Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina18/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24

6.4 De WTO, de Agreement on Agriculture en het TRIPs-verdrag



6.4.1 Historie en inhoud

De WTO werd opgericht in 1994, als opvolger van het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Het GATT bestaat sinds 1948 en probeerde sinds zijn oprichting handelsbelemmeringen tussen landen weg te nemen. Dit betreft tarifaire barrières als import- en exportheffingen, exportsubsidies, en non-tarifaire handelsbarrières als importquota en milieu- en sociale normen. Na het mislukken van de WTO-onderhandelingen in Seatle in 1999, werd er in november 2001 een conferentie in Doha in Qatar gehouden. Hier werd een nieuwe onderhandelingsagenda opgesteld, die in de komende jaren tot een verdere liberalisering van de wereldhandel moet leiden. In 2003 zal de volgende conferentie in Mexico gehouden worden.

De oprichting van de WTO was zelf het product van de laatste onderhandelingsonde, de Uruguay-ronde (1988-1994). De WTO beheert tientallen akkoorden, waarin handelsafspraken die de lidstaten met elkaar zijn overeengekomen. De belangrijkste afspraken zijn:


  • ‘non-discriminatie’ bestaande uit:

  • ‘most-favored nation’: geen onderscheid maken tussen de lidstaten wat betreft handelsvoordelen;

  • ‘national treatment’: geen onderscheid maken tussen binnenlandse en buitenlandse producten wanneer deze zijn geïmporteerd; (Mol, 2001, p.146)

  • de belofte om steeds meer markten te openen voor elkaars bedrijven.

Het aantal deelnemende landen is tussen 1948 en 2002 gestegen van 23 naar 140. Geleidelijk aan is het aantal terreinen waarvoor de GATT en later de WTO bevoegdheid kreeg, steeds verder uitgebreid. Sinds 1994 zijn de handel in landbouwproducten, diensten, investeringen, overheidsaankopen en intellectuele eigendomsrechten in de onderhandelingen binnen de WTO opgenomen. De WTO stimuleert vrijhandel op al die terreinen en lost handelsconflicten tussen lidstaten op, ze is een soort mondiale handelsscheidsrechter. Wanneer een land vindt dat een ander land zich niet aan een WTO-verdrag houdt, kan de regering het conflict voorleggen aan een WTO-panel. Als het panel oordeelt dat het land in strijd handelt meet een verdrag van de WTO, kan de WTO het aangeklaagde land dwingen om het beleid te veranderen. Doet het dit niet, dan kan de WTO economische sancties toestaan in de vorm van tariefheffingen op de exporten van het land dat in overtreding is. Met name dit WTO-panel wat niet democratisch gekozen is, zorgt voor de krachtige invloed van de WTO-verdragen in het mondiale beleid op alle gebieden.

Op het WTO-secretariaat in Genève wordt dagelijks onderhandeld door diplomaten van de lidstaten. Om belangrijke knopen door te hakken komen de handelsministers van de lidstaten eens in de twee jaar bij elkaar op ministeriële conferenties, zoals in 1999 in Seatle en in 2001 in Doha. Binnen Nederland is de staatssecretaris voor Internationale handel binnen het ministerie van EZ verantwoordelijk. Binnen de WTO worden de onderhandelingen via de EU-lidstaten echter formeel gevoerd door de EU-commissaris voor handel. Tijdens de ministeriële conferenties van de WTO worden belangrijke beslissingen genomen over bijvoorbeeld nieuwe terreinen, en verdere liberalisering op al bestaande terreinen. In Seatle lukte het niet om een nieuwe onderhandelingsronde te starten, dit lukte wel in Doha.

