Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een team van Task Force 55 is in juli 2009 met behulp van parachutes ergens in het zuiden van Afghanistan gedropt. Het team bestond uit negen

Dovnload 24.92 Kb.

Een team van Task Force 55 is in juli 2009 met behulp van parachutes ergens in het zuiden van Afghanistan gedropt. Het team bestond uit negen



Datum05.12.2018
Grootte24.92 Kb.

Dovnload 24.92 Kb.

Commando’s per parachute ingezet in Afghanistan
Door: Leo van Westerhoven
Een team van Task Force 55 is in juli 2009 met behulp van parachutes ergens in het zuiden van Afghanistan gedropt. Het team bestond uit negen Special Forces (SF) operators van het Korps Commandotroepen (KCT) en een Afghaanse tolk. Het is voor het eerst sinds zestig jaar dat Nederlandse para-commando’s weer een ‘combat-jump’ mogen laten bijschrijven. Zo schreven ze met deze nachtelijke inzetsprong tegelijkertijd geschiedenis.
Normaliter worden dit soort speciale operaties en andere bijzondere opdrachten, die door operators van het KCT en die van de Mariniers Speciale Operaties (MSO) compagnie van het Korps Mariniers (Kmarns) worden uitgevoerd, als ‘geheim’ bestempeld. In ieder geval zolang de missie of operatie gaande is. Gezichten van operators worden daarnaast altijd onherkenbaar in beeld gebracht en namen worden pas vrijgegeven als ze zijn gesneuveld. Dat deze bijzondere opdracht nu wel bekend is gemaakt heeft alles te maken met het feit dat de inzet van TF 55 in Afghanistan ten einde is.
Ook ’s lands hoogste militair de commandant der strijdkrachten (CDS), viersterrengeneraal Peter van Uhm, schonk om deze reden eerder in een landelijk dagblad aandacht aan de krijgsverrichtingen van onze Special Forces in Afghanistan. Daarbij is onder andere ook de bijzondere para-inzet ter sprake gekomen. Een operatie waarbij de tegenstander tot op het laatst totaal in het ongewisse moest blijven. De operators werden als eerste ingezet en hadden als primaire taak om ongezien de bewegingen, intenties en sterkte van de Taliban en andere vijandelijk gezinde groeperingen in het gebied in kaart te brengen. Het team kon dus niet met de eigen voertuigen of helikopters naar het inzetgebied getransporteerd worden. Spotters en/of het rotorgeluid van de transportheli’s zouden hun komst dan mogelijk kunnen verraden. Daarom werd besloten om ‘s nachts negen operators per parachute van grootte hoogte te droppen, samen met een Afghaanse tolk. De laatst genoemde maakte een tandemsprong met een van de operators. De verrassing was in ieder geval compleet. Een operator die aan de operatie deelnam zei: “Iedereen dacht eigenlijk dat het toch nooit zou gebeuren, maar in Afghanistan blijkt het valscherm op een bepaald moment het beste middel om je mensen te vervoeren. Terug in Roosendaal realiseer je je dat het toch wel heel bijzonder is geweest.”

De succesvolle waarnemingsmissie duurde vier dagen en vormde een essentiële bijdrage aan de veiligheid van de grondeenheden.


Nederlandse SF operators worden para-opgeleid op de Defensie Para School van de Opleidings- en Trainingscompagnie Speciale Operaties en kunnen, vanaf grote hoogte over een grote afstand, onopgemerkt met hun parachutes een gebied binnen ’vliegen’. Voor de precisie maken ze gebruik van speciale GPS apparatuur. Ze openen, waar nodig, pas op zeer laag niveau hun valschermen; High Altitude, Low Opening (HALO).

De laatste keer dat Nederlandse militairen een operationele inzetsprong boven vijandelijk gebied maakten was 10 maart 1949 tijdens de zogeheten Tweede Politionele Actie in voormalig Nederlands-Indië. Ze behoorden tot de Paragevechtsgroep van het ‘Regiment Speciale Troepen’. Dezelfde para-commando’s beten ook op 19 december 1948 de spits af met een spectaculaire luchtlandingsraid op de Indonesische republikeinse hoofdstad Djokjakarta, waarbij de gehele republikeinse regering, inclusief Soekarno, gevangen werd genomen. Nauwelijks tien dagen later op 29 december 1948 werden ze weer gedropt op Sumatra. Ze veroverde daarbij de olievelden bij Djambi. Op 5 januari 1949 waren ze er weer van. Nu bij de gedurfde luchtlandingsoperatie op de olieterreinen bij Rengat en Ajer Molek op Sumatra. Deze drie genoemde luchtlandingsoperaties vonden plaats in een tijdsbestek van nog geen drie weken door dezelfde para-commando’s van de Paragevechtsgroep. Op 10 maart 1949 voerde ze hun laatste actiesprong uit boven Gading ten Zuidoosten van Djokjakarta.

