Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina24/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

Bijlage 10 De sociale- en milieugevolgen van suikerbieten ten opzichte van suikerriet

In deze paragraaf ga ik dieper in op de sociale - en milieugevolgen, waarbij ik de teelt van suikerbieten vergelijk met de teelt van suikerriet. Ik gebruik hierbij suiker omdat dit binnen de EU nog steeds een product is dat afgeschermd is van de wereldmarkt via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. (Zie Hoofdstuk 6). Er is nu een discussie gaande om meer en eerder dan 2009 suiker uit suikerriet toe te laten in de EU uit de Minst OntwikkelingsLanden (MOL’s). Deze paragraaf moet als achtergrond van deze discussie gezien worden, maar veel geschetste problemen zullen ook gelden voor andere exportgewassen.

Ik heb voor deze paragraaf interviews gehouden met Paul Struik van Wageningen Universiteit, en met Gerton Timmermans van Timmermans Agri Service te America een loonwerkbedrijf gespecialiseerd in gewasbescherming. Ook heb ik een video ‘Zuckerrübe gegen Zuckerrohr’ van de Süd Deutsche Rundfunk (SWR, 2001) bekeken waarbij een vergelijking tussen beide teelten werd gemaakt in Duitsland en Brazilië. Daarnaast is heb ik gebruik gemaakt van literatuur.
1. De milieugevolgen van suikerriet

Suikerriet is een meerjarig gewas, de productie is ongeveer 10 tot 12.000 kg ruwe suiker per hectare. Het gewas heeft hoge temperaturen nodig voor een efficiënte fotosynthese, en er is veel water nodig bij de teelt. Door de vochtige omstandigheden is het gewas wel gevoelig voor schimmels.

Of het gewas extensief of intensief geteeld wordt hangt af van het betreffende land. In sommige landen wordt het ook geteeld door kleine boeren voor eigen gebruik of om tot alcohol te stoken.

Suiker wordt uit het suikerriet gehaald door het sap uit het riet te persen. De overblijvende droge stof is eventueel nog als brandstof te gebruiken, verder zijn er weinig toepassingsmogelijkheden. (interview Paul Struik) In Australië worden wel veel bijproducten gerecycled. (CAB, 1997, p.414)

Volgens het Center for Agriculture and Biosciences in Australië (een van de grootste suikerrietproducenten ter wereld) (CAB, 1997) zijn bij de teelt van suikerriet de volgende milieueffecten te onderscheiden: bodemerosie (vooral bij teelt op hellingen), bodemuitputting, verzilting, verzuring, wateruitputting en bodemdegradatie.

In Australië is de afhankelijkheid van irrigatie bij de suikerrietteelt groot, 40% van het areaal wordt geïrrigeerd. De verschillen tussen benodigd water en jaarlijkse effectieve regenval (met aftrek van verdamping) variëren op 7 verschillende locaties van 440 tot 2380 mm. Deze hoeveelheid moet worden aangevuld door irrigatie. De efficiëntste irrigatiemethodes zoals druppelirrigatie worden door de hoge investeringskosten nog lang niet overal toegepast. Binnen gebruikte methodes zijn er nog veel efficiëntieverbeteringen mogelijk. (CAB, 1997, p.287-302, 448) Zelfs met de efficiëntste irrigatiemethodes blijft het risico op wateruitputting echter groot (op lange termijn).

Bijkomend nadeel van irrigatie is dat de bodem op termijn verzilt kan raken, of een overschot aan natrium (NaNO3) kan krijgen. Het gevolg is dat de gewassen gevoelig worden voor verdroging. (CAB, 1997, p.318-319) Ook is er een verlies aan biodiversiteit in wetlands omdat hier minder water wordt aangevoerd. Tevens dringt zout water landinwaarts in het grondwater wanneer zoet water wordt opgepompt. (CAB, 1997, p.414) Door irrigatie stijgt ook het grondwaterpeil van zoet water, waardoor het risico op verzilting groter wordt omdat het zilt dat via irrigatie is aangevoerd, geen kans krijgt naar diepere lagen te verdwijnen. (CAB, 1997, p.445)

In Australië vindt suikerrietteelt vooral plaats langs de Oostkust. Deze teelt heeft de volgende negatieve gevolgen voor het milieu (gehad): het verdwijnen van natuurgebieden langs rivieren en wetlands, bodemerosie en sedimentatie van deze grond benedenstrooms (met verlies aan biodiversiteit en overstromingen als gevolg), verontreiniging van water met nutriënten, pesticiden en andere afzettingen. Het verlies aan bodem door erosie bij suikerrietteelt op hellingen kan oplopen tot 380 ton per hectare jaarlijks, vergeleken met 4 ton per jaar wanneer er (oorspronkelijk) tropisch regenwoud op deze hellingen groeit. (CAB, 1997, p.403-421) Vergelijkbare problemen zullen zich voordoen in andere landen.

Door klimaatverandering zal de suikerrietteelt in de toekomst waarschijnlijk meer last krijgen van schimmels, onkruiden, ziekten en insectenplagen. In de toekomst wordt mogelijk genetische manipulatie toegepast om de productiviteit te verhogen, resistentie tegen ziekten en plagen te verkrijgen en grotere toepasbaarheid van bijproducten in de verwerkende industrie te verkrijgen.

De CAB spreekt over een potentiële opbrengst in Australië van 22 tot 31.000 kg suiker per hectare in warme gebieden, en 18 tot 24.000 kg in iets gematigdere gebieden. (CAB, 1997, p.48) Struik sprak over een gemiddelde opbrengst (mondiaal) van 10 tot 12.000 kg per hectare (vergelijkbaar met suikerbieten).

In de videofilm waarbij de teelt van suikerbieten in Duitsland werd vergeleken met suikerrietteelt in Brazilië, bleek dat er veel regenwoud gekapt wordt om nieuwe plantages suikerriet aan te leggen. Brazilië heeft in korte tijd haar suikerexport uitgebreid van 2 tot 3 miljoen ton in 1992, naar 10 miljoen ton in 2001. De Vries van CSM verwacht dat dit nog verder zal stijgen tot 12 tot 14 miljoen ton. Het kost weinig verbeeldingskracht dat dit ten koste zal gaan van nog meer tropisch regenwoud.

Bij de suikerverwerking wordt vervuild water van 40 graden Celsius geloosd in de rivieren, hierdoor zijn de vissen verdwenen. Ook treedt er luchtvervuiling op door het verbranden van het restafval. De bodem en het water zijn verder vervuild door het gebruik van pesticiden.

In Noordoost-Thailand is er ook tropisch regenwoud verloren gegaan voor de aanleg van suikerrietplantages, terwijl de subsidie op elektriciteit in India er voor zorgt dat er veel grondwater van grote dieptes wordt onttrokken door de suikerrietteelt. (CAB, 1997, p.9)

Het energieverbruik per 1000 kg suiker in de suikerverwerkende industrie is dubbel zo groot bij suikerriet in Australië en 3 maal zo groot in China en Thailand, dan bij verwerking van suikerbieten in de EU of de VS. (CAB, 1997, p.10)


2. De sociale gevolgen van suikerrietteelt

De teelt van suikerriet in Brazilië vindt plaats op in totaal 250 tot 300 grote plantages, die ook verwerkende suikerfabrieken bevatten. Uit genoemde video bleek hoe slecht de arbeidsomstandigheden op deze suikerrietplantages zijn. Landarbeiders spuiten handmatig bestrijdingsmiddelen zonder enige lichaamsbescherming. Men wordt volgens een arbeider als beesten behandeld, er is bijvoorbeeld weinig hulp bij ziekte en ongelukken. Er waren op betreffende plantage reeds 70 mensen gestorven door allerlei oorzaken.

Ook Stalenhoef (1996, p.26) bevestigt het op grote schaal gebruik maken van pesticiden, terwijl informatie op de verpakkingen summier is en er nauwelijks beschermende kleding voorhanden is in Brazilië in zijn algemeen. Verder: ‘Door de lage cacaoprijzen is de grond van veel kleine boeren opgekocht door grootgrondbezitters(1991: ca. 26.000), die ruimschoots gebruik maken van chemicaliën.’ In de suikerrietteelt zijn vergelijkbare processen aan de hand.

Men werkt zes dagen per week, twaalf uur per dag op basis van stukloon. Door het groot aantal landloze boeren en werklozen in Brazilië, worden de lonen laaggehouden, ongeveer €3 per dag. Hiervan kunnen gezinnen met 8 kinderen amper in leven blijven. Een arbeider van 42 jaar zegt dat de situatie sinds zijn 12e jaar toen hij begon te werken alleen maar erger is geworden. Soms worden groepen arbeiders uit andere delen van Brazilië gehaald die nog voor minder geld willen werken. Door de slechte huisvesting, lange werktijden en lange loopafstanden waren deze echter al weer vertrokken. Als landarbeiders overigens lid willen worden van een vakbond worden zij bedreigd met ontslag.

Door gesprekken met landloze boeren bleek dat hele boerengemeenschappen (in dit geval van 5.000 mensen) met geweld door bewapende mensen van grootgrondbezitters, van hun grond af worden verjaagd. De vrijkomende grond wordt vervolgens toegevoegd aan de suikerrietplantage.


  • Case suikerrietteelt in Kenia

In Kenia wordt op 58.00 hectare 5 miljoen ton suiker per jaar geproduceerd, dit is 0,3% van de totale wereldproductie. Toch is dit nog te weinig voor de nationale consumptie en wordt er nog suiker geïmporteerd.

Er zijn echter problemen die aan deze teelt gerelateerd zijn, zoals honger en ondervoeding onder telers en landarbeiders. De oorzaken hier van zijn:



  • Slecht management binnen de productie, oogst en verwerking van suikerriet, door de suikerrietbedrijven die de suiker verwerken en vaak in overheidshanden zijn. Als gevolg hiervan werden telers vaak jaren achter elkaar niet betaald, en werd de suiker niet geoogst maar gebruikt als brandstof.

  • Goedkope importen zorgden er voor dat de bedrijven de suiker niet konden verkopen, en daardoor hun telers niet konden uitbetalen. Een deel van deze importen is afkomstig van handelaren die de invoerbelastingen ontlopen, het grootste gedeelte is echter afkomstig van gesubsidieerde exporten van bijvoorbeeld de EU. In 1998 bleven de bedrijven daardoor zitten met een voorraad van 200.000 ton suiker. Hoewel Kenia preferentiële toegang heeft voor suiker tot de EU, kwam men doordat men deze goedkope importen niet kon tegenhouden toch in de problemen. Ook kon men hierdoor haar eigen suikerproductie niet uitbreiden.

