Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina19/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

6.5 De gevolgen van het WTO-beleid


Het voordeel van exportsubsidies en dumping via oneigenlijk gebruik van inkomenstoeslagen is dat netto-importerende landen, die bijvoorbeeld geen gunstige omstandigheden hebben om de gehele bevolking met eigen landbouw te voeden, voedsel tegen een lage prijs op de wereldmarkt kunnen kopen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de olieproducerende landen in het Midden-Oosten. Ook een aantal ontwikkelingslanden behoort tot deze groep. Ook de stedelijke bevolking in veel ontwikkelingslanden kan in bepaalde omstandigheden profiteren van de liberalisering, wanneer de nationale regering goedkope voedselprijzen (via dumping uit westerse landen tot stand gekomen) voor een meerderheid van hun kiezers, belangrijker vindt dan de belangen van een kostendekkende prijs voor de boerenbevolking. Op de lange termijn kan een land zo haar voedselzekerheid verliezen.

Aan de huidige WTO en haar verdragen op gebied van de landbouw zijn echter ook een aantal nadelige effecten op het gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes, verbonden. Deze heb ik al voor een deel behandeld in de vorige paragrafen. Hieronder volgen nog een aantal nadelen (met name op basis van Milieudefensie en FOE Europe, 2001):


* De WTO is ondemocratisch, ondanks de één-land-één-stem structuur van de WTO hebben machtige landen enorme invloed. Ze bepalen vaak de onderhandelingsagenda onderling en oefenen druk uit op kleine onbemiddelde landen om daarmee in te stemmen. (Milieudefensie en FOEE, 2001) Dit bleek ook bij de laatste top in Doha, toen Afrikaanse landen onder druk van het intrekken van ontwikkelingshulp de voorstellen steunden. (GG)

55 van de 97 ontwikkelingslanden zijn niet in staat om alle 50 vergaderingen per week in Genève bij te wonen door geldgebrek. (IS, oktober 2002, p.41) Als ontwikkelingslanden technische hulp krijgen is deze er vooral opgericht mensen op te leiden over hoe zich te houden aan WTO-regels, niet om ze te leren om net zo creatief te onderhandelen als het Noorden.

Daarbij is het vooral in vele ontwikkelingslanden zo dat de armste bevolking en etnische minderheden niet goed vertegenwoordigd worden door de huidige onderhandelingsdelegaties.

* De WTO is niet transparant en verschaft erg weinig toegang aan parlementariërs en burgers. Zo heeft het Nederlandse parlement geen directe invloed op de onderhandelingen, omdat deze naar de Europese Commissie zijn gedelegeerd. Tweede Kamerleden weten net zo weinig van wat er zich achter de schermen afspeelt, als het publiek. Het Europees Parlement heeft alleen maar een adviserende rol.

Handelsconflicten worden in besloten zittingen en met weinig externe input behandeld, veel stukken blijven geheim. Het WTO-panel dat over conflicten beslist is ook niet democratisch gekozen. (GG) Er bestaat geen recht op informatie voor het publiek in de WTO. Het komt zelfs regelmatig voor dat functionarissen geen toegang krijgen tot informatie over activiteiten van hun eigen onderhandelaars. (MD FOEE, 2001)

* WTO-verdragen over landbouw vergroten de macht van multinationale ondernemingen,

Volgens FOEI (2001, p.12) controleren 500 multinationals nu tweederde van de wereldhandel. Zij hebben hierdoor ook veel invloed op handelsonderhandelingen en het opstellen van reguleringen. Dit doen zij op drie manieren:


  • zij hebben toegang tot de besluitvormers binnen overheden en binnen de WTO;

  • zij proberen samen met nationale overheden bindende normstelling te voorkomen en verder te verminderen, waardoor er een race-to-the-bottom ontstaat (op gebied van milieu, arbeidsomstandigheden, dierenwelzijn, belastingverplichtingen GG);

  • om concurrerend te blijven blijft men zich via fusies en overnames vergroten, waardoor al vele banen verloren zijn gegaan en hun economische en politieke macht alleen maar is gegroeid.

De invloed op WTO-onderhandelaars gaat vooral in zijn werk via het International Chamber of Commerce (hierin zijn 7000 multinationale bedrijven vertegenwoordigd) en de Transatlantic Business Dialogue (100 leiders van multinationals). Zij beiden voeren intensief lobby met de WTO-onderhandelaars of staatshoofden. Bijvoorbeeld om bindende milieuwetgeving als handelsbelemmering te voorkomen, of bijvoorbeeld om het Kyotoprotocol te dwarsbomen door

Exxon-Mobil. Binnen Europa is vooral de European Roundtabel of Industrialists actief als lobbygroep binnen EU en WTO, hierin zitten de grootste multinationals van Europa als Unilever, Nestlé en Shell. (FOEI, 2001, p.13-14)

De directe invloed blijkt ook doordat voormalig Cargill-topman Amstutz het VS-voorstel voor het Agreement on Agriculture schreef. (Smit, 2000, p.17) Hierbij wordt er ook speciaal naar gestreefd het TRIPs-akkoord af te sluiten, zodat zaadbedrijven toegang kregen tot de Indiase markt. Bij aankoop van zaad wordt daarbij Indiase boeren verboden dit zaad nogmaals te gebruiken, zoals men voorheen gewend was.

