Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina3/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

tenschap.

Vooral in ontwikkelingslanden met een slecht ontwikkeld sociaal verzekeringsstelsel en niet representatieve nationale overheid, moeten deze zelfvoorzienende economieën dan ook worden beschermd tegen verdergaande liberalisering. Gemeenschappen en regio’s moeten de democratische rechten terugkrijgen of behouden op hun eigen hulpbronnen en eigen ontwikkeling. Oplossingen hiervoor zijn een verbetering van de democratie (een betere behartiging van de belangen van boerenbevolking ten opzichte van de bevolking in steden), toekennen van vergaande autonomie (aan inheemse volkeren), landhervorming waarbij grond weer beschikbaar komt voor eigen voedselvoorziening in plaats van voor exportgewassen via grootgrondbezitters, en bindende (inter)nationale wetgeving aan landen en multinationals

In de wereldeconomie kunnen we hetzelfde principe toepassen; maatgevend hierbij zijn regio’s ter grootte van gebieden die democratisch in staat zijn de basisbehoeftes en het milieu van haar bevolking te beschermen. Dit loopt uiteen van de EU, tot nationale lidstaten, regio’s en autonome gebieden (voor inheemse volkeren). Er is wat mij betreft geen alternatief voor de markteconomie, maar deze zal wel aan strengere (inter)nationale overheidsregelgeving (via VN) moeten voldoen op gebied van de voorziening van basisbehoeftes en het milieu, met de mogelijkheid tot sancties. Momenteel heeft alleen de WTO deze mogelijkheid tot sancties, en zij is dus als enige succesvol om internationale (handels)verdragen af te dwingen.


2. Toepassing van de vrije-markttheorie in de landbouw

Het overheidsingrijpen in de vrije markt is vooral binnen de landbouw noodzakelijk, omdat landbouwproducten om diverse redenen niet te vergelijken zijn met andere goederen: ze zorgen voor een basisbehoefte (voedsel), het betreft levende wezens die afhankelijk zijn van het weer en gevoelig zijn voor ziekten en plagen, er is sprake van een aanbods- en vraaginelasticiteit, en landbouw betreft een multifunctionele bedrijfstak, met naast voedselproductie ook de zorg voor landschap en natuur. Andere factoren: er is sprake van een te grote concentratie van multinationals in de toevoer, afvoer en handel ten opzichte van landbouwbedrijven en de consument. Hierdoor is er geen sprake van vrije mededinging en volledige informatie. De huidige ongelijke machtsbalans tussen landen draagt ook bij aan marktfalen. Ook zijn niet alle externe effecten; baten (bijdrage aan landschap) en kosten geïnternaliseerd in de prijs, dit betreft voornamelijk milieukosten op gebied van uitputting en vervuiling. Door dit marktfalen wordt de landbouw momenteel dan ook beschermd in vele landen via tarifaire (bijvoorbeeld importheffingen en prijsondersteuning) en non-tarifaire (bijvoorbeeld importquota, normen op gebied van milieu en voedselveiligheid) handelsbeschermende maatregelen. Dit zal noodzakelijk blijven en moeten worden uitgebreid, en niet moeten worden verhinderd door liberalisering, zoals ik verder zal behandelen.


3. Schuldenproblematiek, Wereldbank, IMF en de rol van multinationals

De liberalisering in de landbouw loopt via verschillende kanalen: het vrij maken van handel binnen handelsblokken als de EU en de NAFTA, internationale verdragen binnen de WTO, en het gedwongen moeten opheffen van importheffingen op onder andere landbouwproducten als gevolg van Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van Wereldbank en IMF. Dit laatste gebeurt als met name ontwikkelingslanden in betalingsbalansproblemen komen o.a. door te hoge schuldenlasten. Bij de opbouw van deze schuldenlasten is het Noorden in het verleden, en nu nog steeds, via leningen voor onder andere grootschalige en/of niet ontwikkelingsrelevante projecten (bilateraal, privaat of multilateraal via Wereldbank en IMF), leningen aan niet democratisch gekozen overheden, en exportkredieten ten bate van het eigen bedrijfsleven, zelf betrokken (geweest).