(Milieudefensie en FOE Europa, 2001 en BBO, 2002)
6.4.2 Het Agreement on Agriculture

Tot voor het afsluiten van de Uruguay-ronde bestonden voor landbouw nauwelijks dwingende regels voor internationale handel. Landen waren niet bereid zich vast te leggen op maximale invoertarieven, en het geven van exportsubsidies was onbeperkt mogelijk. Het Agreement on Agriculture binnen de GATT (beginjaar 1995) maakte daaraan een einde en bestond uit de volgende maatregelen:



  • markttoegang: alle (variabele) invoerbeperkingen zijn omgezet in vaste tarieven. Deze laatste worden in zes jaar met 36 % verminderd in ontwikkelde landen. Ontwikkelingslanden krijgen 10 jaar de tijd om hun tarieven met 24% te verminderen.

  • exportsteun: exportsubsidies moeten qua budget in zes jaar met 36% worden verminderd in de ontwikkelde landen. Het volume van de gesubsidieerde export dient in zes jaar met 21% af te nemen in dezelfde groep landen. Ontwikkelingslanden krijgen 10 jaar de tijd om hun exportsteun met 24% te verminderen. .

  • interne steun: het totale steunbudget voor de landbouw moet met uitzondering van de toegestane vormen van beleid in zes jaar met 20% verminderen in ontwikkelde landen. Voor ontwikkelingslanden geldt 13% in 10 jaar tijd.

De minst ontwikkelde landen (MOL’s) hoeven hun tarieven of subsidies niet te verminderen. (www.handelskansenvoorarmen.nl) Zoals in Hoofdstuk 4 behandeld zijn vooral de importheffingen van deze MOL’s wel verminderd onder invloed van de SAP’s van de Wereldbank en IMF. Ook door toekomstige onderhandelingen waarbij meer markttoegang tot het Noorden kan worden verworven, zouden omgekeerd deze importtarieven van de ontwikkelingslanden verder verlaagd kunnen worden. Ook binnen het Cotonou-akkoord is tot nu toe geregeld dat de EU-lidstaten op termijn toegang krijgen tot de ACP-landen. Dit maakt weer duidelijk dat ontwikkelingslanden via verschillende organisaties tegelijkertijd worden aangespoord hun beschermende maatregelen voor landbouw op te geven, ook al is dit niet direct binnen de WTO geregeld.
Door de WTO-maatregelen kan de EU geen marktbeheer onafhankelijk van de wereldmarkt meer uitvoeren, en wordt er een maximum gesteld aan de mate waarin de interne prijs van de wereldmarktprijs kan afwijken. Deze afspraken hadden ook tot gevolg dat in het geval van bilaterale handelsverdragen tussen de EU en derde landen, de landbouw steeds vaker aan vrijhandelsafspraken moet meedoen. In het vervolg kunnen hervormingen van het GLB alleen nog maar plaatsvinden binnen de gemaakte afspraken binnen de GATT, de voorloper van de huidige WTO.

Er is ook een verschuiving op getreden van non-tarifaire maatregelen naar tarifaire maatregelen. De bedoeling van de WTO is dat non-tarifaire maatregelen als importquota, kwaliteits-standaarden en anti-dumpingsmaatregelen (om dumping onder de kostprijs te voorkomen) moeten eerst worden omgezet in tarifaire maatregelen (importtarieven), vervolgens moeten deze tarieven worden verlaagd binnen bepaalde termijn.


Boxen en steun

In het Agreement on Agriculture binnen de WTO zijn drie categorieën van interne steun te onderscheiden: de gele, blauwe en groen box. Afhankelijk van de indeling van de steunmaatregelen in deze boxen, zijn deze al dan niet toegestaan door de WTO. Deze indeling is vooral tot stand gekomen in overleg tussen de EU en de VS, waardoor hun exportbelangen (voorlopig) gegarandeerd bleven via vooral de toegestane inkomenstoeslagen in de blauwe box.



  • Gele box

Hieronder vallen vormen van steun die geheel productie gerelateerd zijn, en als handelsverstorend worden aangemerkt, en dus op termijn moeten worden afgeschaft. Hiertoe behoren prijsondersteuning en importquota. Deze moeten door de geïndustrialiseerde landen in zes jaar tijd met 20% worden verminderd.

