Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina23/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

Bijlage 7 Extra informatie bij paragraaf 6.3 Case het NAFTA-verdrag

Vergelijkbaar met de situatie binnen de EU is ook binnen het NAFTA-gebied het aantal boeren sterk gedaald, zoals blijkt uit deze case.

In 1994 sloten de Verenigde Staten, Canada en Mexico het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsverdrag. Dit had nadelige gevolgen voor de boeren in alle landen. In de VS nam het inkomen van de boeren af met 43% vooral door prijsdalingen voor maïs, tarwe, rijst en sojabonen (tussen de 33 en 42% lager) (Public Citizen, 2001, p.IV-VI) en er verdwijnen ongeveer 30.000 boeren per jaar sinds 1994. (FOEI, 2001a, p.9) Sinds 1945 is tweederde van de boerenbedrijven verdwenen. Van de overblijvende 2 miljoen boeren is voor driekwart van hen het boerenaandeel van hun inkomen te verwaarlozen. Zij hebben dus een bijbaan als hoofdberoep. (Smit, 2000, p.20)

In Mexico hielden ongeveer 15 miljoen boeren ermee op en nam de armoede met 23% toe tot meer dan de helft van de plattelandsbevolking. ‘NAFTA’s wetten gaven investeerders meer macht, garandeerden de graanhandelaren toegang tot producten en beperkten de overheidsregulering (o.a. landbouwsubsidies), wat een ‘race-to-the-bottom’ betekende op gebied van boereninkomens, (arbeidsomstandigheden en) lonen, en voedselveiligheids- en milieunormen.’ (Public Citizen, 2001, p.IV-VII) Ook konden vanaf 1992 particulieren en (buitenlandse) bedrijven gemeenschappelijke gronden aankopen, een verworvenheid uit de revolutie die 60% van de grond omvatte, werd afgeschaft. Hierdoor werd de mogelijkheid geopend tot moderne geïndustrialiseerde landbouw. ‘Geen enkele gemeenschap zou collectief beslissen over te gaan tot grootschalige gemechaniseerde landbouw, omdat dan de meerderheid van de boeren het veld zou moeten ruimen. Iedere tractor staat globaal voor drie werklozen.’ (Smit, 2000, p.33)

Degene die profiteerde was de agribusiness; ConAgra 189% winststijging tussen 1993 en 2000, Archer Daniels Midland’s winst verdrievoudigde bijna. Als de FTAA, het vrijhandelsverdrag over het gehele Amerikaanse continent doorgaat zullen genoemde problemen zich nog op veel grotere schaal herhalen. (Public Citizen, 2001, p.IV-VII)

Hoewel de verkoopprijzen aan de boer in alle drie landen daalden, moest de Amerikaanse consument 20% meer betalen voor zijn voedsel. In Mexico werden tortilla’s bijna de helft duurder. (Milieudefensie en FOE Europa, 2001)

In 2008 mag de VS door de NAFTA onbeperkt maïs exporteren naar Mexico. Mexico heeft door dit verdrag prijsondersteuning en importtarieven drastisch moeten verlagen, terwijl de VS haar boeren ruimhartig ondersteunt met inkomenstoeslagen en exportkredieten. (40% van de Amerikaanse maïsexport verliep in 1998 via Cargill. (Smit, p.33)) Sinds 1992 is daardoor de import uit de VS met een factor 18 toegenomen, vooral grote bedrijven profiteren hiervan. In Mexico daarentegen heeft 75% van de boeren gemiddeld vijf acres land, zij worden steeds verder de heuvels ingedrongen om via uitbreiding van de productie te overleven. Hoewel er een verbod is op de verbouw van genetisch gemanipuleerde maïs, wordt deze wel geïmporteerd via de VS. Ook zijn in Oaxaca eeuwenoude rassen maïs besmet met genetisch gemanipuleerde maïs.

De Mexicaanse regering is echter niet van plan haar boeren te steunen, omdat andere economische sectoren wel profiteren. Boeren die niet kunnen overleven in de 21e eeuw moeten maar een ander beroep kiezen. (New York Times, 2002) De vooruitgang!!


Bijlage 8 Open brief landbouw- en milieuorganisaties aan EU-Commissaris Fischler



1. Brief van diverse landbouw- en milieuorganisaties
1 juli 2002

Open letter to Commissioner Fischler on the Mid-Term Review

of the Common Agricultural Policy (to be published on 10 July by the Commission)
The above groups representing millions of European citizens are demanding an urgent and radical reform of the Common Agricultural Policy. We have long been concerned about the unsustainable agriculture its continued focus on productivity, exports, and the destruction of multifunctional family farming.

The Mid-Term Review provides a real opportunity to reverse decades of harm caused to consumers, farmers, animals, wildlife, biodiversity, and natural resources. Until we get answers to a number of basic questions our deep disappointment towards the Common Agricultural Policy will remain:



(1) Pesticides

The CAP has resulted in chemically dependent farming because subsidies have been targeted at mass production regardless of quality. The result is a serious and costly accumulation of chemicals in waters and soils and a supply of unhealthy food often containing high levels of pesticide residues. Since 1996 there has been a general increase in pesticide use in most Member States. Given the links between pesticides and health damage, especially in children, what specific instruments (e.g. cross compliance) will be mandated in the mid-term review of the CAP to force a reduction of pesticides use in farming?

(2) Farmers’ income & food prices

From 1992 and the WTO agreement in 1994, agricultural prices in Europe have been decreasing, very often falling below production costs. Consumer prices often do not reflect this trend (wheat prices have decreased by 50% since 1992, whereas the price of bread continues to rise). Farmers’ income has been increasingly based on public support decoupled from production. This means that the European taxpayers, through direct payments, are in fact financing indirectly the agro-industry and hypermarkets, who can buy cheap agricultural goods. This low-price policy ruins any future for multifunctional family farming and for young people wanting to enter farming. How does the EU propose to achieve fair agricultural prices linked with European costs of production ?

(3) Factory farming

An increasing part of animal production, especially for pork and poultry, has been industrialised in Europe. As it is the opposite of multifunctional agriculture, factory farming has many negative impacts on family farming, quality, health, environment and animal welfare, is based on imported feedstuffs and still promoted by the present CAP. What measures will the EU take to stop the development of industrial animal production ?

(4) Food miles

Our current agriculture and food system has resulted in the unnecessary long distance travel of live animals, agricultural produce and food products. The closure of local processing facilities, local slaughterhouses, markets and other infrastructures has stimulated this process. Increasing ‘food miles’ damages food safety and quality and results in more air pollution and energy use. What specific measures will the EU introduce in the CAP Mid Term Review to shorten the food chain and relocalise production wherever possible?

