Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes

Dovnload 4.64 Mb.

Een onderzoek naar de gevolgen van de liberalisering van de handel in landbouwproducten voor milieu en de voorziening van basisbehoeftes



Pagina9/24
Datum25.10.2017
Grootte4.64 Mb.

Dovnload 4.64 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   24

3.4 Relevante theorieën

Ik behandel verschillende theorieën om de achterliggende wereldvisie van liberalisering te achterhalen, bij de analyse van liberalisering en protectie in de (landbouw)praktijk, en bij het opstellen van de aanbevelingen. De theorieën die ik behandel zijn onder te verdelen in:



  • het neoliberalisme, en de economische handelstheorieën die als voorloper hiervan te beschouwen zijn;

  • de theorie in de praktijk: voorwaarden van de vrije-markttheorie, redenen voor - en vormen van protectie, en een ontwikkelingstheorie die valt binnen de dominante westerse modernisering, met interne en externe barrières die deze ontwikkeling kunnen belemmeren;

  • alternatieven: de zelfvoorzienende economie in plaats van de markteconomie, een synthese van eco-socialisme en eco-anarchisme, lokalisering in plaats van globalisering en holistische kijk op de maatschappij in plaats van het reductionisme binnen de westerse maatschappij.

In paragraaf 3.5 zal worden geanalyseerd of deze theorieën ook kunnen worden toegepast in de praktijk van productie van - en handel in landbouwproducten.


3.4.1 Het neoliberalisme en achterliggende economische handelstheorieën

Omdat een omslag in de huidige dominante wereldvisie waarschijnlijk vooraf moet gaan aan de drastische politieke, economische en sociale veranderingen, die een duurzame ontwikkeling (wel) mogelijk maken, hecht ik veel belang in de oorsprong van - en de theorieën achter deze achterliggende wereldvisie.





Het neoliberalisme komt voort uit het (klassieke) liberalisme, een politieke stroming die werd vormgegeven door o.a. John Stuart Mill, Robert Nozick, J. Rawls, maar vooral Adam Smith. Hierbij werd vooral de vrijheid bij het individu gelegd, dat hierbij zo min mogelijk moest worden gehinderd door de staat. Volgens Smith leidt het nastreven van elk individu van zijn eigen doeleinden, tot de vergroting van het gemeenschappelijk goed. Dus vrijheid leidt dan tot het hoogste persoonlijke en maatschappelijke goed. Het marktmechanisme is hierbij essentieel, omdat alle mensen als nutsmaximalisatoren via de markt en concurrentie, zullen zorgen voor een evenwicht tussen vraag en aanbod (via de ‘onzichtbare hand’). Dit mechanisme werkt binnen en tussen landen. De overheid dient niet langer de prijs en de hoeveelheid productie te reguleren, maar juist de werking van de markt te bevorderen. Taak van de overheid is wetgeving, veiligheid, het voorkomen van uitbuiting, de voorziening van publieke goederen en diensten, en een bescherming van de markt tegen oneerlijke concurrentie. Bij de hierna volgende bespreking van de economische handelstheorieën kom ik hier op terug. Daarna kom ik terug op het huidige neoliberalisme, dat in tegenstelling tot Smith minder problemen heeft met het nastreven van zuiver eigenbelang, en ook de voorziening van publieke goederen en diensten zoveel mogelijk wil privatiseren.


1. De economische handelstheorieën

Relevantie

De economische handelstheorieën zijn belangrijk omdat deze mede de huidige internationale economische verhoudingen helpen verklaren, en eventueel aangrijpingspunten bieden voor alternatieven. Zo is het goed om nog eens te achterhalen waarom vrijhandel in beginsel goed zou moeten zijn voor de deelnemende landen. De eerste handelstheorieën stammen echter uit een tijd dat bijvoorbeeld het milieuprobleem nog niet was ‘uitgevonden’ en kapitaal vooral binnen de landsgrenzen bleef. Deze vrijhandelsgedachte wordt echter nog steeds toegepast binnen de internationale economie en gedoceerd aan de reguliere economiestudenten.

De handelstheorieën zijn onder te verdelen in klassieke handelstheorieën (van Adam Smith, David Ricardo, en Heckscher-Ohlin-Samuelson-model) en moderne handelstheorieën (interne en externe schaalvoordelen). (Jager et al 1996, p.67-87);
In de 18e eeuw overheerste in Europa het Mercantilisme; dit ging er van uit dat internationale handel een zero sum game is. Een voordeel dat het ene land aan internationale handel ontleent, betekent een even groot nadeel voor een ander land. (Jager, p.67)

Deze theorie paste ook binnen het koloniale systeem waarbinnen veel koloniën tot in de 19e en soms zelfs 20e eeuw vooral werden gezien als wingewesten voor primaire materialen. De koloniale bezetters die zich vooral aan de kust gevestigd hadden, waren hierbij minder geïnteresseerd in de ontwikkeling van (de binnenlanden van) deze koloniën. Ook in de 20e en 21e eeuw komt deze zero sum game naar mijn mening nog voor. Nu zijn het echter de schuldenlasten van ontwikkelingslanden en het hierop volgend beleid van de Wereldbank en IMF, die er voor zorgen dat ontwikkelingslanden sterk afhankelijk zijn van de verkoop van enkele primaire grondstoffen, en hun industrialisatie niet van de grond komt. (Zie ook Hoofdstuk 4)

Aan het eind van de 18e en begin van de 19e eeuw werden er verschillende nieuwe handelstheorieën ontwikkeld door onder andere Adam Smith en David Ricardo. Hun uitgangspunt was dat door internationale handel beide landen profiteren via een positive sum game. Smith benadrukte vooral dat vrije internationale handel, dus zonder overheidsingrijpen, de mogelijkheid creëert van een optimale internationale arbeidsverdeling. Elk land zou zich moeten specialiseren in het product waarin het over een absoluut kosten- en dus prijsvoordeel beschikt ten opzichte van zijn handelspartner. Door handel profiteren dan beide landen van de laagste kosten. Ook kunnen zo nationale monopolieposities worden doorbroken, waardoor gezonde concurrentieverhoudingen ontstaan. Tenslotte zouden overschotten aan arbeid vanwege verborgen werkloosheid of niet geëxploiteerde bodemschatten door nieuwe afzetkansen op de internationale markt kunnen worden geactiveerd. (Jager, p.68)

Sceptici wezen er op dat inderdaad bepaalde landen zouden profiteren, maar dat de ontwikkeling in andere landen (vooral in landen met een lagere economische ontwikkeling) door internationale concurrentie in de kiem gesmoord zou kunnen worden. Een tweede bezwaar was dat hoewel een land in totaliteit zou kunnen profiteren, dit niet hoefde te betekenen dat iedereen er in deze landen op vooruit zou gaan. ‘Men was dan ook bang dat in de praktijk vrije internationale handel sommige groepen binnen een land zou bevoordelen, maar andere zou schaden.’ (Jager, p.69) Vele onderzoeken tonen inderdaad aan dat de ongelijkheid binnen en tussen landen toeneemt als gevolg van de huidige globalisering. (Went, 2002, p.62-67)

Ricardo ontwikkelde het comparatieve-kostenmodel dat inhoudt dat hoewel landen een verschillende arbeidsproductiviteit (arbeidsuren ingezet per product) en loonkosten-ontwikkeling hebben, men toch kan profiteren van internationale handel. Als de loonkosten maar corresponderen met de lage productiviteit. Hij kwam hiermee tegemoet aan het eerste bezwaar, het tweede bezwaar kon hij echter niet voldoende weerleggen. (Jager, p.69-74)

Heckscher, Ohlin en Samuelson tenslotte verfijnden een eeuw later, het comparatieve-kostenmodel, door naast de factor arbeid ook de factor kapitaal in het model toe te voegen. Door internationale handel ontstaat er een evenwicht tussen landen die veel kapitaal en weinig arbeid hebben, en landen met veel arbeid en weinig kapitaal. Beide landen profiteren wederom. (Jager, p.74-78)

Ook hierop kwamen bezwaren omdat landen met veel kapitaal toch kapitaalintensieve producten bleken te importeren, omdat zij deze bijvoorbeeld niet in eigen land beschikbaar hadden zoals primaire grondstoffen. Ook exporteerden zij arbeidsintensieve producten. Ook is bijvoorbeeld de landbouw in bepaalde landen veel kapitaalintensiever dan in andere landen. Er is dan sprake van factoromkering. Tenslotte bleek er vooral intensieve handel te bestaan tussen landen met gelijksoortige aanbodstructuren van arbeid en kapitaal zoals in Europa, en niet tussen Noord en Zuid waar tussen de aanbodkarakteristieken sterk verschillen. (Jager, p.77-78)

Als antwoord hierop werden de moderne handelstheorieën ontwikkeld. Deze richten zich meer op schaalvoordelen van bedrijven, als verklaring voor internationale handel. Interne schaalvoordelen treden op als door uitbreiding van de productieomvang (via specialisatie), de kosten per product dalen. Externe schaalvoordelen treden op als er op een bepaalde bedrijfslocatie zich omringende bedrijven vestigen, waardoor bijvoorbeeld de kosten voor scholing, infrastructuur en toelevering dalen.

