Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina20/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

6.7 Een vergelijking van suiker met graan en koffie

Ik bespreek in de volgende subparagrafen eerste de situatie afzonderlijk voor granen respectievelijk koffie. Hierna maak ik een vergelijking met de productie en handel in suiker.


6.7.1 Granen

Op de wereldmarkt voor tarwe wordt ongeveer 17% van de productie verhandeld, voor maïs, gerst en andere voedselgranen is dit ongeveer 11%. De VS, Australië en Canada hebben samen 2/3 van de totale export in handen, de EU 15% en Argentinië 10%. Ongeveer 80% van het graan wordt verkocht aan ontwikkelingslanden, de rest naar Japan, Korea en de voormalige USSR. Van de overige granen domineert de VS met 50% de handel, Australië, Canada en Argentinië hebben ieder 10% van de export in handen. Japan en Korea importeren samen 30%, de overige 70% gaat naar ontwikkelingslanden. (Einarsson, 2000, p.11)


Sinds 1992 is de markt voor graan binnen de EU een stuk geliberaliseerd. In ruil voor een lagere prijsondersteuning, kreeg men een hectaretoeslag. Deze dekte het verlies aan inkomsten echter niet. Wel was deze aanpassing WTO-conform, omdat de WTO inkomenstoeslagen toestaat, ook binnen de VS wordt hier ruim gebruik van gemaakt. Door de lagere prijs die zich richting wereldmarktprijs bewoog, was er minder geld nodig voor exportsubsidies. Deze zijn namelijk nog steeds van kracht, hoewel deze op basis van WTO-afspraken wel verlaagd moesten worden.

Berthelot (2002, p.4) geeft echter aan dat door deze maatregelen de hectaretoeslagen als verkapte dumping werden gebruikt. Hoewel de exportsubsidies daalden van €2,2 miljard in 1992 naar €883 miljoen in 1999, stegen tegelijkertijd de subsidies via hectare toeslagen van 0 naar 12,8 miljard Euro. Een gedeelte hiervan was natuurlijk bestemd voor de lokale consumptie. In 1999-2000 werd er echter ook 34 miljoen ton met genoemde exportsubsidies geëxporteerd, deze vertegenwoordigde 16,7% van de totale productie van 207 miljoen ton (in 1998-99). Deze geëxporteerde hoeveelheid komt overeen met €2,1 miljard aan hectaretoeslagen. Opgeteld is dit €2,985 miljard. Vergeleken met 1993 is het totale bedrag aan exportsubsidies dus met 36% gestegen in plaats van met 2/3 gedaald.

Als we de verkapte exportsubsidies van de EU optellen bij de hoge inkomenstoeslagen door de VS (vooral sinds 1998), kunnen we de lage wereldmarktprijs voor graan sinds 1997 verklaren.

Als gevolg hiervan en door de verlaging van importtarieven in Sub Sahara Afrika, is de import van tarwe en tarwemeel in dit gebied gestegen met 35% sinds 1996 (het tijdstip dat het Agreement on Agriculture werd geïmplementeerd). De import steeg namelijk van 5,3 miljoen ton 1996 naar 7,2 miljoen ton in 2000.

Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie voor rundvlees, en door de goedkope veevoeders als gevolg van de WTO is ook de export van varkensvlees en kippenvlees gestegen hoewel deze laatste niet met behulp van exportsubsidies worden afgezet. Hierdoor steeg bijvoorbeeld de export naar Ivoorkust met als gevolg dat de helft van de kippenboeren hier is gestopt. Dezelfde verhalen gaan op voor EU-exporten naar het voormalige Oostblok. Berthelot (2002, p.5) toont ook aan dat de EU oneigenlijk gebruikt maakte van voedselhulp (tarwe, rogge, rijst, rundvlees, varkensvlees, melkpoeder) naar Rusland in 1999, om zich hier net als de VS een plaats op de markt te verwerven. Op het moment dat Rusland een record hoeveelheid tarwe exporteerde, werd in Brussel een programma tot voedselhulp aan Rusland aangenomen.

‘In tegenstelling tot Amerikaanse hulp, droeg de EU-hulp echter weinig bij aan de behoeften van de armsten.’

De volgende teksten zijn vooral afkomstig uit ‘Duistere machten’ van Jan Paul Smit (2000).

Bij de bespreking van de toenemende macht van multinationals (Hoofdstuk 5 en 6) bleek al hoe groot de belangen van bedrijven als Monsanto (toeleverancier) Cargill (graanhandel, verwerkende industrie) zijn bij een verdere liberalisering van de graanhandel. Zij profiteren als eerste van inkomenstoeslagen en lage prijzen, omdat hierdoor een grote overschotproductie kan ontstaan, waarbij veel inputs verkocht worden en veel graan verhandeld kan worden op de wereldmarkt. Hoe lager de prijs hoe minder winst er te behalen is. Men verzet zich dan ook heftig tegen mogelijke voorstellen tot productiebeheersing in de VS.

Een lobbygroep met onder andere Monsanto en Cargill kwam dan ook met de volgende uitspraak: “Productiviteitsgroei is de sleutel tot een gezonde internationale concurrentiepositie voor de landbouw in de toekomst en zodoende voor de welvaart van de Amerikaanse boeren.” Ook om de export van de vleessector te dienen dient er een voldoende voorraad van graan en oliezaden te worden aangehouden, om de veevoerprijzen laag te houden en fluctuaties te voorkomen. ‘Met de vraag wat dit betekent voor de graan- en oliezaadboeren houdt de sector zich niet bezig.’

De Farmbill uit 1996 nam bestaande productiebeperkingen weg en werd met gejuich ontvangen. In 1999 zakte de sojaprijs vervolgens na een historisch dieptepunt (sinds 27 jaar), voordelig voor Cargill als grootste sojaverwerker ter wereld. (p.29-30)

Het volgende doel van Cargill is om nieuwe buitenlandse markten open te breken voor Amerikaanse producten. ‘Eerst forceren de agro-multinationals een overproductie in de VS, met de bijbehorende rampzalige prijsdaling voor de Amerikaanse boeren en vervolgens moeten de buitenlandse markten opengebroken worden. Ongeacht wat dat betekent voor de boeren in die landen.’ ‘Het gereedschap waarmee de regering van de VS, in intensief overleg met de agro-concerns buitenlandse markten openbreekt zijn internationale verdragen en regelingen van supra-nationale organen als IMF (..), de Wereldbank en WTO (..). Mocht dit alles onvoldoende zijn, dan kan Amerika nog altijd een handelsoorlog beginnen. (p.32)

‘Aan de ene kant pleit Cargill voor vrijhandel, dat wil zeggen voor het vrije spel van vraag en aanbod, zonder overheidsbemoeienis. Aan de andere kant zijn agro-concerns er als de kippen bij om overheidssubsidies te incasseren zodat hun landbouwproducten onder de prijs in andere landen kunnen dumpen. (Men ontving in de periode 1985-92 $800 miljoen uit het officiële Export Ondersteuningsprogramma van de VS. (Smit, p. 37)) Bovendien profiteren Cargill en andere landbouwexporteurs indirect van overheidssteun aan boeren, die het hen mogelijk maakt landbouwproducten tegen onwaarschijnlijk lage prijzen in te kopen.’ (p.29-30)

En de EU volgt de VS vervolgens met hetzelfde beleid.

In de mid-term review van 2002 stelt Fischler voor, de hectaretoeslagen af te schaffen, waarbij boeren een compensatie krijgen afhankelijk van de subsidiestroom die bedrijven de laatste drie jaren ontvangen hebben. Boven een drempel wordt er ook gekort op deze subsidies per bedrijf, terwijl men moet voldoen aan bepaalde milieueisen. De ondersteunde prijs wordt nog verder verlaagd richting wereldmarkt. Dit najaar zal moeten blijken in hoeverre de Raad van landbouwministers van de EU-lidstaten de voorstellen van Fischler accepteert.

Uit bijlage 12 blijkt dat het ministerie van LNV (1999) de liberalisering van de graanhandel al min of meer geaccepteerd heeft. Men ziet een teruggang naar prijsondersteuning en zelfvoorzienendheid, en daarmee het afsluiten van de eigen graanproductie voor de wereldmarkt duidelijk als een gepasseerd station.

6.7.2 Koffie

In mijn voorwoord verwees ik naar een artikel dat de problematiek van een groot deel van mijn scriptie verwoorde. In deze tekst zal ik naar dit artikel verwijzen; ‘Vietnam and the World Coffee Crisis: Local Coffee Riots in a Global Context’ van Gerard Greenfield van Social Action Workshop.

In tegenstelling tot bij de handel in suiker, is de handel van ruwe koffie op de wereldmarkt vrijwel geliberaliseerd. Ontwikkelde landen heffen nog wel hogere importheffingen op koffie die een vergaande bewerking heeft ondergaan. 80% van de wereldproductie van koffie wordt verhandeld op de wereldmarkt. (Einarsson, 2000, p.10)

De productie van koffie vond in 2001 met name plaats in (in afnemende grootte) Brazilië, Vietnam, Colombia, Indonesië, Mexico, India, Ivoorkust, Ethiopië, Guatemala en Oeganda. Volgens de International Coffee Organization (ICO) zijn er 100 miljoen mensen economisch afhankelijk van de koffieteelt.

Vooral sinds 5 jaar is Vietnam enorm opgekomen als koffieproducerend land. Dit gebeurde vooral na een herhuisvesting van een miljoen mensen in de bossen en leefgebieden van twee inheemse volkeren, waarna hier koffieplantages werden aangelegd. Bijvoorbeeld in de provincie Dak Lak werd 120.000 hectare bos verbrand en vestigden zich 400.000 mensen. Dit heeft overigens behalve verlies aan natuur geleid tot ernstige watertekorten en bodemerosie, waardoor weer 70.000 hectare verloren gingen. Toen de prijzen van koffie in 2001 zakten werd in Vietnam 150 tot 180.000 hectare koffieplantage gekapt, om te proberen te prijs te verhogen. (Greenfield, 2002, p.3-4) Een duidelijk voorbeeld van zinloze natuurvernietiging en menselijk drama.

Mede door deze sterke productiestijging is er op de wereldmarkt een structureel overschot ontstaan van 10%. De prijzen zijn momenteel gedaald tot een niveau dat in 32 jaar niet zo laag is geweest. Sinds begin 1999 zijn de prijzen gehalveerd. (NRC (3), 1-2-2002) Door de sterke prijsdaling zijn vele kleine boeren mondiaal in de problemen gekomen, vooral omdat men afgesloten leningen niet kan terugbetalen. Tevens verloren vele landarbeiders hun werk. Enkele voorbeelden hiervan:



  • ongeveer 300.000 kleine koffieboeren in Mexico hebben hun bedrijf verlaten op zoek naar werk;

  • in Nicaragua zijn 400.000 gezinnen van landarbeiders afhankelijk van 44.000 koffieboeren, deze leven nu in grote armoede;

  • vergelijkbare problemen doen zich voor op Oost-Timor, in El Salvador, Indonesië, India en Guatemala. (Greenfield, 2002, p.1-2);

  • bepaalde landen zijn zeer afhankelijk van koffie-exporten zoals Burundi (80% van het totaal), Ethiopië (67%) en Oeganda (55%), juist zij hebben extra last van de crisis (Onze Wereld, 2001) ‘Het ergste van dat alles is dat de prijs die ze voor hun koffie krijgen in geen enkele verhouding staat tot de prijs van een kop koffie in een westers wegrestaurant. Waarschijnlijk kun je daar in Oeganda vijf balen koffie voor kopen. Het zijn de restauranthouder en de koffiegroothandel, die de winst opstrijken. De Oegandese arbeider verhongert.’ (Volkskrant, mei 2001)

Naast de sterk toegenomen productie in Vietnam kunnen nog een aantal oorzaken worden genoemd, voor deze structurele overproductie en dus lage prijs:

* Het ontbreken van nachtvorst in landen als Brazilië, waardoor de oogst dit jaar naar verwachting weer 75% hoger zal zijn dan vorig jaar. (NRC (3), 1-2-2002) Zou het broeikaseffect hier iets mee te maken hebben?

* In 1989 werd onder druk van de VS die de vrije markt mondiaal wilde opleggen, de International Coffee Agreement (ICA) opgeheven. Hierin waren de koffieproducerende en –consumerende landen verenigd en konden afspraken worden gemaakt over productiehoeveelheden en prijzen.

* In 1993 werd Association of Coffee Producing Countries opgericht, deze 14 landen vertegenwoordigen 2/3 van de mondiale productie met als doel vergelijkbaar met de OPEC de koffieprijs te reguleren. Vietnam was hier echter geen lid van. Er werd in 2000 een afspraak gemaakt door de ACPC-landen om geen koffie meer te exporteren en deze in voorraad te houden tot de prijs weer gestegen zou zijn tot $0,95 per Pound (in februari was deze $0,45 per pound). Vietnam hield zich gedurende een half jaar ook aan deze afspraak, maar bracht toen als nog haar voorraad op de wereldmarkt, met als gevolg dalende prijzen. Eind 2001 faalde het laatste plan van de ACPC en in het voorjaar van 2002 werd de organisatie opgeheven.

* Sinds de ICA werd opgeheven wordt de wereldmarktprijs voor koffie bepaald op de termijnmarkten in New York en Londen. Op deze markten heeft speculatie een zeer grote invloed op de prijs. Door ICT hebben prijsdalingen ook direct invloed op de lokale prijs in ontwikkelingslanden. Volgens Greenfield (2002, p.5) blijkt hieruit dat de grote macht van koffiehandelaren ten opzichte van de ‘hyper-uitbuiting’ van koffietelers sinds de koloniale tijd nog niets veranderd is. Mede door deze termijnmarkten kwam de ACPC niet van de grond.