(5) Live animals export subsidies

The present beef package includes the payment of subsidies for the export of live cattle to third countries, which has led to long distance transport of these animals and the subsequent animal welfare problems well known to the public. As part of the mid-term review, is the EU considering phasing out these export refunds ?
(6) Dumping

European surpluses continue to be exported at very low and destructive price for rural communities in third countries. The CAP and the US Farm Bill continue to subsidize exports, not only with export subsidies, but also with direct payments, both mechanisms that cannot be adopted by poor countries: This new dumping policy is very expensive without saving multifunctional family farming. What does the European Union plan to do to stop dumping in international trade ?

(7) Farm animals welfare standards

Higher animal welfare standards are included in the possible options under Rural Development in the present CAP. However, because it is not compulsory, and due to co-funding, only a few Member States have implemented that option. What changes is the EU planning to incorporate into the mid-term review to improve the proportion of Member States using that option ?

(8) Tobacco

Tobacco is the crop that receives more Euros subsidy per hectare than any other crop in CAP (nearly €7,000 per hectare). Most of this tobacco, much of it very high tar, is exported to Eastern Europe and the developing world. Meanwhile, the EU is increasing efforts and funding to encourage citizens to refrain from smoking. Does the EU consider that tobacco subsidies are an efficient way of allocating resources ?

(9) Nutrition

The link between diet and chronic disease and the overall health of the European population is well known. Europe pays a heavy price, financially and in human capital, for the ill health of its citizens. The CAP has a crucial role to play in ensuring that consumers have access to a wide choice of nutritious foods in order to have a balanced diet. This particularly means increased consumption of pulses, grains and vegetables and less meat and dairy products. How will the EU use the CAP and financial instruments to prioritise the production of food that contributes to the improved nutrition of Europeans?

(10) Environmentally Sustainable Agriculture

At present agri-environment schemes represent the only tailored CAP instrument which financially supports environmentally sustainable farming. Yet, the budget available for agri-environment, though it has grown in recent years, still only represents little more than five per cent total CAP expenditure. This is in no-way commensurate to environmental needs, nor to the expectations of EU citizens. How will the Mid Term Review address the severe lack of funding available today for the EU’s environment?

(11) Environmental integration

Environmental protection and integration into the CAP is today a recognised and legitimate objective. Indeed, the CAP has two instruments that lend themselves to these aims (agri-environment and cross-compliance). Nonetheless, Member States are still able to agree upon instruments in Council, and once back home, to relegate integrating environmental concerns into agriculture as the last priority, or even undertake agri-environmental investments of dubious environmental benefit. Existing environmental law is often not enforced in agriculture. How will the Mid-Term Review of the CAP help bring about an obligation for Member States to enforce compliance with environmental regulations and to carry-out quantified and qualified environmental needs assessments, that will allow a meaningful allocation of the limited funds available to the environment in agriculture?
For further information please contact:
Gérard Choplin - European Farmers Co-ordination cpe@cpefarmers.org Tel + 32 2 217 31 12

Laura Fernandez – European Public Health Alliance laura@epha.org Tel + 32 2 233 38 86

Véronique Schmit - Eurogroup for Animal Welfare v.schmit@eurogroupanimalwelfare.org

Tel +32 2 740 08 20

Joanna Dober Sullivan - Friends of the Earth Europe joanna.dober@foeeurope.org Tel +32 2 542 0180

Elizabeth Guttenstein - WWF eguttenstein@wwfepo.org Tel +32 2 740 09 24

Regina Schneider - European Environment Bureau Info@eeb.org Tel +32 2 289 10 90

Miguel Naveso - BirdLife International bleco@attglobal.net Tel +32 2 280 08 30


Bijlage 9 Extra informatie bij paragraaf 6.6 over de handel in suiker

In deze bijlage vindt u de onderzoeksgegevens rondom de productie, handel, en mogelijke gevolgen van de liberalisering van de handel in suiker. Aan de orde komen: de kenmerken van de wereldmarkt voor suiker (1), het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU ten aanzien van suiker (2), de regeling met ACP-landen die een bepaald quotum tegen vaste hoge EU-prijs mogen exporteren naar de EU (3), de relatie tussen het GLB en andere landen (4), de gevolgen van het Everything But Arms-akkoord met de Minst Ontwikkelde Landen (5), en de mogelijke gevolgen van liberalisering (6). De conclusies van deze gegevens kunt u vinden in paragraaf 6.5 van het eindrapport.




  1. Kenmerken van de wereldmarkt voor suiker




  • Er is een voorraad aan het eind van 1999-2000 van 58 miljoen ton, en deze voorraad was in 1997 nog 46 miljoen ton;

  • De totale import bedroeg in 1999-2000 36 miljoen ton, de totale export 40 miljoen ton, er wordt ongeveer 30% van de productie op de wereldmarkt verhandeld;

  • De grootste ruwe suiker exporteurs in 1997-98 (totaal 19 miljoen ton) waren: Brazilië (24%), Australië (21%), Cuba (13%) en Thailand (7%);

  • De grootse exporteurs van witte suiker in 1997-98 (totaal 21 miljoen ton) waren: de EU (30%), Brazilië (15%), Thailand (6%);

  • De landen die naar verhouding veel voor de wereldmarkt produceren zijn: Brazilië (export/productie verhouding van 47%), Australië (77%), Thailand (61%), Cuba (74%), Guatemala (73%), en Zuid Afrika (51%). De EU zit op het wereldgemiddelde van 30%.

  • Sinds de Uruguay ronde zijn de import tarieven op suiker drastisch verlaagd, hier volgen de tarieven in procenten van enkele belangrijke landen in respectievelijk 1995 en 2000: Mauritius (122-122), Zuid Afrika (124-105), Brazilië (85-35), Cuba (40-40), China (100-76), India (150-150), Thailand (104-94), Australië (43-22), VS (175-150), EU (70-60).