De nadelen van de SAP’s en ander neoliberaal beleid van IMF en Wereldbank zijn onder andere: een nadruk op een exportgeoriënteerde benadering binnen de landbouw in plaats van de eigen voedselvoorziening, het hiermee gepaard gaande onduurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, een ruilvoetverslechtering door devaluatie van de nationale munt en vaak een overproductie van exportgewassen op de wereldmarkt, een vermindering van overheidsuitgaven die ten gunste kwamen aan de eigen bevolking (onderwijs, gezondheidszorg, landbouw en voedselvoorziening), en het gedwongen moeten privatiseren van gemeenschappelijk landbezit door lokale gemeenschappen. Maar vooral het gedwongen moeten opheffen van importheffingen, en dus het openen van markten voor buitenlandse producten had desastreuze effecten voor de eigen boeren. Hiermee wordt ook de grote invloed van multinationals op het tot stand komen van deze SAP’s duidelijk. Zo zijn er markten voor zaad, kunstmest en bestrijdingsmiddelen opengebroken, en werden er Westerse overschotten van graan en maïs gedumpt in landen als India en de Filippijnen. Deze overschotten konden door het huidige westerse landbouwbeleid voor een lage prijs worden opgekocht. Verder droeg dit beleid weinig bij aan de nationale economie, de verhoogde buitenlandse investeringen konden over het algemeen de dalende overheidsbestedingen en kapitaalvlucht als gevolg van devaluatie van de munt, niet compenseren. Ook werd eigen industrialisatie om dure import van geïndustrialiseerde producten (importsubstitutie) te verkomen, ontmoedigd. Tenslotte daalden in 91.5% van de HIPC-landen (Heavily Indebted Poor Countries) met SAP’s de schulden niet.

Om de voorziening van basisbehoeftes en het milieu te verbeteren, is het kwijtschelden van de onhoudbare schulden van ontwikkelingslanden (middels geld gegenereerd via een Tobintax) onder voorwaarde dat het vrijkomende geld wordt ingezet voor een duurzame ontwikkeling, een eerste prioriteit. Dit om de volgende redenen: om onder dit neoliberale beleid van de Wereldbank en IMF uit te komen, de gedwongen uitputting van hulpbronnen te stoppen die de voorziening van basisbehoeftes en het milieu in gevaar brengt, een einde te maken aan de vijfmaal hogere geldstromen van Zuid naar Noord (in verband met rente en aflossing dan omgekeerd aan ontwikkelingshulp), een op de nationale en lokale economieën gerichte ontwikkeling mogelijk te maken, en een gelijkwaardige partner te zijn binnen de WTO. Dit is een betere oplossing dan de huidige roep om verbeterde markttoegang voor onbewerkte landbouwproducten van ontwikkelingslanden tot het Noorden, omdat dit niets meer betekent dan dat hun hulpbronnen worden ingezet voor nog meer luxe consumptie van het Noorden. Hiervan profiteren niet de kleine boeren en consumenten in het Noorden (zoals blijkt uit de huidige koffieprijs in de winkel), maar vooral de multinationals in toevoer, verwerking en handel, en grootgrondbezitters. Een positief effect is naast schuldkwijtschelding, overigens wel te verwachten van toegang voor bewerkte tropische landbouwproducten, als textiel, koffie en chocolade. Hiermee wordt industrialisatie en de werkgelegenheid namelijk wel gestimuleerd.


