateruitputting

Een groot nadeel van exportlandbouw is in veel gevallen het excessieve waterverbruik via irrigatie. Ongeveer 70% van de onttrekking uit rivieren en grondwaterbronnen is bestemd voor de landbouw. 60 tot 85% van dit water bereikt echter nooit de plantenwortels door inefficiënte technieken en lekken. Vooral de inzet van waterpompen in ontwikkelingslanden heeft de situatie verergerd. De onttrekking van grondwater is groter dan de aanvulling door neerslag. Vanuit de grondwaterbron (Ogallala-aquifer) waar in de VS 20% van de landbouwgrond mee geïrrigeerd wordt, wordt bijvoorbeeld 8 maal sneller water onttrokken dan dit wordt aangevuld door regenwater. (The Ecologist, 2000) Op het Arabisch schiereiland wordt 75% van het gebruikte water in de landbouw uit niet-hernieuwbare diepliggende waterlagen gehaald. Als dit water op is, verdwijnt het overgrote deel van de landbouw. (WWI, 1996)

Gevolgen van grootschalige irrigatie vanuit rivieren zijn ook verlies aan wetlands, visvoorraden en waterecosystemen doordat de oorspronkelijke rivier veel minder water bevat, wanneer het de kust of een meer bereikt. Voorbeelden zijn het Aralmeer dat 50% in oppervlakte is gekrompen vanwege katoenteelt, en de Gele rivier in China die sinds 1985 de zee niet meer bereikt.

Vooral in al droge gebieden kunnen problemen verergerd worden. In 1995 was de situatie als volgt: ‘De situatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is precair. Het noorden van China, het westen en zuiden van India, delen van Pakistan, Zuid-Amerika en een groot deel van Mexico lijden onder watertekorten. Een groot deel van Afrika bezuiden de Sahara verkeert in een semi-permanente crisis. (...) Tegelijkertijd zijn landen op grote schaal bezig woestijn in landbouwgebied om te zetten en neemt de kwaliteit van het water in de ontwikkelde wereld af door vervuiling en verzilting ten gevolgen van intensieve landbouw. “Met water kan de mensheid overleven, maar zonder zal er geen voedsel of levensonderhoud zijn van welke soort ook”, zegt Norman Myers van het Green College in Oxford en adviseur van de Wereldbank.’ (Volkskrant, 1995). Zou zijn advies aan de Wereldbank ook zijn opgevolgd? Ik vrees het ergste wanneer ik hun gerichtheid op exportlandbouw zie.

‘Terwijl de wereldbevolking naar verwachting in veertig jaar zal verdubbelen, zullen meer droge gebieden voor landbouw gebruikt worden. Regenwouden en andere vegetatie die water vasthoudt zullen verdwijnen, en het gevolg zal minder regenval zijn.’ (Volkskrant, 1995)
5.3.6 Genetische manipulatie

In veel exportgewassen wordt genetische manipulatie toegepast (vooral binnen de teelt van sojabonen, maïs en katoen). Er zijn al veel gevallen bekend van het verspreiden van genetisch gemanipuleerde gewassen naar percelen die niet genetisch gemanipuleerde gewassen bevatten. Ook is het mogelijk dat wilde landbouwgewassen die nog in de natuur voorkomen worden ‘besmet’. Hierdoor is het risico groot op het verdwijnen van deze nuttige soorten, die nog zouden kunnen worden ingekruist om bijvoorbeeld de resistentie tegen ziekten en plagen te verbeteren. Ook verdwijnen er nuttige insecten door bijvoorbeeld de inbouw van giften in planten. De gevolgen voor de volksgezondheid van langdurig nuttigen van genetisch gemanipuleerd voedsel zijn nog zeer onzeker en met het oog op het voorzorgsbeginsel zouden op dit gebied geen risico’s moeten worden genomen.

Volgens Shiva (Hivos and FOEI, 2002) bleek uit proeven met BT-katoen, dat 70% een lagere opbrengst had. Verder was er dubbel zoveel bestrijdingsmiddel nodig. Ook nam het aantal ‘superplagen’ en het onkruid toe. Dit staat lijnrecht tegenover de beweringen van Monsanto.