  • De laatste twintig jaar is er concurrentie ontstaan op de zoetstoffenmarkt van HFCS (High Fructose Corn Syrup) fructose afkomstig van maïs. Fructose had in 1995 een aandeel van 7% op de wereldmarkt voor zoetstoffen. Daarnaast hadden glucose en dextrose die ook afkomstig zijn van zetmeel samen 11% van de wereldmarkt. Dat betekent dat het aandeel van suiker is gedaald tot onder de 80%, ten opzichte van 87% in 1980. Vooral op de markt voor vloeibare zoetstoffen is deze concurrentie groot, omdat de kostprijs voor fructose hierbij lager is. Ook bevat fructose minder calorieën, waardoor het populair is in een caloriearm dieet. (CAB International, 1997, p.3-4)




  1. Het GLB ten aanzien van suiker

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor suiker is ontwikkeld in 1968. Op dat moment werd de EEG geconfronteerd met een tekort aan suiker. Doordat men niet zelfvoorzienend was, moest men suiker op de wereldmarkt inkopen voor f 10 per kg. Het doel was dus zelfvoorzienend te worden, boeren een kostendekkende prijs te garanderen en de prijs voor consumenten te verlagen. Deze garantieprijs voor boeren was ook noodzakelijk omdat er een grote periode zit tussen de beslissing van boeren om suikerbieten te telen, en het moment dat zijn suikerprijs bekend zou zijn, namelijk 2 jaar. Zonder deze zekerheid van een goede prijs zou men niet gaan besluiten om suiker te telen. Deze onzekerheid geldt overigens voor alle gewassen zonder handelsbescherming. Ook de suikerverwerkende industrie kregen via dit systeem zekerheid voor hun investeringskosten van f 800 miljoen tot f 1 miljard per fabriek, omdat de garantieprijs inclusief de verwerkingskosten is. (interview de Vries CSM, 5-7-02)



Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU ten aanzien van suiker bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Productiebeheersing om overproductie te voorkomen, via A, B en C quota die per land worden verdeeld en vervolgens geregeld tussen de verwerkende industrie en akkerbouwers;

  • de A quota (12 miljoen ton) bestaan ongeveer uit de eigen consumptie in de EU, bij de totstandkoming van de prijs wordt maximaal 2% van de interventieprijs als belasting ingehouden om de exportsubsidies te kunnen betalen;

  • de B quota (2,6 miljoen ton), dit is een soort bufferhoeveelheid voor tijden met beperkt aanbod of verhoogde vraag. Bij een normaal aanbod en vraag bestaat dit quota echter uit de hoeveelheid die kan worden geëxporteerd met behulp van exportsubsidies. Bij de totstandkoming van de prijs wordt maximaal 39,5% van de interventieprijs ingehouden als belasting om de exportsubsidies te kunnen betalen;

  • de C-quota bestaan uit die suiker die boven de A- en B-quota wordt geproduceerd en die tegen wereldmarktprijs wordt verkocht zonder exportsubsidies;

  • het totale A- en B-quotum dat aan Nederlands is toegewezen is 864.559 ton, waarvan CSM 325.352 ton voor zijn rekening neemt (CSM, 2001) en Cosun de overige hoeveelheid.

  1. Prijsondersteuning, gegarandeerde prijzen voor A- en B quota (interventieprijzen, minimum prijzen voor suikerbieten en rietsuiker);

  • ieder jaar bepaalt de EU Raad van ministers van landbouw de interventieprijs voor witte suiker, waarvan de minimumprijzen voor suikerbieten en suikerriet kunnen worden afgeleid, deze is 58 % van de interventieprijs, de overige 42% is voor productie en transport tijdens de verwerking tot witte suiker;

  • als de werkelijke verkoopprijs boven de interventieprijs ligt, houdt de industrie hiervan het merendeel zelf, men geeft dus minder dan 58% aan de boer (soms zelfs niets);

  • sinds 1984-85 zijn de interventieprijzen bevroren, sinds 1986 heeft er door de goedwerkende quota ook geen interventie meer hoeven plaats te vinden;

  • de chemische – en farmaceutische industrie wordt gecompenseerd voor de duurdere suiker die zij als grondstof gebruiken ten opzichte van de wereldmarktprijs. Dit gebeurt via een belasting op de suikerprijs die de verwerkende industrie en de boeren krijgen.

  1. Handelsmaatregelen; de EU-suikermarkt is afgeschermd van de wereldmarkt via importheffingen en exporteert haar overschot deels met exportsubsidies;

  • de importheffingen voor witte suiker waren in 2000-01 €419 per ton, en voor ruwe suiker €339 per ton, hierdoor wordt er nauwelijks suiker geïmporteerd buiten de preferentiële toegang van ACP-landen en andere speciale handelsafspraken met ontwikkelingslanden;

  • alleen suiker geproduceerd binnen A- en B-quota komen in aanmerking voor exportsubsidies, dit geldt eveneens voor de hoeveelheid die via ACP-landen en andere speciale handelsafspraken is binnen gekomen;

  • de exportsubsidie bestaat uit het verschil tussen de interventieprijs plus free on board kosten, en de wereldmarktprijs;

  • de EU-export van witte suiker was in 1997-98 5,4 miljoen ton, hiervan bestond 2,5 miljoen ton uit C-suiker (suiker die zonder exportsubsidies is geëxporteerd), 1,2 miljoen ton uit suiker afkomstig uit B-quota (suiker die met exportsubsidie is geëxporteerd, maar dit bedrag wordt door de boeren en industrie zelf betaald door bij de afrekening een bedrag te reserveren voor deze subsidies), en 1,7 miljoen ton suiker die origineel als ruwe suiker was geïmporteerd uit ACP-landen en India. (Hazeleger, 2001)

De interventieprijs komt tot stand door een interventiebureau. Ieder jaar maakt men een berekening van verwachte productie (ongeveer 14 miljoen ton witte suiker), interne consumptie (12,7 miljoen ton) en overschot (1,3 miljoen ton). Er is dan keuze tussen opslaan in interventievoorraad of exporteren. Hierbij is de wereldmarktprijs van groot belang. Stel dat de EU-prijs f 140 per 100 kg is, en de wereldmarktprijs f 60. Dan is er f 80 per 100 kg exportrestitutie nodig. Hiervan wordt de interventieprijs berekend inclusief de verwerkingskosten. Op basis hiervan bepaald men de productieheffing voor teler (60% van de heffing) en verwerkende industrie (40%). Om 1,3 miljoen ton te kunnen exporteren is de totale productieheffing ongeveer 500 miljoen Euro. Bij een lage wereldmarktprijs is productieheffing hoog, waardoor het onaantrekkelijk wordt om veel te produceren. Dit totale bedrag aan exportsubsidies en dus productieheffingen moet echter wel verminderd worden onder druk van de WTO. Ook het volume dat met subsidie geëxporteerd kan worden is door WTO verlaagd tot maximaal 1254 miljoen ton per jaar, dit is dus het B-quotum. Ook de importheffing is afhankelijk van de wereldmarktprijs. (interview de Vries, zie bijlage 13)

Op 22 mei 2001 is de bestaande suikermarktordening voor vijf jaar verlengd tot 1 juli 2006. Het quotasysteem blijft gehandhaafd, zij het dat het totale EU-quotum werd verlaagd met 115.000 ton. De institutionele prijzen worden voor de gehele periode gefixeerd, terwijl het systeem van opslagkostenvergoeding is afgeschaft. Ook heeft de Europese Commissie een studie aangekondigd naar de voorwaarden waaronder de suikermarktordening na 2006 kan worden voortgezet. (CSM, 2001)
3. De suikerregeling met ACP-landen

De volgende ACP-landen exporteren suiker naar de EU:

Barbados, Belize, PR Congo, Ivoorkust, Fiji, Guyana, Jamaica, Madagaskar, Malawi, Mauritius, St. Kitts Nevis, Swaziland, Tanzania, Trinidad & Tobago, Zambia en Zimbabwe.

