Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina17/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

Hoofdstuk 6 De liberalisering van landbouwproducten binnen WTO en EU




6.1 Inleiding

In de vorige hoofdstukken heb ik vooral de structurele internationale economische problematiek besproken, die mijns inziens de huidige milieuproblematiek en de problematiek in de voorziening van basisbehoeftes mede verklaren. Ik heb me vooral geconcentreerd op de rol van het Noorden hierbinnen, via schuldenlasten, Wereldbank, IMF en Noordelijke multinationals. In dit hoofdstuk zal ik dat verder toespitsten op de liberalisering van de handel in landbouwproducten binnen de EU (Europese Unie) en de WTO (World Trade Organisation). Deze liberalisering moet er namelijk voor zorgen dat landen en de in dat land gevestigde bedrijven (en zoals ik zal behandelen: vooral multinationals die zich bezig houden met internationale handel) nog minder handelsbelemmeringen tegen komen.

Van oudsher worden er tussen landen of regionale handelsblokken voor de meeste landbouwproducten handelsbelemmerende maatregelen genomen door de overheid. Dit heeft men gedaan omdat landbouw een economisch sector is die om verschillende redenen niet te vergelijken is met andere economische sectoren (zie Hoofdstuk 3 en conclusies Hoofdstuk 7), en dus overheidsingrijpen behoeft om marktfalen op te heffen. De Europese Unie heeft deze overheidsmaatregelen gebundeld in het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). Binnen dit GLB zijn vooral voor de grondgebonden landbouwproducten als melk, rundvlees, suiker en graan opgenomen.
Bij de liberalisering van de handel in landbouwproducten zijn de volgende aspecten van belang:


  • de liberalisering van de handel in landbouwproducten tussen de EU-lidstaten;

  • de werkwijze van de WTO en verdragen op het gebied van de landbouw hierbinnen;

  • de verhouding tussen WTO en het beleid van de Europese Unie, met name op gebied van haar gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB);

  • de verhouding tussen de verschillende groepen van onderhandelende lidstaten binnen de WTO; hierbij zijn de EU, de VS, Japan, China, Canada, de Cairns-landen (Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en op export gerichte ontwikkelingslanden als Brazilië, Argentinië, Thailand en de Filippijnen) en de ontwikkelingslanden te onderscheiden;

  • de verhouding tussen WTO-verdragen en andere internationale (VN-)verdragen op gebied van arbeidsomstandigheden, voedselveiligheid, milieu, dierenwelzijn en de rol van ontwikkelingslanden.

De komende jaren worden er belangrijke beslissingen genomen op gebied van de landbouw, en haar relatie met onderwerpen als voedselzekerheid en -veiligheid, de belangen van ontwikkelingslanden, gevolgen voor platteland, natuur, milieu en dierenwelzijn. Inmiddels is er binnen Nederland en de EU een discussie gaande in hoeverre de handelsbelemmerende maatregelen op het gebied van de landbouw in het GLB, afgebouwd dan wel hervormd moeten worden, onder druk van de WTO. Ook de EU-uitbreiding met voormalige Oostbloklanden speelt een rol in deze discussie. Binnen deze discussies speelt een belangrijke rol in hoeverre de handel in landbouwproducten al dan niet geliberaliseerd zou moeten worden, in relatie met genoemde onderwerpen.

Centraal in deze liberalisering staat de WTO, vooral via het Agreement on Agriculture dat sinds 1994 van kracht is. Ook het TRIPs-verdrag over eigendomsrechten op levend materiaal speelt een rol. In dit hoofdstuk behandel ik eerst de relatie tussen WTO en GLB. In paragraaf 6.3 behandel ik het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) binnen de EU. Dit EU-beleid zou eventueel mondiaal tot voorbeeld kunnen dienen, met aanpassingen (vooral terugdraaien van genomen liberaliseringsmaatregelen). Momenteel staat dit GLB ter discussie ook vanuit de ontwikkelingsorganisaties, ik ga daarom ook wat dieper in op de relatie tussen GLB en ontwikkelingslanden. Daarna behandel ik in paragraaf 6.4 de relevante WTO-verdragen op gebied van de landbouw. In paragraaf 6.5 ga ik in op de gevolgen van dit WTO-beleid voor het milieu en de voorziening van basisbehoeftes. In paragraaf 6.6 behandel ik de productie en handel in suiker (als binnen de EU beschermd landbouwproduct), hierbij maak ik ook een vergelijking tussen suikerbieten en suikerriet. Hierna zal ik in paragraaf 6.7 een vergelijking maken tussen suiker, koffie en granen (deze zijn mondiaal al veel meer geliberaliseerd).

In de bijlagen kunt u extra informatie vinden over het GLB, haar historie en het budget (bijlage 6), de suikermarkt (9), en de standpunten van Aike Maarsingh (LTO) (13), Joop de Koeijer (Nederlandse Akkerbouw Vakbond) (13), Friso de Vries (CSM Suiker BV) (13), Friends of the Earth (11), Novib/Oxfam (12), Birdlife (12), IFOAM (biologische boeren) (12), het ministerie van LNV (12), en een brief van diverse NGO’s aan Euro-Commissaris Fischler in verband met de mid-termreview (8).