Boeren die aan de Mumias Sugar Company leveren, dreigden door bovenstaande problemen voedselgewassen te gaan telen in plaats van suikerriet. (The Nation in Sustain 2) In Mumias is het Community Rehabilitation and Environmental Programme actief, een NGO die een partner is van Oxfam. Deze organisatie is actie op gebied van voedselzekerheid, gemeenschapsopbouw en plattelandsontwikkeling via biologische landbouw en kleinschalige irrigatie. In dit gebied werden eerst alleen suikerriet geteeld in monocultuur, maar worden boeren aangemoedigd ook eigen voedsel te gaan telen en suiker zonder gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. De suiker produceren ze vooral op kleinere stukjes land. Thomas Barasa Programme Officer van Food Security and Land in Kenia zegt dan ook: “Farmers are better off producing food than growing a crop which earns them next to nothing”. (Sustain 2, p.12) In Fiji is er bewijs dat de beste opbrengsten gehaald worden op arealen van 1 hectare of minder. (Grynberg in Sustain 2, p.12)


3. De milieugevolgen van suikerbietenteelt

De suikerbiet blijkt qua energie-efficiëntie vergeleken met gerst, aardappelen en oliezaden zeer efficiënt te zijn (variërend van een 2 tot 2,5 maal hogere energieratio). Dat betekent dat de teelt veel energie oplevert in verhouding tot de energie-input. (Törner, 1997) Het gebruik van kunstmest in suikerbieten is beperkt, omdat het suikergehalte daalt bij te veel stikstof. (Struik) Sinds de jaren ’60 is de gift van kunstmest in de vorm van stikstof, fosfor en kali afgenomen in de EU. (Draycott et al., 1997) Verder verdwijnt er na een suikerbietenteelt weinig stikstof in de vorm van nitraten naar bodem en water, vergeleken met de teelt van granen en aardappels. Dit komt omdat de suikerbiet tot in de herfst stikstof blijft opnemen. (Shepherd et al., 1997) Ook het gebruik van bestrijdingsmiddelen valt mee in vergelijking met andere gewassen. Dit komt onder andere omdat er relatief lang mechanische onkruidbestrijding mogelijk is. (Struik) Volgens Maarsingh van LTO Nederland (interview zie bijlage 13) wordt bij de teelt van suikerbieten 3 kg bestrijdingsmiddel per hectare gebruikt. Dit is laag in vergelijking met bloembollen (25 kg) en lelies (125 kg). Volgens Timmermans wordt er hoofdzakelijk tegen bladvlekkenziekte gespoten. Door het quotumsysteem (maximaal 2.500 kg suiker per hectare, bij een opbrengst van 10.000 kg suiker per hectare) kan men maximaal op een kwart van zijn land suikerbieten telen. Dit past goed in een vruchtwisseling van vier jaar. Een afwisseling van suikerbieten, granen, aardappels en conserven (bijvoorbeeld erwten of bonen) is gebruikelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat men grondontsmetting moet toepassen. Als men om de twee jaar suikerbieten zou telen zou dit ook ten koste gaan van de bodemvruchtbaarheid. (interview Timmermans)

Boeren in de EU gebruiken suikerbieten binnen hun bouwplan. Als door verdere liberalisering suiker uit het bouwplan zou verdwijnen in Nederland, zou dit zeer schadelijk zijn voor de vruchtwisseling. Het bouwplan is nu namelijk al te eenzijdig vastgesteld. Door een gebrek aan vruchtwisseling is het risico om ziekten en plagen groter, en de noodzaak van bestrijdingsmiddelen gebruik dus ook. (interview de Koeijer)

Timmermans is overigens niet te spreken over de Commissie voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Vooral sinds deze organisatie geprivatiseerd is vijf jaar geleden, is de situatie verslechterd. Door haar beleid worden milieuvriendelijke middelen veel te laat toegelaten. Ook komt het voor dat een middel dat wel is toegelaten bij de teelt van fruit, niet gebruikt mogen worden bij de teelt van suikerbieten. Dit terwijl de risico’s door de directe consumptie van fruit eventueel toch gevaarlijker zouden kunnen zijn, dan bij de teelt van suikerbieten die nog eerst een verwerkingsproces ondergaan. In Duitsland is dit betreffende middel wel toegelaten bij de teelt van suikerbieten.

Volgens Struik wordt er relatief veel energie verbruikt in het verwerkingsproces van suikerbieten. De bijproducten (ongeveer 25% van de biet) van het verwerkingsproces zijn: melasse dat vooral gebruikt wordt als veevoer, vinasse dat net als melasse eventueel gebruikt kan worden voor de productie van alcohol en ethanol, en calciumhoudende meststof. Door de verplichte waterzuivering zijn de milieugevolgen van de verwerking beperkt.
4. De sociale gevolgen van suikerbietenteelt

Zoals al gezegd is de suikerbiet een cruciaal onderdeel binnen het bouwplan in Europa. Daarbij is het één van de weinige gewassen waarbij de boer gegarandeerd is van een goede prijs voor zijn product. De inkomens in de akkerbouw zijn al jaren niet hoog, dus als dit product zou verdwijnen door liberalisering zou dit zeer nadelig kunnen uitpakken voor de akkerbouwers.

Volgens de vrije-markttheorie is het wel zo dat de consumenten een te hoge prijs voor hun suiker betalen, omdat de goedkopere rietsuiker (buiten ACP-landen en een aantal andere ontwikkelingslanden, zie Hoofdstuk 6) niet wordt toegelaten in de EU.

Het is maar zeer de vraag of consumenten echter zullen profiteren van verdere liberalisering, omdat de prijs van Coca Cola in Brazilië en Noorwegen hoger is dan in de EU. Hoewel beide landen tegen lage wereldmarktprijs suiker kunnen verkrijgen. (SWR, 2001)

Ook zijn de arbeidsomstandigheden veel beter en de lonen hoger in de verwerkende suikerindustrie in de EU vergeleken met bijvoorbeeld Brazilië, door wetgeving en CAO’s.

Volgens de Vries van CSM (zie bijlage 13) is de prijs van suiker afkomstig van suikerbieten zo hoog vergeleken met suiker afkomstig van suikerriet, omdat de eisen op gebied van milieu en arbeidsomstandigheden en de arbeidskosten veel hoger zijn in de EU dan in landen als Brazilië. Bij liberalisering is er dan ook sprake van oneerlijke concurrentie, doordat er geen level playing field is.


Bijlage 11 Standpunten Friends of the Earth Europe over het GLB



Aangevuld met standpunten van Birdlife en andere NGO’s, en eigen bijdrages en commentaar.
Nadelen van het huidige GLB
* Friends of the Earth Europa is in juni 2002 een nieuwe campagne gestart ‘Food and Farming: Time to Choose!’. Zij vinden dat de volgende zaken mis zijn aan het huidige GLB:

  • een grote focus op productiviteit en export; dit heeft geresulteerd in milieudegradatie, onveilig en ongezond (lage kwaliteit) voedsel, plattelandsontvolking en schade aan ontwikkelingslanden;

  • onduurzame intensieve productiemethoden die geleid hebben tot achteruitgang in bodemvruchtbaarheid, vernietiging van biodiversiteit, een toename van transportkilometers voor voedsel en de accumulatie van chemicaliën in water en bodem;

  • het bevoordelen van de grote boerderijen ten opzichte van de kleine boerderijen want 80% van de landbouwsubsidies gaan naar slechts 20% van de boeren.

Volgens Birdlife International (een Europese milieuorganisatie) zijn de volgende milieuproblemen ontstaan door onder andere het GLB (met aanvullingen van FOE Europe en mijzelf):



Klimaatverandering; leidend tot stijgende zeespiegels, overstroming van laag gelegen gebieden, smelten van gletsjers en poolkappen, verandering in neerslagpatronen die leiden tot overstromingen en droogtes, en het meer voorkomen van klimaatextremen. (Birdlife, 2002). FOE Europe (2002) voegt hieraan toe dat landbouw hoogst waarschijnlijk meer dan welke industriële sector dan ook bijdraagt aan dit broeikaseffect. Dit gebeurt vooral via de vele transportkilometers die gepaard gaan met de voedselproductie, -verwerking en -distributie, de productie van stikstofhoudende kunstmest, en de productie van methaangas en stikstofoxide via intensieve landbouw (dierlijk en plantaardig).

Watertekorten, overstromingen en watervervuiling; in bepaalde regio’s van Zuid-Europa is het niveau van onttrekking groter dan van aanvulling (60% van het onttrokken water is voor de irrigatie van gewassen). Door de methode van landgebruik worden overstromingen veroorzaakt, bijvoorbeeld door drainage en om (over)begrazing mogelijk te maken, wordt het water zo snel mogelijk van de landbouwgrond verwijderd. Sinds 1990 is de waterkwaliteit van rivieren niet meer verbeterd. Fosfor- en stikstofverbindingen zorgen nog steeds voor vermesting van oppervlaktewater. Grondwater wordt vervuild in toenemende mate door nitraten en pesticiden, die soms maximale toelaatbare waarden overschrijden. De belastingbetaler draait op voor de schoonmaakkosten. (Birdlife)

Luchtvervuiling; die zowel oorzaken in de landbouw vindt als deze nadelig beïnvloedt. Voorbeelden zijn stikstofoxide en ammoniak die leiden tot zure regen en plaatselijk vermesting, en in verband gebracht worden met gezondheidsrisico’s. In sommige droge gebieden leidt landbouw tot meer stofdeeltjes in de lucht, wat ook tot gezondheidsrisico’s leidt. (Birdlife) Ook wordt in bepaalde delen van Europa Methylbromide gebruikt wat bijdraagt aan de aantasting van de ozonlaag. (FOE Europe, 2002)

Bodemerosie, verzilting en landdegradatie; bodemerosie neemt toe door mechanisering, ploegen op steile hellingen, het verlies van gras in het bouwplan, overbegrazing en drainage. 12% van de totale Europese landoppervlakte heeft te maken met watererosie, 4% met winderosie. (Birdlife) In Zuid-Europa waar de bodemkwaliteit slechter is zou 50% van het land beïnvloedt zijn door watererosie in wisselende vorm, 20% heeft last van winderosie. (aanvulling DGVI/DGXI/Eurostat 1999 in FOE Europe, 2002). Verzilting is vooral een probleem in Zuid-Europa, gedeeltelijk veroorzaakt door overexploitatie van waterbronnen door irrigatie. Bodemverdichting wordt veroorzaakt door het gebruik van zware machines en overbegrazing.(Birdlife)

Verlies van biodiversiteit; de bedreiging van Europese wilde soorten door de landbouw is groot, bij alle soorten gaat het aantal achteruit. In veel landen is tot 50% van de ongewervelde dieren bedreigd. Vogelsoorten worden vooral in Noordwest Europa bedreigd. Habitat zoals wetlands, permanente grasvelden en natuurlijke en semi-natuurlijke bossen gaan voortdurend verloren of worden bedreigd. Permanente grasvelden gaan verloren doordat deze worden omgezet in akkerbouwgewassen. (Birdlife)

Nauwelijks stimulans biologische landbouw; al deze milieuproblemen worden mede veroorzaakt, doordat biologische landbouw (productie, verwerking, distributie, voorlichting en onderzoek) nauwelijks tot niet gestimuleerd wordt via het GLB. (FOE Europe, 2002)

Verlies aan nuttige grondstoffen; hierbij doel ik vooral op het verbod om geen diermeel meer te mogen verwerken in veevoer sinds de BSE-crisis. Dit is een Europees besluit (en dus niet eenzijdig door lidstaten op te zeggen) om risico’s voor de volksgezondheid te beperken, maar naar mijn mening nog meer om het consumentenvertrouwen in vlees terug te winnen. Naar mijn mening schiet dit verbod zijn doel volkomen voorbij. Herkauwers zijn planteneters en behoren inderdaad geen dierlijk eiwit als veevoer te krijgen. Dit geldt echter niet voor varkens en pluimvee wat alles eters zijn. Bij deze dieren is het voorkomen van BSE (nog) niet geconstateerd. Om risico’s hierop te beperken zou bovendien kunnen worden voorkomen dat diermeel van één soort dier in het veevoer voor deze diersoort terecht komt (geen kanabalisme). De risico’s zijn overigens toch al nihil, omdat alle runderen die geslacht worden gecontroleerd worden op BSE. Als BSE wordt geconstateerd wordt het dier vernietigd. Ook worden risicovolle delen van alle dieren vernietigd. Door diermeel weer toestaan in varkens- en kippenveevoer wordt voorkomen dat hoogwaardige eiwitten worden vernietigd.