Cargill heeft naast invloed op de WTO ook al jaren indirect invloed op de Amerikaanse machthebbers, en dus hun standpunten in de internationale handelspolitiek. (“Misschien heeft William R. Pearce, vice-president directeur van Cargill, meer invloed gehad op de politiek dan de meeste gekozen overheidsfunctionarissen, uitgezonderd de presidenten.”)

Dit geldt overigens ook voor de Nederlandse (handels)politiek; voorzitter van de CDA-fractie in de Eerste Kamer en oud landbouwminister Braks was tussen 1991 en 2000 lid van de Raad van Commissarissen van Cargill Nederland. (Smit, 2001, p.24-25)

Handel gaat steeds minder tussen landen die bepaalde eisen aan het te verhandelen product of productieproces kunnen stellen of import- of exportheffingen kunnen heffen, maar meer tussen multinationals die profiteren van het gebrek aan belemmeringen. Hierdoor kunnen partijen graan worden opgekocht in het ene land waar overschotten heersen en men druk op de inkoopprijs kan uitoefenen, en kan men deze vervolgens verkopen in andere landen. De winsten vloeien niet meer naar de landen zelf maar naar de handelaren.


Na toetreding tot de WTO dwongen Amerikaanse overheidsinstanties Indiase overheidsinstanties ertoe, ‘ook instrumenten te worden in de handen van multinationals.’ Dit gebeurt bijvoorbeeld door oprichting van de ‘US-India Commercial Alliance, een groep zakenlieden met daarin Indiërs, die zich tot doel stelt Amerikaanse bedrijven een betere toegang te geven tot de Indiase markt.’ Men geeft hierbij toe dat dit ten koste zal gaan van de kleine boerenbedrijfjes. (Smit, 2000, p.18-19)
* Het AoA stimuleert grootschalige industriële (non)voedselproductie voor de wereldmarkt.

In India worden landen die bestemd waren voor voedselproductie omgezet in non-foodgewassen als bloemen en luxe producten als garnaalkwekerijen ‘Boeren worden op massale schaal verplaatst van hun grond en natuurlijke hulpbronnen worden overgeëxploiteerd. De commercialisering van de landbouw wordt voortgedreven door de handelsliberalisering als opvolger van de Groene Revolutie. Dit leidt tot nieuwe armoede onder kleine boeren doordat ongelijke en oneerlijke contracten hun in nieuwe vormen van ‘bandages’ vastbinden. Ook in de Filippijnen werden maïs, rijst en suikerriet vervangen door snijbloemen en groenten voor de export. (TWN, 1996) Zie ook Hoofdstuk 5 voor de vele nadelen van deze ontwikkeling.

* Ontwikkelingslanden hebben vooral schade ondervonden door problemen op gebied van voedselzekerheid en concurrentie in de landbouw. (MD FOEE, 2001)

De ontwikkelde landen moeten weliswaar het meeste van hun importtarieven verlagen, maar een aantal ontwikkelingslanden had al hele lage importtarieven door bijvoorbeeld SAP’s. Hoewel ze hun tarieven volgens de WTO hadden mogen verhogen, ontbrak het hen aan onderhandelingscapaciteit om dit ook werkelijk te realiseren. De exportsubsidies bleven daarbij nog teveel buiten schot omdat de EU de topjaren 1986-88 tot referentiejaar kon kiezen. Zoals nog aan de orde zal komen worden daarbij de inkomenstoeslagen onterecht niet als exportsubsidie beschouwd. Het AoA is vooral een recht op exporteren geworden, o.a. doordat elk land een minimum quotum moet toelaten en dus niet meer mag kiezen geheel zelfvoorzienend te zijn in welk landbouwproduct dan ook. De regel hierbij is dat als er een goedkoper product is hoewel gedumpt met exportsubsidies, dit moet worden toegelaten. Ontwikkelde landen zijn hierbij in het voordeel omdat ze geld hebben voor subsidies en toeslagen (Einarsson, 2000, p.15-16)

Enkele voorbeelden:

- Na de toetreding van China zijn er zo al grote problemen ontstaan doordat er goedkoop maïs wordt geïmporteerd (60% lager dan de interne prijzen). De gevolgen zijn stijgende voorraden, te lage prijzen en lonen die niet meer betaald worden aan arbeiders in de graanhandel. (South China Morning Post Ltd., 2002) ‘Volgens een studie van het Chinees ministerie van Landbouw zullen er in 2005 nog maar 168 miljoen boeren nodig zijn, tegenover nu zo’n 500 miljoen.’ (Smit, 2000, p.35) Dit betekent een enorme run op (de sloppenwijken van) de steden.