  • Blauwe box

Hieronder vallen vormen van steun die weliswaar niet geheel ontkoppeld zijn van de productie (volume en/of type van productie), maar vooralsnog wel zijn toegestaan door de WTO. Onder voorwaarde van productiebeperking (zoals verplichte braaklegging) of koppeling aan vaste referentie, hoeft deze steun dus niet worden verminderd. Voorbeelden van deze inkomenstoeslagen zijn de hectaretoeslagen voor akkerbouwproducten en dierpremies voor rundvee, die in de plaats kwamen voor directe prijsondersteuning bij de MacSharry-hervormingen in 1992. Er wordt nog onderhandeld binnen de WTO om eventueel de blauwe box steun ook af te bouwen. Door deze steun wordt namelijk nog steeds overproductie gestimuleerd, en dus exportgerichtheid en dumping in met name ontwikkelingslanden.

  • Groene box

Hieronder vallen steunmaatregelen die geen of slechts minimale handelsverstorende effecten hebben op het type of het volume van de productie. Hiertoe behoren onder andere algemene diensten voor de landbouw of het platteland, ontkoppelde inkomenssteun, inkomensverzekeringen, opkoopregelingen, landbouwmilieuprogramma’s, regionale steunprogramma’s, het aanleggen en instandhouden van voorraden in verband met voedselzekerheid, binnenlandse voedselhulp, vergoedingen voor natuurrampen. De criteria die voor deze steun gelden zijn:

  • Het recht op zulke betalingen moet van overheidswege worden bepaald in een duidelijk gedefinieerd milieuprogramma of beschermingsprogramma, en is afhankelijk van de uitvoering van specifieke voorwaarden in het overheidsprogramma, inclusief voorwaarden gerelateerd aan productiemethoden of inputs.

  • Het betalingsniveau moet beperkt zijn tot de extra kosten of het verlies aan inkomen dat gepaard gaat met de uitvoering in overeenstemming met het overheidsprogramma.

Voor landbouwmilieuprogramma’s geldt als enige van deze genoemde maatregelen dat deze niet ontkoppeld hoeft te zijn van het type of het volume van de productie. (CLM 2, 2001)

6.4.3 Het TRIPs-akkoord

Het Trade-Related Intellectual Property-akkoord binnen de WTO regelt de mogelijkheid tot het plaatsen van patenten op levend materiaal. De landbouw heeft hier vooral mee te maken, omdat de zaadindustrie hier gebruik van maakt. Er zijn heftige protesten vanuit ontwikkelingslanden op dit verdrag, omdat zij noordelijke multinationals ervan beschuldigen hun genetisch materiaal eerst te stelen, en vervolgens een prijs te vragen voor zaad wat de boeren voorheen zelf vermeerderden en dus gratis ter beschikking hadden. Volgens Shiva (2001) komt hierdoor de voedselzekerheid in gevaar.

Joep Hardon, directeur van de Nederlandse genenbank in Wageningen ziet grote problemen tussen de afspraken die in verschillende internationale fora zijn gemaakt, zoals de Wereldvoedselorganisatie (FAO), de WTO en de Conventie over Biologische Diversiteit (CBD) van de VN. De FAO beschouwt de genetische bronnen als een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid. In de CBD staat nationale soevereiniteit voorop. De WTO geeft met TRIPs het primaat aan de industrie. “Patenten zijn voor de grote industrie, terwijl in de praktijk de zaden en dergelijke door de boeren worden vermeerderd en verspreid. De traditionele landbouw drijft op biodiversiteit en de toegang daartoe, in tegenstelling dot de moderne landbouw waar de omgeving is aangepast aan het gewas en men het moet hebben van patenten. De FAO-regelingen gaan over toegang tot genetische bronnen, terwijl die van de WTO en CBD vooral gaan over handel in en opbrengsten van die genetische bronnen.” (in Evenblij, 2001, p.5)

De ontwikkeling van genetisch gemanipuleerd zaaizaad zal door de patenten hierop, door dit TRIPs-akkoord ook verder worden gestimuleerd. Er is zelfs sprake van genetisch gemanipuleerde gewassen met een terminator-gen, dat ervoor zorgt dat boeren het geoogste (onvruchtbare) zaad niet meer kunnen gebruiken voor een volgende teelt.