Een modern probleem met de traditionele handelstheorieën was ook het ontstaan van monopolies (één aanbieder) en oligopolies (een klein aantal aanbieders). Hierdoor was er geen sprake meer van volledige mededinging, omdat deze producenten een grote invloed hadden op de prijs. Door het vormen van formele kartels of informele samenwerking (via prijsleiderschap, open-prijssystemen, marktinformatiesystemen, marktverdelingsafspraken) tussen oligopolisten kan deze invloed nog versterkt worden. ‘Vaak zijn kartels verboden, maar met name in het geval van informele samenwerking ligt het met de bewijslast zeer moeilijk.’ (Jager, p.79-86)

De nadruk van de verklaring voor (succes in) internationale handel kwam zo steeds meer te liggen op ondernemingsspecifieke factoren (de moderne handelstheorieën, schaalvoordelen, technologische voorsprong) in plaats van locatiespecifieke factoren (de traditionele theorieën). Porter toonde echter aan dat ook nationale omstandigheden als beschikbaarheid en kwaliteit van productiefactoren, de binnenlandse vraag en aanverwante en concurrerende bedrijven, van invloed zijn. (Jager, p.86-87) In paragraaf 3.5 zal blijken welke theorieën in de productie en handel van landbouwproducten het meeste toepasbaar zijn.
2. Het neoliberalisme

Relevantie:

Ik behandel het neoliberalisme omdat deze wereldvisie momenteel overheersend is binnen het westen, en mede door de huidige mondiale machtsrelaties wordt uitgedragen over andere delen van de wereld. Naar mijn mening is het neoliberalisme hierdoor de nieuwe ‘wereldreligie’ geworden, die alle andere religies en ideologieën en hun waardevolle normen en waarden in min of meerdere mate heeft verdrongen of dit dreigt te doen binnen de komende decennia.



Het neoliberalisme ontstond in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw en was een vervolg op het hieraan voorafgaande monetarisme. Het neoliberalisme werd eerst vooral toegepast door Reagan in de VS en Thatcher in Groot-Brittanië, maar verspreidde zich later over de meeste westerse landen in meer of mindere mate. Door schuldenlasten en hierop volgend beleid van IMF en Wereldbank, kregen ook ontwikkelingslanden steeds meer ‘gedwongen’ met dit beleid te maken. (zie ook Hoofdstuk 4) Door de overheersende en geaccepteerde invloed van het neoliberalisme is ook mede te verklaren waarom er nu binnen de WTO gestreefd wordt om de handel in landbouwproducten te liberaliseren, en waarom er zo weinig tegenstand is hiertegen vanuit de gangbare politiek, (nationale en lokale) bedrijfsleven, wetenschap, media en civil society.

Het neoliberalisme kan gekenmerkt worden door:

  • nationale en internationale competitie via de markt als motor van de economie, deze markt zorgt voor de efficiënste allocatie van schaarse hulpbronnen;

  • de economie dient te blijven groeien, er moeten dus steeds nieuwe markten worden gecreëerd;

  • door technologische innovatie dient de arbeidsproductiviteit te groeien om de kosten per eenheid product te verlagen (efficiëntere productie), om zodoende te kunnen blijven concurreren met andere landen;

  • bedrijven zijn winstmaximalisators, en individuen zijn nutsmaximalisators met oneindige behoeftes;



  • een drang tot deregulering (het verminderen) van overheidswetgeving, hier onder vallen ook milieu- en arbeidsomstandighedenwetgeving;

  • overheidsbestedingen en -ingrijpen kunnen beperkt worden tot de beveiliging van inwoners en privé-eigendommen, defensie, en het mogelijk maken van een goede marktwerking en het creëren van een gunstig investeringsklimaat voor bedrijven op lokaal, provinciaal of nationaal niveau. ( Zehle, 2002) De overheid treedt dus vooral op facilitator van de markt.

  • een drang tot privatisering van overheidsbedrijven zodat deze in privé-bezit komen en de voorheen publieke dienstverlening volgens de theorie op de efficiëntste manier plaats kan vinden;

  • een drang tot liberalisering waardoor (inter)nationale overheidswetgeving niet meer als handelsbelemmering kan optreden (voor het bedrijfsleven) en de welvaartseffecten het hoogst zijn, dit hangt samen met de handelstheorie dat beide landen profiteren van internationale handel;

  • geen onderscheid tussen goederen, landbouwproducten kunnen hetzelfde worden behandeld als industriële producten;

  • een sterke internationale beheersing van wisselkoersen en renteniveaus;

  • het gebruik van economische modellen en kengetallen als het BNP om ontwikkeling van een land of regio te bepalen;

  • een drang tot vercommercialisering van alle producten en diensten;

  • culturele en sociaal psychologische factoren als gemeenschapszin en sociale acceptatie buiten consumptie om, spelen geen rol;

  • geen onderscheid in lokaalspecifieke factoren als mate van economische en sociale ontwikkeling, cultuur en historie; het neoliberalisme is universeel toepasbaar.

;
De markt en het bedrijfsleven gaan dus steeds meer taken van de overheid overnemen binnen deze neoliberale stroming. De overheid wordt vooral faciliterend voor het bedrijfsleven en consumenten met voldoende koopkracht. Alleen deze consumenten krijgen een plaats in dit systeem. (o.a. Cypher en Dietz, 1997, p.205 - Mol, 2001, p.7- McMurtry, 2001 (zie bijlage 4) - Hines, 2000, p.6 - Morgan, 2002)
De relatie tussen neoliberalisme en globalisering

Er is nu een debat gaande waarin er veel protest is tegen de huidige globalisering. Volgens Mol (2001) treedt er hierbij een verwarring op tussen de termen ‘globalisering’ (dat hij als een bestaand proces beschouwt met vele facetten, en zowel negatieve als positieve gevolgen), en de overheersende ééndimensionale neoliberale economische globalisering. Hij onderkent dat protest tegen deze kant van de huidige globalisering wel gerechtvaardigd is, maar tegen het proces van globalisering op zich is protest minder zinvol. Hierbij speelt volgens Mol de discussie in de literatuur een rol, of er al dan niet sprake is van een nieuwe fase in de geschiedenis door de huidige ‘globalisering’. Een onderdeel van deze discussie is of de rol van de natiestaat nog voldoende groot is om een tegenwicht te kunnen bieden tegenover de door de toepassing van het neoliberalisme op alle beleidsterreinen, toegenomen macht van het multinationale bedrijfsleven.

Door het neoliberalisme los te zien van globalisering komen er meerdere oplossingsrichtingen beschikbaar voor inherente problemen. Namelijk niet alleen strategieën die traditioneel gebruikt worden om neoliberaal beleid tegen te gaan, zoals versterking van de natiestaat, een toenemende nationale controle op handel en investeringen, en het voorkomen van overname van publieke dienstverlening door het bedrijfsleven. Maar ook alternatieven als het ontwikkelen van democratische ‘global governance’ en het vormen van een ‘global civil society’, die de ongecontroleerde mondiale concurrentie en neoliberalisme kunnen bestrijden, komen dan in beeld. Mol schept, in tegenstelling tot vele andere auteurs, een positiever beeld van de mogelijkheden om via globalisering tegemoet te komen aan milieuproblemen. Vooral het toepassen van het proces van ecologische modernisering ziet hij als oplossing. (Mol, 2001, p.2-15). In paragraaf 3.4.3 zal ik hier verder op ingaan bij alternatieven voor het neoliberalisme.

In paragraaf 3.6 behandel ik verschillende visies op de liberalisering van de handel in landbouwproducten, hierbij komen ook weer de voor- en tegenargumenten voor het neoliberalisme aan de orde, maar dan toegespitst op met name de productie van – en handel in landbouwproducten.