Deze 17 ACP-landen exporteerden 1,3 miljoen ton ruwe suiker naar de EU (met name waren dit Mauritius, Fiji, Guyana en Swaziland), waarvoor men de hoge EU-prijs betaald kreeg, deze ligt een stuk boven de wereldmarktprijs. De ACP-landen mogen dit doen volgend uit een afspraak gemaakt in Lomé, die inhoudt dat zij voor onbepaalde tijd preferentieel toegang hebben tot de EU, tegen gegarandeerde prijzen zonder importheffingen. Deze overeenkomst geldt voor suiker, bananen, rum en rundvlees. Deze toegang heeft men sinds 1973 via het Sugar Protocol binnen het GLB, op 23 juni 2000 zijn deze afspraken verder bekrachtigd in Cotonou binnen de ACP-EU Partnership Agreement. De situatie rond het suiker-protocol zal niet veranderen tot 2008. (Sustain 2, p.6)

Een achtergrond van deze preferentiële toegang is ook dat suikerverwerkende bedrijven in Portugal, Frankrijk, Groot-Brittannië en Finland deze ruwe suiker hard nodig hebben om hun fabriek draaiende te houden. Omdat de 1,3 miljoen ton hiervoor nog te weinig is, wordt er nog 0,4 miljoen ton suiker toegelaten via het Special Preferential Sugar-Agreement (324.000 ton via ACP-landen) en het Most Favoured Nation Sugar-verdrag (85.463 ton vooral uit Cuba en Brazilië). India mocht 10.000 ton exporteren naar de EU. De invoerheffing voor SPS-suiker is €83,3 per ton, voor Most Favoured Nation suiker is dit €98 per ton, dus lager dan de reguliere invoerheffingen.

Totaal verdienen de ACP-landen €500 miljoen per jaar door suiker te kunnen importeren naar de EU. 70% hiervan gaat naar Mauritius, Fiji, Guyana en Swaziland. Landen als Jamaica en Barbados exporteren nagenoeg hun gehele productie naar de EU. Ook Mauritius, Trinidad en Tobago, Guyana en Malawi zijn ook grotendeels afhankelijk van deze export. Zonder deze toegang tot de EU zouden veel landen niet in staat zijn te exporteren, door de hoge kostprijs in vergelijking tot landen als Brazilië.

In Swaziland bijvoorbeeld wordt 60% van het BNP door suikerproductie behaald, en zijn er 80.000 mensen werkzaam in deze sector. 55% van de opbrengsten worden verdiend door export naar de EU. Indirect heeft deze toegang tot de EU er ook toe bijgedragen dat er zich verwerkende en industriële bedrijvigheid in de voedsel- en drankenindustrie heeft ontwikkeld. (Goodison 1 in Hazeleger) Zuid-Afrika ondervond echter weer nadelen van deze ontwikkeling, doordat zij niet deze toegang tot de EU had.

NEI beschouwt de toegang tot de EU als een soort ontwikkelingshulp, die de officiële hulp overtreft. Goodison zegt dat de extra verdiende gelden ervoor gezorgd hebben dat arbeiders in de suikerindustrie hebben geprofiteerd door extra investeringen in gezondheid in onderwijs. Suikerverwerkende bedrijven in Zuidelijke Afrikaanse landen en hun aandeelhouders zijn echter de meest begunstigden door de preferentiële toegang tot de EU. (Goodison 2 in Hazeleger)

Van de 17 landen die gebruik maken van de preferentiële toegang voor suiker tot de EU behoren er 5 tot de Minst Ontwikkelde Landen (MOL’s). Landen als Sudan en Mozambique die vooral lage kosten kunnen produceren vallen buiten de boot, terwijl landen in het Caribische gebied die tegen hoge kosten produceren kunnen profiteren. (Oxfam in Hazeleger).

Deze regeling heeft er via de extra inkomsten voor gezorgd dat er werkgelegenheid werd gecreëerd, agrarische diversificatie naar andere gewassen optrad, en gezondheidszorg, transporten en andere diensten worden gestimuleerd. (Dunlop in Sustain 2)


4. De relatie tussen het GLB en andere landen
De productiekosten voor bietsuiker (tussen €560 en 625 per ton) liggen een stuk hoger dan voor rietsuiker ($230 per ton), en een stuk hoger dan de wereldmarktprijs van $245 in 2001. Door het GLB kunnen suikerproducenten in de EU echter nog steeds tegen lonende prijzen suiker produceren. Van de EU-productie wordt 80% afgezet op de interne markt (inclusief ACP-importen, 89% exclusief ACP-importen). Suikerprijzen binnen de EU zijn echter veel stabieler dan de wereldmarktprijs, de EU-prijs varieerde tussen 1992 en 1999 tussen 170 en 300% ten opzichte van de wereldmarktprijs.

Omdat de kostprijs voor de export van B-suiker (€529,5 per ton) lager is dan de interventieprijs (€632,9 per ton) is het lonend deze te exporteren naar de wereldmarkt. Landen, verwerkende industrie en telers zorgen er dan ook voor om hun quotum minimaal vol te produceren, om geen risico te lopen quotum kwijt te raken. Dit heeft tot gevolg dat er gemiddeld 800.000 ton ‘onbedoelde C-suiker wordt geproduceerd. De bedoelde C-suiker ligt op 1,4 miljoen ton. Doordat vaste kosten al gedekt zijn door de productie van A- en B-suiker kan C-suiker (zonder exportsubsidies) nog lonend worden afgezet tot aan een wereldmarktprijs van $150 per ton.

Zonder GLB zou de import van suiker stijgen met 7 miljoen ton, en de export met 5 miljoen ton dalen. (Borrell and Hubbard in Hazeleger 2001). NEI schat dat zonder GLB er 46% meer suiker op de wereldmarkt zou worden verhandeld.

De gevolgen van het GLB ten opzichte van de wereldmarkt zijn:


  • dat ze de prijsinstabiliteit verhoogt; veranderingen in vraag en aanbod zouden minder effect hebben op de prijs als de EU zich niet zou isoleren van de wereldmarkt;

  • dat de wereldmarktprijs door het GLB lager is. Dit wordt veroorzaakt omdat het GLB het aanbod op de wereldmarkt verhoogt, en de vraag hierop verlaagt. In een situatie van overproductie zorgt dit voor lagere prijzen. (Hazeleger 2001).