Ook vormt het TRIPs-akkoord volgens Joji Cariño (vertegenwoordigster van inheemse volkeren in de Filippijnen) ‘een grote bedreiging voor de culturele integriteit en rechten van inheemse volken, inclusief de territoriale rechten en rechten op natuurlijke bestaansbronnen. De bedoeling van intellectueel eigendomsrecht is door de overheid ondersteunde monopolies te creëren over kennis, kennisvorming, productieprocessen, producten, etc. Deze zouden zonder overheidsbescherming nooit gemonopoliseerd kunnen worden. De toepassing van intellectuele eigendomsrechten, die ‘bescherming’ bieden aan individuele eigenaars over een bepaalde tijdspanne, is bedoeld om de verspreiding van kennis te bevorderen door verkoop en licenties. Onder een dergelijk regime is er een reëel gevaar voor misbruik, onteigening en uitbuiting van zogenaamd inheems intellectueel eigendom. Zoals dr. Erica Daes opmerkte: “Het onderwerpen van inheemse volken aan bestaande intellectuele eigendomswetgeving zal hetzelfde effect hebben op hun identiteit als de individualisering van landeigendom in veel landen heeft gehad – dat is het opdelen ervan in kleine stukjes en het verkopen ervan, tot er niets meer over is.” (…) In tegenstelling tot opvattingen binnen de westerse rechtspraak, kan inheems cultureel erfgoed niet het eigendom zijn van een individu, net zoals het niet onteigend, weggegeven of verkocht kan worden op onvoorwaardelijke basis. Het culturele erfgoed van inheemse volken is zowel een collectief als individueel recht, en als zodanig wordt de verantwoordelijkheid voor het gebruik en beheer ervan volgens inheems recht en tradities door de hele gemeenschap gedragen.’(NCIV, 2002, p.13)

Deze visie staat lijnrecht tegenover de neoliberale visie (§3.4.1) en het daaruit volgende beleid van de Wereldbank en het IMF (§4.3).


6.4.4 Codex Alimentarius en SPS-akkoord

De Codex Alimentarius (Voedingsmiddelenwet) is in 1962 opgericht door twee VN-organisaties, de FAO (Food and Agricultural Organisation) en de WHO (World Health Organisation). 98% van de wereldbevolking is binnen deze regelgeving vertegenwoordigd door haar lidstaten. Het doel van de Codex is de volksgezondheid te beschermen en de eerlijkheid in de handel in voedselproducten te bevorderen. Dit doet zij via wereldwijde normen aan voedsel en voedselveiligheidswetten te uniformeren. Door het groot aantal leden van 165, is de besluitvorming echter traag.

Bij het beslechten van handelsgeschillen binnen de WTO wordt de Codex als maatstaf gebruikt. ‘Het SPS-akkoord (Agreement on Sanitary and Phytosanitary Measures) dat binnen de WTO tot stand is gekomen, omvat alle voedselveiligheidskwesties en verwijst daarbij naar de Codex-normen.’ (www.minlnv.nl )

