Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een rare bioloog & Margulis : Een zakpijp kan rare zeeëgeltjes baren

Dovnload 229.03 Kb.

Een rare bioloog & Margulis : Een zakpijp kan rare zeeëgeltjes baren



Pagina1/4
Datum07.06.2017
Grootte229.03 Kb.

Dovnload 229.03 Kb.
  1   2   3   4

een rare bioloog & Margulis   : Een zakpijp kan rare zeeëgeltjes baren   1997

 

De Britse zeebioloog Donald Williamson denkt een heel nieuw soort evolutie op het spoor te zijn. Volgens hem wordt af en toe DNA uitgewisseld tussen zeer verschillende diersoorten. Vakgenoten zijn sceptisch, maar inmiddels hebben zakpijpen kinderen van zeeëgels gekregen.    



(MENNO SCHILTHUIZEN(Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant.)

Op het moment dat u dit leest, hangt er waarschijnlijk op liet eiland Man een zeeëgel ondersteboven boven een potje. De bedoeling is dat het beest zijn sperma loost. Is dat na een half uur nog niet gelukt dan moet het een beetje gestimuleerd worden. De 74-jarige bioloog Donald Williamson druppelt er dan wat zoet water op. En als hij echt niet wil meewerken, krijgt de zeeëgel een injectie met kaliumchloride.

Williamson is planktoloog aan de Universiteit van Liverpool en al bijna vijftig jaar werkt hij op het zeelaboratorium op Man. Hoewel hij eigenlijk al negen jaar pensioen heeft, is hij nog wekelijks op het lab te vinden. Williamson heeft namelijk een theorie.

Zo'n acht jaar geleden kreeg ik een brief van hem', vertelt de Amerikaanse biologe Lynn Margulis. Hij bleek een aantal goed ontwikkelde, nieuwe ideeën te hebben over evolutie.'

Williamsons theorie ontstond uit een college dat hij jaarlijks gaf aan zijn studenten.



Het ging over het merkwaardige verschijnsel dat veel verschillende soorten zeeorganismen hetzelfde type larve hebben.

Zo hebben wolkrabben een larfje dat sterk lijkt op dat van heremietkreeften, terwijl beide groepen niet nauw verwant zijn.

Verder zijn er dieren waarvan de larve in niets lijkt op het volwassen dier dat eruit ontstaat. De zeester Luidia sarsi bijvoorbeeld. Uit het ei van deze soort kruipt eerst een zwemmend larfje, dat er uitziet als een wormpje.

Binnenin ontwikkelt zich een minuscuul zeesterretje, dat zich later losmaakt, laat vallen en wegkruipt. 'Je kunt dan de situatie hebben dat het larfje nog maanden in het aquarium rondzwemt, terwijl de jonge zeester, hetzelfde individu dus eigenlijk, eronder op het zand kruipt', zegt Williamson met een trilling in zijn stem.

Altijd hadden biologen zich in bochten gewrongen om zulke paradoxen te verklaren. Zo ook Williamson in zijn colleges:



'Net als iedereen perste ik die merkwaardige larven in een conventioneel beeld over evolutie. Ik zei bijvoorbeeld dat de larven van heremietkreeften en wolkrabben weliswaar op elkaar leken, maar waarschijnlijk toch onafhankelijk van elkaar waren geëvolueerd. En die bizarre ontwikkeling van de Luidia zou ook wel een soort aanpassing zijn.'

Tot Williamson in 1983 zijn college totaal herschreef. Zijn studenten van dat jaar stond iets opmerkelijks te wachten. Zij werden de eersten die de theorie van 'larventransport' te horen kregen.

Kortweg komt Williamsons idee op het volgende neer. In zee zweven eitjes en sperma van allerlei diersoorten door elkaar heen. Zo kan het af en toe gebeuren dat het eitje van bijvoorbeeld een eikelworm wordt bevrucht met het sperma van een zeester. Of een eitje van een wolkrab met heremietkreeftezaad.

Meestal is zo'n bastaard natuurlijk ten dode opgeschreven. Maar een enkele keer gaat het goed. Wanneer zo'n mengvorm dan terugkruist met een van de oudersoorten, zou (nog steeds volgens Williamson) DNA van de ene soort worden opgenomen in de chromosomen van de andere. Op die manier kan een zeester genen bezitten die eigenlijk thuishoren in eikelwormen, bijvoorbeeld genen die coderen voor de vorm van de larve. Ziedaar: het larventransport.