3.4.2 De theorie in de praktijk gebracht

In de vorige paragraaf ben ik ingegaan op de achtergronden van het neoliberalisme en de gevolgen voor het politieke, economische en handelsbeleid dat nationaal en internationaal wordt toegepast. In deze paragraaf ga ik specifieker hierop in via de volgende theorieën:



  • de theorie van een vrije markt: onder welke voorwaarden is hier sprake van (Perman, 1999);

  • protectionisme en handelsverstoring (Jager et al., 1996, pag. 126-156)

  • een ontwikkelingstheorie en interne en externe barrières voor ontwikkeling (Cypher en Dietz, 1997, p.14-19)


1. De voorwaarden van een vrije markt

Deze voorwaarden zijn zo van belang, omdat ik hiermee kan checken of de vrije markt theorie in het algemeen, en binnen de landbouwsector in het bijzonder wordt cq. kan worden toegepast. Deze controle zal ik vooral doen in paragraaf 3.5, en in Hoofdstuk 7 binnen de conclusies, nadat ik de onderzoeksresultaten heb geanalyseerd.


Om een efficiënte allocatie van hulpbronnen mogelijk te maken binnen een vrije markt, moet deze voldoen aan de volgende institutionele arrangementen (Perman et al., 1999, p. 128):

  1. Er moeten markten bestaan voor alle goederen en diensten die verhandeld worden.

  2. Alle markten moeten voldoen aan het principe van perfecte en volledige concurrentie.

  3. Er bestaan geen externaliteiten; alle kosten moeten dus in de verkoopprijs worden meegenomen.

  4. Alle goederen en diensten zijn private goederen, er bestaan dus geen publieke goederen.

  5. Alle eigendomsrechten zijn toegewezen aan personen of organisaties.

  6. Alle marktpartijen hebben de beschikking over volledige informatie.

  7. Alle bedrijven zijn winstmaximalisators en alle personen zijn nutsmaximalisators.

  8. De gemiddelde kosten nemen op de lange termijn niet af.

  9. De transactiekosten (de bijkomende kosten die gepaard gaan met handel tussen aanbieder en vrager) zijn nul.

  10. Alle relevante functies zijn bolvormig weer te geven in een grafiek (convexity conditions).

Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan is er sprake van marktfalen. Het is echter mogelijk dat de overheid door maatregelen te nemen, kan voorkomen dat marktfalen optreedt. Van marktfalen is sprake als de prijsvorming op de markt niet goed het onderliggende kostenpatroon weerspiegelt. In dat geval reageren vraag en aanbod op het verkeerde signaal waardoor er te veel of juist te weinig wordt afgezet. Maatschappelijk gezien kan hierdoor welvaartsverlies optreden. (Jager et al., 1996, p.133)

Bij milieugoederen is al snel sprake van marktfalen omdat deze over het algemeen publieke goederen betreffen. Ook wordt een groot gedeelte van de milieukosten met name voor wat betreft uitputting en vervuiling, niet meegenomen in de kostprijs.


2. Protectionisme en handelsverstoring

Hoewel uit de handelstheorieën volgt dat internationale handel goed is voor beide deelnemende landen, is er in de huidige mondiale verhoudingen sprake van veel protectionisme. Dit heeft ook te maken met het marktfalen dat ik zojuist besprak, en waardoor dus overheidsingrijpen theoretisch gerechtvaardigd kan worden. Door middel van protectionisme kan de welvaart van een land soms verhoogd worden, indien er sprake is van marktfalen. Ook door toepassing van de theorie van het ‘optimale tarief’ is protectionisme theoretisch gerechtvaardigd. Dit betekent dat een land door het heffen van een importtarief, andere landen kan dwingen tot prijsconcessies, waardoor het land bij een tariefhoogte en bij afwezigheid van buitenlandse tegenmaatregelen zijn welvaart maximaal kan vergroten. (Jager et al., 1996, p.133)



Bij protectionisme of handelsbescherming, schermen landen of handelsblokken zoals de EU, hun grenzen dus af tegen import van buiten. Ook kan de handel juist worden gestimuleerd, waarbij het eigen bedrijfsleven wordt gesteund ten opzichte van buitenlandse bedrijven. Vooral bij de landbouw wordt protectie toegepast, omdat zal blijken in §3.5 dat deze producten niet zijn te vergelijken met ‘normale’ producten.
Protectie en handelsverstoring worden op verschillende manieren en om verschillende redenen toegepast (Jager et al., 1996, p.131-132) :

  • Het beperken van handel om de eigen werkgelegenheid te beschermen in een bepaalde economische sector. Door import vanuit het buitenland met een importtarief te belasten kan voorkomen worden dat eigen bedrijven worden weggeconcurreerd. Een voorbeeld zijn de importheffingen op buitenlands staal die president Bush van de VS in maart 2002 instelde, om de eigen inefficiënte staalindustrie te beschermen. Naast importheffingen zorgen ook exportheffingen voor de beperking van handel.

  • Het stimuleren van handel. Door het geven van exportsubsidies kunnen exporterende landen de producten onder de eigen kostprijs afzetten in andere landen. Dit kan alleen maar als de producenten in dit exporterende land een subsidie krijgen om het verschil tussen verkoopprijs en kostprijs (plus winst) te overbruggen. Een voorbeeld zijn de exportsubsidies die de EU verleent op bepaalde agrarische producten, waardoor kleine boeren in ontwikkelingslanden worden weggeconcurreerd. Andere voorbeelden zijn soepele exportkrediet- of exportkredietverzekeringsvoorwaarden in de westerse wereld. En ook inkomenstoeslagen gekoppeld aan een lage prijs dienen als stimulering van de export. Deze worden binnen de landbouw vooral door de EU en de VS gebruikt (zie Hoofdstuk 6).

  • Vrijwillige exportbeperkingen en importquota, dit zijn niet-marktconforme instrumenten in tegenstelling tot de zojuist genoemde marktconforme instrumenten. Bij een vrijwillige exportbeperking beperkt een exporterend land zijn export waardoor de betreffende economische sector in het importerende land beschermd wordt. Dit komt vaak onder druk van het importerende land tot stand, eventueel in ruil voor andere maatregelen. Vergelijkbaar hiermee zijn importquota die worden ingesteld door het importerende land.

  • Behalve overheden kunnen bedrijven ook besluiten tot handelsbescherming, bijvoorbeeld via het vormen van kartels wordt de onderlinge concurrentie en internationale handel beperkt.

  • Bij het optreden van externe effecten is er sprake van marktfalen. Bij positieve externe effecten treden er bijvoorbeeld door de vestiging van een bedrijf positieve effecten op voor de omgeving zoals een verbeterd vestigingsklimaat en door het bedrijf aangelegde infrastructuur, waarvoor het bedrijf niet direct betaald krijgt. De overheid kan dit compenseren door subsidies te verstrekken. Als er geen geld is voor deze subsidies zoals in ontwikkelingslanden kan de overheid beginnende bedrijven steunen via protectiemaatregelen aan de grens. Negatieve externe effecten, zoals milieuschade kan de overheid compenseren via het opleggen van heffingen. (Jager et al., 1996, p.150-151)

  • Andere verschijningsvormen zijn:

  • Het plaatsen door de overheid van orders bij het eigen nationale bedrijven;

  • Het geven van ontwikkelingshulp die gebonden is aan nationale aanbesteding;

  • Het ten onrechte aanscherpen van eisen aan de invoer zoals douaneformaliteiten, milieunormering, gezondheidseisen, dierenwelzijnseisen of productkenmerken. Dit argument werd bijvoorbeeld veel gebruikt door oud-minister Herfkens; zij beschuldigde de Europese ‘landbouw’ van het stellen van oneigenlijk gebruikt van genoemde eisen, om hun eigen boeren te beschermen tegen concurrentie vanuit ontwikkelingslanden.

Als gevolg van handelsbeschermende maatregelen treden er welvaartseffecten op. Die kunnen positief of negatief uitpakken voor producenten, consumenten en/of de overheid. Een importheffing bijvoorbeeld levert geld op voor de overheid en het eigen bedrijfsleven, terwijl het de eigen consumenten benadeelt omdat zij een hogere prijs moeten betalen. Exportsubsidies leveren voordelen op aan de binnenlandse producenten, maar kosten de overheid geld, terwijl buitenlandse consumenten ook voordeel krijgen door een lagere prijs voor hun goederen.