Het SPS-akkoord ‘erkent het recht van regeringen om invoerbeperkende maatregelen te nemen ter bescherming van de volksgezondheid (sanitaire en fytosanitaire maatregelen). Het is regeringen uitdrukkelijk verboden om voor verschillende landen verschillende maatregelen te gebruiken.’ In de discussie rond de liberalisering in de landbouw wordt nog al eens het argument gebruikt dat de EU het SPS-akkoord zou misbruiken om haar grenzen gesloten te houden. De vraag wordt dan gesteld of er eventueel niet een aparte lagere standaard zou kunnen gelden voor producten uit ontwikkelingslanden, zodat zij ook toegang krijgen tot onze markt. Als oplossing van dit probleem is nu de overeenstemming dat er één standaard moet gelden maar dat het Westen aan capaciteitsontwikkeling moet doen in ontwikkelingslanden, zodat zij wel aan deze norm kunnen voldoen. Andere ‘oplossingen’ zijn dat multinationals als Unilever rechtstreeks haar normen oplegt aan telers in ontwikkelingslanden, of het afsluiten van contracten van de verwerkende industrie en detailhandel rechtstreeks met boeren in ontwikkelingslanden, waarbij men technische assistentie verleent om aan de hogere normen te kunnen voldoen. (IS, oktober 2001.p.38-40) (zie verder 6.4.5)

Shiva constateert dat binnen dit verdrag gevaarlijk voedsel als genetisch gemanipuleerde producten worden bevoordeeld boven inheemse producten. Zij vindt dat elk land zijn eigen voedselveiligheidscriteria moet kunnen opstellen. (Shiva,2001)
6.4.5 Non-trade concerns

Tot de non-trade concerns die sinds 1999 op de agenda van de WTO-onderhandelingen zijn geplaatst behoren milieu, voedselveiligheid en arbeidsomstandigheden.

Ook zijn onder de naam ‘multifunctionaliteit’ zaken door de EU, Japan, Zuid-Korea, Noorwegen en Zwitserland, op de WTO-agenda gezet als het belang van landbouw voor nationale voedselzekerheid, milieu, landschap en rurale gemeenschappen. (Koning, 2001, p.9). De vraag is hierbij of landen deze non-trade concerns mogen gebruiken om producten uit andere landen tegen te houden, er is nu al veel protest vanuit de Cairns-landen die waarschuwen voor oneigenlijke protectie. Tot nu toe zijn de mogelijkheden dan ook zeer beperkt.

Een voorbeeld is de hormoonvlees kwestie. Een WTO-panel heeft besloten dat de EU geen vlees van met hormonen behandeld rundvee in de VS mag tegenhouden. Omdat de EU dit vanwege het gezondheidsrisico dit hormoonvlees toch niet toelaat, mag de VS de EU financiële handelssancties opleggen. Het argument van de WTO is dat niet bewezen is dat hormoonvlees schadelijk voor de volksgezondheid is.

Voor dit onderzoek zijn vooral het recht op voedselzekerheid en het milieu van belang, tot nu toe mogen deze beide niet als argument gelden om producten uit andere landen van de markt te weren. Mol (2001, p.147) haalt Esty aan die zegt dat binnen de WTO commerciële voordelen boven milieuwetgeving gaan, en landen met weinig milieuwetgeving (free riders) een comparatief voordeel hebben, boven landen met veel milieuwetgeving. Een breed gedragen gedachte binnen ontwikkelingsorganisaties en politieke partijen als bijvoorbeeld de PvdA is, dat de EU deze non-trade concerns misbruikt als verkapt protectiemiddel. Hierdoor worden volgens hen de belangen van ontwikkelingslanden geschaad, om te kunnen exporteren naar een koopkrachtige markt in westen. Ook Unilever sluit zich dankbaar voor deze steun uit onverwachte hoek, aan bij deze visie. Duidelijk mag echter zijn dat hierbij een botsing van belangen optreedt (zie ook §3.6).

Als voedselzekerheid ook zou worden geaccepteerd als non-trade concern zou dit betekenen, dat landen importen van landbouwproducten die onder de in dit land geldende kostprijs worden aangeboden, of die kwalitatief niet voldoen aan voedselveiligheidseisen mogen weren.

Hiermee gaat het recht op voedselsoevereiniteit gelden, het recht van een land of blok van landen (bijvoorbeeld de EU) om indien de natuurlijke omstandigheden dit toelaten zijn eigen voedsel te verbouwen.