* De grote macht van multinationals in de koffieverwerkende industrie. De wereldmarkt wordt gedomineerd door vier multinationals: Proctor & Gamble, Philip Morris, Sara Lee (o.a. Douwe Egberts die 65% van de verkoop in Nederland in handen heeft) en Nestlé. Zij hebben de koffiecrisis mede veroorzaakt en profiteren nu van de lage prijzen. Ten opzichte van de halvering van de prijs aan de telers (van 97 naar 45 dollarcent), stond namelijk een prijsverlaging in de winkel van 5,9 dollarcent per halfpondspak. (NRC (3) 1-2-2002). Door hevige concurrentie op basis van prijs in plaats van op kwaliteit, werd mede onder invloed van multinationals de productie fors uitgebreid van de Robusta-koffiesoort in met name Vietnam, die van lagere kwaliteit is dan de Arabica. Als gevolg van de devaluatie van de Vietnamese Dong door de Azië-crisis, kon Nestlé Mexicaanse en Centraal-Amerikaanse leveranciers onder druk zetten om zodoende een lagere prijs te betalen voor de Arabica-koffie. Vervolgens nam men niet de beloofde hoeveelheid af van Vietnam, maar kocht de koffie in Centraal-Amerika. Momenteel stimuleert Nestlé RL de aanleg van nieuwe koffieplantages in Thailand en Laos, om ook hier de koffieproductie uit te breiden, ondanks de grote overschotten.

De kans is groot dat genetische manipulatie zijn opwachting zal maken, waardoor er een verschuiving zal optreden van kleine boeren naar grootschalige plantages en contractteelt voor multinationals. (Greenfield, 2002, p.5-6)

* Vietnamese staatsbedrijven en banken, en multinationals uit Zuidoost-Azië spelen ook een rol in de speculatie en productieverhoging in Vietnam. (Greenfield, 2002, p.6)

* De macht van agrarische exportmodel. In tegenstelling tot wat wel eens beweerd wordt speelde de Wereldbank alleen een indirecte rol via leningen aan Vietnam. Bilaterale leningen uit bijvoorbeeld Frankrijk waren belangrijker voor de uitbreiding van de koffieteelt. Belangrijker was de rol van de Wereldbank als verkondiger van de neoliberale exportgeoriënteerde ideologie. Vanaf 1989 besloot de Vietnamese regering over te gaan op deregulering, privatisering en de commercialisering en exportoriëntatie van de landbouw. Daarbij speelt ook de VS een rol via haar bilaterale handelsverdragen met Vietnam, en ook het lidmaatschap van de WTO heeft dit versterkt. Ook volgens Greenfield (2002, p.7-8) spelen schuldenlasten hierbij een cruciale rol, als aanjager van dit neoliberale beleid, via WTO en Structurele Aanpassingsprogramma’s van Wereldbank en IMF. (Zie verder Hoofdstuk 4).

Kleine koffieboeren kunnen direct de dupe worden van dit model, doordat zij leningen afsluiten waarbij men afspreekt een bepaald quotum te leveren van een gewas dat men in monocultuur moet telen. Als men deze productie niet haalt raakt men de grond kwijt aan het verwerkende bedrijf. Dit is gebeurd bij suikerriettelers en koffietelers. Als men leent van privé-personen (geldschieters en handelaren) zijn de rentes vaak hoger en krijgt men geen uitstel van betaling. Doordat een teler 4 tot 5 jaar moet wachten voordat men koffie kan oogsten, zit men vast aan zijn koffiegewas, en kan geen andere gewassen meer telen.

Het gevolg is meestal een faillissement. (Greenfield, 2002, p.8-9)

Tenslotte een citaat na een discussie tussen van Dam (koffiemakelaar), van Dijk (topman Douwe Egberts), Boehnke (Common Fund for Commodities) en Jager (hoogleraar economie UVA) in 1998: ‘En na twee uur lijkt er een opmerkelijke slotsom te zijn: níemand is beter geworden van de vrije handel in koffie: de industrie niet, de handel niet en de koffieboeren al helemaal niet. Maar het systeem veranderen lijkt onmogelijk.’ (Handelskrant, 198, p.7) Hierbij moet in gedachten worden gehouden dat de prijs voor koffie in 1998 een stuk hoger lag, en de vertegenwoordiger van Douwe Egberts vandaag een heel ander geluid zou laten horen.
6.7.3 Vergelijking suiker met graan en koffie

Als we de drie gewassen vergelijken zijn er zowel overeenkomsten als verschillen. De suikerrietteelt in ontwikkelingslanden die geen preferentiële toegang hebben tot ontwikkelde landen, is bijvoorbeeld vergelijkbaar met de koffieteelt. Een verschil hierbij is echter dat de koffiemarkt nu structureel met een overschot kampt, en de prijsfluctuaties op deze markt vooral door de mogelijkheid tot speculatie zijn toegenomen.

De telers van suikerbieten en de telers van suikerriet die wel een preferentiële toegang tot de ontwikkelde landen hebben, zijn veraf het beste af omdat zij een gegarandeerde kostendekkende prijs krijgen.

Graantelers in ontwikkelde landen zijn veruit in het voordeel ten opzichte van telers in ontwikkelingslanden, omdat zij als compensatie voor een lage prijs een inkomenstoeslag krijgen. Daarbij hoeven zij minder bang te zijn voor concurrentie vanuit ontwikkelingslanden omdat deze geen geld hebben om exportsubsidies te betalen. Daarentegen hebben zij hun importtarieven als gevolg van SAP’s en de WTO-onderhandelingen drastisch moeten verlagen, en zijn dus zeer gevoelig voor gesubsidieerde export vanuit ontwikkelde landen. Dit te meer omdat de inkomenstoeslagen als verkapte exportsubsidies kunnen worden gezien, waartegen het zeer moeilijk is om anti-dumpmaatregelen te nemen.

Over het algemeen kan worden gezegd dat exportoriëntatie zoals bij koffie en suikerriet tot lokale problemen kan leiden op gebied van de voorziening van basisbehoeftes en het milieu, als er geen mondiale afspraken zijn gemaakt tot productiebeheersing en dus een stabiele kostendekkende prijs. Ook ontbrekende internationale wetgeving op gebied van milieu en arbeidsomstandigheden, zorgt voor een oneerlijke concurrentie tussen enerzijds suikerbieten waarvan de teelt en verwerking aan strenge regels moet voldoen, en anderzijds suikerriet waarvan de teelt en verwerking vooral in ontwikkelingslanden vrijwel zonder bindende regels kan plaatsvinden.

Teelt van graan voor de exportmarkt is daarnaast alleen mogelijk doordat de boeren een inkomenstoeslag krijgen.

Tenslotte is vooral de macht van multinationals groot in de graan- en koffiehandel. De suikerverwerkende industrie in de EU, is gebonden aan de suikerregeling en de prijzen die men aan de boer moet betalen staan vrijwel vast. De daarop volgende voedingsmiddelenindustrie zou wel graag verdere liberalisering zien, omdat zij dan toegang krijgt tot de goedkopere rietsuiker. In Hoofdstuk 7 behandel ik de conclusies en aanbevelingen op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 7 Conclusies en aanbevelingen

In dit hoofdstuk geef ik mijn belangrijkste conclusies en doe ik op grond hiervan ook aanbevelingen.


Met dit onderzoek wil ik de oorzaken en achterliggende visie op liberalisering (in zijn algemeen en van de handel in landbouwproducten in het bijzonder) in kaart brengen, of de liberalisering wel volgens de vrije markttheorie verloopt, de gevolgen op gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes als gevolg van deze liberalisering in kaart brengen, en aanbevelingen doen voor (inter)nationaal beleid op gebied van liberalisering dan wel protectie, om recht te doen aan milieueisen, en om te kunnen voldoen in de voorziening van basisbehoeftes.

Binnen de problematiek die samenhangt met de liberalisering van de handel in landbouw-producten zijn verschillende niveaus aan te wijzen. Waarbij het hoogste niveau het moeilijkste lijkt te veranderen, en het laagste niveau het ‘makkelijkste’. In deze conclusies en aanbevelingen komen deze niveaus achtereenvolgens aan de orde. Hierbij komen ook de verschillende hypotheses aan de orde die ik aan het eind van Hoofdstuk 3 heb geformuleerd.

De overall conclusie zal zijn dat liberalisering van de handel in landbouwproducten, zeer veel nadelen voor de voorziening van basisbehoeftes en het milieu oplevert. Op elk hierna te behandelen niveau zal ik behandelen, waarom deze problematiek ontstaat en aanbevelingen doen om deze problematiek te voorkomen. De problematiek, die in de hierna volgende conclusies per niveau aan de orde zal komen, is in het kort als volgt samen te vatten:


  • het neoliberalisme is een algemeen geaccepteerde wereldvisie die leidt tot problemen op genoemde gebieden;

  • de vrije-markt-theorie wordt zowel binnen als buiten de landbouw niet goed toegepast;

  • landbouwproducten zijn om diverse redenen niet te vergelijken met andere goederen, liberalisering is daarom per definitie slecht voor voorziening van basisbehoeftes en milieu;

  • schuldenlasten, en beleid van Wereldbank en IMF hebben geleid tot zeer nadelige effecten op genoemde gebieden, via het toepassen van een neoliberaal beleid zich o.a. uitend in gedwongen liberalisering en een exportgeoriënteerde landbouwbenadering;

  • deze exportgeoriënteerde benadering heeft vooral nadelen op genoemde gebieden;

  • door verdere liberalisering via WTO (en ten dele binnen de EU) zullen problemen als gevolg van een exportgeoriënteerde benadering verder versterkt worden;

  • multinationals in toeleverende - en verwerkende industrie, in de (detail)handel en in de kredietverschaffing hebben een zeer grote invloed op de tot stand komen van internationaal (bindend) beleid via WTO, Wereldbank en/of IMF;

  • de belangen van boeren, burgers (ook als consumenten) en inheemse volkeren, worden zowel in Noord als Zuid onvoldoende vertegenwoordigd door nationale overheden binnen hun eigen land (vooral in ontwikkelingslanden) en binnen internationale onderhandelingen.

Hierna zal ik via aanbevelingen op de verschillende niveaus ingaan op mogelijkheden om aan deze problematiek het hoofd te bieden. Ik sluit af met een vergelijking tussen landbouw en andere producten en diensten, en met aanbevelingen voor nader onderzoek.
1. De botsing tussen visies; met één duidelijke winnaar

In het Westen krijgen we nog te veel te horen, dat landen eerst economische groei moet doormaken om iets aan het milieu te kunnen en willen doen. We denken daarbij naar mijn mening nog te veel dat het milieu (lees: een leefbare aarde) één of ander luxe product is, en niet de voorwaarde voor een sociaal-economische samenleving op lange termijn waar je we van afhankelijk zijn. Hierdoor gaat economische groei en de (luxe)consumptiebehoefte van een minderheid (gekoppeld aan de huidige economische en politieke machtsverhoudingen en een neoliberale wereldvisie), ten koste van het milieu en de mogelijkheden van de meerderheid van de wereldbevolking om in hun basisbehoeftes te kunnen voorzien.

Naar mijn mening is één van de oorzaken hiervan dat vooral mensen in westerse steden zover van hun voedselvoorziening zijn komen af te staan, en zo kunnen vertrouwen op een constante stroom van allerlei soorten (luxe)voedsel uit alle delen van de wereld, dat ze het besef van natuur en milieu als voortbrenger van dit voedsel zijn vergeten. Dit gebrek aan inzicht van de westerse burger van zijn rol als (over)consument in de milieuproblematiek en problematiek van anderen om in hun basisbehoeftes te kunnen voorzien, is één van de redenen van het gebrek aan oplossingsgerichtheid en slagvaardigheid. De media en de politiek zien deze verantwoordelijkheid namelijk ook niet.

Zoals ik al in Hoofdstuk 3 en 4 betoogd heb zijn de andere hoofdoorzaken: de schuldenlasten en de neoliberale wind die er door de westerse politiek en de allesbepalende internationale instellingen waait. Dit uit zich in de praktijk in deregulering van overheidswetgeving, privatisering, liberalisering (het afschaffen van handelsbelemmeringen zoals importheffingen en overheidswetgeving), gerichtheid op internationale concurrentiekracht en dus de export. De (inter)nationale overheid beslist vervolgens nog te vaak dat het multinationale bedrijfsleven geen strobreed in de weggelegd wordt in haar streven naar de hoogste winsten (via een vrije wereldhandel, waardoor de kosten zo laag mogelijk gehouden kunnen worden), laat deze ongestraft samenwerken met corruptie regimes in het Zuiden, en zorgt dat de mogelijkheid van nationale staten en regionale overheden om hun bevolking en milieu te beschermen afneemt, en er geen bindende regelgeving binnen de VN tot stand komt, met de mogelijkheid tot sancties.