Bij iedere handelsbeschermende maatregel is volgens de theorie en grafieken, te berekenen of dit een positief of negatief effect heeft op de totale welvaart, door de negatieve en positieve effecten voor deze drie sectoren op te tellen en af te trekken. In de empirie zal blijken of deze theorieën ook werkelijk werken in de praktijk. Zo leidt bijvoorbeeld het verlagen van prijsondersteuning en importheffingen niet altijd tot lagere prijzen voor de consumenten, wanneer verwerkende industrie en detailhandel bij grote concentratie in deze sectoren, deze lagere prijs niet doorberekenen.

Protectie heeft volgens de traditionele handelstheorieën (zie §3.4.1) alleen positieve effecten indien een land groot genoeg is om de wereldmarktsituatie en dus de ruilvoet te kunnen beïnvloeden (via invoer- of uitvoertarieven, niet via exportsubsidies). Ook als er sprake is van binnenlands marktfalen moet de overheid via in eerste instantie belastingen (bij b.v. milieudegradatie) of subsidies (bij b.v. opkomende industrieën), en als second best via protectie, de negatieve respectievelijk positieve externe effecten compenseren. Een voorwaarde is dat er geen vergeldende maatregelen optreden vanuit het buitenland. (Jager et al., 1996, pag. 133-150)

Volgens de moderne handelstheorieën (zie §3.4.1) is protectie gerechtvaardigd als hiermee bepaalde voor de economie en de internationale concurrentiepositie, strategische sectoren beschermd kunnen worden. Dit zijn sectoren die van wezenlijk belang geacht worden voor werkgelegenheid, toegevoegde waarde, hoogwaardige technologie, defensie, toekomstig verwacht groeipotentieel of positieve externe effecten. Hierdoor kunnen er dus externe schaalvoordelen optreden. Ook als onderdeel van het internationale onderhandelingsspel tussen landen en ondernemingen, kan er sprake zijn diverse tactieken en strategieën, waaronder protectie. Strategisch handelsgedrag en schaalvoordelen kunnen ook voortkomen uit binnenlands marktfalen (geen volledige concurrentie). (Jager et al., 1996, pag. 155-156)
3. Een ontwikkelingstheorie en interne en externe barrières voor ontwikkeling

Relevantie:

Ik behandel deze ontwikkelingstheorie in dit theoretisch hoofdstuk omdat dit een kader biedt voor de onderwerpen die ik behandel in Hoofdstuk 6. Hoewel ik me in mijn scriptie vooral zal richten op externe barrières voor ontwikkeling, is het noodzakelijk ook deze interne barrières voor ontwikkeling te benoemen.


Volgens diverse ontwikkelingseconomen en economische historici (die niet met naam genoemd worden) bestaat een succesvol verlopend ontwikkelingsproces van een land uit de volgende onderdelen (Cypher en Dietz, 1997, p.14-17):

  1. Industrialisatie; dit leidt tot economische groei. Lonen stijgen binnen de industrie als de productiviteit stijgt door verbetering van de technologie. Ook stijgt de urbane bevolking in vergelijking met de rurale bevolking.

  2. Een afnemende rol van de landbouw; dit hangt samen met een toenemende rol van de industrie in de economie. Ook stijgt de productiviteit in de landbouw op termijn.

  3. Veranderende handelspatronen; onbewerkte primaire producten uit de landbouw, bosbouw en mijnbouw worden steeds meer vervangen door bewerkte en industriële producten.

  4. Een toename van menselijk kapitaal en gebruik hiervan; dit hangt samen met toenemend onderwijs en het leren door ervaring tijdens de arbeid. Door de noodzakelijke tegelijkertijd optredende uitbreiding van het fysieke kapitaal en de technologie, stijgt de productiviteit per werknemer. Hierdoor stijgen de lonen en worden arbeidsomstandigheden minder zwaar.

  5. Institutionele verandering; het ontstaan van nieuwe organisaties als banken, beurzen, verzekeringsmaatschappijen, de staat die private initiatieven ondersteunt, de fysieke infrastructuur (wegen, havens, communicatie, elektriciteit, water en energie) wordt verbeterd. Ook moet de staat zorgen voor handhaving van haar wetgeving en het definiëren en beschermen van private eigendomsrechten. Bedrijven moeten steeds meer kunnen functioneren binnen een concurrerende en open omgeving, en gaan zich vooral richten op winstmaximalisatie. Samenwoningsverbanden veranderen van de ‘extended family’ naar kerngezinnen. Dit ontwikkelingsproces heeft ook culturele en religieuze gevolgen.

Uit deze genoemde onderdelen van een succesvol ontwikkelingsproces, blijkt een positieve visie op modernisering. Binnen dit gangbare denken, wordt naar mijn mening te weinig rekening gehouden met de natuurlijke leefomgeving en het milieu, en waardevolle traditionele kennissystemen en culturen. Het gaat er teveel vanuit dat modernisering van een samenleving iedereen voordelen oplevert. Ook is de opvatting dat een succesvol land ervoor zorgt dat de boerenbevolking naar de stad verdwijnt. Dit leidt in de praktijk tot overheidsbeslissingen die vaak uitgaande van een wat ‘achterlijke’ en niet-ontwikkelde boerenbevolking, deze achterstelt ten opzichte van de urbane bevolking. Hierdoor zijn bijvoorbeeld lage voedselprijzen voor de mensen in de stad belangrijker dan het overleven van de boerenbevolking die een kostendekkende prijs nodig heeft. Dit proces speelt niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook nu nog in de ontwikkelde wereld.

Het valt echter niet te ontkennen dat als ontwikkelingslanden zich wat meer op bewerkte en industriële producten zouden (kunnen) richten (door ander internationaal beleid, zie hierna), en het onderwijs beter ontwikkeld zou worden dit hun economische ontwikkeling ten goede zou komen. Ook bijvoorbeeld inheemse volkeren zouden hier een rol in kunnen spelen, als zij maar de mogelijkheid krijgen de ontwikkeling in hun eigen tempo door te maken. Zoals zal blijken uit Hoofdstuk 4, 5 en 6 zijn er echter diverse factoren die een dergelijk ontwikkelingsproces in de weg staan. Volgens Cypher en Dietz (1997, p.17-19) zijn de volgende interne en externe barrières te onderscheiden:
Potentiële interne barrières voor ontwikkeling:


  • ongelijkheden in de bestaande verdeling van inkomen en welvaart, inclusief grondbezit;

  • het niveau van ontwikkeling van de fysieke infrastructuur;

  • de rol en het niveau van kredietverschaffers, beurzen en financiële markten;

  • een onderontwikkeld en ineffectief onderwijssysteem;

  • heersende normen en waarden, inclusief religie, visies op economie, de rol van de vrouw en de rol van etnische minderheden;

  • de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen;

  • de rol van de overheid en staat, inclusief politieke vrijheden, de mate van democratie, het niveau van eigendomsrechten en het rechterlijk systeem;

  • het niveau en relevantie van corruptie en patronage en de invloed hiervan op het overheidsbeleid en het economisch gedrag van burgers en bedrijven;

  • de aanwezigheid van marktfalen, waardoor deze niet volledig worden doorgerekend naar de actoren op de markt. Hierdoor treedt een verstoring op van de verdeling van schaarse hulpbronnen, beslissingen in de productie, bestedingspatronen etc..



Potentiële externe barrières voor ontwikkeling:

  • multinationale en transnationale ondernemingen;

  • de internationale arbeidsverdeling en heersende internationale handelspatronen, inclusief de verhouding tussen primaire en industriële producten, het effect van WTO-onderhandelingen en regionale handelsblokken als EU en NAFTA;

  • het functioneren van internationale financiële instellingen, zoals commerciële banken, het IMF en de Wereldbank;

  • de invloed van de geopolitieke en strategische belangen van grote economische machten ten opzichte van economisch zwakkere en kleinere landen;

  • het economisch beleid van meer ontwikkelde landen ten opzichte van het mondiale economische systeem, zoals rentetarieven, en tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen.

Per land is er sprake van andere interne of externe barrières, maar elk land heeft hier mee te maken. Momenteel hebben vooral ontwikkelingslanden te maken met deze barrières. De ontwikkelde landen hebben over het algemeen dit ontwikkelingsproces al doorgemaakt. Zoals gezegd kom ik in de Hoofdstukken 4 t/m 6 terug op deze barrières voor ontwikkeling.




3.4.3 Alternatieven

Relevantie:

In de westerse wereld is vooral sprake van een combinatie tussen de vrije markt als leidend principe, en de overheid die de markt faciliteert en kan ingrijpen in de markt indien het maatschappelijk belang geschaad wordt, en die daarnaast bepaalde publieke diensten verricht. Hoewel het neoliberalisme (zoals behandeld in §3.4.1) dus al een grote invloed heeft op het huidige politieke, economische en financiële beleid, zijn nog niet alle genoemde kenmerken ingevoerd. Wel is er een tendens om deze binnen nationaal en internationaal beleid verder in te voeren. In de volgende hoofdstukken zal aan de orde komen, hoe dit vooral binnen ontwikkelingslanden in zijn werk gaat.