Het milieu als non-trade concern is zo belangrijk naar mijn mening, omdat hiermee voorkomen wordt dat ontwikkelingslanden hun natuurlijke hulpbronnen uitputten, waardoor de voorziening van basisbehoeftes van de bevolking op de lange termijn in gevaar komt. In veel ontwikkelingslanden vertegenwoordigt de regering die de WTO-onderhandelingen voert, namelijk niet de belangen van de rurale bevolking of van inheemse of etnische minderheden. Tegenover de druk van schuldenlasten, Structurele Aanpassings Programma’s, multinationals in de toelevering van inputs (bestrijdingsmiddelen, (genetisch gemanipuleerde) zaden) of in de handel en verwerking van landbouwproducten, Wereldbank, IMF en nu dus ook WTO, bieden juist deze non-trade concerns de bescherming die de plaatselijke bevolking zo ontbeert. (Zie ook hoofdstuk 4 en 5.)

Hierbij wil ik nogmaals wijzen op het alternatief van de verbouw van tropische producten volgens de richtlijnen van het fairtrade-principe voor de plaatselijke bevolking. Wel is het noodzakelijk dat de totstandkoming van deze non-trade concerns in onderling overleg plaatsvindt tussen Noordelijke en Zuidelijke vertegenwoordigers. Hierbij mag de lokale bevolking niet vergeten worden.

Dan zijn er nog non-trade concerns, die ik tevens wil betitelen als basisbehoeftes, die wel samenhangen met toenemende liberalisering, maar waarschijnlijk niet in de WTO geregeld kunnen worden. Een deel hiervan wordt momenteel wel erkend binnen de EU. Voorbeelden zijn:


Het contact van de burger met de productie van zijn voedsel; dit zal door toenemende liberalisering, waarbij het voedsel van over de gehele wereld kan komen steeds meer verdwijnen. Ook zullen streekeigen producten en gewassen steeds meer verdwijnen, door een steeds grotere gerichtheid van de burger op de fastfoodketens en de supermarkt die onder hevig zijn aan een soort amerikanisering. In Nederland is dit proces al zeer ver gevorderd, in andere landen bijvoorbeeld het platteland van Frankrijk wat minder ver. Dit blijkt ook uit de populariteit van José Bové, de Franse boerenleider die tegen deze ‘veramerikanisering’ binnen de voedselvoorziening in opstand kwam.

De culturele waarde rondom voedselproductie en –verwerking; vooral in rurale gebieden in ontwikkelingslanden maar ook nog westerse landen zijn hele dorpsgemeenschappen en hun cultuur gebouwd rondom de productie, verwerking en het eten van eigen voedsel. Bij een grote exportgerichtheid zullen deze cultuur en gemeenschapszin meer en meer verdwijnen.

De rol van de landbouw in het beheer van het platteland; door schaalvergroting en gerichtheid op enkele (export)gewassen die het gevolg kunnen zijn van liberalisering, is er een groot risico op verarming van het landschap inclusief natuurgebieden. Dat was bijvoorbeeld te zien op een video over de suikerrietteelt in Brazilië. (SWR, 2001) Kleine boeren werden met geweld van hun grond verjaagd door milities van grootgrondbezitters die hier suikerriet op telen in plantages.

Het behoud van natuurgebieden en biodiversiteit; in diezelfde video bleek dat plantagehouders ook regenwoud omkapten voor nieuwe plantages suikerriet. Vaak zijn het juist op de export gerichte bedrijven, die steeds weer nieuwe landbouwgrond vereisen. Al zorgt de toenemende bevolking in ontwikkelingslanden er ook voor dat er steeds weer nieuwe landbouwgrond nodig is. Dit betekent echter een extra concurrentie om de grond, die voorkomen zou kunnen worden als er minder exportgewassen hoefden te worden geteeld.