Williamson: larventransport is niet-Darwiniaanse evolutie.

Darwin dacht dat soorten alleen maar gelijkmatig, beetje bij beetje evolueren door natuurlijke selectie.

Maar bij larventransport wordt genetische informatie in haar geheel getransplanteerd van de ene soort naar de andere.



'Neem nou de Luidia: ik daag iedereen uit om dat op Darwinistische wijze te verklaren. Volgens mij is daar gewoon een eikelworm-larve voor de normale zeesterontwikkeling geplakt. En op dezelfde manier hebben wolkrabben hun larfjes van heremietkreeften gekregen.'

 Williamson had  in het begin moeite zijn ideeën gepubliceerd te krijgen. Zijn eerste artikel over het onderwerp zwierf langs zeven redacties van wetenschappelijke tijdschriften tot het uiteindelijk werd geaccepteerd door Progress in Oceanography. Pogingen om terecht te komen in minder obscure tijdschriften liepen dood, zelfs na bemoeienis van Margulis.

Maar Williamson was vasthoudend. Met de hulp van Margulis vond hij een uitgever, Chapman & Hall, die bereid was zijn theorie te publiceren. Het boek Larvae and Evolution, Towards a new Zoology verscheen vier jaar geleden. Het bevatte een verrassing: op het voorblad prijkte een foto van een spoetnik-achtig larfje. Het bijschrift: 'Een hybride larve, dertig dagen oud, ontwikkeld uit een zakpijpei, dat werd bevrucht met zeeëgelsperma.'

Margulis: 'Een aantal biologen werd hier volkomen hysterisch van. Williamson had, om zijn theorie kracht bij te zetten, kruisingen tot stand gebracht tussen twee volledig verschillende diergroepen.'

De kruisingen die in het boek worden beschreven, leverden twee soorten nakomelingen op. Uit zo'n drieduizend zakpijpeitjes kropen zeeëgellarfjes, maar driekwart daarvan was misvormd: één of meer sprieten van de spoetnik ontbraken of verdwenen na verloop van tijd. Een viertal larfjes ontwikkelde zich verder tot kleine, zij het wat misvormde zeeëgeltjes.

Een paar honderd spoetnikjes deden iets anders: ze bleven doorzwemmen zonder zich te ontwikkelen tot zeeëgels. In plaats daarvan verdwenen hun sprieten en veranderden ze in kleine bolletjes die zich vasthechtten op het glas van het aquarium. Williamson schrijft in zijn boek dat deze sferoïden niet bekend zijn uit de ontwikkeling van zeeëgels, noch uit die van zakpijpen. 'Het zijn volkomen nieuwe wezentjes, die jammer genoeg na verloop van tijd allemaal stierven.'

Ondanks dit succes lukte het niet iedereen te overtuigen. Williamson: 'De redacteuren van Nature en Science dachten dat ik mijn kweken door elkaar had gehaald. Ze wilden fotografisch bewijs van zeeëgellarven die daadwerkelijk uit zakpijpeieren kruipen'. Dus toog Williamson in 1990 aan het werk om een nieuwe serie kruisingen te beginnen.

Maar bij het verzamelen van zeeëgels aan de kust gleed hij uit en kwam met zijn hoofd op een rots terecht. Hij kreeg een beroerte en sindsdien is hij gedeeltelijk verlamd. Inmiddels is hij weer zover gerevalideerd dat hij zijn experimenten deze winter kon voortzetten.



'Verschillende genetici, onder andere in Vancouver en Plymouth, hebben aangeboden mijn larfjes te onderzoeken met DNA-technieken, om te zien of het inderdaad hybriden zijn. Zelf heb ik daar de mogelijkheden niet voor.'

'Dat is inderdaad iets dat zeker moet gebeuren', beaamt Rolf Hoekstra, hoogleraar evolutiebiologie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. 'Om te beginnen zou je het mitochondriaal DNA kunnen onderzoeken. Mitochondriën komen altijd van de moeder en het mitochondriaal DNA zou dus moeten lijken op het dier dat de eitjes leverde, in dit geval de zakpijp.'

Hij acht het niet op voorhand onmogelijk dat kruising tussen twee zo verschillende dieren levende nakomelingen oplevert

 'Je kunt ook hybriden maken tussen tomaat en aardappel. Die vertonen een mengsel van kenmerken. Opvallend is dat bij zo'n hybride na verloop van tijd chromosomen van een van de ouders eruit worden geknikkerd. Iets dergelijks zou ook bij larventransport gebeurd kunnen zijn: de meeste genen van een van de ouders verdwijnen, en alleen die genen voor larvale ontwikkeling blijven over.