De negen operators van nu mogen net als hun voorgangers die in 1948 en 1949 een parachutesprong in vijandelijk gebied maakten de ‘operationele wing’ dragen. Alle negen ontvingen de ‘operationele vrije val wing’ op 15 december 2009 uit handen van oud para-commando kapitein bd. Siem Boons. Hijzelf heeft bij al de vier voornoemde luchtlandingsoperaties in voormalig Nederlands-Indië gesprongen en is dus één van de weinige dragers van het bijzondere vaardigheidsembleem cq erkenningsteken.
Voor wat betreft Nederlandse SF eenheden in Afghanistan. Deze zijn al sinds 2002 operationeel in Afghanistan. In dat jaar werd een verkenningseenheid van het KCT naar de hoofdstad Kaboel gestuurd. Later verkasten de keurtroepen van de Koninklijke Landmacht naar de zuidelijke provincie Kandahar. Uiteindelijk steeg het aantal militairen tot boven de 200 man, inclusief de crews van de CH-47D ‘Chinook’ transporthelikopters die hen richting inzetgebied vlogen. Toen in 2006 het gros van de Nederlandse troepen in Kamp Holland en Camp Hadrian neerstreek, ging het elitekorps mee en werd samen met operators van de MSO als ‘SFTG Viper’ vast onderdeel van Task Force Uruzgan (TFU).

Na tussentijds kort in een operationele luwte geplaatst te zijn worden de operators van het KCT én Kmarns in mei 2009 opnieuw naar Uruzgan gedirigeerd, nu als TF 55. Daarentegen maakt TF 55 nu wel deel uit van de ‘Combined Joint Special Operations Task Force, Afghanistan (CJSOTF-A), dat direct valt onder de regie van commandant ISAF in Kabul en vervolgens commandant Regional Command (South) in Kandahar. Voorheen resulteerden de Vipers namelijk direct onder de Nederlandse commandant van TFU. Toentertijd zaten ze echter niet in het Intel- plaatje en resources dat eigenlijk een pre is voor SF eenheden. Vanaf mei 2009 was dit dus wel het geval.


De operators, afkomstig van het KCT en Kmarns, die afgelopen jaren in Afghanistan zowel bij SFTG Viper als TF 55 actief waren zijn van onschatbare waarde voor het succes van de missie geweest. Ze hebben aan de lopende band verkenningen uitgevoerd, inlichtingen verzameld en ‘High Value Targets’ uitgeschakeld. Ze waren daarbij actief tot in de randgebieden en over de grenzen van Uruzgan en dat had effect op de veiligheidssituatie in de provincie. Bijvoorbeeld TF 55 werkte daarbij vaak samen met ’special response teams’ van het Afghaanse leger. Ze leidde deze nationale SF eenheden zelf op en voorzag ze van uitrusting. Daarnaast trokken ze tijdens missies soms op met externe ‘enablers’. Dit konden genisten zijn vanwege de dreiging van bermbommen en/of artilleristen met mortieren voor de directe vuursteun. Toch, als ze op pad gingen in kleine groepen voelde ze zich in hun element. Zo zijn ze ten allen tijde in staat militair en politiek riskante operaties met chirurgische precisie te klaren.
De tijd dat operators buiten het prikkeldraad vertoefde varieerde van een enkele dag tot soms wel twee weken. Daarbij werd contact gemaakt met de lokale bevolking, eerste hulp geboden, maar ook zwaar gevochten. Daarbij kwam het vaak tot urenlang vuurcontact met de Taliban. In zo’n vuurgevecht, in september 2009, werd korporaal Kevin van de Rijdt dodelijk getroffen. De sniper van het KCT is een van de 24 omgekomen Nederlandse slachtoffers die de vier Nederlandse jaren in Zuid-Afghanistan onder onze troepen eisten. Andere missies waren gericht op ’IED facilitators’. Zogenoemde individuen die bermbommen in elkaar zetten of onderdelen daarvoor aanleveren. Er is daar geopereerd met kleine Aladin en Raven onbemande minivliegtuigjes die de operators zelf bij zich hadden. Maar ook met grote UAV’s zoals de MQ-1 Predator en MQ-9 Reaper. Of sniperteams die vanuit een ’over watch’ en observatieposten soms dagenlang wachten en de omgeving afspeuren. Om uiteindelijk, als de gelegenheid daar is, met hun Accuracy .338 en Barret .50 precisiewapens mensen en voertuigen over afstanden tot verder dan duizend meter uit te schakelen. Zo’n beetje alle vaardigheden en wapensystemen die operators van het KCT en MSO in huis hebben, werden in Afghanistan tevoorschijn getoverd.
Dat ze daarbij vaak onder extreme omstandigheden opereerden, blijkt naast de negen ‘operationele vrije val wings’ ook uit de Militaire Willems-Orde voor kapitein Kroon, 12 dapperheidsonderscheidingen, 2 Eretekens voor Verdienste en het Bronzen Schild.
Of de operators nu in een zwart gat vallen, nu ze na vier jaren van vechten, opbouwen en heel veel actie terugkeren naar de Nederlandse uitvalsbases in Roosendaal en Doorn? Ze hebben daar hun ’skills and drills’ uitgebreid kunnen testen en nieuwe spullen uitgeprobeerd. Ze zullen moeten waken voor terugslag. Het wordt in ieder geval weer een tandje minder. Ze zullen weer anders gaan oefenen, niet louter op de missie gericht. Materieel moet weer op orde worden gebracht. En bovendien zullen alle lessen die ze daar hebben geleerd, geborgd moeten worden. Voor de toekomst!




  • (SF) operators van het Korps Commandotroepen (KCT) en een Afghaanse tolk. Het is voor het eerst sinds zestig jaar dat Nederlandse para-commando’s weer een ‘ combat-jump

  • Dovnload 24.92 Kb.