- In de Filippijnen zou naar verwachting een half miljoen kleine maïsboeren verdwijnen na toetreding van de WTO. In Equador heeft het westerse ontwikkelingsmodel met opengebroken markt geleid tot ‘het stelselmatig buitensluiten van de kleine producenten van economische ontwikkeling, afname van de voedselzekerheid, toename van de armoede op het platteland, en een voortschrijdende emigratie van de plattelandsbevolking naar de (reeds overbevolkte en verpauperde) steden.’ (Smit, 2000, p.100)

- In de Filippijnen is het handelstekort op agrarische producten sinds 1995 (start AoA) tot en met 1999 toegenomen tot $3,5 miljard. De hoofdoorzaak is vooral de goedkope import van rijst en maïs (voornamelijk uit de VS), via de geliberaliseerde en geprivatiseerde (rijst)industrie. Importen van maïs stegen tussen 1993 en 1998 500 maal, rundvlees vier maal en varkensvlees 164 maal. De gevolgen zijn een sterkere gerichtheid op fruit en groenten voor de export in plaats van eigen voedselproductie, boeren die hun bedrijf verlaten en meer mensen onder de armoedegrens. Een vertegenwoordiger van de Filippijnse boerenorganisatie KMP: “Zo lang land, water en bossen uitsluitend onder controle staan van grootgrondbezitters, kapitalisten en multinationals, zal de exploitatie verhevigen en intensiveren. Dat arme boeren en vissers weer de zeggenschap krijgen is de enige effectieve maatregel, om de uitbuitende klassenrelaties te breken en sociale rechtvaardigheid terug te brengen naar het platteland.” (www.tradeobservatory.org/news ,2001) Hiervoor is een landhervorming dus vereist, tegenover het Wereldbankbeleid in, die de concentratie van land bij grootgrondbezitters heeft bevorderd.

Tussen 1994 en 1997 nam het aantal arme rurale gezinnen toe met 300.000, wat betekent dat 1 miljoen kinderen meer met honger naar bed gaan. (www.geocities.com, 2001) (Zie ook de case de Filippijnen in bijlage 3).

- Volgens LTO (2001, p.2 met als bron WTO 00-3944 d.d. 28-9-2000) heeft juist de Uruguay-ronde van de GATT ‘tot een sterke tariefescalatie geleid voor verwerkte landbouwproducten, zodanig dat tariefpieken van 100% geen uitzondering zijn. Met name de tropische producten (!) worden geconfronteerd met tariefescalatie (koffie, thee, cacao, suiker, tabak, rijst, fruitsappen, tropische houtproducten en plantaardige oliën.’(…) ‘De mogelijkheid voor ontwikkelingslanden om hun export te diversifiëren wordt daarmee beperkt, terwijl de afhankelijkheid van een beperkt aantal primaire producten toeneemt. Een voorbeeld is dat de exportmogelijkheden voor OWL voor producten op basis van tomaten(puree) en cacao aanzienlijk zijn verminderd sinds 1994’.

Wie had er ook weer baat bij goedkope grondstoffen voor zijn eigen fabrieken in het Noorden? (GG)

* De WTO-regels beschouwen ontwikkelings- en sociaal beleid als handelsbelemmeringen. Een voorbeeld is dat het EU-beleid om ACP-landen te steunen door de import van Caribische bananen te bevoordelen, strijdig was met WTO-regels. De EU deed dit om kleine bananenboeren te steunen voor wie de productiekosten hoog zijn vanwege steile landbouwgrond, arme grond en klimaatrampen. (MD FOEE, 2001) Doordat deze ACP-landen niet meer gesteund mogen worden, krijgen we nu meer bananen van grote plantages uit Zuid-Amerika. Over het algemeen worden deze na 5 tot 10 jaar verlaten, en wordt er weer een stuk regenwoud weggekapt. (NCDO, 1998, p.95)

* Bij deze bananenkwestie bleek ook dat invloed in de WTO kan worden gekocht door multinationals. Na een donatie van $500.000 van een bananenmultinational aan de Amerikaanse Democratische Partij, diende de VS een klacht in bij de WTO over het Europese bananenimportbeleid. Dit hoewel de VS geen bananen produceert.