4. Liberalisering via WTO en EU

Hetzelfde proces van openbreken van markten voor multinationals, en het creëren van toegang tot hulpbronnen in andere landen zien we terug binnen het AoA van de WTO. De leden hebben afgesproken de aanwezige handelsbelemmeringen binnen bepaalde tijd te verminderen. Hierbij hebben de VS en de EU echter vooral aan hun eigen belang gedacht; prijsverlaging zodat men concurrerend is op de wereldmarkt, gecompenseerd door inkomenstoeslagen die de WTO wel toelaat maar die nog handelsverstorender werken dan exportsubsidies. Ontwikkelingslanden hadden al deels door de SAP’s hun importtarieven verlaagd, en worden nu een worst voorgehouden voor verbeterde markttoegang tot het Noorden. In ruil hiervoor eisen ontwikkelde landen echter ook nog betere markttoegang tot de ontwikkelingslanden, die de negatieve effecten van de SAP’s nog eens zullen versterken. Daarbij hebben ontwikkelingslanden niet het geld om exportsubsidies en inkomenstoeslagen te betalen, hun enige mogelijkheid om hun landbouw te beschermen zijn importtarieven.



Nadelen voor het milieu van een op de exportmarkt gerichte geliberaliseerde en industriële landbouw zijn: wateruitputting (door niet duurzame irrigatie), bodemerosie en -degradatie met name door een concurrentie om de grond tussen eigen voedsellandbouw en exportproductie, versterking van het broeikaseffect met name door de vele transportkilometers, een teruggang van de biodiversiteit (door vernietiging van natuurgebieden), een teruggang in de agrarische biodiversiteit, toepassing van genetisch gemanipuleerde gewassen, en chemische vervuiling.

Nadelen voor de voorziening in basisbehoeftes van deze landbouw in ontwikkelingslanden zijn: een afname van voedselzekerheid zowel voor mensen die (gedwongen) hun grond kwijt raken, als voor mensen die een minder uitgebalanceerd dieet hebben door gerichtheid op de export (via grootgrondbezit) in plaats van eigen voedselvoorziening, toenemende watertekorten, een onzekere toekomst in eventueel de sloppenwijk en de afbraak van het sociale vangnet en culturele patroon rond de productie van eigen voedsel in lokale gemeenschappen. Voor het Noorden: een afname van de voedselveiligheid door gebruik van (hier verboden) bestrijdings-middelen, antibiotica, hormonen en genetische manipulatie. Voor zowel Noord als Zuid: een risico op de verspreiding van ziektes die de voedselvoorziening in gevaar brengen, toenemende conflicten om onder andere door exportlandbouw uitgeputte hulpbronnen, toenemende overstromingen en droogtes als gevolg van het mede door exportlandbouw vergrote broeikaseffect, deze laatste kunnen de kans op conflicten om hulpbronnen ook weer vergroten. Ook treedt er door schaalvergroting een verarming van het platteland op, zowel sociaal-economisch door uitstroom van vele boeren en bijbehorende lokale economie, als qua natuur en landschap. Voordeel van lage wereldmarktprijzen door exportsubsidies en de huidige liberalisering hebben naast grootschalige landbouwbedrijven en multinationals overigens ook consumenten in de netto voedselimporterende landen, zoals de olie-exporterende landen in het Midden-Oosten. Ook de stedelijke bevolking in ontwikkelingslanden kan profiteren van de lage prijzen door dumping uit het Noorden, dit gaat echter ten koste van de eigen boerenbevolking.

Ik zou als alternatief een meer zelfvoorzienende benadering per regio (zie hiervoor) willen aanbevelen echter uitgaande van een sterke internationale overheid die bindende regels kan opleggen aan landen en multinationale bedrijfsleven. De onderdelen van dit alternatief zijn:

* Prijsondersteuning en importbescherming (via heffingen) op een prijsniveau waar tegen de boeren met inbegrip van maatschappelijke eisen op gebied van voedselzekerheid en –veiligheid, milieu, arbeidsomstandigheden en dierenwelzijn, kostendekkend kunnen produceren.

* Productiebeheersing die is afgestemd op de eigen nationale consumptie (of EU-consumptie.)

* Voor tropische (voedsel)producten zouden per product OPEC-achtige organisaties moeten worden opgericht die werken met productiequota, om overproductie en dus lage prijzen te voorkomen (zoals momenteel bij koffie).