In dit zelfde rapport haalt Hazeleger (p. 17) het NEI (2000) aan die aangeven dat het EU-aanbod op de wereldmarkt relatief stabiel is. Ook zou de dramatisch dalende wereldmarktprijs sinds 1995 niet door de EU worden veroorzaakt maar vooral door een substantiële toename van de exporten door Brazilië, Thailand en Australië. Tegelijkertijd daalde de vraag vanuit Rusland en een aantal Aziatische landen.

Het effect van het GLB is ongunstig voor exporterende landen op de wereldmarkt en gunstig voor importerende landen. De verliezers zijn waarschijnlijk de volgende exporterende landen: Australië, Brazilië, Colombia, Guatemala, Cuba, Thailand en Zuid-Afrika. Mauritius als belangrijk exportland (ACP) zou echter meer verliezen als het GLB wordt afgeschaft. De winnaars zijn importerende landen als Rusland, Japan, Zuid-Korea, Canada, Maleisië, Egypte, Nigeria, India, Iran en Algerije. Van deze landen hebben alleen Rusland en Egypte een redelijke eigen productiecapaciteit. Deze 2 landen zouden in de toekomst kunnen profiteren bij hogere prijzen en hun eigen productie verder uitbreiden.

Naast suiker exporteert de EU ook producten die suiker bevatten (voornamelijk voedsel en drank) dit zijn de zogenaamde Annex 1-producten. Hiervoor gelden dezelfde maatregelen als voor suiker op gebied van importheffingen en exportsubsidies. Sinds de Uruguay-ronde is de export van deze producten meer dan verdubbeld. De Europese suikerindustrie en voedingsmiddelen hebben dus geprofiteerd van de meer geliberaliseerde handel in landbouwproducten. Volgens Kaplan (in Hazeleger 2001) werd daardoor de industrie in ontwikkelingslanden als Zuid-Afrika weggeconcurreerd. Hij beschrijft een case, waarin door het GLB de Spaanse en Griekse ingeblikte perzikkenindustrie de Zuid Afrikaanse industrie werd weggeconcurreerd uit de EU, de VS en Japan. (alle genoemde punten uit Hazeleger 2001)

In het algemeen kan gesteld worden dat dumping met behulp van exportsubsidies door de EU altijd negatief uitpakt, dit geldt ook voor suiker. (Zie ook paragraaf 6.3)

Volgens een rapport van Sustain (1) in 2000 (in Sustain 2, 2000) kan men de volgende conclusies trekken:


  • De landen die het meeste lijden van de beschermde markten zijn de arme rietsuiker producerende landen die geen deel uit maken van een preferentieel verdrag.

  • De landen die het meest geprofiteerd hebben zijn de landen die subsidies betalen aan hun bietentelers en die hun markt afschermen; i.e. de EU en de VS.

  • De armste landen die geprofiteerd hebben behoren vooral tot de ACP-landen. Maar als nadeel kan genoemd worden dat door de afhankelijkheid van deze verdragen, de diversificatie van de economie is tegengehouden, tevens heeft dit onduurzame productiemethodes bevorderd.

  • Consumenten in de EU en de VS hebben in het algemeen verloren, omdat men de dubbele prijs voor de suiker betaald heeft ten opzichte van de wereldmarktprijs.

5. Gevolgen van het Everything But Arms (EBA)-besluit
Op 5 oktober 2000 nam de Europese Commissie een besluit om tariefvrije toegang te bieden voor de 48 MOL’s. Van deze MOL’s hebben er 5 nu al preferentiële toegang tot de EU via het Suiker-protocol via het Cotonou-verdrag, namelijk Madagaskar, Malawi, Tanzania, Oeganda en Zambia. 29 andere ACP-landen vallen ook onder de MOL’s maar maken geen gebruik (om welke reden dan ook) van dit suiker–protocol met de EU. Onder deze groep vallen bijvoorbeeld Mozambique en Soedan. Daarnaast hebben Kongo, Guyana, Ivoorkust en Kenia wel preferentiële toegang, dit zijn geen MOL’s maar HIPC-landen.

Tot de Amerikaanse markt tenslotte hebben Mozambique, Bolivia, Kongo, Ivoorkust, Guyana, Haïti, Honduras, Madagaskar, Malawi, en Nicaragua preferentiële toegang. (Sustain 2, p.16) Landen die tot nu toe nog geen preferentiële toegang hadden tot de EU of de VS, krijgen nu dus ook de mogelijkheid hun producten tariefvrij af te zetten. Echter niet tegen de hoge EU-prijs waar de huidige landen wel van profiteren.

Binnen het EBA-besluit worden, in tegenstelling tot andere producten waarvoor de maatregel volledig inging op 1-1-2001, de tarieven voor suiker stapsgewijs verlaagd tot 0 in de periode van 2006 tot 2009. Tot 2009 wordt de tariefvrije toegang verhoogd van 74.000 ton in 2001/02 tot 197.000 ton in 2009. (Hazeleger, p.26)

De MOL’s produceren samen 2,1 miljoen ton suiker, en consumeren nu 3,7 miljoen ton. Zij importeren dus 1,6 miljoen ton.

De Europese Commissie ontwikkelde twee scenario’s:

Scenario 1: De MOL’s exporteren hun productie aan suiker naar de EU en importeren hun eigen benodigde suiker uit derde landen. Via deze substitutie van 1,4 miljoen ton, en een uitbreiding van de suikerproductie van 1,3 miljoen ton (evenals een uitbreiding van de suikerverwerking), kan er in totaal 2,7 miljoen ton naar de EU worden geëxporteerd.

Scenario 2: Als de MOL’s niet de capaciteit hebben om aan deze exportmogelijkheden te voldoen, zou de totale export kunnen blijven steken op 900.000 ton.
Gevolgen van deze scenario’s voor het GLB:


  • Zowel bij Scenario 1 als 2 zouden de eerste 300.000 ton in de plaats komen van het huidige SPS-verdrag.

  • De WTO staat 2,8 miljoen ton gesubsidieerde export van suiker toe vanuit de EU. Deze bestaan uit 1,8 miljoen ton afkomstig van ACP-landen, en 1,0 miljoen ton in de EU geproduceerde suiker. Als de MOL’s meer dan de 300.000 ton suiker produceren die nu gedekt wordt via het SPS-verdrag, zal de EU haar eigen productie moeten verlagen. Dit heeft negatieve effecten voor de boeren en de verwerkende industrie, maar ook voor het EU-budget voor landbouw. Nu betalen namelijk de telers en de industrie voornamelijk het GLB. In de nieuwe situatie waarbij er meer uit ontwikkelingslanden wordt ingevoerd zal dit geld uit het EU-budget betaald moeten worden (zolang de exportsubsidies niet zijn afgeschaft overigens).