Gebruik van extra genetisch gemanipuleerde soja en overbevissing; door het verbod op diermeel in veevoeder is het gebruik van soja en vis als eiwitbron toegenomen. Feit is dat op dit moment de soja vanuit de VS en Latijns Amerika (behalve Brazilië dat voorlopig nog gentechvrij is) zowel genetisch gemanipuleerd kan zijn, als niet. De soja wordt echter niet gescheiden aangevoerd, waardoor al het veevoer buiten de biologische landbouw in principe genetisch gemanipuleerde bestanddelen kan bevatten. Risico’s voor de volksgezondheid van (langdurig) gebruik van dierlijke producten afkomstig van met genetisch gemanipuleerd veevoer zijn nog onbekend. Naar mijn mening lopen we ten onrechte deze risico’s, om het non-risico van gebruik van diermeel te voorkomen.

Het akkoord binnen de WTO dat er geen importheffingen worden geheven door de EU op eiwithoudend veevoer is overigens de hoofdoorzaak voor het feit dat we vooral soja importeren, in plaats van zelf peulvruchten te verbouwen.


Andere nadelen van het GLB (uit Birdlife 2002, FOE Europe 2002, Oxfam 2002 en eigen bijdragen en commentaar):

Achteruitgang van de biodiversiteit in landbouwgewassen.

Door de intensieve landbouw komt ons voedsel van steeds minder gewassen, waarvan ook nog veel minder rassen zijn overgebleven. Sinds 1900 is 75% van de biodiversiteit in landbouwgewassen verloren gegaan. (FAO in FOE Europe) Dit heeft grote risico’s tot gevolg voor de mondiale voedselzekerheid, omdat er bij nieuwe ziektes en plagen eventueel geen resistente rassen meer zijn. Ook zorgt de toenemende klimaatverandering ervoor dat we waarschijnlijk gewassen en rassen nodig hebben die droogteresistent zijn, beter bestand zijn tegen overstromingen en/of beter tegen zout water kunnen.



Teruggang van het aantal werkenden in de landbouw, en ongelijke steun

In de afgelopen 25 jaar is het aantal mensen dat werkzaam is in de landbouw gedaald van 13 miljoen naar 7 miljoen. In landen als Italië, Spanje en Griekenland is de rurale bevolking die actief is in de landbouw gereduceerd met 80% sinds de jaren 50. In Spanje zijn bijvoorbeeld 1131 dorpen verdwenen sinds die tijd. Door deze achteruitgang daalt ook het serviceniveau op het platteland. (FOE Europe)

Hoogproductieve gebieden als de Benelux en Denemarken hebben overigens veel meer geprofiteerd dan landen als Spanje en Portugal (Birdlife).

Verder gaat 80% van de subsidies naar 20% van de boeren, waardoor het proces van een teruglopende in de landbouw actieve rurale bevolking wordt versneld. (Birdlife)



Te veel inzet van productiegerichte subsidies

Elk jaar wordt €44 miljard besteed aan steun van de agrarische sector (boeren en industrie) via het GLB, slechts 10% van het budget gaat naar milieuprogramma’s of plattelandsontwikkeling. (Birdlife)



Milieukosten zitten niet in de prijs

Overheden en consumenten moeten betalen voor de nadelige gevolgen zoals het reinigen van drinkwater, het oplossen van voedselcrises en het voorkomen van negatieve gevolgen voor landschap en natuur. (Birdlife)



Te hoge consumentenprijzen

De prijzen voor consumenten zijn te hoog ten opzichte van de wereldmarktprijs. (Birdlife) Zelf betwijfel ik dit standpunt, als ik zie dat een lage koffieprijs op de wereldmarkt door overproductie, niet leidt tot lagere prijzen in de winkel. Het is dus vooral de verwerkende industrie en de detailhandel die profiteert van de lage prijzen.



Risico’s voor de volksgezondheid

Pesticiden en hormonen die gebruikt worden in de intensieve landbouw worden in verband gebracht met allergieën, onvruchtbaarheid en schade aan de hersenen. Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar het gezamenlijke gebruik van deze middelen voor de gezondheid. Het gebruik van antibiotica in veevoer kan leiden tot immuniteit voor de positieve effecten van antibiotica bij dieren en mensen. Ook het voorkomen van BSE en andere voedselschandalen kunnen deels worden toegeschreven aan intensieve vormen van landbouw. (Humphrys in FOE Europe)

Bij de milieuproblemen ben ik al ingegaan op het gebruik van genetisch gemanipuleerd veevoer en de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid. Natuurlijk bestaan deze risico’s ook voor genetisch gemanipuleerd plantaardig voedsel.

Stimulering van overconsumptie

De te grote ecologische voetafdruk (maat voor consumptie) van bewoners in de EU wordt mede via het GLB mogelijk gemaakt. Zo zorgt de invoer van bijvoorbeeld soja uit Brazilië als veevoer, tot milieuvervuiling en ontbossing in dat land. Ook worden er nutriënten onttrokken via dit gewas leidend tot bodemuitputting, de nutriënten die overblijven na de dierlijke productie eindigen in de EU als overbemesting. Ook wordt de eiwitvoorziening van 1 miljoen mensen in 40 ontwikkelingslanden bedreigd door overbevissing, voor veevoer en oliën in de EU. (UNDP in FOE Europe)



Gebrek aan dierenwelzijn

Dit wordt vooral veroorzaakt binnen de intensieve veehouderij en veetransporten. Ook de relatief te goedkope veevoeders voor varkens- en pluimveebedrijven dragen bij aan de hoeveelheid dieren die onder deze omstandigheden gehouden wordt. Sinds de MacSharry hervormingen in 1992 zijn de graanprijzen namelijk verlaagd, en ook mogen soja en andere veevoeders tariefvrij worden ingevoerd. (FOE Europe) Door het huidige systeem wordt het houden van mestvee via extensieve landbouw ontmoedigd, en intensieve veehouderij gestimuleerd. (interview de Koeijer) Dit komt door te lage rundveeprijzen sinds de MacSharry-hervormingen en het niet tot nauwelijks betalen voor de boer als hoeder van een mooi platteland met vee in de wei.

In de Oogst (landbouwkundig tijdschrift) van november 2001 werd bovendien melding gemaakt van gebreksverschijnselen bij pluimvee als gevolg van een gebrek aan dierlijke eiwitten in het veevoer. Dit hangt samen met het verbod op diermeel in veevoer sinds de BSE-crisis (zie ook hiervoor bij milieuproblemen).

Risico op dezelfde fouten in de nieuwe lidstaten

Er bestaat een risico dat genoemde problemen zich ook zullen gaan voordoen in de nieuwe EU-lidstaten als het GLB niet wordt aangepast. Ook afspraken binnen de WTO hebben hier direct en indirect invloed op. Bijvoorbeeld in Polen werkt 25% van de beroepsbevolking in de landbouw, die 5,5% van het BNP produceert. Deze werken niet zo efficiënt als de huidige lidstaten, maar wel veel milieu- en natuurvriendelijker door lager gebruik van chemicaliën, brandstof en machines en kleinere percelen met meer groen erom heen en dus meer biodiversiteit. Veel soorten die in de EU al zijn uitgestorven komen nog wel voor in de nieuwe lidstaten. Ook werkt men veel arbeidsintensiever wat voordelen biedt bij een hoge landelijke werkloosheid. Door de EU landbouwpraktijken over te nemen via het GLB, zou hier ook een sterke mechanisatie optreden en deze voordelen te niet worden gedaan. Als in Polen hetzelfde percentage van de mensen in de landbouw werkzaam zou zijn als in de EU, zou dit tot gevolg hebben dat het aantal mensen in de landbouw zou dalen van 4 miljoen naar 800.000. Dit zou enorme sociale gevolgen hebben, juist omdat de werkloosheid al zo hoog is. (FOE Europe)


Aanbevelingen ter verbetering

* Nieuwe doelen van het GLB moeten volgens FOE Europe (2002) zijn:



  • milieuverantwoorde productiemethoden om de Europese natuurlijke hulpbronnen te behouden;

  • toegang tot veilig, gezond en voedzaam voedsel (vrij van genetische manipulatie en pesticiden) voor iedereen;

  • lokalisering; de productie en consumptie van voedsel dichter bij elkaar brengen;

  • behoud van traditionele lokale en regionale productiemethoden en landbouwproducten, en behoud van rurale gemeenschappen;

  • kostendekkende prijzen voor duurzame landbouwproducten, die niet steeds onder druk staan van de wereldmarkt;

  • een goede levensstandaard en werkomstandigheden voor boeren en werknemers in de landbouw;

  • eerlijke gelijkwaardige handelscondities met landen buiten de EU, in het bijzonder de ontwikkelingslanden.

De principes die hierbij moeten gelden zijn: ten eerste ‘de vervuiler betaalt’ waardoor de producent die zorgt voor schade aan de volksgezondheid of het milieu ook zelf de kosten moet dragen. Hierdoor zal de verkoopprijs van producten van een slechtere kwaliteit stijgen, ten opzichte van milieuvriendelijke producten. Dit kan via ecotaxen.

Ten tweede geldt het voorzorgsbeginsel; producten die mogelijk risico’s met zich meebrengen voor volksgezondheid of milieu zoals vele pesticiden, preventieve medicijnen en antibiotica (als groeibevorderaar), mogen niet meer gebruikt worden.

Ten derde geldt als principe traceerbaarheid en transparantie van de gehele voedselketen, van aanvoer van inputs aan de boerderij tot en met de consument. (FOE Europe, 2002)


Deze doelen wil FOE Europe behalen via de volgende maatregelen:

  • Alle subsidies vanuit het GLB moeten voldoen aan minimale agrarische standaarden, op gebied van milieu, via cross compliance. Hiermee wordt voorkomen dat boeren die niet voldoen aan milieuwetgeving nog subsidies krijgen. Op dit moment wordt er nagenoeg niet gekeken naar milieuprestaties bij het uitkeren van subsidies.

  • Vervangen van de huidige hectaretoeslagen en dierpremies door een basispremie voor duurzame landbouw. Voor extra inspanningen boven de minimale standaard kunnen extra betalingen worden gedaan.

  • Bevorder lokalisering in plaats van globalisering, door niet meer te subsidiëren om een bepaalde plaats op de wereldmarkt te veroveren en/of te behouden. Hiervoor moet er ook geïnvesteerd worden in regionale handel en infrastructuur voor lokale verwerking en verkoop.

  • Er moet meer gaan naar plattelandsontwikkeling via de tweede pijler van het GLB nu nog maar 10 % van het budget. Dit kan via modulatie waarbij geld van de eerste pijler naar de tweede pijler wordt verplaatst. Ook moet deze tweede pijler worden hervormd om milieuprestaties te verbeteren, bijvoorbeeld via agrarische milieuprojecten. Er moeten prikkels komen waardoor milieubescherming, natuurbehoud en dierenwelzijn worden gestimuleerd.

  • Vergroening van het belastingstelsel zodat de vervuiler betaalt. Belasting wordt hierbij verschoven van belasting op arbeid naar belasting op chemische inputs en transport.

  • Beperking van de invloed van de Agri- en Voedselbusiness die werkzaam zijn in de handel en verwerking. Zij kunnen de samenleving hun eigen belang opleggen en zijn beslissend in het agrarische - en voedselsysteem. De EU moet corporate accountability opleggen en dominantie van de markt voorkomen via mededingswetgeving waardoor het marktaandeel van bedrijven wordt beperkt.

  • Een eerlijke behandeling van nieuw toetredende lidstaten. Deze moeten niet alleen worden gezien als nieuwe markten door de huidige lidstaten. Ook moeten de boeren in deze landen gelijkwaardig worden behandeld; subsidiëring onder strikte milieuvoorwaarden en het geven prioriteit aan kwaliteitslandbouw en lokale diversiteit van voedsel.