Om te voorkomen dat het beeld echter te eenzijdig wordt moet ik opmerken dat er ook interne barrières voor een succesvolle ontwikkeling optreden in ontwikkelingslanden, als ongelijke eigendomsverhoudingen in met name grond, een te weinig democratisch gekozen en opererende overheid, een gebrek aan toegang tot de besluitvorming van alle bevolkingsgroepen, corruptie niet alleen in verband met westerse bedrijven maar in de gehele samenleving, en het gebrek aan wetgeving om marktfalen op te lossen. Vaak kunnen deze interne barrières echter niet geheel los worden gezien van invloeden als de koloniale historie en de invloed van SAP’s van Wereldbank en IMF op het soevereine overheidsbeleid.
De vrije markt ideologie is momenteel de dominante ‘religie’ in de huidige wereld, zij staat boven alle andere religies en haar normen en waarden. Hoe sterk die normen in christendom (rentmeesterschap, solidariteit), islam (geven aan de armsten), boeddhisme en hindoeïsme (geweldloosheid, respect voor alles wat leeft) en natuurgodsdiensten (idem, in het algemeen) ook zijn, in de grote seculiere buitenwereld gelden andere normen. De meeste politici ook in Nederland durven daarom de vrije-markt-ideologie en het economische-groei-denken, terwijl marktfalen niet wordt gecorrigeerd (zie hierna), al niet meer ter discussie te stellen. Dit geldt daarmee ook voor het beleid van WTO, IMF en Wereldbank, en die grote molensteen uit het verleden en heden, de mede door ons veroorzaakte schuldenlasten die we nog steeds vergroten via onder andere exportkredieten.

In Bhutan, hoorde ik van een onderzoeker die in mei in ons land was, zijn ze op een ander manier omgegaan hiermee: geen geld aannemen toen hen leningen werden aangeboden. Hierdoor werd schuldenopbouw voorkomen. In Bhutan geldt overigens het Bruto Nationaal Geluk, in plaats van het BNP, als maatgevend criterium.

Iedereen (landen of minderheidsgroepen) die nog niet helemaal overtuigd is van de neoliberale visie, en die haar mensen wel wil beschermen tegenover de steeds grotere ongelijkheid, die haar hulpbronnen geplunderd ziet worden voor consumptie in het Noorden en haar eigen elite, die nog niet toe is aan veramerikanisering, wordt eerst bestreden met verbaal geweld (isolationisme, nationalisme, communisme, terrorisme), dan met economisch geweld (sancties, embargo’s) en als dit niet helpt met militair geweld. Hierbij loopt men nog te kritiekloos achter de grote leider (in) de VS aan.

Maar waarom? Is men bang om in een ongewenste hoek te worden gedrukt. Is er sprake van cognitieve dissonantie; de gangbare economielessen hebben ons geleerd dat de vrije markt uiteindelijk welvaart oplevert voor allen, via het ‘thrickle down effect’. Hoewel het tegendeel steeds weer bewezen wordt (toename ongelijkheid binnen en tussen landen, achteruitgang van de ecologische en sociale omstandigheden, verlies aan invloed van nationale staten, lokale overheden en burgers, meer werkloosheid en lagere lonen, en wel profiterende multinationals en internationaal-kapitaalbezitters (Hines, 2000, p.6)), lijkt het net of we ons van deze bewijzen afkeren.

Zoals we zagen in Hoofdstuk 3 zijn ook veel milieuorganisaties in te delen bij het groen liberalisme; de geliberaliseerde vrije markt is uitgangspunt hopelijk is hier nog iets aan repareren. Het stellen van normen door de overheid is een vies woord geworden, public-private partnerships is het nieuwe toverwoord. Nog te weinig wordt onderkend dat multinationals aan greenwashing doen, om bindende regelgeving te voorkomen. Ook in Johannesburg bij de VN-top over duurzaamheid is dit weer gebleken.

De multinationals die zich door dalende beurskoersen en allerlei schandalen vooral in de VS de laatste tijd, wat gedeisd houden, krijgen steun uit onverwachte hoek. De meeste sociaal-democratische en groene politici en ontwikkelingsorganisaties als Oxfam volgen merkwaardig genoeg een vergelijkbare liberaliseringsagenda.

Het beste komt dit tot uiting in het pleiten voor markttoegang van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden, in plaats van vooral in te zetten op schuldenkwijtschelding. Het gevolg is nog meer uitputting van hun hulpbronnen voor onze consumptiebehoefte voor een veel te lage prijs, het Noorden krijgt èn de producten èn het geld (vijfmaal zoveel voor rente en aflossing als onze ontwikkelingshulp) èn in ruil nog meer markttoegang tot hun markt. Hierdoor worden kleine boeren weggeconcurreerd in Noord en Zuid, en ook al door de milieugevolgen, komt de voorziening van basisbehoeftes nog verder in gevaar.

Tegen deze gang van zaken protesteren nog wat (inter)nationale boerenorganisaties (gelukkig ook het NAJK met 12.000 jonge boeren), een enkele politieke partij, en wat roepende wetenschappers en kleine NGO’s in het Noorden, maar gelukkig ook veel NGO’s en wetenschappers uit het Zuiden. Juist dat laatste is hoopvol, want juist zij zouden geloofwaardig moeten zijn, omdat ze zo dicht bij het vuur zitten. Misschien zouden meer mensen zelf moeten gaan kijken in ontwikkelingslanden, om te ervaren wat natuur is, en wat de voorziening in basisbehoeftes inhoudt. Misschien komen we er dan achter dat (lichamelijke en geestelijke) basisbehoeftes waaronder sociale acceptatie ook bereikt kan worden buiten luxe-consumptie om.
De kengetallen economische groei, BNP en andere macro-economische cijfers staan vooral in ontwikkelingslanden (waar nog geen systeem van sociale zekerheid via de staat is geregeld) zeer ver af van de voorziening in basisbehoeftes. Temeer omdat dit laatste ook buiten de macro- en nationale economie kan. Zo wordt India door de Wereldbank als een land gezien dat geprofiteerd heeft van de globalisering, terwijl het 200 miljoen ondervoede mensen heeft. Door deze verkeerde rekenwijze gaat economische ontwikkeling ten koste van zelfvoorzienende en natuurlijke economieën. Immateriële waarden als eeuwenoude lokale kennis van planten (voeding en geneesmiddelen), gemeenschapszin, familiebanden en een sociaal vangnet, sluitende kringlopen van zoet water en grondstoffen, natuur en landschap, hebben geen prijs, de vernietiging kost niets, en worden vaak afgedaan als valse romantiek. ‘Het Noorden’ weet wel wat goed voor hen is, ‘de vooruitgang’ (het Westerse ontwikkelingsmodel): opname in de mondiale markteconomie en consumptiemaatschappij, weg van het platteland, op naar beter betaald werk in de stad. Dit blijkt echter te vaak een sloppenwijk en/of een sweatshop in een free export zone, te zijn.

Die informele ‘achterlijke’ zelfvoorzienende economie, zoals o.a. Luuk van Middelaar deze omschrijft, heeft misschien toch meer voordelen. Bij de jacht door multinationals op nog lagere lonen en belastingen, en nog mindere eisen op gebied van milieu en arbeidsomstandigheden, blijkt namelijk dat deze nieuwe banen geen zekerheid bieden en weinig bijdragen aan de ontwikkeling van een land. Dit geldt vooral voor industrie op basis van laaggeschoolde arbeid, waarbij men nu vanuit duurdere ontwikkelingslanden (zoals Mexico en de Filippijnen) vooral naar China verhuist.

‘Wil je dan terug naar de jaren 50, jij hebt makkelijk praten?’ Nee want het voordeel van de huidige tijd is dat we als individu (weg uit het dorp, zoals bij mezelf) de mogelijkheid hebben van andere culturen en religies te leren, en zodoende onze eigen neoliberaliserings- en moderniseringsideologie, en onze reductionistische benadering in de wetenschap, politiek en media ter discussie te stellen.

Aanbevelingen:

* Erkenning dat duurzaamheid (met haar ecologische, economische en sociaal-culturele dimensies) betekent een leefbare aarde als basis voor een economische en sociaal stabiele menselijke samenleving op lange termijn. Dit betekent dat toekomstig beleid moet meehelpen aan het realiseren van de volgende voorwaarden voor een leefbare aarde:



  • er ontstaan sluitende kringlopen van zoet water, mineralen in de landbouw en van grondstoffen in de industrie, dit voorkomt aan de ene kant uitputting en aan de andere kant vervuiling;

  • energie wordt duurzaam opgewekt;

  • de biodiversiteit van planten, dieren en micro-organismen blijft behouden.

* ‘Traditionele landbouwtechnieken hebben zeer veel groeimogelijkheden, zoals bleek in India vlak na de onafhankelijkheid. In de periode 1949-1965 nam de productie van graan jaarlijks met ruim drie procent toe. Maar die groei vergt een zeer intensieve ondersteuning en bescherming van de dorpsgemeenschappen door de overheid, en een drastische beperking van de macht van de grootgrondbezitters en plantagehouders. En juist dat blokkeren het IMF, de Wereldbank en de WTO, hiertoe geïnspireerd door de agro-multinationals.’ (Smit, 2000, p.11)

Dit citaat vormt zowel een conclusie als een aanbeveling.

* Eckersley biedt binnen de markteconomie een goede combinatie van:


  • enerzijds kleinschalige activiteiten binnen lokale ecocentrische gemeenschappen, deze kunnen als voorbeeld dienen voor de rest van de maatschappij en zo de politiek van onderuit beïnvloeden;

  • en anderzijds een sterke overheid die zowel op nationaal - als internationaal niveau moet zorgen voor een goede verdeling van inkomens, gezondheid en zorg, onderwijs en welvaart tussen gemeenschappen, regio’s en nationale staten, en een verantwoord natuur- en milieubeleid dat ook rekening houdt met de niet-menselijke wezens en ecosystemen, en toekomstige generaties.

* Anderzijds leert Shiva ons dat waar zelfvoorzienende gemeenschappen in ontwikkelingslanden nog werken zonder schade voor het milieu terwijl wel in alle basisbehoeftes wordt voorzien, in ieder geval beschermd moet worden. De huidige globalisering zorgt voor de vernietiging van deze lokale en regionale economieën, den drijft steeds meer wanhopige en werkloze mensen in Noord en Zuid in de handen van rechts-extremisten. Sterke lokale economieën integreren gemeenschappen door algehele veiligheid te genereren en door culturen in zich op te nemen. Hines (2000) noemt dit ‘Protect the local, globally’.

Vooral in ontwikkelingslanden met een slecht ontwikkeld sociaal verzekeringsstelsel en een nationale overheid die niet alle bevolkingsgroepen en sociale klassen vertegenwoordigen, moeten deze zelfvoorzienende economieën worden beschermd tegen verdergaande liberalisering. Gemeenschappen en regio’s moeten de zeggenschap en democratische rechten terugkrijgen of behouden op hun eigen natuurlijke hulpbronnen en eigen ontwikkeling. Oplossingen hiervoor zijn een verbetering van de democratie (een betere behartiging van de belangen van rurale gebieden ten opzichte van de urbane bevolking), toekennen van vergaande autonomie (aan inheemse volkeren), landhervorming waarbij grond weer beschikbaar komt voor eigen voedselvoorziening in plaats van voor exportgewassen via grootgrondbezitters, en bindende (inter)nationale wetgeving aan landen en multinationals.

* Mondiaal zou hetzelfde principe toegepast moeten worden; regio’s moeten in staat zijn de basisbehoeftes van haar bevolking en het milieu te beschermen, en dus ook een (vooral zelfvoorzienend) landbouwbeleid te ontwikkelen dat hieraan voldoet. Maatgevend voor de grootte van deze regio, is de mate waarin een democratisch gekozen overheid de belangen van alle leden van haar bevolking kan behartigen. De grootte loopt dan uiteen van de EU, nationale lidstaten (bijvoorbeeld Zwitserland), provincies (bijvoorbeeld Kerala in India), tot autonome gebieden en dorpen (bijvoorbeeld bij inheemse volkeren).

* Er is wat mij betreft geen alternatief voor de markteconomie, maar deze zal wel aan strengere (inter)nationale overheidsregelgeving, via democratisch gekozen overheden, moeten voldoen op gebied van de voorziening van basisbehoeftes en het milieu. Hierbij kan internationale bindende overheidswetgeving aan het multinationale bedrijfsleven, op gebied van milieu, arbeidsomstandigheden, voedselzekerheid en –veiligheid, en de voorziening van andere basisbehoeftes, een hulpmiddel zijn, met de mogelijkheid tot sancties. Momenteel heeft alleen de WTO deze mogelijkheid tot sancties, en zij is dus als enige succesvol om internationale (handels)verdragen af te dwingen.

Overheidsregelgeving dient dus het maatschappelijk belang te beschermen en niet de belangen van het multinationale bedrijfsleven. Dit overheidsbeleid mag hierbij nooit als een handelsbelemmering worden beschouwd die door liberalisering en deregulering moet worden afgeschaft.

Zonder ondernemersschap via private vooral regionale en nationale bedrijven echter zal de productie veel inefficiënter plaatsvinden en verdwijnt de creativiteit uit de samenleving. Er moet dus een mix van overheid en markt zijn, waarbij de overheid de publieke goederen en diensten als water, energie, onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid levert en waarborgt. Dit zijn basisbehoeftes die voor iedereen toegankelijk moeten zijn, en waar een vraaggestuurde (lees: marktgerichte) benadering niet werkt, omdat alle burgers hieraan dezelfde kwaliteits- en hoeveelheidseisen moeten kunnen stellen (met eventueel een kleine bijbetaling).


* Om de normen en waarden te integreren die er werkelijk toe zouden moeten doen in deze wereld, en te werken aan de hervorming van de huidige dominante neoliberale ideologie, is er een dialoog noodzakelijk tussen alle religies en ideologieën op basis van gelijkwaardigheid.