  • Additionele importen boven de 1,3 miljoen ton die met exportsubsidies kunnen worden geëxporteerd, zullen leiden tot extra beperking van de productie in de EU of moeten leiden tot non-food gebruik bijvoorbeeld als ethanol.

  • Als de Europese verwerkende industrie niet langer geïnteresseerd is in ACP suiker, moet de Europese Commissie die volgens het Suiker-protocol van het GLB opkopen tegen interventieprijs.

  • Scenario 1 zal leiden tot kosten van €1,054 miljard, scenario 2 kost €263 miljoen hier zitten de verliezen voor de Europese boeren en industrie niet in verwerkt. (Hazeleger 2001, p26-27).


Oxfam GB/ IDS publiceerde ook een onderzoek naar aanleiding van de kritiek vanuit de suikersector op het EBA-verdrag. Zij stellen dat er ongeveer 100.000 ton suiker extra suiker zal worden geïmporteerd vanuit landen die nu ook al suiker exporteren zoals Soedan, Zambia, Malawi, Mozambique, Tanzania, Madagaskar en eventueel Birma. Volgens Oxfam zullen de effecten voor de suikersector in Europa marginaal zijn, maar zullen de armste landen en mensen ter wereld hiervan juist profiteren. (Oxfam IDS 2001 in Hazeleger 2001).

Een ander geluid kwam Smeessens van de Universiteit van Leuven en secretaris van de Belgische Suikerbietentelers-organisatie. Hij zegt dat het EBA-verdrag geen vaste minimumprijzen garandeert voor additionele suikerimporten vanuit de MOL’s. De huidige ACP-suiker waarvoor betreffende landen een vaste hoge prijs krijgen zal dan ook vervangen worden door suiker uit MOL’s tegen een veel lagere prijs. Dit ondermijnt het systeem van gegarandeerde prijzen en het productiebeheersingssysteem, wat ten koste gaat van ACP-landen en Europese producenten. (Smeessens in Hazeleger 2001).

Voorlopig zal de EU nog vasthouden aan haar afspraken met ACP-landen. Maar is ook volgens Hazeleger onzeker wat er gebeurt als de exporten vanuit MOL’s zullen stijgen boven 900.000 of zelfs 2,7 miljoen ton. (idem, pag. 27).

De effecten van het Cotonouverdrag op ‘the transfers on (economic) development’ van deze landen zijn twijfelachtig, hoewel de landen er financieel wel van geprofiteerd hebben. EBA is zelfs meer twijfelachtig als een middel tot ontwikkeling. Substantiële importen vanuit de MOL’s kunnen niet verwacht worden voor 2007. De hervorming van het GLB in 2005 kan het EBA-verdrag overbodig of onwenselijk maken. Ook zijn er geen garanties afgegeven binnen EBA over prijzen of volumes, in tegenstelling tot het verdrag met ACP-landen. (idem, pag. 27).

Volgens de Vries van CSM (interview, zie bijlage 13) kan het nieuwe EBA-voorstel op dezelfde manier misbruikt worden als de Landelijke Gebieden Overzee-overeenkomst tussen Nederland en het Caribische gebied. Landen als India, Thailand en Brazilië kunnen hun suiker naar een Minst Ontwikkeld Land vervoeren als Bangladesh (vanuit India) van waaruit geen importheffingen in de EU geheven worden vanaf 2006. Hiervan profiteren vooral smokkelaars, en er is dan dus geen sprake van armoedebestrijding. ACP-landen kunnen ook niet meer concurreren met de EBA-landen, maar het Ministerie van Buitenlandse Zaken vindt Mauritius en Fiji blijkbaar niet arm genoeg meer.

Een betere oplossing dan EBA is volgens de Vries, deze landen ook een quotum te geven zoals het Cotonou-verdrag, waardoor men een vaste garantieprijs ontvangt. Zonder deze hoge garantieprijs zal men in deze landen niet snel gaan investeren in de suikerteelt, omdat men dan grote risico’s loopt. Hierdoor wordt misbruik via carrouselverkeer en smokkel ook voorkomen. EU-Commissaris Lamy wil echter niet luisteren naar deze kritiek.
* Case: De gevolgen voor Mozambique van het EBA-voorstel
Suiker wordt in Mozambique (vanaf 2004) op 5 of 6 grote plantages geteeld, met elk een eigen suikermolen die witte of ruwe suiker produceert. Momenteel wordt er via de molen 140.000 ton suiker geproduceerd, en vinden hier 6.000 vaste – en 11.000 seizoensarbeiders werk. Vakbonden zijn mogelijk, en zoveel mogelijk werk wordt handmatig gedaan om zoveel mogelijk banen mogelijk te maken.

Mozambique kan produceren tegen een kostprijs van $190 tot $250 per ton, en is dus een lage kosten producent. Door het EBA-voorstel kan zij naast een preferentiële toegang tot de VS-markt ook toegang krijgen tot de EU-markt.

Mozambique beschermt haar eigen markt met importtarieven van $385 (ruw) tot $450 (wit) per ton. Deze liggen echter onder vuur van de IMF en de Wereldbank. Maar tot 2012 wanneer de vrije SADC-suikermarkt wordt geopend, lijkt men de markt te kunnen beschermen.

Er schuilen echter ook gevaren door de privatisering van de plantages en de molens. Hierdoor wordt de grond verdeeld over kleine boeren die echter afhankelijk zijn van de plantagehouders die de inkoopprijs kan manipuleren. Ook moeten de boeren zelf de oogstrisico’s dragen. De werkomstandigheden zijn zwaarder op de kleine bedrijven, en de mensen kunnen zich door fragmentatie moeilijker verenigen om de lonen of werkomstandigheden te verbeteren.

Een uitbreiding van de export via het EBA-voorstel zou banen creëren, maar dit zouden veel slechter betaalde banen zijn dan die nu in de industrie bestaan.

Ook de EU draagt ook bij aan de problemen in Zuidelijk Afrika via gesubsidieerde exporten. Zij importeert 216.000 ton ruwe suiker en melasse uit MOL’s, maar exporteert 492.000 ton witte suiker naar deze MOL’s. Als de EU deze export zou stoppen en een zuidelijke markt voor Mozambique en andere producenten zou creëren, zou dit waarschijnlijk meer helpen dan het EBA-verdrag.