  • Internationaal moet eerlijke handel worden bedreven. Hiervoor moeten exportsubsidies worden afgeschaft en het dumpen van landbouwproducten op wereldmarkten worden gestopt. Ook moet de EU stoppen met eisen dat ontwikkelingslanden hun markten moeten openen, omdat hierdoor de voedselzekerheid in gevaar komt. Het principe van voedselsoevereiniteit moet geaccepteerd worden in het internationale landbouwbeleid. Hierdoor kunnen internationale handelsverdragen nationale belangen op gebied van sociale en milieuaspecten rond voedsel en landbouw niet langer meer overrulen. Huidige WTO-verdragen moeten veranderd worden zodat landen prioriteit kunnen geven aan de eigen voedselproductie, gebaseerd op de lokaal aanwezige hulpbronnen.

(Friends of the Earth Europe, 2002)

Bijlage 12 Standpunten Birdlife, IFOAM, Ministerie van LNV en Novib/Oxfam


1. Birdlife International (Europese milieuorganisatie)
Nadelen van liberalisering

  • Birdlife als aanhanger van de groene marktbenadering, erkent dat vrijhandel effecten versterkt van een niet duurzame economie waarin de milieukosten niet in de productprijs tot uiting komen, maar worden afgewenteld op de samenleving. Dit is ook het standpunt van de Britse regering in haar duurzame ontwikkelingsstrategie. (HMSO, in Birdlife, 2002) Een groep van economen concludeerde “Omdat de prijs niet de volledige kosten van de productie bevat, worden er nieuwe economische inefficiënties geïntroduceerd.

  • Ook zullen de echte comparatieve voordelen van landen foutief worden geïnterpreteerd. Handel zal dus verstoord worden en zal de sociale en milieuwaarden niet correct weergeven.” (Ekins et al., in Birdlife 2002) Echte efficiënte agrarische productie zou geen uitputting van natuurlijke hulpbronnen en landdegradatie tot gevolg hebben.

  • Beleid zou rekening moeten houden met de culturele gevolgen van schaalvergroting in de landbouw, de verdringing van rurale gemeenschappen en de sociale en economische kosten van urbanisatie. Dit beleid zou samenwerken met biodiversiteit die genetische bronnen bevat nodig voor toekomstige veredeling, in plaats van er tegen te werken.

  • Ook zouden de kosten voor ontbossing, achteruitgang van biodiversiteit, bodemdegradatie, watervervuiling en vervuiling door de productie van kunstmest, worden meegenomen in de verkoopprijs. Dit geldt ook voor de transportkosten in de gehele voedselketen.

  • Ook vindt Birdlife dat het GLB inconsistent is met EU-beleid om milieubescherming te integreren op sectoraal niveau, zoals tot uiting komt in het zesde Milieuprogramma (EU’s duurzame ontwikkelingsstrategie), het integratieproces en de biodiversiteitstrategie. Subsidies zorgen ervoor dat intensieve landbouw wordt gestimuleerd op landbouwgrond waar het anders economisch niet efficiënt zou zijn en deze leiden tot milieuverslechterende activiteiten.


Aanbevelingen die nog niet genoemd zijn door Milieudefensie en FOE Europe.

  • Zij willen geen prijsondersteuning meer door de EU zodat de prijs meer richting wereldmarktprijs zal bewegen, maar wel dat de verkoopprijs de werkelijke kosten bevat, dus inclusief milieu- en sociale kosten. Ook moeten quotering en braakleggingspremies worden afgeschaft. In de plaats hiervan moeten er andere vormen van steun komen die ontkoppeld zijn van de productie.

  • Het internalisering van de milieu- en sociale kosten wil men bereiken via internationale afspraken, terwijl ook de liberalisering door gaat. Zij erkennen wel dat het eenzijdig internaliseren de concurrentiepositie van boeren in de EU nadelig beïnvloedt. Daarom moet dit binnen de WTO integraal gebeuren, via bijvoorbeeld gedifferentieerde importtarieven. Ook moet de WTO de mogelijkheid bieden om te discrimineren tussen producten en landen op grond van duurzaamheidscriteria.

Dit zal een wijziging inhouden van het huidige AoA. Dit kan op twee manieren:

  • preferentiële toegang voor producten die op een duurzame manier geproduceerd zijn. Dit zou dan zijn op basis van PPMs; non-product related process and production methods. Hiermee kunnen producten worden geweigerd op basis van het productieproces in plaats van alleen op basis van de productkwaliteit, dit laat de WTO echter tot nu toe zeer beperkt toe. Een voorbeeld is duurzaam geproduceerd hout, ten opzichte van niet duurzaam geproduceerd hout. Tot nu toe mogen volgens de WTO alleen producten die geproduceerd zijn in gevangenissen worden geweigerd. Er lijken echter nog mogelijkheden te liggen binnen bepaalde onderdelen van het WTO-verdrag.

  • Door de calculatie van importtarieven op een bilaterale basis, die het verschil tussen de duurzaamheidsindex van betrokken importerende en exporterende landen weergeven. Hoe groter het verschil in deze index van het importerende ten opzichte van het exporterende land, hoe groter het importtarief van het importerende land mag zijn. Deze methode is niet strijdig met het gebruik van PPMs binnen de WTO, maar wel met het Most Favoured Nation-principe. Op basis hiervan mag een land geen onderscheid maken tussen landen voor wat betreft import. Er zijn echter ook al precedenten zoals het Generalised System of Preferences (GSP) waarbij deze preferentiële toegang van bijvoorbeeld ontwikkelingslanden wel wordt toegestaan, ook de EU maakt hier al gebruik van. (Birdlife, 2002)


2. IFOAM EU (Biologische boerenorganisatie)
IFOAM EU Regional Group, een koepel van Europese biologische boerenorganisaties heeft ook een aantal voorstellen gedaan over een hervormd GLB. Deze komen in grote lijnen overeen met Birdlife. Zij hebben echter ook kritiek op het export georiënteerde GLB, vooral via exportsubsidies. Ontwikkelingslanden hebben het geld niet om hun boeren op dezelfde wijze te steunen als de EU. De steun aan boeren voor lokale voedselvoorziening is vaak ook onmogelijk gemaakt door SAP’s van Wereldbank en IMF. (GG) IFOAM zegt dat ook de WTO deze steun onmogelijk maakt omdat alleen Noordelijke landen hun boeren via inkomenstoeslagen mogen steunen. Omdat de WTO deze inkomenstoeslagen toestaat, biedt de WTO de ontwikkelingslanden ook geen kans om dumping tegen te gaan. Hierdoor komt de gehele economie in gevaar, door haar grote werkgelegenheid in de landbouw.

De profiteurs zijn de boeren en verwerkende- en handelsbedrijven in het Noorden, en de bevolking in steden van ontwikkelingslanden die profiteert van lage prijzen. Indirect hebben alle boeren in Noordelijke landen hierbij baat omdat er een prijsstabiliserend effect ontstaat als een gedeelte van de agrarische producten met exportsubsidies geëxporteerd kan worden. Ook de intensieve veehouderij in de EU profiteert door de lage prijzen voor veevoer geïmporteerd uit Zuid- en Noord-Amerika. Al in 1962 werd afgesproken dat dit veevoer zonder importheffingen geïmporteerd kon worden. Hierdoor ontstaat er weer overproductie van granen in de EU, wat eigenlijk als alternatief voor dit geïmporteerd veevoer zou moeten gelden.



Een oplossing zou zijn niet meer dierlijke producten te produceren dan geconsumeerd worden in de EU, en dit te doen optaties van eigen geproduceerd veevoer. Hierdoor kan men ook milieuonvriendelijke intensieve landbouwmethoden in de EU voorkomen. Dit houdt ook in dat er niet meer geëxporteerd hoeft te worden met behulp van exportsubsidies. Op dit moment staat de WTO de EU echter niet toe om importheffingen op eiwithoudend veevoer en graanvervangers (als maïsgluten) te heffen. Ook mag de EU haar eiwitproductie via oliehoudende zaden van de WTO niet verhogen. De WTO staat echter nog wel dumping op de wereldmarkt toe onder de kostprijs.

De WTO moet dan ook aangepast worden zodat landen prioriteit kunnen geven aan de lokale voedselproductie om in de eigen behoeften te voorzien gebaseerd op de lokaal aanwezige hulpbronnen. Nu is het tegenovergesteld het geval binnen de WTO: gelijke behandeling van agrarische producten ongeacht de methode van productie. Volgens IFOAM hebben de EU en ontwikkelingslanden een gezamenlijk belang om binnen de WTO te regelen dat landen hun eigen voedselmarkt mogen afschermen tegen te goedkope importen of importen die niet overeen komen met de eigen kwaliteitseisen. Om goodwill te kweken bij ontwikkelingslanden zou de EU moeten beginnen haar exportsubsidies af te schaffen, te beginnen met exportsubsidies op levende dieren. (IFOAM p.7-9, 2002)



IFOAM wil dat er in verband met de directe betalingen aan boeren drie niveaus worden onderscheiden:

  • Het minimum niveau; deze is gebaseerd om de nationale wetgeving van de lidstaten. Door hieraan te voldoen kan een boer in aanmerking komen voor ‘safety-net’-onderdelen van het GLB. Dit zijn de markt- en prijsstabiliserende systemen (zoals grenscontrole, interventie, opslag) waardoor automatisch alle EU-boeren betrokken worden.

  • Het standaard niveau; hier zouden alle boeren aan kunnen voldoen en is ook nodig om in aanmerking te komen voor directe betalingen. Voorbeelden hiervan zijn: minimum eisen aan vruchtwisseling, maximale aantal dieren per hectare, een percentage van het land dat vrijgelaten wordt voor (agrarische) natuur, milieu auditing (b.v. een nutriëntenbalans van het bedrijf), minimum standaarden voor dierenwelzijn, geen gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen, verbod op ploegen op voorheen niet geploegde semi-natuurlijke graslanden.

  • Het gevorderde niveau; beloning voor extra inspanningen boven op het standaardniveau.

(IFOAM p.11-12, 2002)

3. Het Ministerie van LNV
Uit de volgende standpunten van het ministerie van LNV (1999) blijkt dat men de liberalisering van de graanhandel al min of meer geaccepteerd heeft:

  • Slechts indien de EU de gesubsidieerde export sterk terugbrengt is het mogelijk dat handelspartners genoegen nemen met een geringe tariefafbraak waardoor hogere prijzen mogelijk blijven. Daarmee kiest Europa dan vergaand voor de eigen markt en trekt zich terug van de wereldmarkt.

  • Als de EU zou kiezen voor zelfvoorziening en geen export dan zou de zuivel- en rundvleesproductie met 10 tot 15% moeten krimpen. Voor granen zou op termijn ruim een derde van het areaal uit productie moeten worden gehaald. Hierdoor zijn de mogelijkheden om te profiteren van de wereldmarkt echter beperkt. Ook maken de hogere prijzen de toetreding van Midden- en Oost-Europese landen moeilijker.

  • Door de MacSharry hervormingen en Agenda 2000 heeft de EU voor bepaalde producten de keuze gemaakt voor lagere prijzen met daaraan gekoppeld inkomenstoeslagen den aldus de weg naar de wereldmarkt opengehouden. Voor granen, rundvlees en enkele kleinere gewassen is de kans, dat van dit pad wordt afgeweken en weer wordt gekozen voor hogere prijzen, daarmee zo goed als uitgesloten. Er komen echter wel mogelijkheden voor de productie van peulvruchten en zaden onder andere voor de productie van veevoer, waarvan de productie in de jaren negentig onmogelijk is geworden door intrekking van de prijssteun. (LNV 1999)


Verwachtingen bij toenemende liberalisering in de akkerbouw
Bij volledig liberalisatie zal de prijs van suiker met meer dan 30 % dalen. Suiker blijft dan echter in het bouwplan gehandhaafd. ‘Dit is bij gebrek aan economisch aantrekkelijke alternatieven zelfs het geval als er geen sprake meer zou zijn van prijscompenserende directe inkomenssteun. Ondanks de sterke inkomensdaling blijft suiker economisch aantrekkelijker dan andere gewassen. De suikerindustrie zal in die situatie streven naar verdere efficiencyverbetering en naar zeer nauwe banden met de grotere en zeer intensief producerende akkerbouwbedrijven.