Ook werd de WTO-top in Seatle met honderdduizenden dollars gesponsord door het bedrijfsleven, dat hoop te op goede toegang tot de onderhandelaars, hieronder bevonden zich ook Cargill en Monsanto. (MD FOEE 2001, Smit, 2000, p.32)

* Bestaande afspraken staan de EU nog toe om haar markt voor veel producten af te schermen, en de boeren bepaalde subsidies te geven ((waarvan een te klein deel (GG)) gericht op natuur- en milieubeheer, of op productiebeperking). De druk om markten verder te openen en subsidies af te schaffen is echter groot. Dat zou de voedselvoorziening kwetsbaar en het landschap eentonig maken. (MD FOEE, 2001)

* De WTO beschouwt milieu- en gezondheidsmaatregelen (zoals bij hormoonvlees uit de VS, dat de EU niet mocht weigeren) als handelsbelemmering. Keurmerken en etikettering worden als mogelijke handelsbelemmeringen gezien. Keurmerken op duurzaam geproduceerd hardhout, biologisch voedsel of eerlijk verhandelde koffie, en etikettering van ongewenste producten zoals genetisch gemanipuleerd voedsel, zouden kunnen worden gefrustreerd door WTO-regels. (MD FOEE 2001) Dit heeft tot gevolg dat de EU en nationale regeringen zeer terughoudend zijn met het toestaan van deze keurmerken, om problemen binnen de WTO te voorkomen.

* Door de alles-of-niets-benadering van de WTO, moeten landen in stemmen met het totaalpakket wat wordt voorgesteld. Het is niet mogelijk om over onderdelen overeenstemming te krijgen. Dit is nadelig voor kleine landen die niet de capaciteit of mogelijkheden hebben om aan alle onderhandelingen mee te doen. Veel ontwikkelingslanden die tijdens de Uruguay-ronde tegen de resultaten van de onderhandelingen over landbouw en TRIPs waren, werden gedwongen om ze toch te accepteren. Als ze toen niet akkoord waren gegaan waren ze waarschijnlijk geïsoleerd geraakt in de mondiale economie en dat risico konden ze zich niet veroorloven. Deze alles-of-niets-benadering vermindert ook de invloed van leden van nationale parlementen om op onderdelen wijzigingen aan te brengen. (MD FOEE, 2001)

* De WTO zorgt voor onbalans binnen de normale teeltplannen en bevoordeelt de intensieve veehouderij boven de extensieve veehouderij. De WTO heeft namelijk tot gevolg gehad dat de EU de teelt van peulvruchten en oliehoudende gewassen niet langer mocht ondersteunen en beschermen. Deze werden binnen Nederland bijna geheel vervangen door granen. Hierdoor zijn de mogelijkheden tot vruchtwisseling verminderd, wat tot gevolg had dat ziekten en plagen moeilijker te voorkomen en te bestrijden zijn. Een ander gevolg van de WTO is de uitbreiding van de intensieve veehouderij (varkens en pluimvee)op basis van goedkope importen van graanvervangers en eiwit- en oliehoudend als veevoer en laag geprijsde EU-granen, ten koste van het houden van rundvee, schapen en geiten. Als de handel in suiker(producten) wordt geliberaliseerd worden de genoemde problemen, vooral op gebied van vruchtwisseling verergerd. (Hazeleger, Summary p.3) De Koeijer (bijlage 13) van de Nederlandse Akkerbouw Vakbond die ik geïnterviewd heb en Berthelot (2002) komen tot dezelfde conclusies.




  • De Case Taiwan, succesvolle Aziatische tijger of ten dele een mislukking?

Taiwan werd in de jaren 80 en 90 geprezen als voorbeeld van een vrijhandelseconomie in het Zuiden. Vandaag de dag zijn de oerbossen, die bijna de hele oostkust van Taiwan bedekten, zo goed als verdwenen. Daarvoor in de plaats zijn industrie en een monocultuur van coniferenplantages gekomen. Kunstmest- en pesticidengebruik besmetten het grondwater en de oogst, waardoor veel boeren hun eigen producten, die bedoeld waren voor de buitenlandse markt, niet meer durfden te eten. Door het structureel negeren van de wetgeving over afvalverwerking, raakte 30 procent van de rijs besmet met zware metalen, waaronder kwik en arsenicum. Taiwan heeft nu te maken met concurrentie van het (..) WTO-lid China, het meest aantrekkelijke en minst gereguleerde toevluchtsoord voor het kostenbesparende deel van de industrie. (Milieudefensie en FOE Europa, 2001)

6.6 De suikermarkt

In deze paragraaf ga ik dieper in op het landbouwproduct suiker, een product dat nu nog vooral binnen de EU afgeschermd is van de wereldmarkt. Hierbij besteed ik aandacht aan het GLB en de WTO, waarbij vooral ook de relatie met ontwikkelingslanden aan de orde komt. Hierbij komen ook de verwachte gevolgen van een mogelijke liberalisering aan de orde. Ik heb me hierbij vooral gebaseerd op ‘EU-sugar policy – Assessment of current impact and future reform’, van Barend Hazeleger in opdracht van de Novib (2001), en de paper ‘Sugar, trade and Europe’ van Sustain (2000).