De conclusie is dat de toegang tot de EU duizenden banen zou creëren met negatieve bijeffecten. Zich inzetten voor EBA alleen voor ruwe suiker is niet voldoende. De EU moet ook haar tarieven verlagen voor verwerkte en industriële suiker en suikerproducten, en de subsidiëring stoppen van de export van deze producten. (Hazeleger 2001, p. 28)
6. (Verwachte) gevolgen van liberalisering en wijzigingen in het EU-beleid
Door de WTO-afspraken zou binnen een aantal jaren het GLB voor suiker aangepast kunnen worden. Verlaging van de interne suikerprijs zou dan gepaard kunnen gaan met compensaties in de vorm van directe betalingen. Ook zouden de productie- en invoerquota verlaagd kunnen worden en op lange termijn zelfs kunnen worden afgeschaft. Hierdoor zou de wereldmarktprijs kunnen stijgen (zoals gezegd zijn de meningen hierover verdeeld), en zou de toegang tot de EU-markt worden vergroot. Een nadeel is dat de preferentiële toegang van ACP-landen wordt beëindigd, en dat importsubstitutie en dumpen niet zullen stoppen. (Hazeleger 2001 p.22)

Op dit moment is suiker buiten Agenda 2000 gehouden, waarin een begin is gemaakt met bovengenoemde maatregelen. Het huidige beleid zal tot 2005 nagenoeg ongewijzigd blijven. Het beleid is met name buiten schot gebleven doordat de telers en verwerkers zelf de exportsubsidies opbrachten via productieheffingen. (interview de Vries CSM). Na 2005 zal er waarschijnlijk wel een interne prijsverlaging optreden omdat het volume suiker dat met subsidies geëxporteerd wordt 35% - en de hoeveelheid exportsubsidies 60% hoger zijn dan de WTO-afspraken.

Er werden door verschillende organisaties scenario’s ontwikkeld en discussies gehouden om de gevolgen van liberalisering te beoordelen.
* Het Ministerie van LNV
Bij volledig liberalisatie zal de prijs met meer dan 30% dalen. Suiker blijft dan echter in het bouwplan gehandhaafd. ‘Dit is bij gebrek aan economisch aantrekkelijke alternatieven zelfs het geval als er geen sprake meer zou zijn van prijscompenserende directe inkomenssteun. Ondanks de sterke inkomensdaling blijft suiker economisch aantrekkelijker dan andere gewassen. De suikerindustrie zal in die situatie streven naar verdere efficiencyverbetering en naar zeer nauwe banden met de grotere en zeer intensief producerende akkerbouwbedrijven.

De prijs- en inkomensdalingen in de akkerbouw leiden tot het beëindigen en omschakelen van vele bedrijven.(…) Voorts zullen steeds meer akkerbouwbedrijven overgenomen worden door veehouders.’ Bijvoorbeeld om graan te telen voor je eigen veehouderij. ‘Andere alternatieven zijn verbouw van biologische (voeder)gewassen, van pootaardappelen, van bloembollen en boomteelt. Vollegrondsgroenteteelt lijkt bij verdere handelsliberalisatie geen optie vanwege te verwachten extra concurrentie uit kandidaat-lidstaten en derde landen. Verdergaande handelsliberalisatie brengt namelijk ook een afbraak van bestaande invoerbescherming in deze sector met zich mee.



Bij volledige handelsliberalisatie zonder compenserende directe inkomenssteun is er voor het traditionele akkerbouwbedrijf geen toekomst. De grootschalige akkerbouw is verdwenen uit de zandgebieden. De teelt van zetmeelaardappelen is verplaatst naar de kandidaat-lidstaten.’ Bij een meer gematigde liberalisatie zijn er nog kansen voor graan, suikerbieten en eventueel consumptieaardappelen. (Min. LNV, 2002, p.23-24)
* Het Landbouwkundig Economisch Instituut
Het LEI (LEI 2001, in Hazeleger 2001, p.22-24) heeft 4 scenario’s ontwikkeld om de gevolgen van liberalisering te kunnen beoordelen:

  1. Liberalisering van primaire producten: verlaging van de importtarieven en exportsubsidies met 50%.

  2. Zie 1. + een verlaging met 50% van de steun aan agrarische bedrijven.

  3. Liberalisering van primaire en verwerkte producten en een verlaging met 50% van de steun aan agrarische bedrijven.

  4. Liberalisering van alle producten (ook buiten de agrarische sector), verlaging van de steun aan agrarische bedrijven.

Conclusies van dit onderzoek zijn:

  • Scenario 1 leidt tot een uitbreiding van de primaire agrarische sector van netto exporterende landen van primaire agrarische producten, maar een achteruitgang van verwerking en industrie. De uitzondering hierop vormen de lage inkomens landen die netto exporteur zijn van primaire producten maar importeur van verwerkte voedselproducten. Dit zijn Tanzania, Oeganda en de rest van Sub Sahara Afrika. Door liberalisering zullen hun importen van voedselgranen sneller stijgen dan de exporten. Dit komt door hun hoge importtarieven op voedselgranen. Hun verlies van aandeel op de wereldmarkt zal leiden tot een lagere landelijke productie en een lagere prijs voor landbouwproducten. Dit heeft grote nadelen voor de agrarische productiesector.

  • Scenario 2 zal leiden tot lagere productie in de EU, Japan en de Newly Industrialised Countries in Azië. Hierdoor zal de vraag stijgen en de export uit de EU zal dalen. Dit zal echter niet leiden tot een hoger marktaandeel van ontwikkelingslanden. Vooral boeren uit de ontwikkelde landen als de VS, Mexico, Canada, Australië en Nieuw Zeeland zullen profiteren van extra deze markttoegang.

  • Ontwikkelingslanden zullen vooral profiteren bij scenario 3, omdat dan ook de handel in verwerkte producten wordt geliberaliseerd. De verwerkende industrie in ontwikkelde landen zal zich dan verplaatsen naar de middelste inkomens landen. De agrarische productie zal in dit scenario uitbreiden in de lagere – en middelste inkomenslanden, met name in Latijns-Amerika. In dit scenario zullen echter weer de landen die exporteur zijn van primaire producten maar importeur van verwerkte voedselproducten niet profiteren. Deze landen zullen last hebben van de mindere vraag vanuit de EU naar onbewerkte producten. Vooral de boeren en verwerkende industrie in Australië en Nieuw-Zeeland zullen profiteren bij dit scenario.


* De FAO (Wereldvoedsel en landbouworganisatie binnen de VN)
Een FAO-studie uit 2001 over de liberalisering van de suikermarkt kwam tot ongeveer dezelfde conclusies (FAO 2001 in Hazeleger):

  • Als de EU zich zou houden aan de WTO-afspraken tot 2005, zou haar productie afnemen en de productie in andere landen toenemen. De wereldmarktprijs zou hierbij $262 per ton zijn.

  • Bij volledige liberalisering, zal de wereldmarktprijs voor suiker stijgen met 43% tot $386 per ton. De totale handel zou dalen, omdat de consumptie meer zal stijgen dan de productie. In landen met hoge importtarieven zal de productie dalen en de consumptie stijgen, vooral in Azië. Vooral India, de VS en Japan zouden hun exporten zien toenemen bij dit scenario.