Een belangrijk onderdeel van deze dialoog zou ook een andere wetenschappelijke benadering moeten zijn (Shiva), waarbij alternatieven voor het technische en westenschappelijke reductionisme kunnen worden verkregen uit onder andere een holistische integrale wereldvisie, en niet-westerse kennistradities (waaronder kennis van inheemse volkeren).

* Eckersley verdedigt een combinatie van idealisme en pragmatisme, creativiteit en kritische analyse, kleinschalige activiteiten en een sterke overheid, om de lange termijn op gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes te behalen.
2. De vrije markt theorie ter discussie

Deze conclusie schrijf ik naar aanleiding van het theoretisch kader in Hoofdstuk 3, mijn onderzoeksgegevens en literatuur op dit gebied (vooral FOEI, 2001a, p.7).

Door een vergelijking tussen theorie en praktijk is het mogelijk om aan te tonen of de vrije markt theorie goed wordt toegepast binnen de landbouw, of dat er sprake is van marktfalen. Dat de vrije markt faalt blijkt uit de volgende zaken:

* ‘De wereldhandel vormt veel meer een afspiegeling van de heersende economische en politieke machtsverhoudingen dan van het model van de comparatieve kostenverschillen. De overheersende machten neigen eerder naar uitbreiding van dit machtsoverwicht dan naar een situatie waarin de wereldhandel ook aan bijvoorbeeld grondstoffenexporterende ontwikkelingslanden betere vooruitzichten biedt.’ (Fluitman, 1998, p.25) Ik wil mij als conclusie van mijn scriptie hier bij harte bij aansluiten.

* Hines (2000, p.13) vindt dat vooral het begrip ‘macht’ en het bijbehorende voordeel in onderhandelingen niet in de handelstheorieën is verwerkt. Sommige actoren hebben meer militaire macht, hebben toegang tot subsidies (zoals de VS en de EU in tegenstelling tot veel ontwikkelingslanden) of hebben op basis van de historie een machtsbasis ten opzichte van de onderhandelingspartner opgebouwd (bijvoorbeeld door het kolonialisme of de huidige schuldenlasten). ‘Om succes te hebben op de nationale en internationale markt gaat het er vooral om een interne en externe politieke structuur te organiseren die het mogelijk maakt arbeiders te beheersen, toegang tot ruwe grondstoffen, markten en subsidies te verzekeren, om te kunnen gaan met verzet, en een wetgeving zo te beïnvloeden dat groei mogelijk is.’

* Een van de regels van perfecte marktwerking is dat alle kosten in de kostprijs zijn geïnternaliseerd, dit is vooral op milieugebied niet het geval. De eerste aanzetten voor de inzet van financiële instrumenten op gebied van milieuvervuiling zijn er wel, op gebied van milieu-uitputting ontbreken deze instrumenten echter. Ook worden activiteiten die negatieve effecten van de markteconomie moeten opruimen of herstellen, zoals het opruimen van milieuverontreiniging, positief gewaardeerd in de berekening van het BNP, terwijl deze eigenlijk als kosten zouden moeten aangemerkt.

* De vrije-markt-theorie zegt dat er alleen private goederen en diensten zijn, dat is rondom de landbouw zeker niet het geval. Of dit overigens wenselijk zou zijn is een andere kwestie. De natuur en (landbouw) biodiversiteit, een mooi platteland, rivierwater en water uit grondlagen voor irrigatie, traditionele kennis, gemeenschapszin en sociale controle in dorpen (ten opzichte van risico’s op criminaliteit, dakloosheid en sociale uitsluiting in de stad), zijn allen factoren die niet kunnen worden beschouwd als private goederen of diensten, of goederen en diensten waarvoor een prijs bepaald wordt. Dit zijn allen goederen of diensten die als publiek of gemeenschappelijk goed worden beschouwd.

Het nadeel hiervan is dat het verminderen of zelfs verdwijnen van deze goederen of diensten, niet negatief meeweegt in de economische berekeningen, die vooralsnog alles bepalend zijn voor wat belangrijk is in deze wereld. Aan de andere kant krijgt de boer ook geen beloning als hij een bijdrage levert aan deze publieke goederen.

Het voordeel van publieke en gemeenschappelijke goederen en diensten is dat alle burgers toegang hebben tot deze goederen en diensten, ongeacht de hoeveelheid geld die hij heeft. In een wereld met alleen private goederen waar we door toenemende privatisering en liberalisering naar toe gaan, hebben alleen consumenten met voldoende geld toegang hiertoe.

Bij het TRIPs-verdrag over eigendomsrechten op levend materiaal, blijkt dit daarom ook vooral tot problemen te leiden, voor boeren die hun eigen zaad willen vermeerderen. Dit kan er echter ook mee te maken hebben dat er ongelijke machtsverhoudingen zijn tussen de multinationals en lokale bevolking, die deze planten bijvoorbeeld veredelt heeft en hier geen revenuen voor terugziet, in tegendeel hij moet de multinational betalen.

Een ander voordeel van publieke goederen en diensten is dat het ethisch niet wenselijk is om alle zaken rondom het leven in geld te moeten uitdrukken.

* Het comparatieve kostenmodel gaat uit van immobiel kapitaal dat alleen in de eigen nationale staat geïnvesteerd zal worden. Het tegendeel is waar momenteel, met miljarden dollars per dag aan flitskapitaal op zoek naar het hoogste rendement.

* Van volledige informatie en concurrentie is geen sprake als we zien hoe groot de machtsconcentraties zijn bij multinationals in de toevoer en afvoer naar en vanaf de landbouw. Ook consumenten zijn dan verliezers van het gebrek aan concurrentie zoals we zagen bij de koffieprijs in de winkel. Op dit moment is er (gelukkig) ook geen sprake van vrije concurrentie want dat zou betekenen dat alle handelsbelemmeringen zouden zijn weggenomen. Voor een aantal producten zijn de handelsbelemmeringen wel grotendeels weggenomen (koffie, graanvervangers (zoals maïsgluten) en eiwit- en oliehoudende gewassen bijvoorbeeld naar de EU.)

* Daarbij is binnen de landbouw sprake van producten met een lange tijd tussen zaaien en oogsten, hierdoor kan de boer niet snel inspelen op vraag en aanbod. Dit is vooral zo bij koffie dat een langjarig gewas is en pas na een aantal jaren geoogst kan worden. Ook suikerriet is een meerjarig gewas overigens.

Ook sociaal culturele oorzaken zorgen ervoor dat een boer niet snel zijn bedrijf verlaat, en dus het aanbod vrij inelastisch is. Landbouwers reageren vaak niet op toegenomen concurrentie door goedkope producten, met het uit de landbouw stappen (Koning, 2001, p.6) door culturele en individuele factoren o.a. (familiebedrijf, traditie, gevoel van falen, geen andere opleiding), maar door eerst via intensivering te proberen zelf de productie te verhogen om de kosten te verlagen per eenheid product. Hierbij kreeg men in de twintigste eeuw ook steun van de overheid, via onderzoek en onderwijs, en subsidies op uitbreiding (b.v. de WIR-premie in Nederland). Hierdoor werd overproductie gestimuleerd. Uiteindelijk verloren veel bedrijven alsnog deze concurrentieslag. Koning verwacht daarom dat liberalisering zonder inkomenstoeslagen, uiteindelijk zal leiden tot specialisatie binnen de EU voor enkelen, en veel uitstroom van boeren door gebrek aan alternatieve inkomstenbronnen (toerisme, natuurbeheer).

* Er is geen sprake van een level playing field van gelijke milieu-, arbeids- en dierenwelzijnseisen in de internationale handel van landbouwproducten. Enerzijds zijn de normen in het Noorden over het algemeen hoger, waardoor bijvoorbeeld suiker uit suikerbieten duurder kost dan uit suikerriet. Anderzijds hebben ontwikkelingslanden te maken met schuldenlasten en neoliberale doktors als IMF en Wereldbank waardoor men niet als land, en zeker niet als regio of lokale gemeenschap, kan beslissen hoe haar economische ontwikkeling er uit zou moeten zien. Dit maakt vrije handel van producten op basis van de werkelijk gemaakte kosten zeer moeilijk.

* Door protectie wordt volgens de theorie voorkomen dat de efficiëntie verbeterd wordt in de productie. Volgens Koning (2001, p.5) blijkt dat landen met een hoge protectie voor de handel in landbouwproducten inderdaad een lagere productiviteitsgroei hebben dan landen met gematigde protectie. Deze laatste hebben echter ook een hogere productiviteitsgroei dan landen met lage protectie.

* Landbouwproducten zijn zoals gezien in Hoofdstuk 3.3 niet te beschouwen als ‘normale goederen’, omdat ze een basisbehoefte van mensen betreffen, levende wezens betreffen, over het algemeen vraag- en aanbodsinelastische producten betreft, landbouw gepaard gaat met andere waardevolle functies en de individuele boer weinig invloed heeft op de prijsvorming. Alleen al om deze reden moet zeer terughoudend worden omgegaan met vrije handel van landbouwproducten, ook al zou aan bovenstaand marktfalen tegemoet worden gekomen.


* Vrijhandel blijkt vooral te gaan om ‘een afschaffing van beschermende maatregelen voor kleine en middelgrote boeren en de nationale industrie, zodat multinationals meer mogelijkheden hebben.’ Door de armoede bij arbeiders en boeren wordt hun vrijheid in het dagelijkse leven of om hun eigen voedsel te verbouwen eigenlijk drastisch verminderd. Bovendien dwingen de Wereldbank en het IMF de zogenaamde liberaliseringsmaatregelen af als een Derde Wereldland door economische problemen (mede door ons veroorzaakt GG) met de rug tegen de muur staat. Vrijhandel en liberalisering staan in de praktijk voor dwang en ontbering voor een belangrijk deel van de bevolking van de Derde Wereld. Met dit soort termen vergiftigen de multinationals en ‘hulpvaardige’ topambtenaren, politici en journalisten onze taal.’ (Smit, 2000, p.31) Ik had het niet beter kunnen zeggen.


Aanbevelingen (zie ook bij 4. en 5. o.g.v. multinationals):

* Het internaliseren van alle milieukosten in de verkoopprijs, met name voor chemische en organische vervuiling, bijdrage aan het broeikaseffect, verzilting, uitputting van zoet water en vruchtbare bodems, verlies aan (agrarische) biodiversiteit en natuurgebieden. Hierbij is de eerste prioriteit een internationale heffing (via de VN) op fossiele brandstoffen om de huidige bijdrage van de mondiale productie en handel van landbouwproducten aan het broeikaseffect (waarschijnlijk de belangrijkste economische sector (Hines, 2000, p.209), drastisch te verminderen. Hierdoor zou er een stimulans ontstaan om het vele transport en ander gebruik van fossiele brandstoffen (als bijdrage aan het broeikaseffect) in deze naar verwachting meest vervuilende economische sector te verminderen, en over te gaan naar een meer regionale landbouwproductie.


* Overheidsingrijpen in de productie en handel van landbouw blijft noodzakelijk om het multifunctionele karakter van de landbouw, waarbij ook de bijdrage aan tal van publieke diensten wordt gewaarborgd. Ook is dit overheidsingrijpen noodzakelijk om de basisbehoefte voedsel (hoeveelheid en kwaliteit) veilig te stellen in zowel eigen land als de (mogelijke) exportlanden, het milieu, het dierenwelzijn en de rechten van arbeiders in eigen land en mogelijke exportlanden te beschermen, en de rurale economie en de leefbaarheid op het platteland te beschermen.

* Bepaalde goederen en diensten dienen weer publiek te worden, met name de mogelijkheid om zaden te mogen vermeerderen voor eigen gebruik.


3. De ongelijke uitgangssituatie: Schuldenproblematiek, Wereldbank en IMF

* De schuldenproblematiek is ontstaan in de jaren ‘70 en ’80 van de vorige eeuw, en heeft zich hierna steeds verder verergerd. Het Noorden heeft hier via particuliere banken, bilaterale leningen via nationale overheden, IMF- en Wereldbankbeleid met als doel leningen te verstrekken zonder directe ontwikkelingsrelevantie en vooral rendement te behalen, het verstrekken van exportkredieten, en samenwerking met corrupte machthebbers en dictators, direct invloed op (gehad). Bij de opbouw van deze schulden, is en was vaak de steun aan het internationale bedrijfsleven, boven dat van de basisbehoeftes van mensen in ontwikkelingslanden, kenmerkend.

* Het mag duidelijk zijn uit Hoofdstuk 4 dat de Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van de Wereldbank en IMF, die worden opgelegd bij betalingsbalansproblemen, door vooral de schuldenlast, vele nadelige effecten hebben gehad voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes. Ook deze SAP’s staan vooral ten dienste van de elite en buitenlandse investeerders, en hadden vaak alleen ten doel geld te genereren voor afbetaling van schulden. In 91,5% van de landen met onhoudbare schulden (HIPC-landen), is de schuld zelfs gestegen na een SAP.

* De neoliberale visie op economische ontwikkeling heeft mede tot deze verergering van de problematiek geleid. Er is werkelijk alles aangedaan om zelfvoorzienende gemeenschappen en lokale economieën te ontwrichten via het exportgeleide model, waarbij exportlandbouw prioriteit krijgt boven eigen voedselvoorziening en importsubstitutie via een eigen industrie werd bemoeilijkt. Gemeenschappelijke gronden worden hierbij via landhervormingen vaak verplicht omgezet in privé eigendom (zoals in Papua Nieuw Guinea en de Filippijnen), met als gevolg schaalvergroting en productie voor de (export)markt.