Bij een economische groei zoals we die de laatste jaren gekend hebben, hebben we het idee dat het goed gaat in de westerse wereld. Op het gebied van duurzaamheid (milieu, toekomstige generaties, andere landen en de economie op de lange termijn) zijn we echter niet op de goede weg. Dit kan veroorzaakt worden door een verkeerde toepassing van de vrije markt theorie, zodat er sprake is van marktfalen. Een oplossing zou dan kunnen zijn om de onvolkomenheden binnen de vrije markt bij te sturen via overheidsingrijpen. Ook kan een mogelijkheid zijn om alternatieven voor het neoliberalisme te ontwikkelen, waarbij meer recht wordt gedaan aan het milieu en het kunnen voorzien in basisbehoeftes. Deze wil ik in deze paragraaf behandelen.
In deze paragraaf behandel ik alternatieven voor het neoliberalisme (3.4.1), de modernisering (kwam aan de orde in 3.4.2) en de markteconomie (de basis voor beide vorige paragrafen. Dit zijn:


  • alternatieven binnen de markteconomie die tegemoet komen aan de ontwikkelings- en milieuproblematiek (Eckersley en Hines);

  • alternatieven voor de markteconomie en de westers georiënteerde wetenschap (Shiva).

Tot de alternatieven die ik behandel behoort niet ecologische modernisering, omdat ik critici als Shiva, Trainer, Sarkar en Sachs volg in hun redenering, dat ecologische modernisering vooral toepasbaar is in industriële landen. (Mol, 2001, p. 65-69) In ontwikkelingslanden vind ik deze minder toepasbaar, omdat ik de noordelijke ‘gedwongen toegang’ tot zuidelijke hulpbronnen en onze bijdrage aan het broeikaseffect en andere vervuiling, als grootste bijdrage aan milieuproblemen van het zuiden zie. De oplossing ligt dan eerder in verminderde productie en consumptie in het noorden en dus minder toegang tot deze hulpbronnen, dan in een gemoderniseerde en meer milieuvriendelijke toegang tot deze bronnen. Daarnaast richt mijn scriptie zich op de landbouw. In de meer geïndustrialiseerde ontwikkelingslanden, zou ecologisch modernisering wel een oplossing kunnen bieden.



1. Een synthese van Eco-anarchisme en Eco-socialisme door Robyn Eckersley

Volgens Robyn Eckersley (1992) ontstonden, door de overheersing van de met het liberalisme samenhangende dominantie van de instrumentele rationaliteit (een economie die alleen gericht is op het nut voor de mens gecombineerd met een reductionistische wetenschappelijke benadering), naast milieuproblemen ook sociale en psychologische problemen als ‘verlies aan persoonlijke betrokkenheid of vervreemding (alienation), het samengaan van extreme rijkdom en armoede, afhankelijkheid van welvaart, grondonteigening van inheemse culturen, en de groei van een internationale stedelijke monocultuur met een bijbehorende reductie van culturele diversiteit’.

Zij maakte een synthese tussen Eco-anarchisme en Eco-socialisme als alternatief.



Eco-anarchisme kan gekenmerkt worden door het ontbreken van een sterke nationale overheid, lokale gedecentraliseerde autonomie, geen dominantie over andere mensen en niet-levende wezens, een steun aan grassroot-organisaties en buiten-parlementair werk om groene idealen te realiseren, en een consistentie tussen doel en middelen om deze idealen te behalen (p.145).

Eco-socialisme kan gekenmerkt worden door de met het eco-anarchisme gedeelde anti-kapitalistische visie (vooral tegen de gerichtheid op concurrentie en groei, de ongelijke ontwikkeling en de gerichtheid op de korte termijn) en ‘self-management orientation’. Zij zien echter wel een grote rol voor de natiestaat in het oplossen van de ecologische crisis, en het bereiken van een (mondiale) samenleving waarin meer gelijkheid heerst en de natuur wordt beschermd. (p.120-121)

Haar alternatief (deze synthese) is te kenmerken via de volgende vijf eisen aan een nieuwe ecocentrische politiek:



  • ‘een democratisch staatsbestel, (wat onderdeel is van een besluitvormingsstructuur op meerdere niveaus, dat het minder machtig maakt dan de huidige nationale staten en meer gevoelig voor politieke besluiten door lokale, regionale en internationale democratische besluitvormingsorganen);

  • een grotere verdeling van politieke en economische macht zowel tussen als binnen lokale gemeenschappen;

  • een grotere verdeling van welvaart zowel tussen als binnen lokale gemeenschappen;

  • een veel grotere range van macro-controle-instrumenten op de activiteiten op de vrije markt;

  • het tot bloei brengen van een ecocentrische bevrijdingscultuur.’ (Eckersley, 1992, p.185)

Dit is een combinatie van verschillende politieke stromingen die zij in haar boek behandelt:

* Uit het Eco-anarchisme haalt zij haar voorkeur voor kleinschalige activiteiten binnen lokale ecocentrische gemeenschappen, deze kunnen als voorbeeld dienen voor de rest van de maatschappij en zo de politiek van onderuit beïnvloeden. Roszak (in Eckersley) noemt dit ‘de creatieve desintegratie van de industriële samenleving’. (p.182)

* Uit het Eco-socialisme haalt zij haar voorkeur voor een sterke nationale overheid die moet zorgen voor een goede verdeling van inkomens, gezondheid en zorg, onderwijs en welvaart tussen gemeenschappen, regio’s en nationale staten, en een verantwoord natuur- en milieubeleid dat ook rekening houdt met de niet-menselijke wezens en ecosystemen, en toekomstige generaties.

Dit zal echter een hele omslag betekenen van de overheersende neoliberale politiek die niet zo zeer gericht is op het ‘creëren van sociale, politieke en economische condities voor alle leden van de menselijke familie’. Mensen zonder koopkracht en mensen die ten prooi vallen aan de toegenomen ongelijkheid binnen dit systeem, vallen namelijk buiten de boot binnen dit systeem.

* Omdat de ecosocialisten in een dilemma zitten tussen ‘self-managment and participatory democracy and their reliance on centralized institutions to carry out far-reaching social and economic reforms’, biedt ook het de markt nog aanknopingspunten. De basis zou dan nog steeds een markteconomie moeten zijn, omdat via het marktmechanisme en ondernemerschap via bedrijven, de productie en handel van een groot aantal producten en diensten op de meest efficiënte manier kan plaatsvinden. Echter er moet dan wel een grote controle van de overheid op deze markt komen om ‘excessieve concentratie van economische macht te voorkomen, de integriteit van ecosystemen en de biodiversiteit te beschermen, en om grotere gelijkheid van sociale kansen te bevorderen.’ Afschaffing van de vrije markteconomie zou ook een toename van de zwarte markt en een grotere bureaucratische dominantie betekenen. (p.184)

*

Daarnaast zou via het beïnvloeden van het (koop)gedrag van consumenten door bewustwording, ook aan de vraagkant wat kunnen worden gedaan aan duurzaamheid. (p. 185) Op dit moment worden we door de reclame beïnvloed wat we moeten kopen om sociaal geaccepteerd te blijven. Een bewustere consument zou deze situatie mede kunnen helpen omkeren. Het bedrijfsleven dat direct in contact staat met de consument, is namelijk gevoelig voor de druk vanuit de consumenten en niet-gouvermentele organisaties, het maatschappelijk verantwoord ondernemen is hiervan een voorbeeld. Als de maatschappij en de diverse overheden de spelregels aangeven, en dus ervoor zorgen dat de werkelijke milieukosten in de verkoopprijs worden meegenomen en er bindende regelgeving op gebied van duurzaamheid wordt geformuleerd, is het bedrijfsleven in staat de gevraagde producten en diensten op de meest efficiënte (vaak ook de minst milieubelastende manier) te leveren. (GG)



Zij eindigt haar boek met: ‘Het is bij deze alternatieven belangrijk om utopische aspiraties te koppelen met analyse en menselijke ervaringen in de praktijk. (..) Nodig zijn idealisten en pragmatisten, creativiteit en kritische analyse, kleinschalige activiteiten en geïnstitutionaliseerde hulp door de overheid om de lange termijn doelen te halen.’ (p.186)