De rol van de landbouw in het behoud van biodiversiteit in landbouwgewassen. Als boeren voor de markt moeten gaan produceren, moet men gaan voldoen aan de eisen van de klant. Dit geldt in grotere mate als deze klant geen burger is maar een verwerkend bedrijf in de voedingsmiddelenindustrie. In verband met zijn productieproces verlangt hij binnen een productlading een uniforme kwaliteit. Hij kan vaak weinig doen met een oogst die uit verschillende rassen bestaat. Hiermee samenhangt de grote promotie van inputs als bestrijdingsmiddelen, kunstmest en zaaizaden rondom de Groene Revolutie. Door deze oorzaken worden vele oorspronkelijke rassen en zelfs gewassen niet meer geteeld, en is veel agrarische biodiversiteit verloren gegaan. Het schrijnende is dat deze gewassen juist perfect geschikt waren voor de heersende omstandigheden (droogtes, temperatuur, grondsoort, zoutgevoeligheid). Een argument voor genetische manipulatie van gewassen is nu juist meer dat er op deze manier rassen kunnen worden geteeld onder allerlei moeilijke omstandigheden. Het probleem is echter dat de boeren hiervoor wel zullen moeten betalen.

6.4.6 De rol van de VN

De non-tradeconcerns die ik in §6.4.5 noemde zijn vooral thema’s die gedeeltelijk of geheel ook worden besproken binnen de Verenigde Naties, en waar verdragen over zijn afgesloten tussen landen. Voorbeelden zijn de milieuverdragen (Multilateral Environmental Agreements; MEA’s) als het Kyoto-protocol, het biodiversiteitsverdrag (CBD), en verdragen binnen de ILO (International Labour Organisation) over arbeidsomstandigheden. Deze afgesloten verdragen bieden echter nog steeds onvoldoende waarborg dat de gemaakte afspraken ook worden nagekomen. Hiervoor zijn een aantal redenen te geven:



  • niet alle landen hebben deze verdragen geratificeerd, wat betekent dat ze zijn omgezet in nationaal beleid en wetgeving;

  • bepaalde belangrijke landen als bijvoorbeeld de VS wat betreft het Kyoto-protocol, onthouden zich van ondertekening;

  • veel verdragen bevatten zeer vrijblijvende tekst waardoor betrokken landen of actoren niet gedwongen worden maar vrijwillig zich kunnen houden aan de verdragen;

  • er is vergeleken met de WTO geen stok achter de deur; de WTO heeft via een arbitrageprocedure binnen een panel, de mogelijkheid om sancties op te leggen aan bepaalde landen indien deze worden aangeklaagd door andere landen. De VN en haar afzonderlijke afgesloten verdragen bezitten deze sanctiemogelijkheid niet.

  • multilaterale milieuverdragen, zoals het Kyoto Protocol en het Bioveiligheidsprotocol (over de handel in genetisch gemanipuleerde organismen) kunnen worden aangeklaagd bij de WTO omdat ze tegen gemaakte WTO-afspraken in gaan. (MD en FOEI, 2001)

Daarnaast bieden zelfs deze VN-verdragen als ze zouden worden nageleefd, niet altijd voldoende waarborg op milieugebied. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Kyoto-protocol dat de uitstoot van broeikasgassen nog onvoldoende terugdringt. Vele wetenschappers vinden namelijk dat een daling van de uitstoot van broeikasgassen met 50 tot 80% noodzakelijk is, om daadwerkelijk klimaatveranderingen terug te dringen en te voorkomen.
De laatste jaren is de tendens zelfs binnen de VN geworden om de verdragen steeds minder bindend te verklaren, en publiek-private partnerships aan te gaan waarbij weer vrijblijvende doelstellingen behaald moeten worden. Dit gebeurt onder andere via het zogenaamde ‘Global Compact-initiatief’ van Secretaris-Generaal Annan in 2000. Samen met NGO’s en onder leiding van het International Chamber of Commerce (die 7.000 bedrijven vertegenwoordigt) zijn multinationale bedrijven allianties aangegaan met diverse VN-organisaties op basis van negen principes op het gebied van milieu, arbeid en mensenrechten. Men heeft afgesproken zich vrijwillig aan minstens één van deze principes te houden. Hierbij is er geen controle-mechanisme afgesproken waarmee VN-organisaties formeel kunnen nagaan of de bedrijfsactiviteiten steeds met die principes overeenkomen. Er ontbreekt ook hier een sanctiemechanisme. Hiermee zijn bedrijven deel geworden van de oplossing van de problemen rond een achterblijvende duurzame ontwikkeling.