In principe sta ik altijd sympathiek tegenover dit soort loonies', geeft Hoekstra toe. 'In negen van de tien gevallen is het niks, maar de wetenschap is er nooit slechter op geworden. Uiteindelijk vallen ze toch wel door de mand.'

En als Williamson nu die ene blijkt te zijn die het wel bij het rechte eind heeft? 'Dat zou prachtig zijn. Als hij echt gelijk heeft, zou dat grote consequenties kunnen hebben voor hoe wij tegen evolutie aankijken.'

Fred Schram, hoogleraar Bijzondere Dierkunde aan de Universiteit van Amsterdam, was indertijd, toen hij nog in Los Angeles werkte, een van de adviseurs van de uitgever die Williamsons boek publiceerde. Toch is Schram geen volgeling.

'Ik vind niet dat theorieën er zijn om in te geloven. Theorieën zijn er om informatie te organiseren. En met Williamsons theorie is het net zo. Het is een nieuwe manier om tegenstrijdige gegevens met elkaar in overeenstemming te brengen, en in dat opzicht moet hij de kans krijgen zijn stem te laten horen.'

Schram is het trouwens niet op alle punten met Williamson eens. 'Met zijn idee over wolkrabben en heremietkreeften zit hij er volgens mij faliekant naast. Het is goed mogelijk dat wolkrabben zijn ontstaan uit heremietkreeft-achtige voorouders. Dat ze hetzelfde soort larve hebben zou dus net zo goed kunnen komen doordat ze het van dezelfde voorouders hebben geërfd. Zoiets geldt voor zijn idee dat de larven van zeesterren en verwanten afkomstig zijn van eikelwormen.'

Net als Hoekstra is Schram vooral gecharmeerd van Williamsons kruisingsproeven.

'Daar heeft hij volgens mij echt iets interessants te pakken. Bepaalde genen die de ontwikkeling van de larve van ongewervelde dieren sturen, zijn al bekend. Het zou spannend zijn uit te vinden welke genen verantwoordelijk zijn voor de vorm van zijn hybride larfjes.'

Naar het zich laat aanzien, zullen er dus nog heel wal zeeëgcls op hun kop boven een potje moeten hangen.



http://www.amazon.ca/Larvae-Evolution-Toward-New-Zoology/dp/0412030810

 

 Williamson  is tot zijn "buitengewone"   theorie gekomen doordat hij veel organismen tegenkwam waarvan de larven helemaal niet lijken te passen bij het volwassen dier.



Zo heeft de zeester die in de Noordzee voorkomt een larve die nog het meest lijkt op een wormpje. Een stervormig volwassen dier met een tweezijdig-symmetrische larve: dat lijken wel verschillende soorten.

Zijn revolutionaire theorie houdt in dat er sprake moet zijn geweest van een hybridisering van twee totaal verschillende soorten. De larve is a.h.w. door kruising overgebracht van de ene naar de andere soort. Deze hybridisatie heeft volgens Williamson zelfs tussen verschillende genera en zelfs phyla plaatsgevonden. Dit gaat absoluut verder dan wat er ooit aan hybridisatie of horizontal gene transfer in de natuur is aangetroffen.

 Dat maakt de theorie natuurlijk revolutionair. Het probleem is niet dat hij een amateur is, want hij heeft in de vakliteratuur gepubliceerd. Ook zijn waarnemingen opzich worden niet verworpen door collega wetenschappers, alhoewel de vraag blijft of zijn waarnemingen zo’n buitengewone verklaring rechtvaardigen.

Daar komt bij dat je wel een specialist moet zijn om een goed overzicht te hebben van de verspreding van larve-vormen in het dierenrijk. Hèt grote probleem zit in het mechanisme dat hij voorstelt: hybridisatie van zeer verschillende soorten.

Anderen hebben al gewezen op fysiologische obstakels bij een bevruchting over soortgrenzen heen. Vanuit cytogenetisch oogpunt kan ik ook nog een aantal fundamentele bezwaren opsommen die hij in het artikel helemaal niet noemt 

 Zelfs als zou de bevruchting gelukt zijn, dan beginnen er gelijk al problemen met de allereerste celdeling omdat de chromosomen geen paren kunnen vormen.

Dan kom je niet verder en stopt de verdere ontwikkeling. Hij noemt allerlei niet-relevante zaken die hem helemaal niet helpen om zijn theorie plausibel te maken.