Ook wordt de afhankelijkheid van boeren ten opzichte van dergelijke multinationals vergroot, omdat men meer en meer gedwongen wordt om deze zaden af te nemen in plaats van deze zelf te vermeerderen. Dit is zeker het geval als het terminator-gen wordt toegepast. Ook wordt men gedwongen bepaalde bestrijdingsmiddelen af te nemen als men zaad gebruikt waarvan de plant resistent is gemaakt voor het betreffende bestrijdingsmiddel. ‘Door eenzijdige voorlichting, ‘valse’ subsidies en koppelverkoop (GM-zaad + chemicaliën + krediet) worden boeren in een afhankelijkheidspositie gebracht.’ (Hivos en Milieudefensie, 2000) Bijkomend nadeel voor de armsten is dat door de hogere kosten voor inputs, de voedselprijzen zullen stijgen, en bijvoorbeeld in India tot minder toegang tot voedsel zal leiden. (Sharma, 2000)


5.3.7 Verlies van natuurgebieden en bodemerosie

Op dit moment worden er nog steeds direct of indirect als gevolg van exportlandbouw natuurgebieden ontgonnen. Van ‘indirect’ is sprake als landloze boren bijvoorbeeld in Brazilië door grootgrondbezitters van hun land verdreven worden voor de aanleg van suikerriet- of sojaplantages. Deze landloze boeren proberen dan in het regenwoud weer eigen land te bemachtigen. Verlies van natuurgebieden vindt met name plaats in wetlands, tropisch regenwoud en mangrovebossen. De mens kan echter niet ongelimiteerd door blijven gaan natuurgebieden om te zetten in (tijdelijke) landbouwgrond. Tropische regenwouden bijvoorbeeld bevatten meestal maar een dun toplaagje met organische stof. De rest van deze organische stof zit in de bomen en andere beplanting. Wanneer zo’n bos gekapt wordt, en zeker als dit een bos op hellingen betreft, dan kan de vruchtbare bodem binnen enkele jaren geërodeerd zijn omdat bomen in plaats van de meeste landbouwgewassen veel beter in staat zijn de bodem vast te houden.



5.3.8 Energie-inefficiëntie

De energieratio (het aantal eenheden energieopbrengst per eenheid energie die in het landbouwsysteem geïnvesteerd wordt) is bij de industriële landbouw veel lager dan bij traditionele landbouw. Dit blijkt uit de volgende tabel:




Landbouwsysteem

Energie ratio

Jagen en verzamelen (Kung Bushmen, Afrika)

9,6

Hak- en brandcultuur (Tsembaga, New Guinea)

18

Hakbouw (Afrika)

11,2

Rijstteelt in irrigatielandbouw (Luts’un, China)

53,5

Cassaveteelt (Zuidoost-Azië)

65

Maïsteelt (Mexico)

15

Maïsteelt (VS)

2,5

Moderne industriële landbouw in de westerse wereld (kippenhouderij, tarwe)

0,1 tot 0,5

Tabel 1 Energieratio voor diverse landbouwsystemen (Wolters, 2001, p.56-57)
Bij het toepassen van industriële landbouw wordt dus meer energie geïnvesteerd dan de energieopbrengst is van de landbouwproductie. Dit systeem is dus alleen houdbaar zolang de energieprijzen zo laag zijn, en niet worden doorberekend in de verkoopprijs. Peter Rosset van the Institute for Food and Development zegt dat veel onderzoek uitwijst dat traditionele landbouwpraktijken in het Zuiden, met behulp van meerdere gewassen binnen een areaal, meer voedsel per hectare opleveren dan noordelijke monoculturen. ‘Amerikaanse boeren produceren meer maïs per acre, maar veel studies wijzen uit dat kleine boeren in Cuba, Latijns Amerika en elders in het Zuiden, 100 tot 1000 procent meer voedsel per acre verbouwen. Opbrengst is een erg slechte maatstaf om agrarische productiviteit te meten.’


1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24

  • 5.3.2 Teruggang biodiversiteit
  • 5.3.3 Bodemdegradatie
  • 5.3.4 Broeikaseffect en klimaatverandering
  • 5.3.5 Wateruitputting
  • 5.3.6 Genetische manipulatie
  • 5.3.7 Verlies van natuurgebieden en bodemerosie
  • 5.3.8 Energie-inefficiëntie
  • Landbouwsysteem Energie ratio

  • Dovnload 4.64 Mb.