De prijs- en inkomensdalingen in de akkerbouw leiden tot het beëindigen en omschakelen van vele bedrijven.(…) Voorts zullen steeds meer akkerbouwbedrijven overgenomen worden door veehouders.’ Bijvoorbeeld om graan te telen voor je eigen veehouderij. ‘Andere alternatieven zijn verbouw van biologische (voeder)gewassen, van pootaardappelen, van bloembollen en boomteelt. Vollegrondsgroenteteelt lijkt bij verdere handelsliberalisatie geen optie vanwege te verwachten extra concurrentie uit kandidaat-lidstaten en derde landen. Verdergaande handelsliberalisatie brengt namelijk ook een afbraak van bestaande invoerbescherming in deze sector met zich mee.

Bij volledige handelsliberalisatie zonder compenserende directe inkomenssteun is er voor het traditionele akkerbouwbedrijf geen toekomst. De grootschalige akkerbouw is verdwenen uit de zandgebieden. De teelt van zetmeelaardappelen is verplaatst naar de kandidaat-lidstaten.’ Bij een meer gematigde liberalisatie zijn er nog kansen voor graan, suikerbieten en eventueel consumptieaardappelen. (Min. LNV, 2002, p.23-24)
4. Novib / Oxfam
WTO door Sylvia Borren Directeur Novib

Er is nu geen vrije markt, en dat moet het ook niet worden.”

Er wordt nu 350 miljard aan landbouwsubsidies mondiaal gegeven. Met 3% hiervan zou iedereen naar school kunnen en met 10% hiervan zou de honger de wereld uit zijn.

Noodhulp vanuit het westen wordt misbruikt het zou beter zijn als mensen in ontwikkelingslanden het voedsel uit de eigen regio kopen.



Er zou een Development-Box in de WTO moeten worden opgenomen. Het recht op voedselsoevereiniteit gaat te ver. Dit leidt er toe dat grote boeren hun markten afschermen in plaats van kleine boeren. Het is een tactische discussie of een verbetering van voedselzekerheid binnen of buiten de WTO geregeld moet worden. Veel belangrijker is de politieke wil om hier iets aan te willen doen. De huidige situatie met koffie maakt zichtbaar dat productiebeheersing noodzakelijk is.

Ontwikkelingslanden moeten kunnen exporteren als duurzame aspecten maar worden meegenomen. Een duurzame biologische landbouw is ook mogelijk als alle milieukosten zouden worden geïnternaliseerd in de kostprijs.


Handelscampagne van Oxfam en Novib “Make trade fair”

Het doel van deze campagne is de regels van de wereldhandel te wijzigen teneinde de handelsmogelijkheden voor arme landen te vergroten en zo de armoede terug te dringen. ‘De reden voor deze campagne is de overtuiging dat het tijd wordt een einde te maken aan het meten met twee maten en te zorgen dat handel eerlijk verloopt. De belangrijkste beleidsdoelen zijn:



  • Verbetering van de markttoegang voor arme landen tot de markten van de rijke landen en beëindiging van gesubsidieerde agrarische overproductie en exportdumping door rijke landen.

  • Beëindiging van het verbinden van voorwaarden aan IMF- en Wereldbankprogramma’s die arme landen dwingen hun markten te openen ongeacht het effect daarvan op arme mensen.

  • Oprichting van een nieuwe internationale instelling die de prijzen van grondstoffen moet stabiliseren op een niveau dat een redelijke levensstandaard voor de producenten toestaat, en stimulering van bedrijven om billijke prijzen te betalen.

  • Formulering van nieuwe regels over intellectueel eigendom, zodat arme landen toegang hebben tot nieuwe technologieën en essentiële medicijnen, en boeren zaden kunnen opslaan, uitwisselen en verkopen.

  • Een verbod op regels die regeringen dwingen tot liberalisering of privatisering van basisvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor armoedebestrijding.

  • Verbetering van de kwaliteit van de investerings- en arbeidsnormen in de private sector.

  • Democratisering van de WTO om arme landen meer zeggenschap te geven.

  • Wijziging van beleid op het gebied van landbouw, onderwijs en bestuur in arme landen, zodat arme mensen mee kunnen profiteren van de voordelen van handel.’ (Novib, 2002, p.4-5)

Bijlage 13 Interviews met Maarsingh (LTO), de Koeijer (NAV) en de Vries (CSM)

In deze bijlage vindt u de interviews met de drie genoemde mensen uit de landbouw en suikerverwerkende industrie. Ik sluit af met de conclusies uit deze interviews.


1. INTERVIEW MET AIKE MAARSINGH, voorzitter vakgroep akkerbouw, LTO Nederland en praktiserend akkerbouwer (4 juni 2002): “Liberalisering maakt de rijken rijker, en de armen armer!”
GLB

Maarsingh maakte mij eerst duidelijk wat de MacSharry hervormingen in 1992, en Agenda 2000 in 1999 precies inhielden voor de akkerbouw. Deze gegevens heb ik verwerkt in hoofdstuk 6. Het bleek dat de prijs voor graan in de jaren 1993 t/m 1995 met 35% verlaagd was, hier kwam nog eens 15% bovenop in 2000. Op dit moment zou de wereldmarktprijs voor tarwe zelfs hoger liggen dan in de EU. Hierbij is ook de koers van de Euro ten opzichte van de Dollar van belang; hoe lager de koers van de Euro hoe meer volume je kan exporteren doordat er minder exportsubsidies hoeven te worden uitbetaald per kg product. Ook werd weer duidelijk dat de wereldmarkt een overschotmarkt is, waarop maar 15% van de mondiale productie van het graan, en 10 tot 15% van de suiker verhandeld wordt. Maarsingh verwacht dat als we nog een hervorming krijgen als MacSharry en Agenda 2000, de verwerkende industrie in Europa steeds slechter kan exporteren.

Deze hervormingen hebben ook niet altijd goed uitgepakt voor ontwikkelingslanden. Door de verlaagde graanprijs in de EU, zijn graanvervangers als tapioca uit Thailand bijvoorbeeld niet meer aantrekkelijk als veevoer.

Maarsingh vindt dat de hectaretoeslagen voor graan als vervanger voor de verlaagde prijs, te laag zijn. De productie per hectare is uitgaande van het referentieperiode waar de toeslagen op gebaseerd zijn, gestegen door teelttechnische verbeteringen. Op kleigrond van 7 ton per hectare in 1986-1991, naar 9 tot 10 ton nu, op lichte gronden van 5 naar 6 tot 7 ton per hectare. Over deze extra productie krijgt men echter geen extra toeslag. Bij granen is er al productiebeheersing door de verplichte braaklegging. Een quotering voor granen, vergelijkbaar als met suiker zou eventueel een verbetering zijn. In 2001 was er namelijk toch een overproductie in de EU van 2,8 miljoen ton (de totale EU-productie was 160 miljoen ton.)

Er wordt door de graanhandel nu ook al graan geïmporteerd uit Oost-Europa en de Oekraïne zonder importheffingen. Hierdoor wordt de prijs gedrukt in de EU. Dit is een beleid waar de Europese Commissie en de multinationals achter staan, om de prijs laag te houden. Twee tot drie grote graanhandelaren hebben veel verdiend aan deze graanhandel, omdat de lage inkoopprijs niet terugkomt in een lage prijs in het eindproduct van de verwerkte producten. Hierdoor worden boer uitgebuit, omdat men op zoek is naar de laagste inkoopprijs. Deze lage prijs lijkt belangrijker dan de voedselveiligheid, want risico’s hierop worden geaccepteerd. In mei 2002 is de import uit Oost-Europa plotseling stil gelegd, eventueel is er een relatie met het Nitrofen-schandaal in Duitsland. (Dit bestrijdingsmiddel werd in hoge concentraties aangetroffen in biologische producten in Duitsland). Dit bestrijdingsmiddel mag namelijk nog steeds in Oost-Europa gebruikt worden.

De EU-uitgaven voor akkerbouw zijn laag in vergelijking met deze voor dierlijke producten. De hectaretoeslagen voor maïs komen namelijk vooral ten goede aan veehouders door lage prijzen voor dit veevoer.

De Nederlandse tabaksindustrie profiteert van de hectaretoeslagen van de EU aan Zuid-Europese telers van f 10 tot 12.000 per hectare. Hierdoor wordt inferieure tabak verwerkt, die door deze hectaretoeslagen tegen lage prijzen te verkrijgen is.

Hij wil ook de nieuwe EU-lidstaten de kans geven zijn eigen productie en verwerking van suiker op te zetten. Zij zouden een productiequotum moeten krijgen net zo als de andere EU-landen, dat gebaseerd is op historische grondslag. Deze landen willen echter een hoger quotum, evenals voor melk. Hij wil niet dat er door de EU-uitbreiding twee soorten boeren ontstaan. Hij wil dus dat de inkomenstoeslagen sneller op het niveau van de huidige EU komen te liggen. Te beginnen met 50% van de huidige toeslagen, en in 5 jaar op te bouwen tot 100%. Maarsingh vindt het niet erg dat een aantal boeren zal verdwijnen in Polen. We moeten niet terug naar de jaren 50, maar het land ook niet geforceerd willen ontwikkelen. Er zal een generatie over heen gaan voordat men vergelijkbare infrastructuur in productie en verwerking heeft opgebouwd.

Door de MacSharry hervormingen wordt maar 50% gecompenseerd via toeslagen, wat men is kwijt geraakt via de lagere prijzen. Modulatie (het afromen van inkomenstoeslagen voor plattelands- en natuurbeleid) is diefstal, ook al door deze te lage hectaretoeslagen. Ook blijft men door deze toeslagen afhankelijk van de politiek, een goede kostendekkende prijs (de oude situatie) geeft dus meer zekerheid. Geld dat via modulatie gegenereerd wordt komt nu bij provincies terecht voor plattelands- en natuurbeleid. Liever zou men dit geld zelf krijgen voor natuurbeheer. Voor f 2500 per hectare kan natuurbeheer al rendabel zijn voor een akkerbouwer. (Graan levert ongeveer 6000 kg x f 0.25 + f 600 hectaretoeslag op.) Tot nu toe zijn de betalingen voor landschaps- en natuurbeheer veel te laag.

Boeren zouden meer milieuvriendelijk kunnen telen via een stimuleringsfonds eventueel met EU-gelden, waaruit per bedrijf €1000 uitgekeerd zou moeten worden. Voor dit bedrag zou men gecertificeerd kunnen worden voor milieuvriendelijke teelt. Vanaf 2005 zouden alle teelten gecertificeerd moeten zijn, ook via een voedselveiligheidscertificaat. Qua bestrijdingsmiddelen moet er geharmoniseerd worden binnen de EU, Nederland moet zich niet uit de markt prijzen door voorop te lopen. Uitgangspunt moet wel zijn dat bestrijdingsmiddelen geen risico voor de volksgezondheid opleveren.