6.2 De relatie tussen EU- en WTO beleid

Binnen de EU en haar Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en de WTO zijn op dit moment (medio 2002) de volgende factoren van belang, die een rol spelen binnen mijn onderzoek:

* Er wordt grote druk uitgevoerd vanuit verschillende geledingen uit de internationale samenleving op de EU, om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid drastisch te wijzigen. Europees Commissaris Fischler van landbouw maakte op 10 juli 2002 zijn mid-term review bekend (zie §6.3), bestaande uit voorstellen ter hervorming van het GLB die later in 2002 besproken zullen worden. Zaken die in de hervorming van het beleid een rol spelen zijn: coherentie met WTO- en VN-verdragen, de kosten die met dit beleid gepaard gaan, de verschuiving van subsidies die gerelateerd zijn aan productie naar zaken als natuur- en landschapsbeheer, het belang van ontwikkelingslanden, de zorg van consumenten over voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn, en het snel teruglopende aantal agrariërs.

* Het ziet er naar uit dat binnen 2 tot 4 jaar 10 tot 12 nieuwe lidstaten, voornamelijk uit Oost- en Centraal-Europa zich zullen aansluiten bij de EU. Binnen de onderhandelingen over deze uitbreiding met betreffende landen, neemt landbouw een prominente plaats in.

* Binnen de WTO bestaat sinds 1994 het Agreement on Agriculture, met als doel de handel in landbouwproducten steeds verder te liberaliseren, wat betekent dat handelsbelemmeringen zoveel mogelijk moeten verdwijnen. In 2001 vond in Doha de vierde ministeriële conferentie van de WTO plaats, waar werd afgesproken deze liberalisering door te zetten, en de onderhandelingen in 2005 af te ronden. De onderhandelingen vinden ook in 2002 plaats, al is het zeer moeilijk om hier als politiek en maatschappij zicht op te krijgen, omdat ze veelal ontoegankelijk zijn. In toenemende mate beschouwen belanghebbenden (politiek, nationale en Europese overheden, NGO’s, boeren, toeleverende en verwerkende bedrijven en (detail)handel) deze WTO-afspraken als onontkoombaar. Een kleine minderheid probeert de handel in agrarische producten buiten de WTO te houden of probeert de liberalisering binnen de WTO te laten voldoen aan bepaalde normen en voorwaarden. Een voorbeeld is om het recht van landen op voedselsoevereiniteit, op te nemen in de WTO. Ook is er sprake van de opname van een Development-Box in de WTO, zodat de belangen van de ontwikkelingslanden en haar verschillende bevolkingsgroepen ook gewaarborgd worden.

6.3 Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) binnen de EU

Maatgevend voor een groot aantal akkerbouwgewassen is het GLB van de EU. Dit geldt met name voor granen en suikerbieten, gewassen die ik uitvoerig behandel binnen dit hoofdstuk. De teelt van suikerbieten is nog steeds relatief beschermd door het GLB, granen worden sinds 1992 echter steeds minder beschermd. In deze paragraaf zal ik kort ingaan op het GLB.

In Bijlage 6 ga ik uitgebreider in op de historie, het budget en op speciale regelingen met ontwikkelingslanden, zoals het Cotonou-verdrag (het oude Lomé-verdrag) en de Everything But Arms-overeenkomst. Deze informatie dient ook tot achtergrond voor paragraaf 6.6 en 6.7.
6.3.1 Doelstellingen, producten en inhoud van het GLB

Doelstellingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zoals die zijn vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag van Rome:


  • bevorderen van de productiviteit in de landbouw;

  • verzekeren van een redelijke levensstandaard van de landbouwbevolking;

  • stabilisatie van de landbouwmarkten;

  • het veiligstellen van de voedselvoorziening;

  • redelijke prijzen voor gebruikers verzekeren.


Producten en inhoud

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid richt zich vooral op de zware marktordenings-producten, dit zijn de producten die grondgebonden geteeld en geproduceerd worden. De bescherming van deze producten door overheidsbeleid is zo van belang, omdat juist in deze producten de multifunctionaliteit van de landbouw tot uiting komt namelijk als onderdeel van natuur en landschap. Ook is vooral de grondgebonden landbouw gevoelig voor weersomstandigheden, dit in tegenstelling tot de intensieve veehouderij en glastuinbouw. Deze producten krijgen dan ook de meeste steun en bescherming tegen concurrentie van buiten de EU. Voor Nederland zijn van belang: suiker, zuivel, graan en rundvlees. Deze hebben een aandeel van 37 % in de totale productiewaarde van de Nederlandse landbouw. Binnen de EU is dit ongeveer 50 %. De steun voor deze producten bestond in eerste instantie uit:



  • interne prijsondersteuning; als de interne prijs onder een bepaalde drempelwaarde zakt koopt het betreffende interventiebureau van de EU dit product op en betaalt de boer de dan geldende interventieprijs;

  • importtarieven; om het verschil tussen hoge EU-prijs en de normaal lagere wereldmarktprijs te overbruggen zodat boeren binnen de EU niet worden weggeconcurreerd;

  • exportsubsidies; indien de interne consumptie kleiner is dan de productie moet een gedeelte worden geëxporteerd. Om boeren dezelfde hoge prijzen te garanderen, krijgt hij een subsidie over het verschil tussen EU-prijs en de wereldmarktprijs in de vorm van een subsidie.

Momenteel zijn er voor deze zware marktordeningsproducten verschillende regelingen van kracht zoals quotering en prijsondersteuning (suiker en zuivel), hectaretoeslagen en verplichte braaklegging als compensatie voor verminderde prijsondersteuning voor graan, en dierpremies voor rundvlees.