In mijn aanbevelingen zal blijken dat ik het in grote lijnen eens ben met haar theorie, waarbij de mate van democratie in een land mede bepaalt of de balans binnen een markteconomie meer naar eco-socialisme dan wel naar eco-anarchisme zou moeten doorslaan. Hiermee bedoel ik dat zolang er nog geen goed werkende parlementaire democratie is met een nationale overheid is die de belangen van alle delen van de bevolking vertegenwoordigd, het vooral zaak is dat lokale gemeenschappen als inheemse volkeren een bepaalde vorm van autonomie houden om toegang te houden tot de eigen hulpbronnen (via eco-anarchisme). Nu vallen deze nog te veel ten prooi aan buitenlandse en binnenlandse bedrijven in mijnbouw, bosbouw, fossiele brandstof winning en exportlandbouw, doordat de centrale nationale overheid te weinig rekening houdt met de negatieve effecten voor de lokale bevolking. De belangen van deze lokale bevolking vallen in het niet tegenover de belangen van de regerende elite, die vaak ook van een andere etnische afkomst is. In westerse landen met een goed werkende palementaire democratie kan de balans meer naar eco-socialisme doorslaan, maar is eco-anarchisme ook nodig om (kleinschalige) voorbeelden te tonen van ‘een utopie in de praktijk’.



2. Lokalisering in plaats van globalisering

Colin Hines, lid van het Internaional Forum on Globalization, (2000, p.viii) maakt een uitwerking voor de stimulering van zelfvoorzienende economieën. Hiervoor is het noodzakelijk dat het verdiende kapitaal in de eigen regio geïnvesteerd wordt en niet, tegen de traditionele handelstheorie in, momenteel over de gehele aarde verspreid wordt op zoek naar het hoogste rendement. De producten die in deze regionale economie geproduceerd kunnen worden, moet beschermd kunnen worden tegenover importen van goederen en diensten. De regelgeving aan het bedrijfsleven moet aan de regionale omstandigheden en wensen zijn aangepast. Er moet zodanige ecotaxen worden geheven, dat het milieu beschermd wordt. Mensen moeten ook gestimuleerd worden om deel te nemen aan een democratische politieke en economische besluitvorming in de eigen regio. Tenslotte moet de internationale hulp en handel zo hervormd worden dat deze worden gebruikt om de lokale economie op te bouwen, in plaats van het vergroten van de internationale concurrentiekracht.

Uit dit boek komt ook de uitspraak: ‘Protect the local, globally’.

Hij maakt dus een uitwerking van de theorie van Eckersley, door uit te gaan van een sterke overheid die internationaal beleid kan meehelpen veranderen, en een verschuiving een gedeelte van de democratie naar regionale economieën.

3. Erkenning van het belang van zelfvoorzienende – en natuurlijke economieën

Vandana Shiva een natuurwetenschapster uit India, en nu onderdeel van de anders-globaliseringsbeweging, heeft een heel eigen visie ontwikkeld op het Westen. Zij maakt hierbij een synthese tussen westerse wetenschap en traditionele culturen en religies. Dit kan zij doen door haar op westerse visies gebaseerde studie in India en haar contacten met de plaatselijke bevolking in datzelfde land.

Zij gaat een stap verder dan Eckersley en Hines en heeft fundamentele kritiek op de huidige markteconomie. Ze maakt een onderscheid tussen de volgende economieën: (Shiva, 1997, p.22):



  1. De economie van de natuurlijke processen; dit is het regeneratievermogen van planten en dieren op basis van biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen en de zon. Hier maakt ook de landbouw gebruik van.

  2. De zelfvoorzieningseconomie; deze bestaat uit groepen van mensen die kunnen voorzien in hun basisbehoeftes vanuit hun natuurlijke omgeving. Wat zij hieruit nemen, komt op korte of langere termijn ook weer terug in deze omgeving, zodat sluitende kringlopen ontstaan. Natuurlijk is hierbij ook een bepaalde vorm van (ruil)handel mogelijk, deze verloopt echter vooral via lokale informele markten. Er wordt hierbij ook geen of minimale administratie bijgehouden en belasting afgedragen aan een centrale overheid. Vooral vrouwen en kinderen in ontwikkelingslanden en inheemse volkeren zijn in deze economieën werkzaam. Vaak wordt deze economie als minderwaardig geclassificeerd door het westen onder andere doordat deze niet veel bijdraagt aan het BNP, hoewel er geen honger voorkomt.

  3. De markteconomie; dit betekent in ontwikkelingslanden vaak het kopiëren van het westerse ontwikkelingsmodel gebaseerd op economische groei op weg naar de moderniteit en de vooruitgang.

Het westers liberalisme en de daaruit volgende economische modellen hebben alleen oog voor de markteconomie die zij geheel cijfermatig kunnen weergeven bijvoorbeeld in de berekening van het Bruto Nationaal Product van een land en de economische groei (of achteruitgang) die hierop gebaseerd is. Armoede wordt in de markteconomie vooral gemeten op basis van het BNP van een geheel land of gedeeld per hoofd van de bevolking, waarbij afzonderlijke bevolkingsgroepen vergeten worden en er niet zozeer gekeken wordt naar de voorziening van basisbehoeftes van de bevolking. (De Human Development Index op basis van onder andere onderwijs en gezondheidszorg, is al een stap in de goede richting overigens.) Zo is het beeld in de media dat honger alleen in Afrika voorkomt, hoewel in absolute aantallen gezien voedselexporterende landen in Zuid-Azië meer ondervoede mensen als inwoner hebben. Deze landen worden echter door verschillende organisaties weer gezien als profiterend van de toegenomen wereldhandel, omdat het BNP per hoofd van de bevolking gestegen is. (GG)

Door de onbekendheid met de andere twee economieën of deze te ontkennen, ‘veroorzaakt ontwikkeling milieuvernietiging en bedreigt zij het voortbestaan van de mensheid. Toch blijven deze beide negatieve externe effecten van de ontwikkelingsprocessen verborgen. Handel en ruilen van goederen en diensten hebben altijd bestaan in menselijke samenlevingen, maar ze waren ondergeschikt aan de economieën van de natuur en de bevolking. Door de markt en het door mensen gevormde kapitaal als het hoogste organiserende principe voor de samenleving te beschouwen, zijn de twee andere organiserende principes – de ecologie en de overlevingseconomie – verwaarloosd en vernietigd, terwijl deze twee toch het leven in de natuur en de samenleving gaande houden en stimuleren.’ (Shiva, 1997 p.50) Shiva stelt dat de economie van de natuur en de zelfvoorzieningseconomie systematisch worden vernietigd om de markteconomie te laten groeien. (Shiva, 1997, p.22) Zo is de milieuschade (op lange termijn) van bijvoorbeeld garnalenkwekerijen en bepaalde vormen van exportlandbouw groter dan de opbrengstprijs voor het land of de boeren.
In plaats van dat de natuur de grenzen aangaf van de menselijke consumptie zoals dit eeuwen in zijn werk ging, bepalen nu de mondiale machtsverhoudingen en bijvoorbeeld schuldenlasten wie wat kan en mag consumeren. Hierbij leggen westerse landen een groot beslag op de hulpbronnen in ontwikkelingslanden, die onder andere door deze schuldenlasten, en hierop volgend beleid van Wereldbank en IMF gedwongen worden hun hulpbronnen te exploiteren, om via exportdeviezen te kunnen voldoen aan rente en aflossingsverplichtingen. (zie. H. 4)

‘Het komt steeds neer op het basisprincipe: laat niet toe dat niet-lokale belangen lokale grondstoffen of hulpbronnen in handen krijgen. Want voor buitenstaanders is een boom, een vallei of een rivier niet meer dan een bron van winst.’ Deze worden dan gezien als respectievelijk pulp, groene glooiingen voor golfterreinen en transportwegen. ‘Het holisme van de ecologische strijd is juist gelegen in de erkenning van de veelheid en de veelzijdigheid die de natuur kenmerkt en de erkenning dat elk aspect nuttig is. We vechten ook vanuit het geloof dat mens en natuur niet tegengesteld zijn. En vooral: we zien de natuur als het fundament van elke productiviteit.’ (Shiva, 1997, p.16)

Milieu en natuur worden dan niet langer gezien als een luxeproduct waarvoor je kan zorgen als je een voldoende grote economische ontwikkeling hebt doorgemaakt, maar als de voorwaarde voor een sociaal en economisch stabiele samenleving op de lange termijn. Bescherming van natuur en milieu zijn dan noodzakelijk om te kunnen voorzien in de basisbehoeftes van de gehele mensheid op lange termijn, als de basis voor conflictpreventie, en om te voorkomen dat er steeds meer oorlogs-, politieke -, economische en milieuvluchtelingen ontstaan. (GG)