Ook de winning van mineralen, fossiele brandstoffen, kap van tropische regenwouden, aanleg van plantages en garnalenkwekerijen kan direct in verband worden gebracht met schuldenlasten en daarop volgende SAP’s. Een onderdeel hiervan was dat de ontwikkelingslanden gedwongen waren hun markten te openen voor Noordelijke landbouwproducten, met als gevolg desastreuze concurrentie voor de plaatselijke boeren waardoor velen hun bedrijf hebben moeten opgeven.

* Geconcludeerd mag worden dat niet alleen onwetendheid of een verkeerde visie bij de Wereldbank en het IMF hebben geleid tot de vele problemen, maar dat de wens tot armoedebestrijding en economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden een soort ‘greenwashing’ van de Wereldbank en IMF is, om rendementen te behalen op uitgeleend geld. Uit de voorbeelden in Hoofdstuk 4 wordt ook duidelijk dat de belangen van het multinationale bedrijfsleven daarbij voorop staan, bijvoorbeeld om nieuwe markten te creëren of open te breken voor bestrijdingsmiddelen, zaden, kunstmest, en/of overschotten van graan en maïs, of door het investeringsklimaat te verbeteren door het afschaffen van hinderlijke overheidswetgeving.

* Ditzelfde geldt binnen de Export Credit Agencies, die het Westerse bedrijfsleven helpen in de meeste obscure projecten (wapenhandel, oliewinning, mijnbouw, waterdammen) zonder openheid van zaken te geven. De bedragen die hier mee gemoeid zijn worden echter wel bij de schuldenlasten van ontwikkelingslanden opgeteld. Zowel de Wereldbank, IMF en de Nederlandse Crediet Maatschappij (wanneer Nederland schulden kwijt scheldt), worden betaald met Nederlands belastinggeld dus met instemming van het Nederlandse parlement.

Aanbevelingen

* De schulden aan de armste landen (LDC’s) moeten worden kwijtgescholden, onder voorwaarde dat de vrijkomende gelden worden ingezet in een duurzame ontwikkeling. Deze kwijtschelding moet verder gaan dan het huidige HIPC-initiatief (Heavily Indebted Poor Countries), dat maar een aantal landen betreft, maar een gedeelte van de schuld betreft, terwijl de landen ook aan de genoemde Structurele Aanpassings Programma’s moeten voldoen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

* Ook aan andere ontwikkelingslanden moet in ieder geval het onhoudbare deel van de schuldenlast worden kwijt gescholden, onder dezelfde voorwaarden.

* Door een heffing te leggen op de internationale financiële stromen, de zogenaamde Tobintax, zou niet alleen het flitskapitaal op zoek naar de hoogste rendementen worden belemmerd, maar ook geld kunnen worden gegenereerd voor deze schuldkwijtschelding.

* Het concept ‘ecologische schuld’ zou moeten worden gerespecteerd door het Noorden. Hierbij wordt het Noorden aansprakelijk gesteld voor die uitputting en vervuiling van natuur en milieu in ontwikkelingslanden, die veroorzaakt is door haar dominante economische exportgerichte model, kolonialisme, economische en politieke overheersing via internationale instellingen, en overconsumptie ten koste van de bevolking in het Zuiden. (Green Pepper, 2001, zie bijlage 1)

* Om nieuwe schulden te voorkomen mogen exportkredieten, bilaterale - en multilaterale leningen (via Wereldbank en IMF) alleen worden gebruikt voor goederen en diensten die ontwikkelingsrelevant zijn op gebied van duurzaamheid. Ook is het hiervoor nodig dat de corruptie in ontwikkelingslanden wordt bestreden, en er meer nadruk komt op democratie en goed bestuur, zodat het geleende en verdiende geld terecht komt bij alle bevolkingsgroepen.

* Er is een veel grotere nadruk op effectieve belastingwetgeving nodig, die er vooral voor zorgt dat investerende en inkopende multinationals hun rechtmatige deel afdragen aan nationale overheden.

* Een andere oplossing moet worden gezocht in de structuur van genoemde financiële instellingen, zodat het democratisch beginsel wordt gerespecteerd en bijvoorbeeld ontwikkelingslanden en alle bevolkingsgroepen in deze landen, een grotere invloed krijgen op het algehele (internationale) beleid, maar zeker op het beleid in hun eigen land.

* De Wereldbank en IMF zouden met veel onderzoek in de ontwikkelingslanden zelf, en niet alleen met economische modellen vanuit hun hoofdkantoren moeten evalueren of hun programma’s voor armoedebestrijding en ontwikkeling, wel daadwerkelijk effectief zijn.

Hiervoor kan het nuttig zijn om wat meer antropologen, ontwikkelingskundige, landbouwexperts en milieukundigen in dienst te nemen. De belangen van de informele zelfvoorzienende economieën zouden een veel groter prioriteit moeten krijgen.

* Het is ook duidelijk dat de Wereldbank en IMF vanuit de donorlanden en daarin gevestigde multinationals de taak krijgt vooral het neoliberale beleid door te zetten. Er zal in deze donorlanden dus meer druk moeten worden uitgeoefend vanuit het parlement en NGO’s op de ministeries van Financiën, om erop toe te zien dat men het geld werkelijk inzet voor een duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, in plaats van op de huidige activiteiten en beleidsmaatregelen die duidelijk averechtse effecten hierop hebben.

* Binnen de landen zelf moeten Wereldbank- en IMF-programma’s die het bezit van gemeenschappelijk land ontmoedigden of zelfs verbieden worden teruggedraaid. Waar er een grote concentratie van land is ontstaan bij grootgrondbezitters moet dit hersteld worden via een landhervorming. Alleen op deze manier kan de voortdurende (door geweld gedwongen) trek van landloze boeren naar natuurgebieden (zoals tropisch regenwoud) en berghellingen (met grote risico’s op bodemerosie), en naar de sloppenwijken van de stad, worden gestopt.

* Ook de verplichting binnen SAP’s om de markten te openen voor buitenlandse landbouwproducten, moet meteen worden gestopt. Ontwikkelingslanden (waarbij meestal zo’n groot deel van de bevolking werkzaam is in de landbouw) moeten in staat worden gesteld hun voedselproductie en rurale economie te beschermen.

4. Vaak de verkeerde oplossing: de exportgeoriënteerde benadering in de landbouw

* De teelt van gewassen voor de (export)markt kan een land en boeren noodzakelijke deviezen opleveren. Er moet dan wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, eerste voorwaarde is een kostendekkende prijs waarin ook eventuele nadelen voor het milieu zijn geïnternaliseerd, en verder geen nadelige effecten op gebied van voedselzekerheid (op de lange termijn). Momenteel voldoen vanuit ontwikkelingslanden alleen via Fairtrade verhandelde producten aan deze principes. Export vanuit ontwikkelde landen gaat vaak gepaard met oneigenlijk subsidies, terwijl ook deze producten voor een groot deel niet milieuvriendelijk zijn geproduceerd.

* De sociaal-economische nadelen (inclusief de voorziening in basisbehoeftes) van (industriële) exportlandbouw zijn in vooral het Zuiden in de eerste plaats een verlies aan voedselzekerheid door: gedwongen verlaten van grond door geweld (zoals door milities van grootgrondbezitters met suikerrietplantages in Brazilië), het stimuleren van internationale instellingen en nationale overheid van grootgrondbezit voor de export ten opzichte van eigen voedsellandbouw (dit leidde ook tot een meer eenzijdig dieet), het bevoordelen van stedelijke - boven plattelandsbevolking (waardoor dumping vanuit het Westen werd toegelaten), en het aangaan door kleine boeren van leningen voor de aankoop van Westerse inputs die bij misoogsten of lage prijzen kunnen leiden tot de verkoop van de grond. Deze oorzaken leiden gecombineerd met mechanisatie ook tot een afname van de werkgelegenheid van landarbeiders. Ook in het Noorden hebben veel boeren hun bedrijf door schaalvergroting en een uitbreiding van de industriële landbouw moeten verlaten.

Er traden ook problemen op gebied van voedselveiligheid op in Noord en Zuid doordat er producten worden ingevoerd met residuen van (in het Noorden verboden) bestrijdingsmiddelen, hier verboden genetisch gemanipuleerd veevoer waardoor nagenoeg alle dierlijke producten ‘besmet’ zijn, en het gebruik van antibiotica en hormonen.

De ongelijkheid binnen en tussen landen nam toe door ruilvoetverslechtering, dumping en tariefescalatie op bewerkte producten vanuit het Noorden. In deze ruilvoetverslechtering is duidelijk de invloed van de SAP’s terug te vinden o.a. doordat men de munt moet devalueren, waardoor inputs duurder worden. Verder wordt in alle landen met schulden dezelfde exportgeleide ontwikkeling opgelegd. Dit stimuleert overproductie. Ook multinationals hebben baat bij deze overproductie zoals de koffiecase in Hoofdstuk 6 verduidelijkte. Nestlé is ondanks een grote overproductie van koffie die talloze boeren mondiaal diep in de problemen heeft gebracht, al weer bezig met de aanleg van nieuwe plantages in Laos en Thailand.

De hele ontwikkeling van overproductie in de granen wordt volgens Smit (2000) gestimuleerd door multinationals als Cargill, omdat zij enerzijds verdienen aan de inputs, en vervolgens de overschotten voor lage prijzen kunnen opkopen en voor hogere prijs kunnen verkopen op de wereldmarkt, waar ze vaak kleine boeren wegconcurreren in ontwikkelingslanden. Alle maatregelen om de productie te beheersen, kwaliteitsnormen te verhogen en andere handelsbelemmerende maatregelen kunnen dus op veel kritiek rekenen vanuit deze multinationals. Een systeem van inkomenstoeslagen, geen quotering en dus lage prijs door overproductie is ideaal om veel te kunnen handelen op de wereldmarkt, en veel inputs te kunnen verkopen. De lage prijs voor granen heeft echter niet geleid tot een daling van de consumentenprijzen voor producten waarin deze zijn verwerkt.

* Verder leidt de toenemende macht en concentratie van multinationals in de gehele voedselketen ertoe dat boeren wereldwijd met elkaar concurreren, men een grote invloed op de prijsvorming heeft, er grote verschillen bestaan tussen de boerenprijs en de consumentenprijs, boeren min of meer gedwongen worden tot het gebruik van dure inputs, men landen onder druk kan zetten lage of geen belastingen te heffen en lage normen hanteert op gebied van milieu- en arbeidsomstandigheden. Hierbij wordt ook zeer weinig belasting geheven, in de free export zones zelfs helemaal geen. Dit heeft vooral bij bedrijven met laaggeschoolde arbeid, weinig met ontwikkelingsrelevantie te maken, omdat bedrijven wanneer ze niet de prikkel hebben om te investeren net zo gemakkelijk naar een ander land kunnen gaan waar de kosten door een gebrekkige regelgeving en minder belastingen nog lager liggen. Ook via transfer pricing wordt veel belasting ontdoken.

* Voor zowel in Noord en Zuid is er verder een groter risico op de verspreiding van ziektes die de voedselvoorziening in gevaar brengen, is er een enorm aantal mensen die voor de bouw van grootschalige waterdammen voor o.a. irrigatie hun grondgebied hebben moeten verlaten, wordt de leefomgeving door het verdwijnen van natuurgebieden en een mooi platteland steeds eentoniger, treedt er een toenemende vervreemding van de burger op van de eigen voedselvoorziening en de natuur, zijn er toenemende conflicten (te verwachten) met bijbehorende vluchtelingen die hun grondgebied gedwongen moeten verlaten om onder andere door exportlandbouw uitgeputte hulpbronnen, zijn er toenemende overstromingen en droogtes als gevolg van het mede door exportlandbouw vergrote broeikaseffect, en deze natuurrampen kunnen de kans op conflicten om hulpbronnen ook weer vergroten.

* De industriële exportlandbouw heeft de volgende negatieve gevolgen voor het milieu (op de lange termijn): uitputting van hulpbronnen met name van zoetwater en vruchtbare bodems (doordat sluitende kringlopen worden doorbroken), bodemerosie, natuurvernietiging en teruggang van biodiversiteit (direct bij aanleg van plantages, of indirect doordat de armste bevolking de natuurgebieden in wordt gedrongen omdat grootgrondbezitters de beste landbouwgrond hebben ingenomen), vervuiling van het milieu met bestrijdingsmiddelen en (kunst)mest, verzilting van bodems door irrigatie en teruggang van de agrarische biodiversiteit. Hierbij spelen multinationals die hun zaden, bestrijdingsmiddelen en kunstmest willen verkopen een grote rol.

* Daarnaast draagt exportlandbouw bij aan het broeikaseffect onder andere door het verbruik van energieverslindende inputs, en voor het transport van inputs en landbouwproducten. Zo is de energie-efficiëntie van deze industriële landbouw veel lager dan traditionele systemen. Dit broeikaseffect kan zeer nadelige gevolgen hebben in de toekomst voor de landbouw door toenemende droogtes, overstromingen en het niet meer kunnen beschikken over gletsjerwater in hooggelegen gebieden. In de toekomst zijn vooral genetisch gemanipuleerde gewassen die veelvuldig in exportgewassen als katoen, soja en maïs worden toegepast, een gevaar voor ecosystemen en de diversiteit aan rassen en gewassen.