Voor tuinbouw geldt geen volumebeleid, maar wordt de prijs bepaald door vraag en aanbod binnen de EU. Hiervoor geldt wel een invoerbescherming, deze is echter lager dan bij de zware marktordenings-producten. Hetzelfde geldt voor varkensvlees en pluimveeproducten, zij het dat hier sprake is van een verlaagde prijs voor graan in de EU wat van belang is voor de veevoerprijs, dit geldt ook voor de tariefvrije import van eiwit- en oliehoudende gewassen en graanvervangers als veevoer uit Noord- en Zuid-Amerika.

Niet vergeten mag worden dat tussen de lidstaten van de EU de handel volledig is geliberaliseerd. Vooral voor producten die niet beschermd worden door het GLB, is dit van belang. Deze liberalisering tussen de lidstaten heeft ook gevolgen gehad voor milieu en de voorziening van basisvoorzieningen. Wel is het zo dat door nationale en gemeenschappelijke regelgeving, en het GLB van een totale ander situatie sprake is dan mondiaal gezien waar bijna geen bindende regelgeving bestaat.
6.3.2 Regelingen met ontwikkelingslanden

De EU heeft met voormalige koloniën (van voornamelijk Groot-Brittannië en Frankrijk) uit Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de zogenaamde ACP-landen) speciale handelsverdragen gesloten. Dit gebeurde eerst via het Lomé-verdrag in 1975 en later via het Cotonou-akkoord in 2000. Via deze akkoorden hebben betrokken 71 landen waaronder 39 Minst Ontwikkelde Landen tariefvrij toegang met een bepaald quotum tot de EU voor bepaalde producten, zoals bananen en suiker. Hiervoor ontvangt men de hogere interne EU-prijs. Het Cotonou-akkoord is een aanpassing van het Lomé-verdrag, om tegemoet te komen aan kritiek van de WTO dat men de internationale handel verstoorde. Een verandering is onder andere dat de EU in ruil voor toegang tot haar markt ook toegang krijgt na een overgangstermijn tot de markten van de ACP-landen. Hiermee kunnen de exportbelangen van de EU de overhand krijgen boven de belangen van de ACP-landen op gebied van hun landbouw en economie in zijn algemeen.

Om tegemoet te komen aan eisen van de WTO en om stemmen te winnen van ontwikkelingslanden op het gebied van de liberalisering van de handel in diensten, heeft de EU het Everything But Arms-akkoord met de Minst Ontwikkelde Ontwikkelingslanden (MOLs of LDCs (Least Developed Countries)) gesloten. (Zie bijlage 2 voor een overzicht van de ACP-landen en LDC’s)

Hierdoor krijgen deze landen tariefvrije toegang tot de EU, m.u.v. suiker, bananen en rijst waarvoor deze vrije toegang pas in 2009 geldt, tot die tijd is er een overgangsregeling. Een nadeel ten opzichte van het ACP-akkoord is dat men niet de hoge EU-prijs krijgt voor bijvoorbeeld suiker.



6.3.3 Veranderingen in het GLB sinds 1992

Met het oog op de WTO-onderhandelingen heeft de EU haar beschermende maatregelen voor een aantal producten sterk verminderd. Dit gebeurde in 1992 tijdens de Mac Sharry-hervormingen, waarbij voor granen en rundvlees de prijsondersteuning voor een groot deel werd afgebouwd. Als compensatie voor het inkomensverlies kreeg men voortaan hectaretoeslagen en dierpremies. Tijdens Agenda 2000 in 1999, werd dit proces nog eens versterkt, en dit keer werd ook de prijsondersteuning voor zuivel verminderd. In beide gevallen bleven de beschermende maatregelen voor suiker grotendeels gehandhaafd. Voor suiker was een reden dat men als telers en verwerkers het gehele suikerbeleid zelf betaalde, en dit dus geen overheidsgeld kostte (zie ook paragraaf 6.6).

In juli van dit jaar kwam Euro-commissaris Fischler met zijn mid-term review waarbij zijn voorstel is om de inkomenstoeslagen voortaan los te koppelen van de productie. Boeren krijgen voortaan een inkomenstoeslag op basis van in het verleden gekregen toeslagen, maar niet meer afhankelijk van het soort product dat men teelt. Wel wordt er boven een drempelbedrag tot 20 % gekort op deze toeslagen. Ook moet men aan bepaalde milieueisen voldoen om voor steun in aanmerking te komen, en krijgen nationale lidstaten en provincies de mogelijkheid om extra geld in te zetten voor natuur- en plattelandsbeleid. De prijsondersteuning werd nog verder verlaagd. Ook blijven exportsubsidies gehandhaafd. Het lijkt er dus op dat men ook tegemoet komt aan maatschappelijke eisen.

Berthelot (2002, p.10) vindt, als reactie op EU-retoriek dat men in de mid-term review tegemoet wil komen aan maatschappelijke eisen, dat de hervormingen in 1992 en 1999 alleen maar tegemoet zijn gekomen aan de druk vanuit de voedselindustrie om de agrarische prijzen te verlagen naar het wereldmarktniveau. Zij zijn de enige winnaars van deze GLB-hervormingen, alle andere belanghebbenden hebben verloren en zullen ook blijven verliezen, als eerste de boeren in de EU. Als de EU-commissie zegt dat ze wil voldoen aan maatschappelijke eisen op de minst handelsverstorende manier, zegt Berthelot dat juist importbescherming het minst handelsverstorend is. Terwijl gesubsidieerde maatregelen als exportsubsidies en inkomens-toeslagen veel meer verstorend zijn, omdat deze maatregelen buiten bereik liggen van de arme landen.