  • ACP-landen zouden als zij hun preferentiële status ten opzichte van de EU verliezen door liberalisering, hun exportinkomsten met 8% zien dalen.


* LMC International
Volgens J. Fry Managing Director van LMC International, UK (in CAB, 1997 p.15-16) zullen door liberalisering landen met een lage kostprijs als Australië, Thailand, Brazilië, India en de groep van Zuid-Afrikaanse exporteurs belangrijker worden. De rol van producerende landen met een hoge kostprijs als Europa, de VS, en bepaalde landen in het Caribische gebied en Oost-Azië zal marginaal worden. In landen als de Filippijnen, Thailand, Chili en China zal er een grootscheepse mechanisatie en landhervorming moeten plaatsvinden om te kunnen groeien, omdat de hoge loonkosten (door de verwachte economische groei in deze landen) dit anders zouden verhinderen.

Om succesvol te kunnen blijven op de wereldmarkt is technologische vooruitgang een voorwaarde, doordat de kosten blijven stijgen en de wereldmarktprijs voor suiker naar verwachting blijft dalen. Op de langere termijn is suiker een van de exportgewassen waarvan de prijs het minst onderhevig is aan prijsdaling (1,5% per jaar, ten opzichte van 1,9 tot 3,5% voor andere gewassen. De extra productie die dit tot gevolg zou kunnen hebben in een geliberaliseerde markt zou deze trend echter kunnen keren, en ook verdere prijsdaling tot gevolg hebben. Bij stijgende kosten voor lonen, is de enige oplossing om concurrerend te kunnen blijven, technologische vooruitgang. (CAB, 1997, p.15-16)


* Het ministerie van LNV
Het ministerie van LNV heeft ook een scenariostudie uitgevoerd. Zij vergelijken de huidige WTO-afspraak met 2 andere scenario’s.

  • De huidige afspraak voor alle producten is de importtarieven en exportsubsidie te verlagen met 36%. Verdere liberalisering is niet te verwachten volgens hen. In de WTO geldt een uitzondering voor suiker, hiervoor hoeft maar gereduceerd te worden met 20%.

  • Scenario 1: (tariefafbraak en verlaging exportsubsidies met 25%), dan zakt de prijs van de huidige EU-prijs van 1327 gld/ton, naar 1134 gld.

  • Scenario 2: (idem beide 50 %) naar 941 gld, wereldmarktprijs is 544 gld/ton.

Door de liberalisering is een aanpassing van het EU-prijsniveau dus noodzakelijk. Er blijft echter wel ruimte voor handhaving van de quotering. De voordelen van deze quotering wegen echter steeds minder op tegen de nadelen, naarmate door verdere liberalisering de prijs verder zakt. Het nadeel wordt dan namelijk dat men hoewel men lagere prijzen krijgt, zijn productieniveau niet mag uitbreiden. Analoog aan het graanbeleid is dan een hervorming mogelijk waarbij een deel van de prijsondersteuning wordt vervangen door directe inkomenstoeslagen.

* Discussie in Groot-Brittannië
In Groot-Brittannië is er een discussie tussen enerzijds de consumenten (Consumers in Europe Group (CEG)) en de producenten (British Sugar, Tate & Lyle , National Farmer’s Union en ACP London Sugar Group). De consumenten willen een volledige liberalisering en dus opheffen van het GLB voor suiker. De producten zijn tegen een volledig opheffen van dit GLB, omdat:

  • Zelfs als de suikerprijzen substantieel zouden dalen, de consumenten hier weinig van zouden merken. (British Sugar)

  • De wereldmarktprijs irrelevant is voor de meeste suiker die in een land geconsumeerd wordt, als deze suiker ook in dat land geproduceerd is. Dit komt omdat de meeste landen hun suikerindustrie steunen, direct door prijsmechanismen of door maatregelen als belastingvoordelen, importquota of –heffingen, productiesubsidies. (ACP London Sugar Group)

In deze discussie werden de belangen van niet-ACP ontwikkelingslanden echter maar beperkt meegenomen. (Sustain 2 p.5)
Ter illustratie vindt u nu een case van de gevolgen van een mogelijke liberalisering voor Fiji, als ACP-land.
* Case de gevolgen van liberalisering voor Fiji
Op Fiji is 42% van de agrarische productiewaarde, 30% van de waarde uit de verwerkende industrie en 11% van het BNP, afkomstig uit de teelt en verwerking van suikerriet. 25% van de arbeidspopulatie is hierin werkzaam. Van de suikerproductie wordt 40% via preferentiële toegang tot de EU verkocht, dit komt overeen met 65% van de opbrengsten. Dit had grote voordelen; een veel hogere (soms zelfs dubbel van de wereldmarktprijs)en stabielere verkoopprijs. Deze stabiliteit blijkt uit de vergelijking met fluctuaties van de wereldmarktprijs; tussen 1975 en 1991 41% fluctuaties in de wereldmarktprijs ten opzichte van 8,7% in de EU-prijs. Naar de VS wordt nog eens10% van de productie via preferentiële toegang geëxporteerd. Voordelen van deze preferenties waren verder: hogere productie, meer arbeidsinzet op de boerderijen, hogere inkomens voor de landeigenaren en pachters (de telers), minder armoede, door de stabiliteit de mogelijkheid te kunnen lenen voor investeringen, en toegenomen uitgaven aan onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting.

De gevolgen van volledige liberalisering zouden zijn (Reddy en Yanagida in Sustain 2, p.:



  • Zonder externe hulp zouden kleine boeren met enorme verliezen te maken krijgen en verder in de armoede verdwijnen;

  • Nu bevindt 21% van de bevolking zich onder de armoedegrens, dit zou oplopen tot 80 % van de huishoudens;

  • Nu bevinden boeren met 2,8 hectare of minder zich onder de armoedegrens, dit zou oplopen tot 7,2 hectare bij liberalisering;

  • De algemene economische ontwikkeling van het land zou belemmerd worden, door een vermindering van de exportinkomsten.

Bijkomende omstandigheden als verschillende etnische en politieke aanspraken over suikerrietgronden (met als gevolg een staatsgreep in 2000), een gebrek aan diversificatie in de landbouw, agro-economische inefficiëntie door het telen op marginale gronden en een belastingstructuur die kleine beren stimuleert, verergeren de problemen door liberalisering. Een oplossing zou nog kunnen liggen in de overschakeling naar andere gewassen.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • Bijlage 8 Open brief landbouw- en milieuorganisaties aan EU-Commissaris Fischler
  • (2) Farmers’ income food prices
  • (5) Live animals export subsidies
  • (7) Farm animals welfare standards
  • (10) Environmentally Sustainable Agriculture
  • (11) Environmental integration
  • Bijlage 9 Extra informatie bij paragraaf 6.6 over de handel in suiker

  • Dovnload 4.64 Mb.