* Natuurlijk spelen niet alleen exportgewassen een rol bij milieuproblemen als watertekorten en bodemuitputting. Maar in het minst ergste geval worden al bestaande problemen om de (vaak toenemende) eigen bevolking te voeden, er in ieder geval door verergerd.
Aanbevelingen

* Om milieueisen en de voorziening van basisbehoeftes voldoende tot hun recht te laten komen zou uiteindelijk gestreefd moeten worden naar regionale zelfvoorzienendheid (maximaal ter grote van nationale staten of de EU) van eigen voedselproductie, met zeer beperkt gebruik van fossiele brandstoffen en chemische middelen. Ook blijven of worden hormonen, antibiotica en genetische manipulatie van gewassen en dieren verboden. (Veilig) diermeel wordt weer toegestaan in het veevoer voor varkens en kippen, om de nodeloze vernietiging van eiwitten te voorkomen, en overbevissing en genetisch gemanipuleerde soja in het veevoer tegen te gaan. Door deze zelfvoorzienende landbouw blijven kringlopen van zoetwater en mineralen gewaarborgd, wat aan de ene kant betekent geen uitputting en anderzijds geen vervuiling. In de plaats van het gebruik van veel inputs, zou een combinatie van lokale kennis met westerse kennis via de LEISA-methode (Low External Input Sustainable Agriculture) op de lange termijn het meeste opleveren.

Deze zelfvoorzienende landbouw zorgt ook voor een behoud en/of toename van de voedselzekerheid en –veiligheid, een afname van de vervreemding tussen de burger en zijn voedselproductie, houdt het sociale vangnet op het platteland in stand in ontwikkelingslanden, kan meehelpen een mooi platteland en natuurgebieden te behouden, draagt veel minder bij aan het broeikaseffect en toekomstige conflicten om oprakende hulpbronnen. Hierdoor is er ook minder reden om als gevolg van oorlogen, nadelige milieu-effecten, de bouw van waterdammen, de afname van het grondgebied (vooral bij inheemse volkeren) of om economische redenen te moeten vluchten (naar het Noorden).

* Uitgangspunt moet zijn de landbouwproductie te richten op de eigen voedselmarkt tegen een kostendekkende prijs als uitgangspunt, met een afscherming van de buitengrenzen tegen dumping of kwalitatief slechte importen. Ook de eigen economie kan hiervan profiteren, door zelf de bewerking in eigen hand te nemen, in ieder geval voor die producten die in de eigen regio blijven Een voorbeeld hiervan is de provincie Kerala in India. De communistische deelregering heeft gezorgd via gratis onderwijs en gezondheidszorg voor een scholingsgraad van 90% en een levensverwachting van 72 jaar. Daarbij heeft men westerse producten als frisdranken (die de Indiase drank- en levensmiddelensector heeft weggeconcurreerd sinds de SAP’s), tandpasta en zeep (omdat men wordt overspoeld met Maleisische palmolie)in de ban gedaan, en gebruikt weer de eigen traditionele producten zoals kokossap, kokosolie gemengd met soda en kruiden (zeep) en kruiden (om tanden te poetsen). Dit doet men in lijn van Gandhi die streefde naar het Swadeshi-ideaal; geheel zelfvoorzienende boerengemeenschappen, zodat zij de producten van de Britse kolonisator niet nodig hadden. (NRC (4), 19-2-2002)

* Als er toch gehandeld wordt in met name tropische voedselproducten moet hiervoor een eerlijke prijs worden betaald, bijvoorbeeld volgens een uitgebreid met milieueisen Fairtrade-principe. Deze export mag niet ten koste gaan van eigen voedselzekerheid.

* Ook zouden meer ontwikkelingslanden die dezelfde grondstof of landbouwproduct exporteren, zich moeten verenigen volgens het OPEC-principe, waardoor men veel machtiger wordt ten opzichte van de multinationals en handelaren. Door productieafspraken te maken kan men overproductie dus lage prijzen voorkomen. Vooral voor koffie is dit zeer van belang, ook al door de lange tijd voordat er geoogst kan worden.

* Om honger en ondervoeding te voorkomen is het goed om als boer niet alleen afhankelijk te zijn van cash crops als suikerriet en koffie. Bij dalende wereldmarktprijzen kan men zodoende in ieder geval haar eigen voedsel gebruiken. In Kenia zijn goede resultaten behaald met behulp van NGO’s om naast suikerriet ook eigen voedselgewassen te verbouwen. Daarnaast zijn hier goede resultaten behaald met biologische teelt van suikerriet op kleine percelen, met gebruik van kleinschalige irrigatie. (Sustain 2)

* Verder moet de verwerking van deze landbouwproducten in de ontwikkelingslanden zelf worden gestimuleerd, via het afschaffen van tariefescalatie op bewerkte landbouwproducten die door de Noordelijke landen worden toegepast om de eigen industrie te beschermen.

* Ook moeten de exportsubsidies en de inkomenstoeslagen van de EU (en de VS), exportkredieten en oneigenlijke noodhulp worden afgeschaft. Om het milieu en de voedselzekerheid te beschermen in ontwikkelingslanden zouden Noordelijke landen onbewerkte landbouwproducten moeten weren wanneer deze niet voldoen aan verhoogde normen voor milieu (inclusief uitputting van bodem en water, verlies van natuurgebieden), arbeidsomstandigheden, behoud van voedselzekerheid, en een eerlijke prijs opleveren voor de producenten.

* De concentratie van multinationals in de aanvoer, handel en verwerking in de voedselketen moet een halt toe worden geroepen, via nationale en internationale mededingingsorganisaties. Hierdoor wordt hun invloed op de prijsvorming ten opzichte van de boer en de consument verminderd. Er is ook een veel grotere bewustwording nodig bij consumenten, over onzichtbare multinationals in deze voedselketen als Cargill. Uiteindelijk moeten alle multinationals voldoen aan de normen van het genoemde uitgebreide Fairtrade-principe.

* De macht van multinationals kan alleen in de juiste richting worden bewogen via bindende regelgeving via nationale en internationale (VN) verdragen, vrijwillige afspraken via convenanten, public-private partnerships werken niet voldoende. Deze bindende regelgeving met sanctiemogelijkheid moet gelden op gebied van arbeidsomstandigheden, milieu- en natuurbehoud, dierenwelzijn en bescherming van voedselveiligheid en voedselzekerheid, en deze verdragen moeten gelden boven WTO-verdragen. (zie ook 5. bij de WTO)

Dit betekent ook dat de boeren die aan deze eisen voldoen, een kostendekkende prijs kunnen krijgen, wat mogelijk wordt via eerder genoemde productiebeheersing. De zojuist genoemde eisen gaan ook gelden voor bilaterale hulp en hulp via Wereldbank en IMF. Hierdoor worden problemen als in Vietnam bij de aanleg van koffieplantages voorkomen.

* Natuurlijk is binnen veel ontwikkelingslanden nog geen sprake van een democratisch gekozen overheid, daarbij hebben veel landen nog te maken met corruptie. Hierbij zijn echter ook vaak westerse (investerende) bedrijven betrokken die in ruil voor betaling aan machthebbers een voor hen voordelige behandeling, gebrekkige wetgeving en weinig belasting kunnen verwachten.

Zie ook de aanbevelingen bij het GLB over bindende EU- en nationale wetgeving ten aanzien van verwerkende industrie en detailhandel.
5. Een aanpassing van het landbouw- en handelsbeleid binnen EU en WTO
Conclusies ten aanzien van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU

* Op dit moment wordt er een behoorlijk groot bedrag uitgegeven via het GLB, dat komt omdat enerzijds exportsubsidies betaald worden, en anderzijds inkomenstoeslagen. Beide werken nog steeds overproductie in de hand, die schadelijk is voor ontwikkelingslanden.

* Aan de andere kant laat de EU op grond van afspraken met de VS, tariefvrij (genetisch gemanipuleerd) veevoer toe, zoals graanvervangers als maïsgluten, en eitwit- en oliehoudende gewassen als soja(schroot), uit voornamelijk de VS en Zuid-Amerika. Intensieve veehouderij die gebruikt maakt van dit goedkoop veevoer, wordt hierbij bevoordeeld boven extensieve rundveehouderij die juist benadeeld werd door lage prijzen als gevolg van liberalisering en concurrentie vanuit andere landen.

* Alleen voor suiker en zuivel is er nog een redelijk goed werkend productiebeheersingssysteem, er is echter een risico dat dit onder invloed van de WTO moet worden opgeheven.

* Boeren krijgen van oudsher en zeker door de huidige (voorgestelde) maatregelen geen kostendekkende prijs waarmee ze maatschappelijk verantwoord kunnen produceren. Hierbij speelt een niet geharmoniseerde en een te laag niveau van EU-wetgeving op gebied van milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn ook een rol. Daarbij zijn milieukosten nog verre van geïnternaliseerd in de kostprijs.

* Er treedt ook oneerlijke concurrentie op tussen boeren binnen lidstaten, omdat detailhandel en verwerkende industrie de producten daar kunnen kopen binnen de EU waar de kosten het laagst zijn, wat vaak inhoudt dat daar de milieueisen of dierenwelzijnseisen ook het laagste zijn. Landen als Nederland leggen zwaardere normen op aan haar boeren, dan aan haar detailhandel en verwerkende industrie, waardoor deze oneerlijke concurrentie in stand gehouden wordt.

* De liberalisering binnen de EU en de NAFTA heeft daarbij tot een enorme teruggang in aantal boeren geleid, een proces dat zich via een ondoordachte EU-uitbreiding, de WTO en de FTAA (Amerikaans vrijhandelsverdrag) op nog veel drastischere wijze zal voortzetten. Vooral in landen met toch al een hoge werkloosheid (zoals Polen met 18 %) zal dit tot enorme sociale problemen leiden. Ook zal de verwachte schaalvergroting zeer nadelige gevolgen hebben voor natuur, landschap en milieu.
Aanbevelingen:

* Eerste uitgangspunt moet zijn dat de liberalisering van de handel in landbouwproducten geen natuurverschijnsel is waar we niet onderuit kunnen, maar een menselijke beslissing die we met rationele argumenten kunnen terugdraaien indien we dit wensen.

* Als men de exportgerichtheid binnen de EU op zou geven, de liberalisering zou stoppen en terugdraaien, en zich vooral zou richten op de voorziening van voedsel voor de eigen burgers, zou het EU-budget duidelijk kunnen dalen waarbij wel aan alle maatschappelijke eisen zou kunnen worden voldaan. Dit is goed mogelijk omdat de EU nu niet zelfvoorzienend is door de grote hoeveelheden veevoer die zonder importheffingen worden ingevoerd. Deze importheffingen op veevoer moeten weer worden ingevoerd. Hiermee wordt ook voorkomen dat zoals nu, nagenoeg alle dierlijke producten (behalve biologisch voedsel) die afkomstig zijn van dit veevoer, genetisch gemanipuleerde bestanddelen kunnen verwachten.

Ook is het noodzakelijk dat de exportsubsidies worden afgeschaft, en ook de verlaging van de importheffingen en prijsondersteuning voor met name graan en rundvlees, wordt teruggedraaid. Uitgangspunt wordt dus weer een kostendekkende prijs voor een kwalitatief goed product van de boer, waarbij hij wel zal moeten voldoen aan strengere milieu-, voedselveiligheids- en dierenwelzijnseisen. Hierdoor kunnen de hectaretoeslagen en dierpremies vervallen, deze worden nu namelijk nog misbruikt als verkapt dumpingsinstrument, en kosten veel geld. Door de invoering van een productiebeheersingssysteem afgestemd op de consumptie van de EU, zal hierbij ook worden voorkomen dat er veel geld nodig is prijsondersteuning. Dit systeem moet gaan gelden voor alle grondgebonden landbouwproducten, maar onderzocht moet worden of ook tuinbouw- en intensieve veehouderijproducten binnen dit systeem kunnen worden geïntegreerd. Dit alles betekent een drastische aanpassing die niet in lijn ligt met de huidige mid-termreview van Fischler. Deze heeft namelijk de liberalisering binnen de WTO als uitgangspunt genomen.

* Wel zal er geld nodig zijn voor extra milieu- , platteland- en natuurinspanningen via groene diensten, die boven een aangescherpt en geharmoniseerd eisenpakket worden verricht. Ook zal de steun aan kleine boeren en minder ontwikkelde gebieden moeten worden gewaarborgd, waaronder boeren in nieuwe EU-lidstaten. Ook moet er gewaakt worden dat er teveel steun gaat naar grote boeren, via een maximum per werkzame boer of arbeider (op grote bedrijven).

* Voor veel producten zou het GLB zoals dit geldt voor suiker als voorbeeld kunnen dienen, dit werkt nu kostenneutraal voor de EU, terwijl de boeren toch een kostendekkende prijs krijgen. Het recept is hoge importtarieven, productiebeheersing, en zelfs toegang van ontwikkelingslanden (de ACP-landen) voor een hoge prijs. Dit in tegenstelling tot bij het Everything But Arms-akkoord waarbij geen hoge prijs gegarandeerd wordt. (zie aanbevelingen WTO)

* Om gesubsidieerde export van suiker te verminderen is het wel noodzakelijk dat er een verdere productiebeperking in de EU optreedt. Export via de gesubsidieerde B-quota zou dus afgeschaft moeten worden, dit hoeft niet eens nadelig te zijn omdat de sector zelf de heffingen betaald om deze exportsubsidies mogelijk te maken. De Nederlandse Akkerbouw Vakbond heeft reeds een oplossing ontwikkeld om overproductie binnen het C-quotum te voorkomen, via een in te voeren rekeningcourantsysteem, waarbij overschotten of tekorten van het ene jaar kunnen worden doorgeschoven naar het volgende jaar.