Uit de mid-term review en dit nieuwe verdrag spreekt een duidelijke neoliberale en WTO-coherente benadering. Hoewel bepaalde zaken nog niet zijn afgesproken binnen de WTO of zijn verboden hier binnen, zie je dus wel dat er binnen allerlei nationale en internationale wetgeving en verdragen al rekening wordt gehouden met de WTO en vooral haar sanctiemogelijkheden. Dit wordt ook wel het zogenaamde ‘chilling effect’ genoemd.

Het budget zal naar verwachting door de mid-term review in 2002 niet veranderen qua totaal bedrag. Wel zal er meer geld gaan naar plattelandsontwikkeling en minder naar productbeleid.

Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië en Zweden willen dat het budget wel drastisch wordt verlaagd in verband met de uitbreiding van de EU. Zij vrezen dat de EU-uitgaven bij een gelijkblijvend landbouwbudget bij uitbreiding nog veel verder zullen stijgen.

In de conclusies en aanbevelingen zal ik voorstellen doen, waardoor het budget scherp zal dalen, de boeren een kostendekkende prijs krijgen en tevens kan worden voldaan aan alle maatschappelijke eisen op gebied van natuur, milieu, dierenwelzijn en sociale onderwerpen.


6.3.4 Nadelige effecten van het GLB binnen de EU

In Hoofdstuk 5 ben ik al ingegaan op de milieueffecten van exportlandbouw en geïndustrialiseerde landbouw. Friends of the Earth Europe en Birdlife hebben de negatieve effecten van het GLB op een rij gezet voor het milieu en ook de voorziening van basisbehoeftes. Omdat deze nadelen veelal parallel lopen met mijn eerder genoemde effecten in Hoofdstuk 5 kunt u deze terugvinden in Bijlage 11 (begeleid met commentaar), hier kunt u ook hun aanbevelingen vinden. In deze paragraaf ga ik vooral in op de sociale gevolgen.
Voedselveiligheid

De vrije markt binnen de EU en verschillend nationaal beleid tussen lidstaten over gebruik van bestrijdingsmiddelen hebben er voor gezorgd dat de risico’s voor de volksgezondheid vergroot zijn.

Dit blijkt uit een onderzoek van de Keuringsdienst van Waren in 2000; 45 % van het onderzochte groente en fruit uit Nederland bevat teveel residuen van bestrijdingsmiddelen. Op producten uit de rest van de EU blijkt dit zelfs 70 % te zijn. Op 3,4 % van de Nederlandse en 15 % van de buitenlandse zat meer gif dan de wettelijk toegestane waarde. Hierbij wordt nog geen rekening gehouden met de cumulatie van verschillende bestrijdingsmiddelen. (Milieudefensie p.11, 2002)

Een andere oorzaak van deze misstanden is naar mijn mening de veel te softe aanpak van verwerkende industrie en detailhandel. Op deze overschrijdingen zouden hoge boetes moeten staan, ook zou het aantal keuringen drastisch worden uitgebreid. Zeker als je dit vergelijkt met de harde aanpak van boeren, bij administratieve fouten of kleine fouten die tot hoge stafkortingen leiden op de vergoedingen rond de MKZ-crisis. Voormalig minister van LNV Brinkhorst lijkt te meten met twee maten als hij zegt geen gedoogminister te zijn. Door gebrek aan controle kunnen verwerkende industrie en detailhandel op zoek naar de goedkoopste producten binnen en buiten de EU, waardoor boeren die wel aan hoge kwaliteitseisen moeten voldoen worden weggeconcurreerd via hun hogere kostprijs door deze overigens terechte kwaliteitseisen. Eigen kwaliteitssystemen als het EUREP-GAP-systeem door de Europese detailhandel maken deze oneerlijke concurrentie mede mogelijk. Dit systeem gaat namelijk uit van de ongelijke nationale wetgeving op gebied van milieu en voedselveiligheid. Wanneer de normen voor bijvoorbeeld een bepaalde groente in Spanje lager zijn dan de normen die aan de boeren in Nederland worden opgelegd, mag deze groente uit Spanje toch hier verkocht worden. Met alle bovengenoemde risico’s van dien.

Pesticiden en hormonen die gebruikt worden in de intensieve landbouw worden in verband gebracht met allergieën, onvruchtbaarheid en schade aan de hersenen. Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar het gezamenlijke gebruik van deze middelen voor de gezondheid. Het gebruik van antibiotica in veevoer kan leiden tot immuniteit voor de positieve effecten van antibiotica bij dieren en mensen. (Humphrys in FOE Europe 2002)

Bij de milieuproblemen in Hoofdstuk 5 ben ik al ingegaan op het gebruik van genetisch gemanipuleerd veevoer en de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid. Natuurlijk bestaan deze risico’s ook voor genetisch gemanipuleerd plantaardig voedsel.


Stimulering van overconsumptie

De te grote ecologische voetafdruk (maat voor consumptie) van bewoners in de EU wordt mede via het GLB mogelijk gemaakt. Zo zorgt de invoer van bijvoorbeeld soja als veevoer uit Brazilië en de VS zonder importheffingen, tot milieuvervuiling en ontbossing in dat land. Ook worden er nutriënten onttrokken via dit gewas leidend tot bodemuitputting, de nutriënten die overblijven na de dierlijke productie eindigen in de EU als overbemesting. Ook wordt de eiwitvoorziening van 1 miljoen mensen in 40 ontwikkelingslanden bedreigd door overbevissing, voor veevoer en oliën in de EU. (UNDP in FOE Europe 2002) Zie ook bijlage 5 voor de rol van Nederland in de productie van exportgewassen in ontwikkelingslanden.