Gould’s theorie van punctuated equilibrium zal hem niet helpen, Horizontal Gene Transfer zal hem niet echt helpen, endosymbiosis zal hem niet helpen, etc etc.

 Ik denk dat de definitieve test en eventuele falsificatie op uitgebreid DNA onderzoek zal moeten wachten. Dat zal tijdrovend en kostbaar zijn, maar ik zie geen andere oplossing. Het blijft spannend om dergelijke on-orthodoxe onderzoekers tegen te komen die zich toch aan de spelregels van de wetenschap willen houden.

De  verdere   kolder - avonturen van  Williamson & Margulis   

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2009/09/04/worst-paper-of-the-year/

het gewraakte artikel  http://www.pnas.org/content/106/47/19901



file:31-velvet worm.jpg

HOPEFUL MONSTER A prestigious journal has published a dubious theory that millions of years ago the velvet worm bred with an insect creating the butterfly's characteristic caterpillar larvae

 Image: Thomas Stromberg/Wikimedia



Hybride van larve en vlinder

Wat kwam er eerst, de rups of de vlinder? “Beide”, zegt de Britse zoöloog Donald Williamson. Volgens hem evolueerden wezens als vlinders niet geleidelijk totdat ze aparte larvale stadia ontwikkelden, maar zijn deze insecten het resultaat van een kruising van een apart larveachtig dier met een volwassen vlinderachtige. Deze gewaagde uitspraak in de Zoological Journal of the Linnean Society doet vele biologen waarschijnlijk rillen.


        Veel ongewervelden doorlopen aparte larvale en volwassen stadia. Maar vreemd is dat larven vaak totaal niet op volwassenen lijken. Hoe ontstond deze complexe levensloop? De meeste biologen geloven dat hetzelfde dier zowel de larvale als de volwassen vorm ontwikkelde, maar Williamson is het hier niet mee eens.

Hij is ervan overtuigd dat de volwassen vorm eerst evolueerde, later kruiste met andere volwassen dieren (larve-achtigen= fluweelwormen ) en zo de genetische blauwdruk voor larven verkreeg. Dit kan verklaren waarom rupsen en hun vlinders zoveel in uiterlijk verschillen.

Verschillende soorten kunnen normaal gesproken niet met elkaar kruisen, maar het hoeft maar één keer te werken en het is gebeurd”, vertelt Williamson. Evolutionair-biologen brengen hiertegen in dat dit helemaal niet kan vanwege de grote verschillen in genen en chromosomen tussen verschillende soorten.        


        

Terwijl volgens Williamson kruising het bestaan van uiteenlopende diersoorten met op elkaar lijkende larven verklaart, praten andere onderzoekers over ‘convergente evolutie’; evolutie waarbij meerdere soorten in de loop der tijd dezelfde eigenschap ontwikkelen. Om de sceptici te overtuigen zal Williamson harde voorbeelden van moderne hybriden moeten tonen. Uitzonderlijke beweringen vereisen immers   uitzonderlijke bewijzen.



Ellen Althuizen

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2009/10/29/controversal-paper-on-origins-of-caterpillars-debunked/

Caterpillars did not evolve from onychophorans by hybridogenesis

http://www.pnas.org/content/early/2009/10/22/0910229106

 

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2011/11/11/another-paper-on-symbiotic-speciation-by-donald-williamson-is-retracted/

 

 


Who is This?

http://multiply.com/mu/tsjok45/image/3/photos/1410/500x500/21/zedonk.jpeg?et=9npft4y4rsljt1o9nudrpg&nmid=354824026

zedonk.

 

 



http://static3.hln.be/static/foto/pe/9/5/5/media_xl_3815570.jpg

 

Is het een ezel? Is het een zebra? Nee, het is een zebrezel. In de Amerikaanse staat Georgia is een zeldzame kruising tussen een ezel en een zebra geboren. Het veulen kreeg de naam 'Pipi Langkous'. Het dier heeft een zebra als vader en een ezel als moeder. Pipi Langkous ziet er misschien wel uit als een ezel, de strepen op haar poten verraden toch wie haar vader is.



Bovendien zou ze ook instinctieve trekjes van een zebra hebben. Zo blijft Pipi rechtop zitten in plaats van op haar zij te gaan liggen. Het lijkt erop dat ze zo op haar hoede is voor roofdieren. Zebra's en ezels paren doorgaans niet, maar af en toe duikt er toch eens een zebrezeltje op. Zelf zal Pipi zich waarschijnlijk nooit voortplanten, aangezien deze bizarre mengelingen doorgaans onvruchtbaar zijn.