* Genoemde voorstellen moeten ook gaan gelden voor boeren uit toekomstige lidstaten. Deze zullen dezelfde steun en bescherming moeten krijgen als boeren in de huidige lidstaten. Te meer omdat in landen als Polen een groot deel van de bevolking in de landbouwwerkzaam is, bij een hoge werkloosheid. Daarbij wordt hier over het algemeen op een milieu- en natuurvriendelijke manier landbouw bedreven, en is het landschap door de kleinschaligheid nog niet zo aangetast als in veel West-Europese landen. In de beginjaren van het GLB werd hier namelijk alles gezet op schaalvergroting en productieverhoging, met een grote mate van landinrichting die desastreus was voor de natuur en het landschap. Poolse boeren zouden bovenop de kostendekkende prijs, vooral extra inkomsten kunnen verdienen met groene diensten. Het is van groot belang dat boeren ook in deze landen met vaak een hoge werkloosheid, kunnen blijven bestaan als ondersteuning van de lokale economieën, het platteland en de natuur.


* De prijs die aan boeren betaald wordt zal door genoemde aanbevelingen zowel in de EU als in ontwikkelingslanden met een exportquotum naar de EU stijgen, met name door een internalisering van de milieukosten en verhoging van de andere maatschappelijke eisen. Door de verwachte prijsstijging zullen de laagste inkomensklassen gecompenseerd moeten worden als de kosten van hun voedselpakket zouden stijgen, bijvoorbeeld door een belastinghervorming. De overheid bespaart echter weer geld omdat de negatieve gevolgen voor het milieu nu niet meer uit belastinggeld hoeven te worden betaald.

Door de momenteel grote verschillen tussen de prijs die de boeren nu krijgen en de verkoopprijs in de winkel van dezelfde producten of van bewerkte voedingsmiddelen, is er ook nog wel een marge die een prijsverhoging aan de boeren mogelijk maakt, zonder dat de consumentenprijzen stijgen.

* Hiervoor is het noodzakelijk dat er een einde komt aan de toenemende concentratie via fusies in de verwerkende industrie en (detail)handel. Ook zal er sterker moeten worden gecontroleerd op prijsafspraken tussen deze bedrijven, via mededingingsautoriteiten die daarnaast hogere sancties moeten treffen bij overtreding.

* Binnen de EU wordt oneerlijke concurrentie tussen boeren voorkomen, door de mogelijkheid aan lidstaten te bieden dezelfde kwaliteitseisen te stellen aan producten die de detailhandel verkoopt of die de verwerkende industrie verwerkt, als de eisen die men aan de eigen boeren oplegt. Er zijn momenteel bijvoorbeeld verschillen tussen de lidstaten op gebied van bestrijdingsmiddelen. Tegelijkertijd worden de maatschappelijke eisen versneld geharmoniseerd op een hoger niveau binnen EU-wetgeving.

* Deze EU-eisen kunnen dan in de plaats komen van oneerlijke kwaliteitseisen die door de handel en verwerkende industrie zijn opgesteld, als EUREP-GAP. Deze eisen lijken namelijk op een soort van ‘greenwashing’; via weinig tot nietszeggende maatregelen het imago van de sector proberen verbeteren, om bindende overheidswetgeving te voorkomen. Doordat bijvoorbeeld EUREP-GAP uitgaat van verschillende kwaliteitseisen per lidstaat wordt namelijk juist wel de concurrentie tussen de boeren in verschillende lidstaten bevorderd. De handel en industrie krijgt dan de kans om daar de producten te kopen waar de prijs het laagst is, en dus vaak de kwaliteit het laagst. Dit heeft geleid tot een veel te hoog percentage groente en fruit met een residugehalte van bestrijdingsmiddelen dat boven de wettelijke norm ligt. Hierbij wordt de norm door buitenlands groente en fruit vaker overtreden dan bij Nederlandse producten.

* De huidige slecht werkende controle-instanties in (detail)handel en industrie, met beperkte steekproeven, en weinig tot geen sancties bij overtreding van bijvoorbeeld de residunormen van bestrijdingsmiddelen, worden gereorganiseerd in overheidshanden met voldoende handhavings- en sanctiemogelijkheden. Dit alles past perfect in deze tijd waarin er niet meer gedoogd zou moeten worden. Tegelijkertijd wordt hiermee voorkomen dat gezegd kan worden door de handel en verwerkende sector, dat de overheid niet in staat is om normen op te leggen en te zorgen dat ze ook nageleefd worden. In dit geval moet er dus ‘gewoon’ worden teruggekeerd naar meer overheid, omdat de markt zonder effectief overheidsingrijpen, niet het maatschappelijk belang dient van veilig (zonder te veel bestrijdingsmiddelen), milieuvriendelijk, sociaal acceptabel en diervriendelijk voedsel.

* Ook de retoriek die je vaak hoort dat de consument niet meer wil betalen voor milieuvriendelijke voeding, moet eens beantwoord worden met strengere eisen. Een consument verwacht in ieder geval dat zijn voedsel in de winkel veilig is, ook al is dat afkomstig van de gangbare landbouw. Dit mag hij ook eisen. Het is dan niet vreemd dat hij ervan uitgaande dat voedsel veilig is, voor het goedkoopste voedsel kiest. Zoals zojuist beschreven is voedsel echter niet (altijd) veilig. Door een scherpere normstelling en handhaving door de overheid, moet de consument gewoon kunnen blijven kiezen voor de laagste prijs, al zal die voortaan wel hoger liggen om de boer een kostendekkende prijs te kunnen bieden voor producten die aan verhoogde maatschappelijke eisen voldoen.


Conclusies ten aanzien van WTO en ontwikkelingslanden

* Hetzelfde principe wat ik zojuist heb aanbevolen binnen de EU en nationale lidstaten, zou internationaal moeten gelden. Alleen is de uitgangssituatie momenteel veel problematischer, door een totaal achterwegend blijvende mondiale overheid. De enige instantie die deze rol zou kunnen vervullen de VN, wordt via hetzelfde principe van ‘greenwashing’ bewerkt door vooral multinationals en naïeve c.q. onwetende (zoals bijvoorbeeld Nederland) of erger nog onwelwillende nationale lidstaten (zoals de VS). Hierdoor blijft bindende regelgeving op gebied van milieu en de voorziening van basisbehoeftes uit, evenals de mogelijkheid om sancties op te leggen aan overtredende bedrijven of lidstaten.

* De WTO (lees: het mondiale op exportgerichte bedrijfsleven, gecombineerd met via lobby bewerkte politici uit het westen vooral EU en VS, en de elite in bepaalde ontwikkelingslanden (voornamelijk binnen de Cairns-landen)) heeft ondertussen vrij spel, want zij heeft deze sanctiemogelijkheden wel. De WTO kan met recht worden gezien als de huidige wereldregering, hoewel ondemocratisch (niet gekozen) en niet controleerbaar door de bevolking, door de vele niet publiek toegankelijke vergaderingen. Dit geldt met name voor het WTO-panel dat handelsgeschillen tussen lidstaten behandeld. De meeste ontwikkelingslanden hebben door geldgebrek geen toegang tot de voor hun essentiële vergaderingen (in achterkamers). Daarentegen hebben de multinationals via o.a. gesponsorde politieke partijen zeer veel directe invloed op de onderhandelingsresultaten.

* De macht van de WTO heeft via het ‘chilling-effect’ ervoor gezorgd dat nationale en internationale overheden zeer voorzichtig zijn met nieuwe wetgeving (o.g.v. van bijvoorbeeld milieu, zoals het tegenhouden van niet duurzaam geproduceerd hardhout, of labelen van genetisch gemanipuleerde producten), omdat men bang is door andere landen voor het WTO-panel gedaagd te worden, in verband met teveel protectie.

* Afspraken binnen de WTO dreigen de macht van het internationale bedrijfsleven verder te vergroten ten opzichte van nationale overheden, lokale bedrijven en bevolking. Hierbij zijn de landbouwverdragen overigens vooral gunstig voor de VS en de EU, en ongunstig voor de overige landen, omdat dit verdrag inkomenstoeslagen aan boeren toestaat waardoor een concurrerende lage prijs op de wereldmarkt mogelijk wordt.

* Naast multinationals en grootschalige landbouwbedrijven profiteren ook de consumenten in netto voedselimporterende landen die geen mogelijkheden hebben de eigen bevolking met behulp van eigen landbouw te voeden, van de huidige liberalisering binnen de WTO. Voorbeelden hiervan zijn de olie-exporterende landen in het Midden-Oosten en landen als Singapore. Ook de stedelijke bevolking in veel ontwikkelingslanden kan in bepaalde omstandigheden profiteren van de liberalisering, wanneer de nationale regering goedkope voedselprijzen (via dumping uit westerse landen tot stand gekomen) voor een meerderheid van hun kiezers, belangrijker vindt dan de belangen van een kostendekkende prijs voor de boerenbevolking. Op de lange termijn kan een land zo haar voedselzekerheid verliezen.

* Het streven naar winstmaximalisatie van deze multinationals via het produceren en inkopen van landbouwproducten tegen de laagste kosten in zowel in ontwikkelde als ontwikkelingslanden, en verkopen (veelal dumpen met exportsubsidies of oneerlijke inkomenstoeslagen in ontwikkelingslanden), overheersen boven nationale wetgeving op gebied van milieu, arbeidsomstandigheden, voedselzekerheid en -veiligheid.

Hoe meer normen er aan een product gesteld worden hoe duurder het product voor de multinationals is, van daar dat zij blij zijn dat er nu ook vanuit ontwikkelingsorganisaties veel kritiek komt op deze normen. Zij zijn vooral bang dat het Noorden deze normen oplegt uit protectieoogpunt. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat de WTO vergaande non-tarifaire (met name normen en wetgeving) zal accepteren.

* De huidige WTO zorgt er nog steeds voor dat deze normen als protectiemiddel worden gezien. Deze mogen dus niet worden gebruikt om producten aan de grens te weigeren, zelfs voedselveiligheid is nog niet geaccepteerd zoals bleek uit de hormoonvleeskwestie. Er kan zo een race-to-the-bottom plaatsvinden waarbij landen met de meest gebrekkige wetgeving op genoemde gebieden de meeste kans hebben op investeringen of inkoop vanuit het multinationale bedrijfsleven.
* Door de nieuwe onderwerpen op de WTO-agenda zoals op gebied van investeringen en aanbestedingen wordt bestaande nationale wetgeving nog verder bedreigd die was bedoeld om de belangen van de eigen bevolking en bedrijfsleven te beschermen, tegenover de belangen van het multinationale bedrijfsleven. Als nationale wetgeving deze multinationals namelijk belemmerd in het maken van winst, kunnen deze een klacht indienen bij de WTO.

* Volgens Berthelot (2002, p.9): ‘Het AoA is beraamd door de twee medeplichtigen (EU en VS) om hun specifieke bekwaamheden op gebied van eeuwigdurende dumping voor te zetten, waarbij via subsidies zelfs importen worden voorkomen, met als doel de voorwaarden stevig vast te leggen om in de toekomst de agri-food handel te domineren.’ Op retoriek van de EU-commissie dat de EU open staat voor verder liberalisering op alle gebieden, maar dat hervorming van de wereldmarkt een kwestie van geven en nemen is voor iedereen antwoordde Berthelot: ‘In de jungle die de agri-food wereldmarkt is geworden door de AoA, nemen de meeste landen niets maar geven hun eigen nationale markt af, die gereserveerd had moeten zijn voor hun eigen boeren en voedselindustrie.’



Aanbevelingen:

* Het Agreement on Agriculture binnen de WTO zou op de volgende manier moeten worden aangepast:



  • versneld afschaffen van exportsubsidies, exportkredieten en oneigenlijke voedselhulp (in 2005 moeten deze zijn afgeschaft);

- invoering van het begrip voedselsoevereiniteit: elk land of handelsblok mag zijn markt via importtarieven en kwaliteitseisen beschermen tegen importen die hun eigen voedselvoorziening door eigen boeren in gevaar brengt, of die niet aan de maatschappelijke eisen (voedselveiligheid, sociaal, milieu, dierenwelzijn) voldoen. Voor ontwikkelingslanden zou dit ook betekenen dat op lokaal niveau de hulpbronnen (als recht op land en water) beschermd mogen worden voor eigen voedselproductie. (Einarsson, 2000, p.29).

(Hoe groot deze eigen markt is, lokaal, regionaal, nationaal of continentaal hangt af van het product en de fysieke en economische omstandigheden.) Volgens Einarsson (2000, p.29) zou de aanname van deze aanbeveling betekenen dat het hele principe van het AoA onderuit gehaald zou worden, want dit is juist het recht te mogen exporteren.