Teruggang van het aantal werkenden in de landbouw (in relatie tot de macht van multinationals)

Deze tekst kan niet los gezien worden van de toenemende macht van multinationals die ik in hoofdstuk 5 behandelde en ook verderop in paragraaf 6.5 bij de nadelen van de WTO). Ik begin met het verband er tussen.

Multinationals zorgen volgens Smit (2000, p.21-22) voor een proces van dalende marktprijzen via geforceerde overproductie. Hij legt dit als volgt uit. De vicieuze cirkel begint met de agro-industrie die met nieuwe zaden komt met een hogere productiviteit. Een aantal boeren hapt toe om op de korte termijn erop vooruit te gaan, hierdoor kunnen anderen niet achterblijven. De hierdoor ontstane grotere opbrengsten zorgen voor dalende prijzen. Kleine boeren gaan failliet. Grotere boeren kunnen alleen overleven door nog meer te produceren met minder mensen, dus moeten verder mechaniseren met geleend geld. Dit gebruiken ze ook om de grond van failliete boeren op te kopen. Om de productie te verhogen per hectare worden ook meer kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt. Hierdoor stijgt de opbrengst nog verder, en het genoemde proces herhaalt zich met steeds meer faillissementen.

Andere gewassen bieden geen mogelijkheid, want daar ontstaat op den duur hetzelfde effect. ‘De belangrijkste reden dat boerenverzet niet mogelijk bleek, is dat de agro-bedrijven – waarbij de boeren hun zaad, kunstmest, bestrijdingsmiddelen inkopen en waaraan ze hun producten verkopen en die ook nog eens bemiddelen bij leningen – in afgelopen decennia door fusies en overnames zo machtig zijn geworden, dat de boeren niet meer tegen hen opgewassen zijn. Daar komt nog bij dat boeren zich moeilijk organiseren, omdat de landbouwsector bestaat uit oneindig veel piepkleine, op zichzelf staande bedrijven, eilanden bijna.’ Een gepensioneerd manager van Cargill gaf toe dat boeren geen zeggingskracht hebben over de verkoopprijs. “Zij zijn ook niet in staat te onderhandelen over de doorberekening van hun onkosten aan de consument.” (..) “Er zijn 300.000 tarweboeren in de VS, en op geen enkele manier zou een individuele boer zich soepel kunnen aanpassen aan een veranderende vraag en aanbod. (..) Vergelijk dat eens met de concentratie in de meel-sector, die de tarwe opkoopt.” Mock president-directeur van Cargill Nederland gaf dan ook toe: “Wij moeten er alles aan doen om onze grondstoffen zo goedkoop mogelijk in te kopen.” Door verdergaande overnames binnen de internationale graanhandel worden boeren tot contractarbeiders. (Smit, 2000, p.22)


In de afgelopen 25 jaar is het aantal mensen dat werkzaam is in de landbouw in de EU gedaald van 13 miljoen naar 7 miljoen. In landen als Italië, Spanje en Griekenland is de rurale bevolking die actief is in de landbouw gereduceerd met 80 % sinds de jaren 50. In Spanje zijn bijvoorbeeld 1131 dorpen verdwenen sinds die tijd. Door deze achteruitgang daalt ook het serviceniveau op het platteland. (FOE Europe, 2002)

Eén van de doelstellingen van het GLB was juist het verzekeren van een levensstandaard van de landbouwbevolking. Uit cijfers blijkt dat ook binnen de lidstaten die later zijn toegetreden tot de EU het aantal boeren sterk terugloopt. Zo is in de zes jaar dat Finland lid is van de EU, de helft van het aantal boerderijen verdwenen. In Portugal legde in tien jaar tijd na toetreding tweederde van de melkveebedrijven het loodje. (Berichten Buitenland LNV oktober 2001, in Smit maart 2002)

Verder gaat 80 % van de subsidies naar 20 % van de boeren, waardoor het proces van een teruglopende in de landbouw actieve rurale bevolking wordt versneld. (Birdlife)

Berthelot (2002, p.2) noemt het GLB sinds de liberaliseringsmaatregelen in 1992 en 1999, de ‘Common Agribusiness Policy’ in plaats van de ‘Common Agricultural Policy’. Dit omdat de boeren gedwongen zijn onder de kostprijs te produceren, als gevolg van de lobby van de Europese voedselindustrie. Het doel van hun inspanningen is de steun aan de landbouw en de bescherming van de landbouw op wereldschaal te verminderen, om zo basisproducten te kunnen kopen tegen wereldmarktprijs.

In deze situatie is het natuurlijk niet vreemd dat meer en meer boeren de concurrentieslag verliezen. Dit heeft ook grote nadelige gevolgen voor de plattelandseconomie, want in de VS ging iedere boeren-dollar viermaal rond in de lokale economie. (Smit, 2000, p.21)

In bijlage 7 ga ik verder in op de desastreuze effecten van het NAFTA (vrijhandels)verdrag tussen de VS, Mexico en Canada voor met name de boeren in Mexico. Ook de consumenten verloren hier, door een hogere voedselprijs. De winnaars waren weer de multinationals.