Zij pleit dan ook voor zelfvoorziening, omdat dit impliceert dat de natuur wordt gezien als een gemeenschappelijk goed dat beschermd moet worden, in plaats van een hulpbron die zo efficiënt mogelijk geëxploiteerd kan worden zonder rekening te houden met toekomstige generaties. ‘In de zelfvoorzieningseconomieën van het Zuiden zijn de producenten tegelijkertijd de consumenten en de beheerders, maar hun productiviteit wordt ontkend en ze worden gereduceerd tot alleen maar consumenten.’ (p.51)

Zij is ook tegen het huidige concept duurzame ontwikkeling binnen de markteconomie, omdat dit volgens haar impliceert dat economische ontwikkeling een voorwaarde is voor het bestrijden van de milieucrisis, terwijl deze de milieucrisis juist veroorzaakt heeft. ‘Voortgaande economische groei kan niet tot herstel leiden van die gebieden die vernietigd worden om die economische groei mogelijk te maken; de natuur krimpt in als het kapitaal groeit.’ (p.51)

Cypher en Dietz (1997, p.479-480) gaan binnen deze zelfvoorzienende economie verder in op de eindige behoeftes van boeren hierbinnen. In tegenstelling tot de meeste westerse consumenten en consumenten in steden van ontwikkelingslanden, zijn zij geen consumenten met oneindige behoeftes, maar ‘overlevers’. Zij produceren hun eigen voedsel en een surplus om te kunnen voorzien in huisvesting, kleding en enkele andere artikelen. Een hogere prijs voor hun producten leidt dan eerder tot minder dan meer productie, omdat zij dan eerder aan hun behoeftes kunnen voldoen. Dit gaat dus in tegen het principe van de vrije-markt-theorie van de mens als consument en nutsmaximalisator.






4. Een ander wetenschappelijke benadering (tegenover het westers reductionisme)

Shiva is zeer kritisch over schijnbaar objectieve en politiek en sociaal neutrale westerse wetenschap die boven de maatschappij staat, vooral omdat de (onderzoeks)agenda maar door een kleine elite bepaald wordt. ‘Zo toont de wetenschap een dubbel gezicht: zij biedt technologische oplossingen voor sociale en politieke problemen, maar schuift de verantwoordelijkheid voor de nieuwe en sociale problemen die zij zelf veroorzaakt, van zich af. (p.53) ‘Negentig procent van de officiële kennisproductie kan gestopt worden zonder enig nadeel voor de mensheid. In tegendeel, een belangrijk deel van onze kennis vormt een bron van gevaar en bedreigt het menselijk leven. Denk aan Bhopal, Tsjernobyl en Sandoz.’ (Shiva 1997, p.12) Aan het technische en wetenschappelijk westerse reductionisme kleven volgens haar de volgende nadelen:

  • De toe-eigening, vernietiging en ontkenning van niet-westerse kennistradities.

  • Ze tast het mensenrecht op een eigen cultuur en techniek een eigen manier van kennisverwerving aan van niet-reductionistische benaderingen.

  • De ontkenning van de sociale behoeften en het recht op werk. Wetenschap en techniek veranderen van een menselijke schepping en een maatschappelijk middel, tot een doel op zich. De gevolgen hiervan zijn werkloosheid, zinloosheid en vervreemding.

  • Zij houdt geen rekening met de negatieve milieugevolgen ervan, zoals uitputting en vervuiling. Hoewel westerse moderne landbouwmethoden bijvoorbeeld geroemd worden om hun efficiëntie zijn zij vergeleken met hun inheemse varianten uiterst inefficiënt qua energie en waterverbruik. (Zie Hoofdstuk 5)

  • Zij ontkent de bioculturele diversiteit. Diversiteit kenmerkt namelijk zowel de natuur als de sociale wereld.

Vooral de combinatie met het neoliberalisme maakt dat dit reductionisme zo desastreus uitpakt voor de voorziening van basisbehoeftes en het milieu (GG). Etienne Vermeersch gaat ook op dit probleem in. Hij vindt dat vooral het WTK-bestel. (Wetenschappelijk, Technologisch, Kapitalistisch) gezorgd heeft voor de vele sociale en milieuproblemen (1998, p.28). Ulrich Beck beschrijft een gedeelte van deze problematiek via de zogenaamde ‘risicomaatschappij’.

Als alternatief stelt Shiva veel belang in de traditionele (inheemse) kennis die meer gericht is op kringlopen en de samenhang der dingen ziet in de landbouw en in de natuur. Het voordeel hiervan is ook dat economie niet meer alleen op de korte termijn wordt gezien zoals gangbaar is binnen de huidige markteconomie, maar ook op de lange termijn. Een ander voordeel (dat ook geldt voor de zelfvoorzienende economie die ik zojuist behandelde) is dat deze zo min mogelijk energie zal verbruiken en er ook gesloten kringlopen van grondstoffen en mineralen mogelijk zijn. Hierdoor ontstaan er geen tekorten op de ene plaats en vervuiling op de andere plaats. Tenslotte zijn er bepaalde inheemse volkeren die leven in kleine gemeenschappen, met een cultuur en religie die ervoor zorgt dat zijn hun omgeving met respect zullen behandelen, en zullen bewaren voor toekomstige generaties. Deze zouden als voorbeeld voor ‘het Westen’ en haar wetenschap kunnen dienen, waardoor de Westerse visie op wetenschap, economie en vooruitgang, wat meer ter discussie zou komen te staan (GG).

Als voorbeeld van de westerse reductionistische benadering is zij zeer tegen genetische manipulatie van gewassen omdat dit de kloof tussen Noord en Zuid alleen maar zal vergroten. Ook de intellectuele eigendomsrechten op leven, onder andere zaden, kunnen op haar tegenstand rekenen. Deze worden onder andere via het TRIPS (Trade Related Intellectual Property Rights)-verdrag binnen de WTO geregeld (zie Hoofdstuk 6), wat zij als pure roof beschouwt van het Noorden op het Zuiden van gewassen die daar eeuwenlang geteeld of gebruikt zijn. Als deze rechten eenmaal verleend zijn aan multinationals in het Noorden, zal volgens haar, de stroom geld van het Zuiden naar het Noorden verveelvoudigd worden (10 keer), ten opzichte van de huidige stroom aan rente en aflossing door de schuldenlasten van het Zuiden. Bij de economische theorieën zullen we zien dat inderdaad in een perfecte markteconomie overal eigendomsrechten voor moeten gelden. Dit in tegenstelling tot het gemeenschappelijk bezit zoals dat vroeger en nu nog door bepaald inheemse volkeren gold en geldt in de relatie mens ten opzichte van de natuur. (Shiva, 1997 p.55-56)



3.4.4 Conclusies

* Ik heb in deze theoretische paragraaf de verschillende naar mijn mening relevante theorieën behandeld. In de huidige overheersende wereldvisie; het neoliberalisme, komen vooral de traditionele handelstheorieën tot uiting. Hierbinnen geldt samenvattend dat internationale handel goed is voor beide partijen, omdat op deze manier op de efficiëntst mogelijke manier geproduceerd kan worden, en ieder land zich kan specialiseren in de producten tegen de relatief laagste kosten. De moderne handelstheorieën zeggen echter dat juist bedrijfsbeslissingen, kunnen leiden tot interne of externe schaalvoordelen, en zodoende invloed hebben op internationale handel. Ook de vorming van kartels, monopolies, oligopolies, en een verdere concentratie via fusies en overnames, leiden tot handelsverstoring en marktfalen. Naar mijn mening worden deze handelsverstorende effecten echter onvoldoende erkend binnen de huidige liberaliseringsdiscussie. Daarentegen richten internationale organisaties als de WTO, maar ook westerse neoliberale overheden, zich vooral op handelsbelemmeringen die door nationale overheden worden opgeworpen om eigen (beroeps)bevolking en milieu te beschermen. De vrije-markt-theorie wordt dus selectief toegepast. Merkwaardig genoeg is hierop weinig kritiek vanuit de wetenschap, politiek en media.