* Exportsubsidies en inkomenstoeslagen in de EU, en exportkredieten, inkomenstoeslagen en oneigenlijke voedselhulp in o.a. de VS, worden afgeschaft.

* Boeren die extra inspanningen leveren op gebied van natuur, milieu en/of landschap, bovenop de al verhoogde maatschappelijke eisen, krijgen hiervoor een vergoeding (groene diensten). Dit geldt ook voor de nieuwe EU-lidstaten als Polen, die vaak al aan deze voorwaarden voldoen.

* Producten die niet voldoen aan de maatschappelijke eisen (milieu, voedselveiligheid- en zekerheid, arbeidsomstandigheden en dierenwelzijn) waaraan de eigen boeren moeten voldoen mogen aan de grens worden geweerd. Hierdoor wordt een race-to-the-bottom van multinationals in de handel en verwerkende industrie voorkomen.

* Markttoegang uit ontwikkelingslanden wordt alleen geboden voor tropische producten die we hier niet kunnen verbouwen. Daarnaast worden deze tropische producten alleen toegelaten wanneer ze zijn geproduceerd via het Fairtrade principe (kostendekkende prijs), terwijl deze productie niet ten koste van de natuurlijke hulpbronnen en de voedselzekerheid op lange termijn mag gaan. Het suikersysteem met exportquota aan ACP-landen (ex-koloniën in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) kan hierbij in aangepaste vorm als voorbeeld dienen.

* Binnen de WTO wordt het concept ‘voedselsoevereiniteit’ geaccepteerd, wat er op neer komt dat landen de eigen voedselproductie via eigen boeren mag beschermen tegen dumping en kwalitatief slechte importen.

* Om een begin te maken met het internaliseren van milieukosten op gebied van uitputting en vervuiling, is een internationale energieheffing op fossiele brandstoffen een eerste prioriteit.
Het voordeel van deze maatregelen is dat het landbouwbudget van de EU fors kan dalen. Er is alleen nog geld nodig om de laagste inkomensgroepen te compenseren voor een iets hogere voedselprijs (dit kan meevallen door de hoge marges tussen boerenprijs en winkelprijs als gevolg van de eerder genoemde concentratie van multinationals), en voor extra inspanningen op gebied van milieu, landschap en natuur. Een ander groot voordeel is dat dumping in ontwikkelingslanden wordt gestopt, waardoor boeren in staat zijn om voor hun eigen regionale markt te produceren. Door als EU voor deze zelfvoorzienende benadering te kiezen, kunnen we de steun verwachten van de meeste ontwikkelingslanden en een blok vormen tegenover de VS en Cairns-landen. Binnen Nederland zouden na een stevige discussie de meeste milieu- en ontwikkelingsorganisaties, en de boerenbevolking die het voortbestaan van hun bedrijf belangrijker vinden dan schaalvergroting en concurrentiekracht op de wereldmarkt, dit alternatief eventueel kunnen steunen.

Tenslotte is er vooral een bewustwording nodig, waarbij de liberalisering bij met name sociaal-democraten en christen-democraten onder meer kritiek komt te staan, en niet als onvermijdelijk natuurverschijnsel wordt gezien. Maar ook veel ontwikkelingsorganisaties hebben zich (ongewild) voor het karretje van de multinationals laten spannen, zoals bij de eis om meer markttoegang voor ontwikkelingslanden voor onbewerkte landbouwproducten. In plaats van aansluiting bij de globale wereldeconomie, leidt dit tot uitsluiting van de armsten uit hun regionale economie. Dus zoals Colin Hines zegt: ‘Protect the local, globally’.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

  • 2. Toepassing van de vrije-markttheorie in de landbouw
  • 3. Schuldenproblematiek, Wereldbank, IMF en de rol van multinationals
  • 4. Liberalisering via WTO en EU

  • Dovnload 4.64 Mb.