6.3.5 De relatie tussen GLB en de EU-uitbreiding

Het ziet er naar uit dat dit jaar een beslissing wordt genomen over toekomstige EU-uitbreiding. Doordat bepaalde landen (waaronder Nederland) niet willen dat het budget verder stijgt, willen zij dat eerst het GLB wordt gewijzigd voordat deze nieuwe landen kunnen toetreden. De bevolking in deze nieuwe lidstaten staat echter niet geheel positief ten opzichte van toetreding. Vooral boeren zijn bang dat ze massaal hun bedrijf verliezen, wanneer zij niet dezelfde inkomenssteun en bescherming krijgen als de oorspronkelijke EU-lidstaten.

Zoals in paragraaf 6.3.4 gezien is dit risico op het verliezen van het bedrijf zeer groot. Vooral de twee miljoen kleine boeren in Polen, dat nooit gecollectiviseerd is, lopen grote risico’s te moeten stoppen. De verwachtingen zijn dat 1,2 miljoen boeren zullen verdwijnen. (FOEI, 2001, p.7) Omdat hier een grote werkloosheid (18 %) is zou dit zeer slecht kunnen uitpakken voor de Poolse economie. Ook zou hiermee de natuur- en landschapsvriendelijke kleinschalige landbouw kunnen worden vervangen door grootschalige landbouw die zo kenmerkend is voor West-Europa sinds het GLB in de jaren ’50 werd ontwikkeld. Juist het foute alleen op de productie gerichte beleid waar we nu de wrange vruchten van plukken en willen herstellen in West-Europa, zouden we dan exporteren naar Oost-Europa. Dat zal zeker gebeuren als zij geen vergelijkbare subsidies krijgen voor deze natuur- en landschapsdiensten of voor een milieuvriendelijke landbouw. Het risico hierop is groot omdat men tot 2008 alleen productiegerelateerde EU-subsidies wil verstrekken via ‘de eerste pijler’. (ICPPC, 2002)

Ook stribbelen de Poolse regering en het parlement openlijk tegen nu de Europese Unie eist haar grenzen te openen voor westerse boeren. Doordat deze veel meer kunnen betalen voor de grond zal dit ten koste gaan van de kleine boeren. Zo eist Polen van de Europese Unie een overgangstermijn van 18 jaar voordat buitenlandse boeren en bedrijven in Polen landbouwgrond kunnen kopen. De EU hanteert echter 7 jaar als standaardnorm.

Daarnaast zijn parlementariërs in Polen bezig Cargill te dwarsbomen bij haar plannen fructose te gaan produceren in Polen. Hiermee wil men voorkomen dat eigen bietentelers worden weggeconcurreerd. De Nederlandse ambassade in Warschau waarschuwt: “Dit is een signaal dat buitenlandse ondernemers moeten oppassen met investeringen in Polen”. (Berichten Buitenland van LNV- december 2001 in Smit maart 2002) Hieruit blijkt vooral de belangen voor investerende bedrijven relevant zijn voor de Nederlandse overheid. Eventuele sociaal economische problemen voor de Poolse (landbouw)bevolking zijn minder van belang.
6.3.6 Nadelige gevolgen voor ontwikkelingslanden van het GLB

Momenteel is er veel kritiek op het GLB, die ik deels terecht vind zoals zo dadelijk zal blijken. De volgende zaken spelen nu.


Exportsubsidies en verkapte dumping via inkomenstoeslagen

Aan het GLB zijn nadelen verbonden voor ontwikkelingslanden (zie ook §5.2.5). Zo worden er met behulp van exportsubsidies overschotten gedumpt in ontwikkelingslanden, waardoor lokale bedrijvigheid en kleine boeren weggeconcurreerd worden en de voedselzekerheid in gevaar komt. Ook maakt de Europese Commissie oneigenlijk gebruik van het argument dat het grootste gedeelte van de export bewerkte producten met hoge toegevoegde waarde betreft. Dit zouden niet de producten zijn waarmee geconcurreerd wordt binnen ontwikkelingslanden. Uit cijfers (2000) blijkt echter dat 63 % van de export granen, suiker, vlees en zuivel betreft, deze komen vooral in de MOL’s terecht. De overige 37 % bevat wel bewerkte producten (inclusief alcohol) die hoofdzakelijk naar andere ontwikkelde landen gaan en de ontwikkelingslanden met hogere inkomens. (Berthelot, 2002, p.3)

Concurrentie op gebied van de landbouw is extra schadelijk voor de economie omdat in bijvoorbeeld 1996 de waarde van de landbouw in lage inkomenslanden 34 % van het BNP was (EU 5,3 %), terwijl 69 % van de werkzame bevolking in deze landen binnen de landbouw werkzaam is (EU, 1,7 %). (Eurostep 2 in Sustain 2)

Dumping leidt daarnaast tot lagere wereldmarktprijzen, vooral ook bij suiker. Hierdoor kunnen de ontwikkelingslanden niet concurreren op de wereldmarkt. Als gevolg hiervan dalen de winsten van boeren dramatisch, en wordt men gedwongen tegen lagere kosten te produceren of gaat men failliet. Dit kan leiden tot milieuvervuiling, kinderarbeid en slechte arbeidsomstandigheden. (Sustain 2 p.4-5) Ook heeft men te weinig geld om te investeren in een duurzaam landgebruik, waardoor de voedselzekerheid op korte en lange termijn in gevaar komt. Ook de lokale verwerkende industrie komt hierdoor in de problemen, met werkloosheid tot gevolg.