Een uitgebreid verslag van deze case vindt u in bijlage 10 (de sociale en milieugevolgen van suikerbiet vergeleken met suikerbiet) en bijlage 9 (meer informatie over de wereldhandel in suiker, het GLB, en scenario’s voor liberalisering), ik concentreer me hier op de samenvatting en conclusies.

6.6.1 De wereldmarkt voor suiker

De wereldmarkt voor suiker wordt wel beschreven als de meest politiek beïnvloede markt binnen de wereldhandel in exportgewassen. De meeste landen hebben hun markt afgeschermd van de wereldmarkt door overheidsinterventies. Hierdoor is de wereldmarkt een typische overschotmarkt met sterk fluctuerende prijzen. (CAB, 1997, p.56) Volgens Einarsson (2000, p.10) wordt ongeveer 30% van de productie op de wereldmarkt verhandeld.

Er worden twee soorten suiker verhandeld op de wereldmarkt, namelijk ruwe suiker (vrijwel geheel bestaande uit suiker afkomstig van suikerriet), en witte suiker dit is geraffineerde suiker. Deze verwerking vindt voor het grootste gedeelte plaats in de ontwikkelde landen;

De wereldproductie voor suiker bedroeg in de jaren 1999-2000 132 miljoen ton, de consumptie in diezelfde periode was 128 miljoen ton. De wereldconsumptie van suiker blijft stijgen, sinds de jaren ’80 komt dat vooral door een toenemende consumptie in Azië. Ook de productie van suiker stijgt sterk vooral door een toename van de productie in Brazilië, Australië en Thailand. Dit zijn ook de landen die relatief veel van hun productie voor de wereldmarkt produceren. De productie van de EU is redelijk stabiel, door de suikerquotering. In Brazilië gaat overigens een groot deel van de suikerriet naar de productie van ethanol, dat wordt bijgemengd als brandstof voor auto’s. In de EU is ook de doelstelling dat in 2010 6% van de brandstof afkomstig is van biobrandstoffen. Dit biedt mogelijkheden voor andere aanwendingen van suikerbieten. (Cosun, 2002).


6.6.2 Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU

Het GLB zorgt voor een stabiel aanbod van suiker door de vastgestelde hoeveelheden van A-, B- en C-quota. Deze zijn verdeeld over de lidstaten en vervolgens via de verwerkende industrie over de bietentelers. Het A-quotum komt overeen met de verwachte consumptie in de EU, het B-quotum is een buffer voor slechte jaren maar in de praktijk is dit altijd een overschot. Deze kan met exportsubsidie worden geëxporteerd buiten de EU. Het C-quotum dat dan nog overblijft wordt tegen wereldmarktprijs afgezet zonder subsidies.

Een aantal voormalige koloniën uit Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan hebben tariefvrije toegang tot de EU voor een vastgesteld quotum, men krijgt hiervoor de hoge EU-prijs. De hoge importheffingen buiten de ACP-quota en enkele andere preferentiële quota, om zorgen ervoor dat er nauwelijks andere suiker wordt geïmporteerd. Deze situatie is echter aan het veranderen omdat toekomstige EU-lidstaten tot 2004 en landen uit de Balkan mogelijk toegang tot de EU krijgen voor verwerkte suiker zonder importheffingen. (Cosun, 2002, p.3)

Het GLB is voornamelijk zelf-financiërend door telers en verwerkende industrie. Zij betalen via productieheffingen de exportsubsidies die gelden als B-quotum wordt geëxporteerd. Het suikerbeleid verschilt dus van andere producten omdat de verwerkende industrie en de telers zelf de kosten betalen om het surplus op de wereldmarkt af te zetten.

De meeste kosten van het GLB ten aanzien van suiker (83%) kunnen worden beschouwd als ontwikkelingshulp naar ACP-landen, via exportsubsidies op witte suiker dat oorspronkelijk uit deze landen geïmporteerd is als ruwe suiker. De totale kosten voor het EU suikerbeleid zijn €762 miljoen (dus voornamelijk via ACP-suiker); dit is 1575 miljoen minus 813 miljoen aan invoerheffingen. (bron NEI in Hazeleger 2001).

Mede doordat de sector budgetneutraal kan werken is de suikerverordening buiten schot gebleven, bij de steeds voortdurende liberaliseringrondes die wel voor graan en rundvlees gelden. Waarschijnlijk speelt de lobby van de suiker- en zuivelbranche hier ook een rol, net zo als de lobby van grote graanhandelaren een rol speelt in de druk op verdere liberalisering.