Who is This?

http://multiply.com/mu/tsjok45/image/4/photos/1410/500x500/29/zebroid.jpg?et=kn7d04hf1j5enbk%2chroiuq&nmid=442786044

zebroid

http://theanimalhub.blogspot.com/2010/05/six-amazing-hybrid-animals.html

Zebroids

A zebroid is the offspring of a cross between a zebra and any other equine, usually a horse or a donkey. There are zorses, zonkeys, zonies, and a host of other combinations.

Zebroids are an interesting example of hybrids bred from species that have a radically different number of chromosomes. For instance, horses have 64 chromosomes and zebra have between 32 and 44 (depending on species). Even so, nature finds a way.

30/07/10

 

 



bionieuws 6, 03-04-2010
achtergrond
Mengen hoort bij het leven

Gapen, walfijnen en kama’s. Kruisingen tussen verschillende soorten leiden soms tot mediahypes, maar zijn meer dan een randverschijnsel. Buiten de soortgrenzen ligt een wereld van hybriden met ingrijpende vormen van genetische modificatie.

Door Gert van Maanen
© bionieuws


http://multiply.com/mu/tsjok45/image/1/photos/1410/1200x1200/23/bastaarden.jpg?et=clklrwp6386mtslnmnok8a&nmid=354234650

‘Zeldzaam lenteplezier van een gapenkwartet’. Op 22 maart bracht de Volkskrant prominent een foto van vier gapen die uitbundig de lente vieren. Een losgebroken geitenbok zou een schaap van een boer uit Beneden-Leeuwen hebben gedekt. De krant legt uit hoe zeldzaam het is dat de vier nakomelingen van zo’n interspecifiek avontuurtje levend worden geboren, en dat ze onvruchtbaar zijn. Het klinkt allemaal vrij overtuigend. Er bestaan toch ook muildieren en muilezels?

Erik Schuiling, schaap- en geitexpert bij de Animal Sciences Group in Lelystad, schiet in de lach als hem om commentaar wordt gevraagd. ‘Het zijn vrijwel zeker gewoon schaapjes. Je hebt bijna jaarlijks wel zo’n claim als een schaap lammeren werpt met een afwijkende vachtkleur of vlekjes. Het is ook altijd de bok van de buurman die de schuld krijgt. Maar een kruising tussen een schaap en geit is heel onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Paringen tussen deze twee soorten komen wel voor en bevruchting vindt soms plaats, maar levensvatbare nakomelingen levert het bijna nooit op. Meestal sterft zo’n vrucht af in een embryonaal stadium’, aldus Schuiling. Problemen tijdens de celdelingen lijken de belangrijkste boosdoener te zijn. Het schaap (Ovis aries, 2n = 54) heeft immers 27 chromosoomparen, terwijl de geit (Capra hircus, 2n = 60) er 30 heeft. Het kruisingsproduct zit dus opgescheept met een onbalans in chromosomen waarmee het lastig wordt goed functionerende chromosoomparen te vormen en delingen spaak lopen. 

Ook Marcel Taverne, emeritus hoogleraar Foetale en perinatale biologie van de Utrechtse faculteit Diergeneeskunde, wijst op chromosoomproblemen. Hij was zelf betrokken bij onderzoek naar het zogenoemde wonder van Winssen. In 2005 beweerde een veehandelaar in dit Gelderse dorp dat een ooi in één worp een normaal wit lammetje en een merkwaardig kortharig bokje met bruingrijze vacht had gebaard. De boer vermoedde dat het moederschaap dubbel gedekt was, door een schapenram en een geitenbok. Het miraculeuze wezen werd scheitje gedoopt en de ‘wereldprimeur’ groeide uit tot een kleine mediahype. 

In samenwerking met de Gezondheiddienst voor Dieren liet Taverne het dna van de tweeling en hun moeder analyseren. Daaruit bleek dat het scheitje een gewoon lammetje was. De afwijkende vacht was te verklaren door het tot uiting komen van genetische kenmerken die een generatie overslaan. In het genetisch materiaal van witte schapen kunnen erfelijke restanten van een gekleurde voorouder soms fenotypisch weer aan het daglicht komen. 