Voorbeelden zijn:


  • exportsubsidies voor zuivel die de markten in Jamaica en India negatief beïnvloedden, hetzelfde gebeurde met rundvlees in West-Afrika;

  • de exportprijzen voor tarwe uit de EU en de VS zijn respectievelijk 34 en 46 % lager dan de kostprijs voor productie;

  • witte suiker uit de EU wordt geëxporteerd voor 25 % van de kostprijs, en melkpoeder voor 50 % van de kostprijs; (Oxfam, in FOE Europe, 2002)

  • EU exportsubsidies hebben geleid tot de teloorgang van de tomaten inblikindustrie in Senegal, ook kunnen de tomatentelers hun producten niet meer kwijt.

De EU beschouwt de dumping van goedkope elektrische artikelen en textiel in de EU als oneerlijke concurrentie. Hiervoor zijn binnen de WTO anti-dumpingmaatregelen opgenomen, deze gelden echter niet voor landbouwproducten. Juist deze gesubsidieerde export van landbouwproducten beschouwt de EU namelijk niet als dumping. (Sustain 2, p.5) Hiermee wordt weer eens duidelijk wie de macht heeft binnen de WTO. Alles wat gunstig is voor de EU en de VS (lees hun multinationals) moet worden geliberaliseerd binnen de WTO, alles wat ongunstig is moet worden beschermd.

Door de WTO is het percentage van het GLB-budget voor exportsubsidies gedaald van 33 % (10 miljard Euro) in 1991, naar 14 % (5,5 miljard Euro) in 1999. Toch zorgen de inkomenstoeslagen (in de vorm van hectaretoeslagen en dierpremies) die in de plaats kwamen voor de lagere prijzen (waardoor het verschil met de wereldmarktprijs lager werd, en er dus minder exportsubsidies nodig zijn) voor een verkapte dumping. Deze toeslagen geven de boeren binnen de EU namelijk een kunstmatig voordeel ten opzichte van andere boeren. (FOE Europe, interview de Koeijer, bijlage 13). Deze verkapte dumping is echter wel toegestaan door de WTO, evenals de instrumenten van de VS die ik zo dadelijk behandel. Berthelot (2002, p.7) vindt de nadelen zelfs nog groter dan bij exportsubsidies, omdat nu niet meer transparant is in hoeverre de EU en de VS (die ook ruime inkomenstoeslagen geeft aan haar boeren) via oneigenlijke concurrentie boeren in ontwikkelingslanden benadelen. Hierdoor wordt het ook moeilijker voor deze landen om anti-dumpingsmaatregelen te treffen.
Vergelijkbare instrumenten door de VS en andere landen

Ook de VS geeft haar boeren steun via inkomenstoeslagen, inkomensverzekeringen die uitkeren bij slechte jaren, exportkredieten en via noodhulpprogramma’s. In 2002 is door de nieuwe Farmbill van de regering Bush de steun aan boeren nog enorm toegenomen. De gevolgen zijn dat in Centraal-Amerika sinds in 1992 een intra-regionaal vrijhandelsverdrag werd gesloten, vele duizenden boeren hun bedrijf hebben verlaten, doordat men werd weggeconcurreerd door gesubsidieerde maïs uit de VS. Zij komen terecht in de Free Export Zones onder zeer slechte werkomstandigheden en lonen, of proberen te vluchten naar de VS. (Los Angeles Times, 2002)

Zowel de EU als de VS willen voorlopig te weinig de op de export gerichte landbouw aanpakken, via een quotering op basis van de eigen behoefte. Een voorbeeld van oneigenlijke noodhulp in Zambia: Volgens schattingen van het Wereld Voedsel Programma en de FAO moet op de wereldvoedselmarkt zo’n 1,2 miljoen ton voedsel worden opgekocht om 13 miljoen mensen in Centraal Afrika van de hongersnood te redden. Dit moet op een zo goedkope mogelijkheid gebeuren door een gebrek aan budget voor noodhulp vanuit de donorlanden. Bij prijsvergelijking blijkt dat de goedkoopste maïs uit Canada en de VS komt, namelijk $90 per ton voor genetisch gemanipuleerde maïs. Vervoerskosten zijn $100 per ton. Dit totaalbedrag van $190 per ton is nog altijd goedkoper dan de $260 per ton, die maïs via de dichtstbijzijnde markt (Zuid-Afrika) kost. Zambia heeft door dit prijsverschil haar verbod op de import van gentech-maïs moeten opheffen. Het grote prijsverschil tussen de VS en Canada, en Zuid-Afrika wordt veroorzaakt door de inkomenssteun die deze landen ontvangen boven op hun te lage productprijs. (e-maillijst van www.denieuweomroep.nl, juli 2002).

Binnen Cairns-landen worden volgens Genee van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, export marketing boards gebruikt ter bevordering van de exporten.


Gebrekkige markttoegang en tariefescalatie

Dit is het grote discussiepunt die als een rode draad door mijn scriptie loopt (zie ook §3.6). Door dit als een nadeel van het GLB te beschouwen impliceert dat ontwikkelingslanden of beter gezegd de bevolking in ontwikkelingslanden arm worden gehouden, doordat wij onze boeren beschermen. Maarsingh (zie bijlage 13) noemde me een voorbeeld van de Nederlandse tabaksindustrie die profiteert van de hectaretoeslagen van de EU aan Zuid-Europese telers van f 10 tot 12.000 per hectare. Hierdoor wordt inferieure tabak verwerkt, die door deze hectaretoeslagen tegen lage prijzen te verkrijgen is. (interview Maarsingh) Een beter alternatief zou inderdaad zijn om kwalitatief goede tabak uit ontwikkelingslanden toe te laten, mits deze milieuvriendelijk en sociaal acceptabel geteeld wordt, tegen een kostendekkende prijs, en de voedselzekerheid niet in gevaar komt. In Hoofdstuk 5 heb ik echter ook behandeld hoe desastreus de tabaksteelt voor bossen kan zijn.