  • producten mogen ook geweigerd worden als het productieproces niet acceptabel is op het gebied van genoemde kwaliteitseisen, dus niet alleen als het product zelf hieraan niet voldoet;

  • hiervoor moet ook labeling van producten met keurmerken op weg naar hogere bindende eisen worden geaccepteerd;

  • afschaffing van inkomenstoeslagen die momenteel als verkapte exportsubsidies worden gebruikt, wel toestaan van betalingen voor extra groene diensten in verband met multifunctionaliteit;

  • non-tarifaire handelsbelemmeringen worden zoals gezegd weer toegestaan zoals import- en exportquota, en genoemde kwaliteitseisen;

  • binnen of buiten de WTO wordt een productiebeheersingssysteem per product opgezet voor alle grondgebonden landbouwproducten, vergelijkbaar met het OPEC-systeem;

  • grote voedselproducenten mogen maximaal 20% meer produceren dan hun eigen voedselbehoefte, hierdoor kunnen landen die nu nog onder vuur liggen van Noordelijke concurrentie hun nationale voedselvoorziening herorganiseren; (Sharma, 2001) Dit zou moeten dalen naar 5%, dit laatste is nodig om de eigen voedselzekerheid te beschermen tegen eventuele

  • misoogsten. Tevens dient de voedselproductie voor landen die onvoldoende landbouwgrond ter beschikking hebben, zoveel mogelijk in de regio plaats te vinden. Dus in principe dient bijvoorbeeld Zuidoost-Azië zorg te dragen voor de productie voor de gehele regio. De exportgerichte benadering in de Westerse landen, dient dus verlaten te worden.

  • prijsondersteuning en importheffingen worden hersteld op het niveau dat de eigen boeren een kostendekkende prijs kunnen verdienen, met in achtneming van genoemde eisen;

  • WTO-verdragen zijn ondergeschikt aan andere internationale verdragen en afspraken op gebied van milieu, arbeidsomstandigheden en mondiale armoedebestrijding;

  • uitbreiding van de verplichting tot transparantie van de WTO-lidstaten maar ook van de multinationals, zodat duidelijk wordt of ze zich schuldig maken aan exportdumping bij het openen van nieuwe markten of om kleine concurrenten weg te drukken. (Einarsson, 2000, p.39)

  • afschaffing van de verplichting om als land een minimum hoeveelheid per agrarisch product toe te laten uit andere landen. (Einarsson, 2000, p.39)

Volgens Einarsson (2000, p.37) heeft de EU de sleutel tot de AoA in eigen handen. Ze kan kiezen om haar exportsubsidies (en de inkomenstoeslagen GG) af te schaffen en inzetten op bescherming van haar landbouw. Ze zou op dit moment vrijwel zelfvoorzienend kunnen zijn als ze zou stoppen met het importeren van veevoer, en tegelijkertijd exporteren van graan en dierlijke producten. Ze heeft dus niet dezelfde exportoriëntatie als de VS. Hiermee zijn er grote mogelijkheden om gezamenlijk met de ontwikkelingslanden op te trekken. De aanpassing van het AoA moet er volgens hem weer voor zorgen dat handel weer voordelig is voor beide landen omdat ze de vrijheid hebben pas dan te handelen. Dat is nu zeker niet het geval omdat exporteurs het recht hebben markten open te breken. De WTO wordt in deze aangepaste situatie een controle-instantie die vooral controleert of er niet oneigenlijk gedumpt wordt, en of het niet-discriminatie beginsel goed wordt toegepast (p.40-41).

Deze maatregelen moeten lokalisering in plaats van globalisering bevorderen, door niet meer te subsidiëren om een bepaalde plaats op de wereldmarkt te veroveren en/of te behouden. Hiervoor moet er ook geïnvesteerd worden in regionale handel en infrastructuur voor lokale verwerking en verkoop. (FOE Europe, 2002)

* Bepaalde ontwikkelingslanden als de ACP-landen en Minst Ontwikkelde Landen (MOL’s) worden geholpen via toegang tot de EU voor een vastgesteld exportquotum. Dit geldt alleen voor tropische (voedsel)producten als suiker (omdat bepaalde ACP-landen hier al van afhankelijk zijn), bananen, koffie, rijst en thee, onder voorwaarde dat deze producten de eigen voedselzekerheid niet in gevaar brengen, en geteeld zijn via milieuverantwoorde en sociaal acceptabele methoden, en dat boeren een kostendekkende prijs krijgen. Producten als bloemen en snijbonen die per vliegtuig worden aangevoerd en die ook hier geteeld kunnen worden, vallen niet onder deze tropische producten en worden geweerd.

Het Fairtrade-principe met inbegrip van dezelfde milieu- en dierenwelzijnseisen als die aan de boeren in de EU worden opgelegd, gaat dus gelden voor alle tropische exportproducten. Hierbij mag de teelt van exportgewassen ook niet ten koste gaan van natuurgebieden. Producten die niet voldoen aan deze eisen worden geweigerd in de EU.

* De nadruk bij import uit ontwikkelingslanden moet liggen op gebied van bewerkte producten omdat hiermee de meeste toegevoegde waarde en arbeidsplaatsen te genereren zijn. De door de WTO verhoogde tariefescalatie op bewerkte producten inclusief textiel moet dus worden afgeschaft.

* De export van veevoer uit de VS en ontwikkelingslanden wordt ontmoedigd, door het afschaffen van de afspraak binnen de WTO dat er geen invoerheffingen op olie- en eiwithoudende zaden en graanvervangers, mogen worden geheven door de EU. Door deze maatregelen zal de EU deze gewassen meer zelf gaan telen, dat kan ook omdat de exportgerichtheid van granen zal verdwijnen door het afschaffen van de exportsubsidies en de invoering van genoemde quotering.

* Het totaal quotum voor suiker uit genoemde ontwikkelingslanden zal verhoogd moeten worden. Dit gaat ten koste van een afbouw van het B-, C-quotum en een deel van het A-quotum in de EU. Door deze toegang tot de EU tegen kostendekkende prijzen, kan het Everything But Arms voorstel verdwijnen of worden aangepast. Binnen het Cotonou-verdrag verdwijnt de afspraak dat de EU ook tariefvrije toegang zal krijgen tot deze landen, in ruil voor hun toegang tot de EU.

* Door de hogere prijs voor het veevoer zal de prijs van dierlijke producten waarschijnlijk stijgen, voor wat betreft vlees hoeft dit niet meteen bezwaarlijk te zijn, omdat we via onze huidige vleesconsumptie een veel te hoog beslag leggen op grondgebieden in ontwikkelingslanden via het veevoer.


* Verder wordt het TRIPs-verdrag afgeschaft of zo aangepast dat (inheemse) gemeenschappen met achteruitwerkende werking de revenuen krijgen voor de nuttige planten op gebied van voedselvoorziening en gezondheidszorg, die zij geleverd hebben aan westerse bedrijven. Deze bedrijven hebben hier al jaren veel aan verdiend via het patentrecht op levende organismen.

Het moet weer mogelijk worden dat boeren hun eigen zaden vermeerderen en opslaan voor de volgende teelt.

* Er moet een beoordeling komen van de invloed van de huidige WTO-regels op ontwikkeling, democratie, ecologische duurzaamheid, gezondheid, mensenrechten, arbeidsrechten en het leven van vrouwen en kinderen. Het resultaat van deze beoordeling moet gebruikt worden om een eerlijk en duurzaam handelssysteem te ontwerpen dat iedereen ten goede komt. (Milieudefensie en FOEE, 2001)

* De WTO moet democratischer en transparanter worden. De Tweede Kamer en het Europees Parlement dienen meer invloed te krijgen op het standpunt van de EU. Ontwikkelingslanden moeten financieel ondersteunt worden om net als de ontwikkelde landen toegang te krijgen tot alle vergaderingen. Het panel dat over conflicten tussen leden beslist dient democratisch gekozen te worden, ook ontwikkelingslanden dienen in dit panel vertegenwoordigd te zijn. NGO’s en andere belangstellenden krijgen publieke toegang tot deze panel-vergaderingen.

* Tenslotte moet de invoering of handhaving van een international verbod op de sponsoring van politieke partijen door het bedrijfsleven, Amerikaanse toestanden voorkomen waarbij het bedrijfsleven een te grote invloed heeft op de politiek.
6. Toepassing van deze conclusies op andere producten en diensten

De in deze scriptie geschetste problematiek begon zeer breed, en versmalde zich gaande weg naar de productie en handel van agrarische producten. Dus de in het begin van de scriptie gehandelde visies op economische ontwikkeling, de schuldenproblematiek, het beleid van Wereldbank en IMF, het exportgerichte ontwikkelingsmodel en de macht van multinationals, zijn naar mijn mening toepasbaar op elk ander product of dienst. Natuurlijk is de verwantschap het grootst tussen landbouw en andere producten uit de primaire sector zoals bosbouw, mijnbouw en olie- en gaswinning.

Maar de race-to-the-bottom waar multinationals in het algemeen naar streven, geldt zowel voor producten in de primaire sector als voor de industrie en dienstensector. Waar in de landbouw sprake is van vooral eisen op milieu, dierenwelzijn, voedselveiligheid en -zekerheid, kan in andere sectoren vooral worden gesproken over gebrekkige eisen op gebied van arbeidsomstandigheden (zie Hoofdstuk 3). Daarbij hebben ook andere sectoren te maken met de voorziening van basisbehoeftes (bijvoorbeeld water, onderwijs, gezondheidszorg, energie), die in de knel kan komen door een op export, concurrentie, privatisering en liberalisering gerichte ontwikkeling. Ook in deze sectoren zien we een vaak gedwongen terugtredende nationale overheid, die ruim baan maakt voor het multinationale bedrijfsleven.

Waar landbouw te vooral te maken heeft met het Agreement on Agriculture en het TRIPs-verdrag, zijn er nieuwe verdragen in de maak voor diensten (GATS) en is de handel in industriële producten ook al geregeld via WTO-verdragen. Alle sectoren inclusief de landbouw dreigen daarbij te maken te krijgen met eventuele nieuwe verdragen binnen de WTO (einddatum 2005) die de investeringen van multinationals in de WTO-lidstaten nog verder gaan beschermen tegenover de nationale wetgeving die de eigen bevolking, nationale bedrijven en natuur en milieu wil beschermen. Ditzelfde geldt voor eventuele nieuwe verdragen over aanbestedingen.

Het komt eigenlijk iedere keer weer op hetzelfde neer; wordt het profit of ook nog people and planet. En krijgt de overheid vooral in het Noorden de rol terug als bewaker voor het internationale maatschappelijke belang, die alleen zij kan vervullen. Zo lang er in het Zuiden in veel landen nog geen sprake is van democratisch gekozen overheden die de belangen van alle bevolkingsgroepen kunnen en willen behartigen, zou daar veel meer heil te verwachten zijn van meer autonomie in de regio. Hieraan kan bindende regelgeving aan landen en het internationale bedrijfsleven ook een substantiële bijdrage leveren. Het is in die landen vooral ook zaak dat door kwijtschelding van schulden, de invloed van Wereldbank en IMF drastisch wordt ingeperkt. Verder moet er met Noordelijke steun (of beter gezegd gedoogbeleid) worden gewerkt aan de opbouw van lokale en regionale economieën, in eerste instantie gebaseerd op (de verwerking) van de eigen landbouwproducten. Hierbij is een toegang van de lokale bevolking tot de lokale hulpbronnen essentieel. Het alleen toelaten in het Noorden van via het (met milieu- en arbeidsomstandigheden-eisen aangevulde) Fairtrade principe geproduceerde producten is daarbij ook een voorwaarde.
7. Aanbevelingen voor nader onderzoek

Er zou berekend moeten worden wat de gevolgen van de door mij genoemde voorstellen op gebied van Europees Landbouwbeleid zijn, voor het EU-budget voor landbouw. Naar verwachting kunnen deze scherp dalen, de vraag is met hoeveel precies.

Het debat tussen enerzijds basisdemocratie op lokaal niveau uit het anarchisme, en een sterke democratische centrale overheid die eisen kan stellen aan het bedrijfsleven uit het socialisme, kan nog wel verder worden gevoed door nader onderzoek.

Er moet vooral nog meer onderzoek komen naar de invloed van multinationals op het beleid van Wereldbank, IMF, WTO, EU, NAFTA, FTAA, nationale overheden en nu ook de VN. Zodat de politiek die rechtstreeks of indirect controle heeft op deze gouvermentele instellingen, de juiste beslissingen kan nemen. Alleen op die manier kunnen de burgers nog enige invloed uitoefenen op genoemde instellingen.

Daarbij moet de economische schade voor milieu op gebied van vervuiling, maar vooral ook uitputting, nog veel beter in kaart worden gebracht. Via het vak Milieueconomie heb ik geleerd dat er perfecte berekeningswijzen zijn om aan te tonen dat we ook economisch gezien op een heilloze weg bezig zijn (zie Perman et al., 1999).

Een sociaal-wetenschappelijke of sociaal-psychologische studie naar de redenen dat de beschikbare informatie over de negatieve effecten van de huidige liberalisering, niet terecht komt bij goedwillende (laten we ze voorlopig het voordeel van de twijfel geven) sociaal- en christen-democratische politici, of waarom deze politici niets doen met deze informatie, lijkt me zeer essentieel.

Tenslotte mag het debat tussen verschillende culturen en religies over wat nu ‘vooruitgang’ is en wat nu de echte menselijke behoeftes zijn, wel weer eens gevoerd worden, (nadat hier nader onderzoek na gedaan is).
Ik heb met deze scriptie een overzicht willen geven van de verschillende visies, drijvende krachten, belangen van actoren, en gevolgen van liberalisering van de handel in landbouwproducten, en tevens aanbevelingen ter verbetering gedaan. Visies zijn echter moeilijk te veranderen, het enige dat hierbij helpt is bewustwording door meer informatie. Ik hoop dat mijn scriptie door wat extra informatie, de aanpak van de liberalisering en van de bedrijven die aan de touwtjes trekken in deze wereld, een klein beetje dichterbij heeft gebracht.

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • Hoofdstuk 7 Conclusies en aanbevelingen

  • Dovnload 4.64 Mb.