Het neoliberalisme kenmerkt zich verder door een steeds verder terugtredende en deregulerende overheid, wel moet zij blijven optreden als schepper van de randvoorwaarden voor de markt en het scheppen van een gunstig investeringsklimaat voor bedrijven. Andere kenmerken zijn de gerichtheid op macro-economische cijfers, een noodzakelijke economische groei, internationale concurrentie, privatisering en het wegnemen van handelsbelemmeringen via liberalisering. Doordat het voorzien van basisbehoeftes en het behoud van het milieu geen doel op zich is binnen het neoliberalisme, heeft uitvoering hiervan in de praktijk veelal negatieve effecten op beide terreinen. Dit komt enerzijds door het slecht toepassen van de vrije markttheorie in de praktijk, en anderzijds door het neoliberalisme gekoppeld aan een westerse reductionistische visie.

* Ik heb een aantal voorwaarden genoemd die behoren bij de werking van de vrije markt theorie in de praktijk. Indien een markt hieraan niet voldoet is er sprake van marktfalen. Om dit op te heffen is overheidsingrijpen noodzakelijk. Voorbeelden zijn protectiemaatregelen of het internaliseren van externe effecten. Protectiemaatregelen kunnen onder bepaalde omstandigheden welvaartsverhogende effecten hebben voor het betreffende land.



Als we de traditionele en moderne handelstheorieën en de vrije markt theorie vergelijken met de huidige praktijk dan zijn de volgende zaken op te merken:

  • De rol van landen als bepalende factor voor internationale handel is zeker in de 20e eeuw steeds meer overgenomen door beslissingen van multinationals, die naast internationale handel, door de toegenomen mobiliteit van kapitaal ook kunnen besluiten tot buitenlandse investeringen. Hierdoor is het mogelijk op zoek te gaan naar het hoogst mogelijke rendement. Daarnaast is door migratie ook de productiefactor arbeid zich gaan verplaatsen over de wereld, hoewel in mindere mate dan kapitaal. De mobiliteit van kapitaal en arbeid was echter niet opgenomen in de traditionele handelstheorieën.

  • Door toenemende (internationale) concentratie van bedrijven is er steeds minder sprake van vrije mededinging en volledige informatie bij alle marktpartijen. Producenten en (detail)handel krijgen hierdoor steeds meer invloed op de prijs en het aanbod, in plaats van de consument. Ook krijgen kleine producenten geen kans meer tegenover deze grote bedrijven, door hun relatief hoge kosten per product.

  • Er is nog steeds sprake van externaliteiten, hoewel die volgens de vrije-markt-theorie niet mogen voorkomen. Dit betreft met name alle milieukosten op gebied van uitputting en vervuiling. Het ziet er momenteel niet naar uit dat via (inter)nationale regelgeving via belastingen en subsidies tegemoet wordt gekomen aan deze externaliteiten. Dit heeft verstrekkende nadelige gevolgen voor het milieu.

  • Ook is er nog geen sprake van het privaat zijn van alle goederen en diensten. Via de huidige liberalisering in de WTO, en het neoliberale beleid van nationale staten, Wereldbank en IMF is er echter wel een tendens naar steeds verdere privatisering.

  • Het beschouwen van de mens als individuele nutsmaximalisator doet geen recht aan zijn behoefte aan sociale acceptatie en contact ook buiten zijn rol als consument om. Vele (inheemse) volkeren laten tevens zien dat de behoeften aan toenemende consumptie van de mens niet oneindig zijn. Het alleen meenemen van de behoeftes van consumenten met koopkracht, sluit een groot deel van de wereldbevolking uit van deelname aan deze vrije-markt-economie. Dit kan door een afnemende rol van de overheid zeer problematische gevolgen hebben.

  • Het vasthouden aan kengetallen als BNP en het universeel toepassen van economische neoliberale modellen zorgen er tenslotte zelfs voor dat de voorziening basisbehoeftes via een zelfvoorzienende (informele) economie van veel mensen in ontwikkelingslanden in de knel komt, door de exportgeoriënteerde benadering die in de volgende hoofdstukken aan de orde komt. Hierbij spelen de schuldenlasten wederom een grote rol omdat zij ontwikkelingslanden dwingen, zich te richten op het op korte termijn produceren voor de export in plaats van voor de voorziening van eigen behoeftes en de opbouw van de eigen lokale en nationale economie.

Kortom onder de huidige omstandigheden is er geen sprake van het juist toepassen van de vrije markt economie. Zelfs als hieraan wordt voldaan, blijven er echter nadelen bestaan aan deze theorie.

* Niet alleen het niet juist toepassen van de huidige vrije markttheorie, maar ook allerlei interne en externe barrières houden een succesvolle ontwikkeling in veel ontwikkelingslanden tegen. Een voorbeeld binnen de behandelde handelstheorieën: de westerse landen hebben wel de financiële mogelijkheid om subsidies te verstrekken aan het nationale bedrijfsleven, en zijn hierdoor in het voordeel boven veel ontwikkelingslanden die hun bedrijfsleven vaak alleen kunnen beschermen via importheffingen (zie ook Hoofdstuk 6). Zoals zal blijken in hoofdstuk 4 hebben door de schuldenlast en daaropvolgend beleid van Wereldbank en IMF, ontwikkelingslanden ook deze importheffingen moeten verlagen. Hun nationale bedrijven in industrie en landbouw hebben dan ook te maken met oneerlijke concurrentie vanuit de westerse landen en bedrijven. Westerse landen en een aantal Aziatische tijgers, zijn (en waren) in tegenstelling tot ontwikkelingslanden wel in staat om strategische economische sectoren te beschermen tot zij concurrerend waren op de wereldmarkt.

* De alternatieven van Shiva, Eckersley en Hines bieden mogelijkheden voor een aanpassing van het huidige neoliberale economische ontwikkelingsmodel, waarbij wel wordt recht gedaan aan de voorziening van basisbehoeftes van alle mensen, en de zorgen om een gezond milieu. Hierbij zal er volgens Eckersley enerzijds sprake moeten zijn van een sterke nationale en internationale overheid die bindende regelgeving ontwikkeld voor het bedrijfsleven, en anderzijds van een decentralisatie naar lokale overheden en gemeenschappen zodat zij toegang houden tot hun eigen hulpbronnen. Dit laatste is vooral van belang in (ontwikkelings)landen waarbij lokale gemeenschappen (bijvoorbeeld inheemse volkeren) te weinig invloed hebben op de centrale nationale overheid, via een goed functionerende parlementaire democratie. Als hiervan sprake is zullen bindende internationale afspraken aan het multinationale bedrijfsleven, op gebied van voedselzekerheid en -veiligheid, arbeidsomstandigheden en het milieu, mede voor dit laatste zorg moeten dragen. Andere alternatieven zijn landhervorming en een verdere autonomie (voor inheemse volkeren).

* Shiva gaat een stap verder door te stellen dat de huidige markteconomie zelfs ten koste gaat van de traditionele zelfvoorzieningseconomie en natuurlijke economie binnen ecosystemen. Dit hangt mede samen van marktfalen dat niet gecorrigeerd wordt door overheidsoptreden. Maar zelfs indien dit wel gecorrigeerd wordt, voorkomt de huidige reductionistische westerse benadering en gerichtheid op macro-economische cijfers, in plaats van een holistische integrale visie, respect voor traditionele kennis en immateriële waarden en de voorziening van basisbehoeftes, dat de huidige milieu- en sociale problematiek effectief genoeg wordt aangepakt. Ook aan deze andere factoren zal dus het hoofd moeten worden geboden.

* Het toepassen van (een deel van) de aangedragen oplossingen: een alternatief voor de neoliberale wereldvisie (synthese tussen eco-anarchisme en eco-socialisme), erkenning van de waarde van zelfvoorzienende en natuurlijke economieën, correctie van marktfalen zoals internalisatie van externe kosten, bindende internationale regelgeving, erkenning en bescherming van de voorziening van basisbehoeftes boven het BNP, bescherming van de lokale economieën via protectiemaatregelen, zullen leiden tot een meer zelfvoorzienende benadering in plaats van de huidige exportgeoriënteerde benadering.

In de volgende paragraaf zal ik betogen waarom binnen de landbouw om verschillende redenen sprake is van marktfalen, en overheidsingrijpen dus noodzakelijk is.




1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   24

  • Potentiële externe barrières voor ontwikkeling
  • 1. Een synthese van Eco-anarchisme en Eco-socialisme door Robyn Eckersley
  • 2. Lokalisering in plaats van globalisering
  • 3. Erkenning van het belang van zelfvoorzienende – en natuurlijke economieën
  • 4. Een ander wetenschappelijke benadering (tegenover het westers reductionisme)

  • Dovnload 4.64 Mb.