Via Campesina (de grootste mondiale boerenorganisatie van kleine gezinsbedrijven) en ROPPA (een netwerk van West-Afrikaanse boeren) vinden dat de verbeterde markttoegang via het EBA-verdrag het tegenovergestelde van een oplossing is voor MOL’s. Het is eerder opgesteld om export van de EU naar MOL’s te rechtvaardigen, dan andersom. ‘In MOL’s is de eerste prioriteit van boeren is om te produceren voor hun gezinnen, hierna om toegang te krijgen op de nationale markt, voordat men op zoek gaat naar exportmogelijkheden. Het EU-besluit zal alleen maar de winsten van grote bedrijven verbeteren, die de hulpbronnen en arbeidskrachten in MOL’s gebruiken, om exportgewassen te telen voor de EU-markt. Hierdoor verminderen de hulpbronnen en arbeidskracht die nodig is voor de productie van voedsel voor de rurale en urbane bevolking, terwijl de voedselonzekerheid vergroot wordt. De boeren van Via Campesina en ROPPA willen het recht terug van landen of groepen landen in het Zuiden en in het Noorden om hun landbouw en markt te mogen beschermen, om in staat te zijn een eerlijke beloning te krijgen voor hun arbeid en landbouwproducten afkomstig van gezinsbedrijven.’ (Berthelot, 2002, p.3)
6.3.7 GLB in de toekomst

Bepalend voor toekomstige hervormingen binnen het GLB zijn samenvattend:



  • De uitkomsten van een maatschappelijke discussie tussen belangengroepen, politici, boeren en de handel en industrie. Zolang deze laatste de meeste politici en belangengroepen blijven overtuigen van de noodzaak tot verdere (groene) liberalisering en gerichtheid op export, zullen een meerderheid van boeren en consumenten, vooral mensen in ontwikkelingslanden, en het milieu en biodiversiteit, de dupe blijven en worden. Dit alles ten koste van een minderheid aan multinationals en grootschalige landbouwbedrijven.

  • Het Agreement on Agriculture binnen de WTO (zie §6.4), en het lef om in te zetten op een drastische hervorming hiervan.

  • Het beschikbare landbouwbudget, en het gebruik maken van de mogelijkheid dit te verminderen terwijl toch aan alle maatschappelijke eisen wordt voldaan. (Zie aanbevelingen).

  • De uitgaven die nodig worden geacht voor de EU-uitbreiding, en de bereidheid deze boeren als gelijkwaardig te beschouwen.

  • De ontwikkeling van de landbouwproductie in Midden- en Oost-Europa; herhalen we dezelfde fouten als in West-Europa of niet?

  • Bij de huidige stand van zaken is ook de hoogte van de wereldmarktprijzen van belang; hoe hoger deze zijn hoe minder EU-budget er nodig is voor exportsubsidies, en is de noodzaak voor hervormingen dus kleiner.

  • Eventuele toekomstige veeziekten, voedselschandalen, maar vooral de gevolgen van het broeikaseffect. Dit broeikaseffect zal naar verwachting vooral buiten de EU door droogtes en overstromingen tot een dalende landbouwproductie leiden, maar ook binnen de EU kunnen problemen met de voedselzekerheid ontstaan. Ik verwacht dat juist deze natuurrampen binnen het komende decennium tot een drastische hervorming van het internationaal (landbouw- en milieu)beleid zullen leiden.

  • Bindende regelgeving binnen de VN op gebied van milieu en sociale zaken; misschien komt het er deze eeuw nog van. (Zie ook het vorige punt.)

Binnen het gangbare denken zal vooral de discussie over het landbouwbudget in relatie tot de EU-uitbreiding bepalend zijn. Het WTO-verdrag wordt als een voldongen feit gezien, er zijn zelfs aanwijzingen dat landbouw door de Europese Commissie als ruilmiddel wordt gezien om de liberalisering van diensten te versnellen. Op termijn zullen dan de exportsubsidies wel worden afgeschaft, en blijft productiebeheersing ook tot de mogelijkheden behoren. Het ziet er behalve bij suiker en zuivel niet naar uit dat een kostendekkende prijs kan worden verkregen voor de huidige marktordeningsproducten. Dit betekent dat ook de importtarieven niet meer zullen worden verhoogd, wel zal men proberen de non-tarifaire normen op de WTO-agenda te krijgen. Quota voor ontwikkelingslanden zullen meer en meer onmogelijk worden gemaakt door de WTO. Daarbij zal er een gevecht blijven bestaan tussen de exporterende ontwikkelde en ontwikkelingslanden (lees de multinationals in deze landen) om de toegang tot nieuwe markten.

De mogelijkheden tot directe inkomenssteun zullen blijven bestaan binnen de WTO, hoewel hiermee zoals gezegd ook een verkapte dumping mee plaatsvindt. Uit de mid-term review van EU-commissaris Fischler, blijkt tenslotte nog eens hoe bepalend te WTO is voor het GLB. In de volgende paragraaf zal ik verder ingaan op de WTO en de verdragen die betrekking hebben op landbouw.

1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

  • 6.2 De relatie tussen EU- en WTO beleid
  • 6.3 Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) binnen de EU

  • Dovnload 4.64 Mb.