Hoewel de subsidiëring van de suikerexport grotendeels door de sector zelf wordt opgebracht, en voor een groot deel suiker betreft die eerst uit ACP-landen is geïmporteerd blijft deze schadelijk voor bepaalde ontwikkelingslanden. In bepaalde landen ondervinden telers oneerlijke concurrentie in andere landen ook de verwerkende industrie. Het is dan ook zaak dat de productie en export van B-quota wordt afgeschaft, en dat geldt ook voor de C-quota (2,5 miljoen ton per jaar). Hoewel deze zonder subsidies worden geëxporteerd, kunnen deze wel als zodanig worden beschouwd. De vaste kosten hebben de telers immers al via hun A- (en B)-quota terugverdiend. Afschaffing van de B- en C-quota betekent overigens ook dat de sector de heffingen niet meer hoeft op te brengen, omdat hiermee de exportsubsidies kunnen vervallen.

Door het huidige quotumsysteem wordt de overproductie via C-suiker bevorderd. Bij de aanbevelingen wordt een oplossing van de Nederlandse Akkerbouw Vakbond hiervoor besproken. Dit stuit echter op problemen van de suikerindustrie, die anticiperen op toekomstige veranderingen van het GLB voor suiker. Ze zijn bang dat de lage kosten producenten in Nederland niet zoveel zullen worden gecompenseerd voor het verlagen van de prijzen en de quota, als Zuidelijke – en Noordelijke EU-lidstaten. Zij willen nu niet meewerken aan een soepeler omgaan met de productiequota van de telers (en dus productiebeperking), omdat zij hierdoor hun productiecapaciteit niet kunnen uitbreiden en nieuw markten kunnen aanboren. (Nederlandse Akkerbouw Vakbond in Hazeleger 2001, p.29-30)

Dit vorige voorbeeld laat zien dat de telers en de verwerkende industrie tegengestelde belangen kunnen hebben, hoewel dit in de suikerverwerkende industrie vooralsnog lijkt mee te vallen.

De industrie is normaal geïnteresseerd in de aankoop van primaire producten tegen lage prijzen, en de verwerkte producten vervolgens duur en in hoge hoeveelheden te verkopen. Op het gebied van het GLB zijn zij voorstanders van een beleid dat de prijzen verlaagt, de productiebeheersing opgeeft, de importtarieven voor primaire producten verlaagt en de importtarieven voor verwerkte producten hoog houdt. Voor de meeste boeren geldt het tegenovergestelde. Zij hebben prijzen nodig (al dan niet ondersteund) die in verhouding staan tot de kostprijs van de productie, en verder bescherming tegen de import van primaire producten en productiebeheersing. (Hazeleger 2001, p.30) Het bovenstaande gaat minder op wanneer de verwerkende industrie coöperaties betreft, waarvan de boeren immers eigenaar zijn.

Door de preferentiële toegang vanuit ACP-landen via het Cotonou-verdrag en de additionele toegang voor andere ontwikkelingslanden vanuit het Special Preferential Sugar-verdrag en Most Favoured Nation-verdrag, profiteren de betreffende landen aanzienlijk. In landen als Swaziland heeft zich hierdoor ook een verwerkende – en voedselindustrie kunnen ontwikkelen. Andere ontwikkelingslanden worden echter benadeeld doordat men concurrentie ondervindt vanuit deze ACP-landen.

De EU mag volgens de WTO haar boeren compenseren met direct inkomenssteun in plaats van prijsondersteuning, zoals dit bij graan gebeurt. Hierdoor kan er graan worden afgezet op de wereldmarkt zonder exportsubsidies. Indirect werkt deze inkomenssteun echter ook als exportsubsidie; voor derde landen zijn de verschillen niet zo groot. Beiden zorgen voor een verlaging van de wereldmarktprijs (Goodison 3 in Hazeleger 2001). Anderen zeggen dat juist het EU-aanbod door haar ingesteld productiebeheersing van suiker op de wereldmarkt stabiel is, en dat vooral de overproductie in landen als Brazilië, Australië en Thailand heeft geleid tot de dalende wereldmarktprijs voor suiker.

Het nieuwe ACP-EU Agreement (het Cotonou-verdrag) heeft het oude Lomé-verdrag vervangen. Het grote verschil is dat rekening is gehouden met het Agreement on Agriculture binnen de WTO, en er dus op gericht is handelsbelemmeringen te verwijderen, van beide partijen. Voorlopig blijft de preferentiële toegang van ACP-landen nog behouden, maar de toekomst is onzeker. Ook is er in het nieuwe verdrag meer rekening gehouden met de ACP- landen, die het meeste behoefte hebben aan ontwikkelingshulp. Nadeel is dat de EU-lidstaten in ruil voor markttoegang tot de EU, ook toegang willen krijgen tot de markten van de ACP-landen.