In de praktijk is er echter veelal sprake van ‘greenwashing’ door de multinationals; het oppoetsen van hun milieu-imago via deze partnerships zonder dat hun inspanningen moeten voldoen aan bindende regelgeving. (Bleijerveld, 2002, en A SEED, 2002, p.19-20)

Dit past in de traditie van een terugtredende overheid die ook binnen landen te zien is. Een voorbeeld zijn de convenanten tussen bedrijfsleven en overheid, deze komen in de plaatst van bindende regelgeving. Een nadeel hiervan is ook dat de bedrijven een inspanningsverplichting opgelegd krijgen in plaats van een resultaatverplichting. Hierdoor worden er geen bindende resultaten afgesproken op gebied van bijvoorbeeld totaal energieverbruik, en worden daadwerkelijke stappen om CO2-uitstoot te verminderen niet genomen.

Hoewel er voorbeelden bekend zijn van succesvolle partnerships, kan niet ontkend worden dat hier botsende belangen zijn tussen bedrijven die als primaire doelstelling hebben winst maken en voortbestaan, en de overheid die het maatschappelijk belang moet beschermen.

Dat de VN steeds meer is opgeschoven richting de neoliberale ontwikkelingsagenda bleek ook uit de resultaten van de VN-top Finance for Development in Monterrey (Mexico) in 2002. De nieuwe richtlijn voor financiering van ontwikkeling bevatte (in deze volgorde):


  • ‘good governance’ in ontwikkelingslanden als voorwaarde voor extra hulp: eisen aan corruptiebestrijding, wetgeving en het financiële en economische beleid;

  • mobilisering van middelen uit het internationale bedrijfsleven via een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingsklimaat;

  • internationale handel is de motor voor ontwikkeling: de koers van de WTO richting verdergaande liberalisering wordt goedgekeurd;

  • de richtlijn van 0,7% van het BNP als ontwikkelingshulp door ontwikkelde landen wordt opgenomen, echter zonder bindende afspraken of tijdspaden (nu ligt het gemiddelde nog niet op de helft);

  • het lopende schuldkwijtscheldingsprogramma voor HIPC-landen wordt bevestigd, maar niet uitgebreid;

  • op gebied van hervorming van de financiële instellingen (Wereldbank en IMF) werden onder de druk van de EU en de VS, geen discussie gevoerd en afspraken gemaakt;

  • follow up: het contact tussen de Wereldbank en de ECOSOC (Economische en Sociale Raad van de VN) zal worden verbeterd via jaarlijkse vergaderingen en een evaluatie in 2005.

Uit de inhoud en de volgorde spreekt duidelijk dat vooruitgang vooral wordt bepaald door eigen gedrag en de mate van marktwerking en liberalisering in ontwikkelingslanden. Ontwikkelingshulp en schuldenkwijtschelding zijn van een lagere prioriteit. Duidelijk is dat Wereldbank, IMF en WTO een grote invloed hebben gehad op het onderhandelingsresultaat. (Schmitt, 2002)

1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24

  • 6.4.2 Het Agreement on Agriculture
  • 6.4.4 Codex Alimentarius en SPS-akkoord
  • 6.4.5 Non-trade concerns
  • Het contact van de burger met de productie van zijn voedsel
  • De culturele waarde rondom voedselproductie en –verwerking
  • De rol van de landbouw in het beheer van het platteland
  • Het behoud van natuurgebieden en biodiversiteit
  • De rol van de landbouw in het behoud van biodiversiteit in landbouwgewassen.

  • Dovnload 4.64 Mb.