Suiker

De marktverordening voor suiker werkt goed. De productie in de EU is stabiel in tegenstelling tot deze in Brazilië, ook laten we een quotum toe uit ACP-landen tegen onze hoge EU-prijs. Een ACP-land als Mauritius dat vooral suiker produceert, profiteert nu van deze regeling. Dit land zou nadeel kunnen ondervinden van het EBA-verdrag. Beter zou zijn met andere ontwikkelingslanden ook afspraken te maken over een exportquotum naar de EU, waarvoor men dan gegarandeerd de hoge EU-prijs ontvangt. Suiker wordt in landen als Brazilië vooral geproduceerd op plantages van 4 tot 5.000 hectare, waarbij de plantagehouder vaak ook de suiker verwerkt in zijn eigen fabriek. De arbeidsomstandigheden voor de landarbeiders zijn zeer slecht. Maarsingh heeft een film gezien, waarbij men zonder bescherming bestrijdingsmiddelen moest spuiten in meters hoog suikerriet. Door deze hoogte van het suikerriet blijven alle dampen hangen en ademt men deze weer rechtstreeks in.

Maarsingh zou een halvering van het B-quotum ondersteunen, dit is namelijk de suiker die met exportsubsidies op de wereldmarkt wordt verkocht. Verder zou het huidige systeem binnen de GLB gehandhaafd kunnen blijven.

De verhoudingen van de boeren en LTO met de twee grote suikerverwerkers in Nederland zijn goed. Ook in Duitsland is de situatie goed, in Frankrijk en Groot-Brittannië echter niet.

Bij de teelt van suikerbieten wordt 3 kg bestrijdingsmiddel per hectare gebruikt. Dit is laag in vergelijking met bloembollen (25 kg) en lelies (125 kg). De suikerbietenteelt is belangrijk voor de vruchtwisseling, en kan dus niet gemist worden in het bouwplan.
WTO

Als de vraag naar landbouwproducten in de wereld stijgt, bijvoorbeeld door de groei van de welvaart in Azië, moeten er afspraken komen tussen de handelsblokken en de ontwikkelingslanden hoe deze toegenomen vraag te verdelen. Als deze afspraken er niet komen winnen de sterkste landen; de VS, de EU en de Cairns-landen.

Door het GATT-akkoord hebben handelaren en multinationals 300 tot 400 miljard dollar extra verdiend. Een voorbeeld is Coca Cola dat een hogere prijs voor haar product berekent in Australië, terwijl de suikerprijs daar lager is dan in de EU. Een ander voorbeeld is dat in een bepaald jaar in Nederland de broodprijs stijgt met f 0,17, terwijl de graanprijs daalt met 17%.

De VS laat met haar extra steun aan de boeren via de nieuwe Farmbill nog eens zien, dat er geen boer ter wereld tegen de wereldmarktprijs kan produceren. De wereldmarktprijs is afhankelijk van de koopkracht van kopers, ondervoede mensen zonder deze koopkracht kunnen hier niet terecht.

Het blijft van groot belang dat men in de EU met zijn 340 miljoen consumenten in zijn eigen voedselbehoefte kan voorzien. Stel dat we voor 20% afhankelijk zijn van importen, dan zijn we heel kwetsbaar door eventuele misoogsten. Landbouw moet dus blijven, eventuele grond die over is kunnen we inzetten voor de productie van biologische brandstoffen. Dit is afhankelijk van de oliemarkt.

Maarsingh is een voorstander van het landbouwbeleid in de EU van voor de MacSharry-hervormingen, gekoppeld met productiebeheersing, en wil dus een einde aan verdere liberalisering via de WTO. Hij ziet echter in dat dit standpunt politiek zeer moeilijk haalbaar is, ook door het standpunt van het Ministerie van LNV. Als de boeren zich allemaal zouden verenigen zou verandering misschien wel mogelijk zijn.

We missen nu eiwithoudende gewassen in het bouwplan door de liberalisering via de MacSharry-hervormingen; de hectaretoeslagen zijn namelijk te laag. Dit zijn stikstofbindende gewassen. In plaats hiervan importeren we soja, waarvan een gedeelte genetisch gemanipuleerd is. Vooral de veetelers hebben geprofiteerd van deze liberalisering doordat de kosten voor veevoer zijn verlaagd.

Een te lage prijs leidt tot overproductie, omdat boeren pas ophouden met hun bedrijf als het echt niet langer kan. Men probeert door een hogere productie nog een bepaald inkomen te verwerven. Een hogere prijs leidt tot matiging, zie bijvoorbeeld Zwitserland waar de gemiddelde bedrijfsgrootte 18 hectare is bij een marktprijs voor tarwe van f 1,20.

Dus: “Liever quotering dan sanering.”
2. INTERVIEW MET JOOP DE KOEIJER, Nederlandse Akkerbouw Vakbond en praktiserend akkerbouwer (27 mei, 20 en 30 juni 2002)
GLB

Landbouw was lang een blinde vlek voor de milieubeweging. Nu zit er een inconsistentie in de eisen van de milieubeweging op gebied van het GLB. In plaats van een duurzame productie te garanderen via een kostendekkende prijs, kiest zij voor milieuvoorwaarden aan de subsidies. Deze subsidies in de vorm van hectaretoeslagen zijn alleen maar een truc in verband met de WTO, om bij lagere prijzen toch te kunnen blijven exporteren. Van de huidige lage graanprijzen profiteren vooral de intensieve vormen van veehouderij via het veevoer ten koste van extensieve vormen via rundvlees.

De situatie zoals die was voor de Mac Sharry hervormingen in 1992 zou hersteld moeten worden, via een rebalancing. Het systeem van quotering moet worden uitgebreid naar andere akkerbouwgewassen, zoals graan. Deze quotering zou via een plafond per land moeten worden opgelegd, die dit vervolgens weer verdeelt over het aantal boeren. Ook zou er een effectievere bescherming nodig zijn tegen de import van graanvervangende eiwit- en oliehoudende gewassen, zoals maïsgluten en sojaschroot. Momenteel importeert de EU 55 miljoen ton soja en andere eiwit- en oliehoudende gewassen, terwijl het 25 miljoen ton graan exporteert, waarbij 7% van de grond braak ligt. De EU is dus helemaal niet zelfvoorzienend laat staan exporterend, maar netto-importerend.

Exportsubsidies zouden moeten worden afgeschaft. Dit is vooral een probleem voor de zuivelindustrie, want deze exporteren 10 tot 12%. Echter niet voor de akkerbouw want de EU is dus netto-importerend. Ook voedselimporterende landen als Saudi-Arabië en Singapore profiteren van deze exportsubsidies, door de lagere prijs voor hun import.

De Franse boerenbond wil geen plafond aan de exportsubsidies stellen, omdat men bang is voor de concurrentie vanuit de VS. Zij zijn dus voor een lage interne prijs, gecompenseerd met hectaretoeslagen. Door deze lage prijs kan men meer exporteren op de wereldmarkt. De Verenigde Staten hebben via hun nieuwe Farmbill, een verglijkbaar systeem via lage prijs plus inkomenstoeslagen. Deze Franse boeren hebben samen met de groothandel en verwerkende bedrijven in granen, een gezamenlijk belang in deze lage prijzen. De NAV ziet hen als een noodzakelijk kwaad.

De Koeijer is niet voor modulatie waarbij een gedeelte van de hectaretoeslagen wordt afgeroomd voor plattelandsontwikkeling, natuur en milieu. Hetzelfde geldt voor cross compliance waarbij de hectaretoeslagen afhankelijk zijn van milieuprestaties. Op dit moment zijn in Nederland de hectaretoeslagen voor snijmaïs gebonden aan het niet gebruiken van bepaalde bestrijdingsmiddelen. Voor de teelt van graan gelden geen voorwaarden. Het systeem van lage prijzen en hectaretoeslagen is namelijk fundamenteel verderfelijk, en is vooral gericht op een goede concurrentiepositie op de wereldmarkt. De milieuvoorwaarden dienen alleen maar om een goed imago te krijgen. Hier is dus sprake van groen liberalisme, waar de milieubeweging ook genoegen mee lijkt te nemen. Een kostendekkende prijs blijft wat hem betreft het uitgangspunt.

Hij is ook niet voor een maximale toeslag per bedrijf, omdat bijvoorbeeld collectieve boerderijen (waar meerdere boeren samenwerken) in de oude DDR hiervan de dupe worden. Ook boeren met veel grond van een slechte kwaliteit zouden van hiervan de dupe worden. Een sociaal verantwoord belastingstelsel is een beter alternatief hiervoor.

Volgens een LEI studie zou bij het terugdraaien van de liberalisering voor de basisproducten (graan, vlees en zuivel), de graanprijs stijgen van f 0,23 nu naar f 0,42 per kg. De inkomens van de boeren zouden met 9% stijgen. De export van vlees en zuivel zou dalen. En het voedselpakket zou f 60 tot f 70 per jaar duurder worden.



Suiker

Op het gebied van het suikersysteem zou er naar gestreefd moeten worden om het C-quotum te elimineren. Dit kan via het rekeningcourrantsysteem dat de Nederlandse Akkerbouw Vakbond heeft ontwikkeld. (zie ook Hazeleger, en aanbevelingen Hoofdstuk 6). De suikerindustrie was hier echter tegen, ook Maarsingh van de LTO was hier tegen.

De suikerindustrie was tegen met in het achterhoofd dat de huidige suikerregeling in de toekomst eventueel zou kunnen verdwijnen. Als zij nu hun productiecapaciteit zouden terugbrengen door het afschaffen van dit C-quotum, zou men niet kunnen inspringen op deze nieuwe geliberaliseerde situatie. In deze nieuwe situatie zou naar verwachting de suikerteelt wel in Nederland blijven, maar eventueel in Noord- en Zuid Europa verdwijnen. LTO en de suikerindustrie hebben gezamenlijke belangen, bestuursleden zijn bijvoorbeeld zowel bij de LTO als bij Cosun (Coöperatieve suikerverwerker) actief. Zij zien volgens de Koeijer niet in dat dit schadelijk is voor hun imago, maar zijn trots op de suikerindustrie. In Frankrijk is de situatie nog erger; hier zijn de boeren verplicht om C-suiker te produceren anders wordt men gekort op het A- en B-quotum.

Binnen de EU is de Commissie voor zo min mogelijk C-suiker. De lobby van de suikerindustrie en gangbare boeren is echter machtig. Hierdoor is er nog steeds een regeling van kracht die ervoor zorgt dat C-suiker van het ene jaar verkocht kan worden in het volgende jaar als A-suiker. Brussel betaalt hierbij de opslag- en rentekosten. Beter zou zijn deze regeling af te schaffen en dus de productie van C-suiker te voorkomen.

De Koeijer zou willen berekenen of het rendabel zou kunnen zijn om het B-quotum af te schaffen. Hiervoor betaalt men namelijk een productieheffing waaruit de exportsubsidies betaald worden, wanneer er buiten de EU wordt geëxporteerd. Het standpunt van de NAV is echter nog steeds om het B-quotum te behouden.

De Koeijer is nog niet bang voor isoglucose uit maïs als alternatief voor suiker uit suikerbieten. Momenteel is deze productie namelijk ook gequoteerd. Wel is Cargill al actief in de maïsteelt in Oost-Europa met het oog op de EU-uitbreiding. Zij hopen hierdoor productierechten op te bouwen.


WTO

In de WTO moet het recht op voedselsoevereiniteit worden opgenomen. Dit betekent dat elk land zijn boeren mag beschermen tegen te goedkope of te slechte importen. Goedkoop betekent dat het product onder de kostprijs gedumpt wordt, dit is de economische definitie van dumping. In de WTO geldt alleen als dumping dat het product verkocht wordt onder de binnenlandse prijs, van het importerende land. Slecht betekent van onvoldoende kwaliteit (op welk gebied dan ook voedselveiligheid, milieu, sociaal, dierenwelzijn GG). Hierdoor wordt voorkomen dat de eigen voedselvoorziening door de eigen boeren in gevaar komt. Landen of groepen van landen krijgen de bevoegdheid om zelf importen te mogen tegen houden als deze niet voldoen aan hun normen op gebied van milieu en sociale omstandigheden.