Het Everything But Arms voorstel regelt dat na 2009, alle MOLs tariefvrij toegang krijgen tot de EU. Dit heeft vooral zin als naast de toegang voor onbewerkte producten, ook de toegang voor bewerkte en industriële producten wordt verbeterd. Beter dan EBA zou naar verwachting helpen dat de EU stopt met de gesubsidieerde export van suiker en suikerproducten. Hierdoor krijgen de MOL’s kans om een eigen regionale markt te ontwikkelen, voor hun bewerkte suikerproducten. Dit levert veel toegevoegde waarde en banen op. Daarnaast krijgen de MOL’s in tegenstelling tot de ACP-landen niet de gegarandeerde hoge EU-prijs. Als de EU haar A-quotum iets zou verminderen, haar B-quotum zou afschaffen, en de productie van C-suiker zou ontmoedigen, zou er meer ruimte komen voor MOL’s naast de ACP-landen om een vastgesteld quotum te leveren aan de EU. Hiermee zou men veel meer geholpen zijn dan een volledig geliberaliseerde markt. De overgangstermijn met oplopende quota binnen het EBA-voorstel is dan ook goed gekozen, de eindsituatie na 2009 echter niet.


6.6.4 Gevolgen van liberalisering (inclusief een vergelijking tussen suikerbiet en suikerriet)

Zie voor de uitgebreide gegevens die ik gebruikt heb bijlage 10 over de verschillen tussen de sociale- en milieugevolgen bij suikerbiet en suikerriet (met bronvermelding).

Suikerbietentelers uit Duitsland vertelden op een video die ik zag bij CSM Suiker B.V. dat toenemende globalisering en liberalisering de landarbeiders in ontwikkelingslanden niet zullen helpen, en ook de boeren in het Noorden niet. Alleen de multinationals en grootgrondbezitters in ontwikkelingslanden zullen hiervan profiteren. De WTO zal weinig opleveren voor de meeste mensen in Brazilië. En zoals gezegd is het maar zeer de vraag of de consument van een lagere prijs profiteert, of dat de multinationale handel en industrie hiervan profiteren. (SWR, 2001) Dit alles blijkt ook uit de genoemde video, waar ook de arbeidsomstandigheden in Brazilië in beeld kwamen.

De kosten voor suiker uit suikerriet zijn mede door de lage lonen, de gebrekkige eisen op gebied van arbeidsomstandigheden en milieu, en de hogere productie per hectare door het warme klimaat, ongeveer de helft van de kosten voor suiker uit suikerbieten. Milieuproblemen die ontstonden bij de suikerrietteelt zijn het verdwijnen van natuurgebieden, bodemerosie (vooral bij teelt op hellingen), bodemuitputting, verzilting door irrigatie (suikerriet heeft veel water nodig), verzuring, wateruitputting en bodemdegradatie. (CAB, 1997) Bij verdere liberalisering waarbij er geen eisen worden gesteld aan arbeidsomstandigheden of gevolgen voor milieu en er geen productiebeheersingssystemen zijn waardoor prijzen naar verwachting zullen dalen, zullen suikerbietentelers dus worden weggeconcurreerd. De vraag is of de landarbeiders en kleine boeren in Brazilië hier iets mee opschieten. In Brazilië worden kleine boeren juist van hun grond verjaagd om plantages te kunnen uitbreiden. Als de situatie in Brazilië maatgevend is voor andere ontwikkelingslanden, zullen juist kleine boeren hun grond en voedselvoorziening verliezen, bij verder gaande liberalisering. Ook zullen er in toenemende mate natuurgebieden verdwijnen voor de aanleg van plantages.

Door de hoge milieueisen en wetgeving op gebied van arbeidsomstandigheden in de EU, beperkt gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest, en de rol van de suikerbiet binnen de vruchtwisseling, is het te prefereren dat de EU zijn telers kan blijven beschermen. Dat kan perfect binnen het huidige Europese Gemeenschappelijk Landbouw Beleid, mede omdat de sector zelf de kosten opbrengt. Wel zullen de quota verlaagd moeten worden zodat er geen suiker meer met exportsubsidies op de wereldmarkt verschijnt.