Uit experimenten blijkt volgens Taverne dat alleen het kruisen van een vaderschaap met moedergeit nog enige kansen heeft op levensvatbare nakomelingen. Andersom is eigenlijk helemaal uit te sluiten. Een van de weinige wetenschappelijk onderbouwde voorbeelden is dat van een levend geboren schaap-geitkruising in Botswana. Het betrof een geit die onder natuurlijke omstandigheden door een ram was gedekt. Het kruisingsproduct groeide opmerkelijk snel en had een extreme libido. Het dier besteeg zo fanatiek vrouwtjesschapen en -geiten dat hij lokaal de bijnaam Bemya – verkrachter – kreeg en vroegtijdig werd gecastreerd. In 2000 publiceerden Botswaanse dierenartsen in Veterinary Record chromosoomanalyses van de toen vijf jaar oude hybride. Het dier beschikte inderdaad over 57 chromosomen, een aantal dat precies tussen de aantallen van beide ouderlijke soorten in ligt.

Versmelting
Hybridisatie mag voor schapen en geiten een excentriek karakter hebben, opmerkelijk is wel dat minimale hybridisatie überhaupt mogelijk is tussen twee soorten uit verschillende genussen. Binnen het genus Equus, de paardachtigen, zijn de onderlinge kruisbaarheid, genetische verwantschap en immunologische respons tijdens exogene zwangerschappen uitvoerig onderzocht. Bekende kruisingsmogelijkheden zijn het muildier (2n = 63), de kruising tussen een paardenmerrie (Equus caballus, 2n = 64) en een ezelhengst (E. assinus, 2n = 62), en het reciproke kruisingsproduct de muilezel (2n = 63). Maar met wat hulp blijken eigenlijk alle kruisingen tussen paardachtigen mogelijk, tot de zebrezel aan toe. Dit is opmerkelijk, omdat de genetische opmaak van de betrokken soorten aanzienlijk uiteenloopt. Van het przewalskipaard (E. ferus przewalski, 2n = 66), tot aan de zeldzame bergzebra (E. zebra, 2n = 32). Hybride nakomelingen zijn lang niet altijd volledig steriel, wat formeel de doorsteek betekent voor het biologisch soortbegrip.

Een belangrijke verklaring hiervoor ligt in de ingrijpende chromosomale herschikkingen die in hybriden kunnen plaatsvinden, zoals Robertsoniaanse translocatie. Hierbij vindt een versmelting plaats tussen de centromeren van twee chromosomen. De korte armen gaan verloren en de lange armen van de twee chromosomen vormen samen een nieuw chromosoom. Ook polypoïdisatie – het vermeerderen van het complete genoom – kan een hybride helpen overleven.

Voor botanici is het bestaan van hybriden een fact of life. Kenners van orchideeën vinden in het veld soms meer hybriden dan vertegenwoordigers van de oorspronkelijke soorten. Een aantal belangrijke landbouwgewassen hebben ook te danken aan hybridisatie tussen soorten, vaak gevolgd door polyploïdisatie, al dan niet geholpen door de kweker. ‘Als je de genoomstructuur vergelijkt van de huidige gewassen met verwante soorten, dan verbaas ik me over de grove herschikkingen, duplicaties en deleties’, zegt de Wageningse plantenveredelaar Herman van Eck. ‘Dna is het meest promiscuë molecuul dat je je kunt voorstellen. Het slaat zich al manipulerend een weg door het leven. Daarbij vergeleken zijn de huidige technieken om in het laboratorium gewassen te veranderingen maar speldenprikjes. In dat licht zijn de stringente GMO-regels tamelijk onzinnig’.

  1   2   3   4

  • Het ging over het merkwaardige verschijnsel dat veel verschillende soorten zeeorganismen hetzelfde type larve hebben.
  • Het blijft spannend om dergelijke on-orthodoxe onderzoekers tegen te komen die zich toch aan de spelregels van de wetenschap willen houden.
  • Hybride van larve en vlinder Wat kwam er eerst, de rups of de vlinder “Beide”, zegt de Britse zoöloog Donald Williamson
  • Verschillende soorten kunnen normaal gesproken niet met elkaar kruisen, maar het hoeft maar één keer te werken en het is gebeurd”
  • Om de sceptici te overtuigen zal Williamson harde voorbeelden van moderne hybriden moeten tonen. Uitzonderlijke beweringen vereisen immers uitzonderlijke bewijzen.
  • Caterpillars did not evolve from onychophorans by hybridogenesis
  • 30/07/10
  • ‘Zeldzaam lenteplezier van een gapenkwartet’

  • Dovnload 229.03 Kb.