Via een democratisch gekozen orgaan zouden er afspraken tussen de grote producerende landen als de VS, de EU en Canada gemaakt moeten kunnen worden over voorraadbeheer, productiequota’s en prijzen. Momenteel zijn er geen WTO-afspraken over het maximale areaal aan graan. Grote producenten zouden een deel van hun grond braak kunnen leggen, als zij maar een kostdekkende prijs krijgen voor hun product.
Voedselveiligheid en milieu

We moeten opletten dat we akkerbouw niet uit Nederland laten verdwijnen door nationale en internationale maatregelen. We zijn in staat om hier op de efficiëntste manier te produceren ter wereld door grondsoort en klimaat, en een geringe milieubelasting.

Op dit moment is het systeem van ecotaxen op bestrijdingsmiddelen geen goed systeem. Boeren worden voor deze ecotaxen gecompenseerd via de inkomstenbelasting. Als er zoals de laatste jaren onvoldoende inkomen is, komt er van deze compensatie niets terecht. 60 tot 70% van de akkerbouwers betaald hierdoor namelijk geen inkomstenbelasting, vooral jongeren niet. Als deze compensatie beter geregeld wordt mag de vergroening van het belastingstelsel wel doorgaan. Wel moet men dan opletten dat boeren worden weggeconcurreerd omdat de prijzen stijgen. Overigens is de duurzame ondernemersaftrek ook nog steeds niet ingevoerd, deze zou ook goede resultaten kunnen behalen.

Het huidige strengere beleid van de Nederlandse overheid op gebied van bestrijdingsmiddelen werkt niet, omdat boeren worden weggeconcurreerd door producten uit het buitenland. Alleen een EU-harmonisatie werkt, deze mag wel eerder plaatsvinden dan 2008, zoals deze nu gepland is.

De privatisering van de keuringsdiensten die de voedselveiligheid moeten waarborgen is slecht geweest. Zo kan de schimmel fusarium binnen de tarweteelt giftig zijn. Akkerbouwers weten echter van niets. Partijen met dit schimmel worden nog wel afgekeurd, maar er is een gebrek aan informatie hoe deze schimmel te voorkomen. Er zijn ook geen proefboerderijen meer die dit signaleren en doorgeven aan de boeren. Het landbouwkundig onderzoek in Nederland schiet te kort.

Als door verdere liberalisering suiker uit het bouwplan zou verdwijnen in Nederland, zou dit zeer schadelijk zijn voor de vruchtwisseling. Het bouwplan is nu namelijk al te eenzijdig vastgesteld. Door een gebrek aan vruchtwisseling is het risico om ziekten en plagen groter, en de noodzaak van bestrijdingsmiddelengebruik dus ook.


Samenwerking met andere boerenorganisaties

De Koeijer is niet echt optimistisch over een positief resultaat in de WTO-onderhandelingen in zijn richting, ook al door de belangentegenstellingen tussen boerenorganisaties onderling. Die liggen ook tussen de verschillende sectoren in Nederland. Zo is de tuinbouw, intensieve veehouderij en zuivelindustrie vooral export georiënteerd. Tuinbouw profiteert hierbij wel van een goedkope gasprijs. Deze sectoren zijn dan ook eerder voor liberalisering dan de akkerbouwsector. (Binnen de zuivelsector is overigens voorlopig nog wel overeenstemming over het behoud van de quotering, bleek tijdens een studiedag van het LEI. GG)

Toch is hij optimistischer dan ooit, ook mondiaal gezien. Sinds het Agreement on Agriculture binnen de WTO in 1994, is er mondiaal veel verzet ontstaan. Ook is er veel onderling contact tussen de verschillende boerenorganisaties. Langzaam is er ook meer begrip gekomen voor elkaars standpunt.
3. INTERVIEW MET FRISO DE VRIES afdelingsdirecteur import en export Suiker van CSM Suiker BV (5 juli 2002)
CSM NV is een internationaal opererende beursgenoteerde onderneming actief op het gebied van de ontwikkeling, productie, verkoop en distributie van bakkerij-ingrediënten en -producten, zoetwaren, suiker en melkzuur. Dit doet zij door verkoop van zowel halffabrikaten aan de voedings- en genotmiddelenindustrie als door de verkoop van eindproducten. CSM Suiker BV is een onderdeel van dit concern, en heeft als belangrijkste productgroepen: suiker, stropen, pulp, melasse en kalkmeststof. Zij heeft twee fabrieken in Nederland die deze producten produceren, waarbij de suikerbiet de belangrijkste grondstof is. Naast CSM is de coöperatie Cosun in dezelfde sector werkzaam.
De concurrentiepositie van CSM Suiker BV

De interventieprijs is al sinds 1985 niet meer verhoogd, hoewel lonen en energie duurder zijn en de eisen voor milieu (oppervlaktewater, geluid en geur) verhoogd zijn. De marges voor suikerverwerkers komen dus onder druk, en hebben er voor gezorgd dat de productie nu zeer efficiënt plaats vindt met zo weinig mogelijk arbeidskrachten en fabrieken. Zij moeten dit doen omdat anders hun klanten, voornamelijk de voedingsmiddelenindustrie (zoals Campina, Van Melle, ijsindustrie, Coca Cola) hun suiker van andere verwerkers betrekken binnen de EU. Men heeft ook te maken met een concentratietendens in de detailhandel, waardoor deze in staat is om lagere prijzen te eisen van CSM.

Ook moet CSM opletten dat men een vergelijkbare bietenprijs betaalt als enige concurrent in Nederland de coöperatie Cosun. Binnen de EU worden door de suikerverwerkers ongeveer dezelfde bietenprijzen, lonen en energiekosten betaald. De transportkosten zorgen ervoor dat meerdere suikerverwerkers nog steeds een plaats hebben in de markt.
WTO

In tegenstelling tot de klanten van CSM zoals de voedings- en genotsmiddelenindustrie is de Vries niet voor totale liberalisering. Wel kunnen er bepaalde aanpassingen aan het regime worden aangebracht. Voorwaarde is dat is dat er een level playing field mondiaal ontstaat. Dit bestaat nu niet, de sector moet in de EU namelijk aan veel hogere eisen voldoen qua milieu en arbeidsomstandigheden voldoen, dan buiten de EU bijvoorbeeld in Brazilië. Ook binnen de EU is er geen level playing field, de suikerindustrie in zuidelijke lidstaten is in de jaren 80 gesubsidieerd door de overheid. Aan de andere kant subsidieert de Nederlandse overheid haar tuinders weer via een lage gasprijs.

Sommige klanten van de suikerverwerkers zoals bakkerijen zitten echter ook niet te wachten op verdere liberalisering, omdat ze nu allemaal met dezelfde redelijk stabiele inkoopprijs voor suiker te maken hebben. Zou er geliberaliseerd worden dan zou er concurrentie ontstaan tussen bakkerijen, over wie de goedkoopste suiker kan bemachtigen op de wereldmarkt. Voor Nederland is het suikerregime van groot belang omdat we veel bedrijven hebben in de suikerindustrie en voedings- en genotmiddelenindustrie.

Omdat er vanuit verschillende groeperingen in de maatschappij en de politiek grote kritiek is op de exportsubsidies, zou hier volgens de Vries nog eens kritisch naar gekeken moeten worden. Van belang hierbij is dat de telers en verwerkende industrie nu ook zelf de productieheffingen betalen, waaruit deze exportsubsidies worden betaald.

De wereldmarkt is een overschotmarkt. 80% van de mondiale handel vindt plaatst via bilaterale handelsovereenkomsten. Brazilië heeft ook een interne regeling bij overproductie, dan wordt het overschot namelijk tot ethanol verwerkt en bijgemengd bij fossiele brandstoffen tot autobrandstof. Ook de VS ondersteunt haar suikerboeren. Hierdoor is de VS van een netto-importerend land van 5 miljoen ton, opgeklommen tot een netto-import van 2 miljoen ton. Hierdoor is er een dus een overschot ontstaan op de wereldmarkt van 3 miljoen ton.

In tegenstelling tot Brazilië (die van 2 miljoen ton export in 1992, via 10 miljoen ton in 2001 naar verwachting zal uitgroeien tot 12 tot 14 miljoen ton export) is de export van de EU stabiel gebleven.

De suikerverwerking op basis van suikerbieten zou de concurrentie op de wereldmarkt altijd verliezen. Een video over suikerrietteelt in Brazilië maakt duidelijk waarom suiker uit suikerriet zo goedkoop geproduceerd kan worden. Geen milieueisen, en slechte werkomstandigheden en lage lonen op plantages zijn hiervan de belangrijkste (zie ook bijlage 10). De verwachte toename van de suikerexport en teelt in Brazilië gaan volgens de video ten koste van kleine boeren die met geweld door grootgrondbezitters van hun grond worden gejaagd. Ook wordt er regenwoud gekapt voor nieuwe plantages. De kwaliteit van deze suiker is volgens de Vries lager, vooral voor wat betreft kleur.

De Vries verwacht niet dat er een totaal geliberaliseerde suikermarkt zal komen. Als dit wel gebeurt zal men eventueel toch overstappen op de goedkopere suikerriet-suiker.


Suiker en GLB

Het suikersysteem werkt goed doordat er mechanismen zijn ingebouwd die overproductie bij lage wereldmarktprijzen voorkomen. Doordat het door de telers en verwerkers zelf gefinancierd wordt is het nog steeds buiten schot gebleven van hervormingen binnen het GLB. Als men net als bij graan de interventieprijs zou verlagen zou men meer geld uit algemeen EU-budget moeten betalen ter compensatie van het inkomensverlies.

Volgens de Vries worden telers niet gestimuleerd door de verwerkende industrie om C-quotum te produceren. Gemakshalve worden in berekeningen door de Vries A- en B-quota bij elkaar opgeteld.

Nieuwe EU-lidstaten zullen strijden voor een zo hoog mogelijk quotum, dat hoger zal liggen dan hun huidige interne consumptie. CSM is hier tegen, want dat betekent dat de westerse sector hieraan zal moeten meebetalen via extra productieheffingen of verminderde quota.

Fabrieken uit de huidige EU kopen nu al fabrieken in Oost-Europa op om quota te verkrijgen.
ACP en EBA

Vergelijkbaar met het ACP-verdrag had Nederland vijf jaar geleden het Landelijke Gebieden Overzee-verdrag met Aruba, Bonaire en Curaçao. Dit hield in dat Nederland suiker uit deze gebieden mocht importeren zonder importheffing, met als voorwaarde dat de suiker één bewerking had ondergaan. Het doel was de werkgelegenheid in deze landen te verbeteren. Hiervan werd echter misbruik gemaakt, er kwam nooit een eigen suikerproductie op gang. Overschotten uit de EU werden als C-quotum (dus zonder subsidies) naar Aruba vervoerd, daar gedroogd en weer geïmporteerd. Hierdoor ontstond er dus een overschot in de EU, waardoor de gehele sector extra productieheffingen moest betalen nodig voor de extra exportsubsidies. Via een safeguard-clausule die in werking treedt bij marktverstorende ontwikkelingen, konden aan deze praktijken een einde worden gemaakt via extra heffingen of additionele eisen aan deze import. Ook heeft deze zaak, een geschil tussen de Nederlandse ministers van Landbouw en Buitenlandse Zaken, gespeeld voor het hof in Luxemburg. De uitkomst hiervan is dat het quotum van 37.000 ton suiker wordt afgebouwd in zeven jaar.