Een oplossing ligt ook in de ontwikkeling van een Fair Trade suikermarkt. Zo bestraan er al suikercoöperaties in Costa Rica, de Filippijnen, Paraguay, Equador en de Dominicaanse Republiek. Ook de overgang naar biologische teelt, en een diversificatie naar de teelt van voedselproductie voor de eigen consumptie kan gemeenschappen minder kwetsbaar maken.
Door de liberalisering van suiker zullen bepaalde landen winnen andere zullen verliezen. Ontwikkelingslanden zullen vooral profiteren als ook de handel in verwerkte landbouwproducten geliberaliseerd wordt. Op dit moment profiteert de EU suikerindustrie voornamelijk van de liberalisering sinds de Uruguay-ronde. De EU-annex 1 (bewerkte)- exporten zijn hierna verdubbeld. Hierdoor worden suiker- en voedingsmiddelenindustrie in andere landen van de markt gedrukt. Als de liberalisering beperkt blijft tot onbewerkte producten, zal dit proces zich in hogere mate voortzetten, omdat juist deze industrie kan profiteren van de lagere prijs voor landbouwproducten die ontstaat als importheffingen wegvallen. Ook de importtarieven voor Annex 1-producten moeten dus verlaagd worden.

Door de hervormingen van het EU-landbouwbeleid zullen vooral de ACP-landen benadeeld worden, andere landen vooral grote exporteurs van suiker tegen lage kostprijs als Brazilië, Thailand en Australië zullen profiteren van het opheffen van de prijssteun in de EU. Net als de lage inkomenslanden zullen ook kleine boeren niet specifiek profiteren van deze liberalisering. (Hazeleger 2001, p.26)

Er ontbreekt een productiecontrole mechanisme aan de exportkant van de wereldmarkt. Gesubsidieerde suikerexporten kunnen alleen worden voorkomen, als een overschot wordt voorkomen. Aan de importkant gaat de preferentiële toegang van ACP-landen verloren. (idem, p.26)

Als prijsondersteuning wordt vervangen door directe inkomenssteun via de zogenaamde blauwe box van de WTO, zal dit ook gepaard gaan met verplichte braaklegging. De verschillen tussen A en B quota zullen verdwijnen door het afschaffen van de exportsubsidies. Ook zal het quotumsysteem worden verlaten waarschijnlijk. Dit zal leiden tot schaalvergroting en stijgende productie in de EU, vergelijkbaar met granen. De negatieve gevolgen voor landschap en milieu worden echter niet meegenomen in genoemde scenario’s. Ook zal hierdoor het aantal akkerbouwers dat tegen deze lagere prijs kan produceren afnemen. Dit heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid op het platteland in Europa. Op termijn is het risico groot dat de directe inkomenssteun als onderdeel van een stijgend EU-budget voor landbouw onder vuur komt te liggen van de WTO, bepaalde EU-lidstaten of de Europese consument. De uitbreiding van de EU heeft bijvoorbeeld in Nederland al geleid tot standpunten dat eerst het GLB moet worden aangepast, of dat de nieuwe lidstaten niet kunnen rekenen op dezelfde steun vanuit Brussel.

Hierbij moet in gedachte worden gehouden dat de kosten van het huidige GLB op gebied van suiker wordt opgebracht door de sector zelf.

Het is twijfelachtig of de prijs van suiker op de wereldmarkt zal stijgen na liberalisering, zoals nu wel wordt verwacht door de FAO in haar studie. Als de quotering in Europa (en ACP-landen) wordt losgelaten en men inkomenstoeslagen krijgt in plaats van prijsondersteuning, is de kans groot op overproductie, waardoor de prijs juist zal zakken. Hetzelfde is gebeurd bij koffie, waarvan de handel al geliberaliseerd is, al moet hierbij worden opgemerkt dat koffie een meerjarig gewas is waardoor boeren niet direct kunnen reageren op prijsdaling. Daarbij is de prijsdaling op de wereldmarkt nu al een feit door alsmaar toenemende productie in vooral Brazilië Thailand en Australië.

Bij suikerrietteelt voor de vrije wereldmarkt hebben veel telers te maken met lage opbrengstprijzen, waardoor telers in problemen komen. Het gevolg kan zijn honger en ondervoeding bij telers en landarbeiders. Daarnaast worden de beste gronden vaak gebruikt voor de teelt van cash crops, terwijl de teelt van voedselgewassen niet plaatsvindt of op marginale gronden. Bij cash crops als suikerriet wordt ook vaak gebruik gemakt van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, door de hoge druk van ziekten en plagen in monoculturen.

In de scenario’s over al dan niet liberaliseren (zie bijlage 9) wordt geen rekening gehouden met de milieukosten die optreden tijdens de productie, verwerking en het transport van suiker en suikerproductie. De vraag is dan ook bijvoorbeeld of Australië nog wel als een land kan worden beschouwd dat tegen lage kosten kan produceren, indien ook de bijdrage aan het broeikaseffect wordt meegerekend door de lange transportafstanden. Deze milieukosten zullen eerst moeten worden geïnternaliseerd voordat men tot een juiste afweging kan komen.



1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • 6.6 De suikermarkt

  • Dovnload 4.64 Mb.