Het nieuwe EBA-voorstel kan op dezelfde manier misbruikt worden. Landen als India, Thailand en Brazilië kunnen hun suiker naar een Minst Ontwikkeld Land vervoeren als Bangladesh (vanuit India) van waaruit geen importheffingen in de EU geheven worden vanaf 2006. Hiervan profiteren vooral smokkelaars, en er is dan dus geen sprake van armoedebestrijding. ACP-landen kunnen ook niet meer concurreren met de EBA-landen, maar het Ministerie van Buitenlandse Zaken vindt Mauritius en Fiji blijkbaar niet arm genoeg meer. Een betere oplossing dan EBA is deze landen ook een quotum te geven zoals het Cotonou-verdrag, waardoor men een vaste garantieprijs ontvangt. Zonder deze hoge garantieprijs zal men in deze landen niet snel gaan investeren in de suikerteelt, omdat men dan grote risico’s loopt. Hierdoor wordt misbruik via carrouselverkeer en smokkel ook voorkomen. EU-Commissaris Lamy wil echter niet luisteren naar deze kritiek.
4. Conclusies
Na analyse van de interviews met Joop de Koeijer (NAV), Aike Maarsingh (LTO) en Friso de Vries (CSM) (bijlage 13), vond ik dat de standpunten van de drie geïnterviewden niet ver van elkaar liggen. Ik ga er hierbij gemakshalve vanuit dat ze tegen mij het werkelijke standpunt van hun organisaties vertegenwoordigden.

Zij liggen dus voor wat betreft de wijziging van het GLB van de EU op de lijn van de boerenbenadering. Men gaat echter nog niet zover dat de milieueisen kunnen worden opgeschroefd, zodat sprake kan zijn van een werkelijk duurzame landbouw (geïntegreerde of biologische landbouw). Natuurlijk kan dit ook pas wanneer de eisen in de EU naar dit hogere niveau geharmoniseerd worden, om oneerlijke concurrentie te voorkomen binnen de EU, en de prijs die de akkerbouwer ontvangt ook hoog genoeg is om deze extra kosten te dekken.

Een andere voorwaarde is dat de EU ten opzichte van de wereldmarkt haar grenzen mag dichthouden voor producten die hier niet aan deze eisen voldoen, of die onder de kostprijs gedumpt worden op de Europese markt. Op dit moment gaat bijvoorbeeld de teelt van suikerbieten gepaard met relatief weinig milieuschade, vergeleken met de teelt van suikerriet, waardoor de kostprijs voor suikerriet oneigenlijk laag is. (zie hoofdstuk 5).

Over het afschaffen van exportsubsidies laten de drie geïnterviewden niet al te duidelijk uit, er lijkt een berusting bij allen dat deze op termijn worden afgeschaft. De Koeijer wil in ieder geval berekenen of de afschaffing van het B-quotum rendabel zou zijn. Hij wil ook het C-quotum verminderen, waardoor het zonder subsidie exporteren kan worden gestopt.

Er is dus een verschil te onderkennen tussen de standpunten van Aike Maarsingh als vertegenwoordiger van de vakgroep Akkerbouw, en het standpunt van LTO Nederland. Dit is niet vreemd want de akkerbouw teelt voor een groot gedeelte (redelijk) door de EU beschermde gewassen. Zij hebben op bepaalde punten andere belangen dan vertegenwoordigers van tuinbouw en intensieve veehouderij binnen de LTO. Deze laatste twee sectoren hebben veel meer te maken met een geliberaliseerde markt, en zien nog volop exportkansen.

Op dit moment komt deze belangtegenstellingen ook terug tussen enerzijds de LTO (nationaal), Copa (Europees) en IFAP (mondiaal) enerzijds, en anderzijds de NAV en Via Campesina (mondiaal). Deze verschillen lijken zich vooral te concentreren op exportgerichtheid en schaalvergroting samen met de verwerkende industrie enerzijds (dus liberalisering onder voorwaarden), en behoud van de huidige boeren via een kostendekkende prijs en verzet tegen uitbuiting van verwerkende industrie anderzijds (de boerenbenadering).


Bijlage 14 Extra informatie bij paragraaf 3.6 De verschillende visies op liberalisering



In deze bijlage vindt u wat extra informatie bij paragraaf 3.6. Dit is vooral informatie die niet direct mijn hoofdvragen te maken heeft.
I 1. Voorstanders van verdere liberalisering van de handel in landbouwproducten

Geen extra informatie


II Voorstanders van verdere liberalisering onder voorwaarden
2. Langzame liberalisering meer nadruk op belangen van de boeren; LTO-Nederland

Ter illustratie: Een bedrijf als Cargill slaagt erin buiten schot te blijven door enerzijds het groot aantal schakels van handelaren tussen de boeren en de machtige firma. Anderzijds wordt de ‘marktprijs’ voor een absoluut, bijna bovennatuurlijk gegeven gehouden, waar niemand iets aan zou kunnen doen. Bij nadere bestudering blijkt Cargill zich tot op het hoogste politieke niveau krachtig in te zetten voor geforceerde overproductie en vrijhandel: de twee grootste oorzaken van de dalende landbouwprijzen. (Smit, 2000, p.44)

Dit laatste merkte ik ook op bij een verkiezingsbijeenkomst in mei in Horst over de landbouw georganiseerd door CDA met twee huidige Tweede Kamerleden. Bij deze bijeenkomst werd gesteld dat er weinig aan de marktprijs te doen is, en werden de WTO, de macht van multinationals in aanvoer, verwerking en handel niet genoemd. Er werd vooral geklaagd over overheidswetgeving, en men vond dat Nederland wat minder voorop moest lopen met milieu- en dierenwelzijnseisen. In de discussie met het publiek werd later wel erkend dat er sprake was van oneerlijke concurrentie vanuit het buitenland, door te weinig eisen aan handel en industrie. Maar ik ben pessimistisch of men ook werkelijk de liberalisering binnen de landbouw aan durft te pakken binnen het nieuwe kabinet.
3. Liberalisering met meer nadruk op de belangen van ontwikkelingslanden; Novib / Oxfam

Positief aan haar aanbevelingen binnen de campagne ‘Make trade fair’ vind ik dat men de WTO wil democratiseren, exportsubsidies en dumping wil afschaffen, het beleid van Wereldbank en IMF wil beëindigen wat ontwikkelingslanden dwingt om onvoorwaardelijk hun markten te openen, en het TRIPs-verdrag zo aan te passen dat men het recht geeft aan boeren terug te geven om hun zaad op te slaan en te vermeerderen. De oprichting van een internationale instelling om de prijzen van grondstoffen te regelen, lijkt me niet echt praktisch uitvoerbaar op de korte termijn. Beter zou het zijn als per product de producerende landen een soort OPEC oprichten, waarin vooral de volumes beperkt worden en afgestemd worden op de vraag. Daarnaast mis ik het probleem van de schuldenlasten, de macht van de multinationals en het milieuprobleem op haar agenda.


4. Groen Liberalisme: meer nadruk op belangen van milieu en ontwikkelingslanden; Groene politieke partijen, Friends of the Earth Europe en Birdlife International
Friends of the Earth Europe kunnen zich met hun aanbevelingen (zie bijlage 11) in het achterhoofd, grotendeels vinden in de nieuwe voorstellen van Fischler in zijn mid-term review. Zij sluiten zich hierdoor aan bij het accepteren van de WTO als uitgangspunt voor de hervorming van het GLB. Sommige organisaties gaan nog verder, zoals Birdlife die ook quotering willen afschaffen. Zij doen aanbevelingen om via de WTO en verdere liberalisering toch milieuproblemen te kunnen aanpakken. Dit betekent dat Birdlife veel vertrouwen heeft op aanpassing van het WTO-beleid zodat maatschappelijke eisen toch kunnen worden meegenomen. Zij denkt dat er eventueel op de lange termijn ook internationale afspraken te maken zijn over de internalisering van milieu- en sociale kosten. Ik ben hier een stuk pessimistischer over. Tot het zover is zou een kostendekkende prijs beschermt via importheffingen, en de mogelijkheid om importen tegen te houden die niet voldoen aan de eigen minimum maatschappelijke eisen, meer effectief zijn. Wel kan als voorwaarde gesteld worden voor deze kostendekkende prijs, dat EU-wetgeving aangepast en geharmoniseerd wordt waardoor bijvoorbeeld het standaard niveau van IFOAM gaat gelden. Dit betekent een aanpassing van hun voorstel dat gericht is op voorwaarden voor inkomenssteun. Ook kan de EU unilateraal beginnen met de internalisering van de milieukosten in ruil voor lagere belastingen op arbeid.

GroenLinks ziet veel in eerlijke handel, dus internationale handel met het in acht nemen van milieu-, dierenwelzijns- en sociale normen. Deze handel hebben ontwikkelingslanden nodig om zich te ontwikkelen. Het Agreement on Agriculture binnen de WTO moet dan ook blijven bestaan, omdat via dit verdrag bijvoorbeeld de exportsubsidies versneld kunnen worden afgeschaft. Het regionaliseren van de landbouw en het uitgaan van gesloten kringlopen gaat haar echter te ver. (Verkiezingsprogrammacongres, januari 2002).


III Tegenstanders van verdere liberalisering
5. De boerenbenadering

Kritiek vanuit het groen liberalisme op de boerenbenadering is dat er geen prikkels zouden zijn in een boerenbenadering om milieuvriendelijk te produceren omdat de handel en industrie de goedkoopste producten zal kopen. (FOEE, 2002a) Dit laatste klopt zolang de overheid geen hoge normen aan de handel en industrie stelt, maar alleen aan haar boeren. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld in Nederland, waardoor er een grote aversie is ontstaan tegen milieu- en dierenwelzijnseisen vanuit de gangbare landbouw. Men ziet echter niet in dat de overheden de handel en industrie veel te lage normen oplegt en te weinig controleert op naleving hiervan, bijvoorbeeld residuen van bestrijdingsmiddelen. Opnieuw een vorm van acceptatie door het groen liberalisme van liberalisering zonder normen aan de gehele productiekolom.

Ook zou de boerenbenadering tegen de belangen van consumenten ingaan, volgens het groen liberalisme. (FOEE, 2002a) Ook een misvatting omdat men er vanuit gaat dat de consument als burger niet geïnteresseerd zou zijn in een product waarin alle kosten op gebied van duurzaamheid zijn opgenomen in de verkoopprijs.

Om het contact tussen boeren en burgers te verbeteren, en zodoende een sterker protest te laten horen, is er een platform opgericht die ook deze boerenbenadering aanhangt namelijk: Platform Aarde Boer Consument, waarin een aantal van bovengenoemde organisaties en enkele anderen zijn vertegenwoordigd. Zij vinden dat de laatste twee decennia de volgende problemen ontstaan zijn: ‘toenemende, wereldwijde vrijhandel en concurrentie, toenemende macht van de agrifoodbusiness, verminderde controle op in- en export en dus kwaliteit, verminderde bescherming van de landbouweconomie en te lage wereldmarktprijzen.’ Zij doen de volgende aanbevelingen:



  • landbouw buiten de internationale vrijhandel houden zodat elk land zijn voedselsoevereiniteit kan behouden;

  • productiebeheersing waardoor betere marktprijzen ontstaan, er vertrouwen bij de boeren in de toekomst ontstaat, ze weer durven te investeren, zodat de teloorgang van het platteland stopt;

  • de controle verbeteren en de grenzen dicht houden voor ongewenste producten;

  • handelsafspraken maken met afzonderlijke landen, wanneer beide partijen daar voordeel bij hebben. (Platform ABC, 2002)


6. De zelfvoorzienende benadering

Geen extra informatie





1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • Bijlage 11 Standpunten Friends of the Earth Europe over het GLB
  • Bijlage 12 Standpunten Birdlife, IFOAM, Ministerie van LNV en Novib/Oxfam
  • Bijlage 13 Interviews met Maarsingh (LTO), de Koeijer (NAV) en de Vries (CSM)
  • Bijlage 14 Extra informatie bij paragraaf 3.6 De verschillende visies op liberalisering

  • Dovnload 4.64 Mb.