Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een Vader die geëerd, een Heere die geëerbiedigd wil zijn

Dovnload 13.45 Kb.

Een Vader die geëerd, een Heere die geëerbiedigd wil zijn



Datum04.04.2017
Grootte13.45 Kb.

Dovnload 13.45 Kb.

Een Vader die geëerd, een Heere die geëerbiedigd wil zijn.
Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? Maléachi 1:6 midden1
In de meditatietekst stelt de Heere twee heel persoonlijke vragen.

Calvijn


Calvijn schrijft in zijn commentaar op deze tekst:

‘De profeet heeft tot nu toe bewezen, dat God Zich met vele weldaden een Vader jegens de Joden heeft betoond. Zij moesten zich dus aan Hem verplicht gevoelen als er enige godsvrucht en dankbaarheid in hen werd gevonden.


Aangaande het woord „vader" hebben wij tevoren reeds aangetoond, dat de Joden niet slechts in algemene zin kinderen van God waren, maar ook omdat het Hem had behaagd hen tot zijn bijzonder volk te verkiezen. Die aanneming maakte hen dus tot kinderen van God boven alle naties, want hoewel zij in niets van de rest van de wereld verschilden, had God toch hen aangenomen. Wat zijn recht en macht als Heer aangaat, had Hij hen in de eerste plaats als Schepper en Maker van de gehele wereld aan Zich verplicht, maar Hij had dat recht eveneens verworven door hun verlossing, zoals welbekend is.’

God de Vader vraagt om Zijn eer


Er zijn vragen waarop een mens beter geen antwoord kan geven. Maar hier hebt u twee vragen, waar u en ik niet omheen kunnen. Er moet een antwoord op komen.
De eerste vraag luidt: Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? De profeet Maleachi 2 bestraft de zonden op het terrein van de eredienst. Hij trekt ook te velde tegen zedelijke verwildering in de huwelijksmoraal. En in het derde hoofdstuk van zijn profetisch boekje vermaant hij het volk onder meer, omdat zij het loon van de dagloner met geweld inhouden, de weduwe en de wees en de vreemdeling verdrukken. Ook op het sociale vlak is er dus veel, dat ‘s Heeren mishagen opwekt.
Wanneer we dat alles overzien, begrijpen we de indringende vraag, waarmee de profeet in het bijzonder de leidslieden van het verdorven volk aanspreekt in het begin van zijn profetieën: ‘Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer,’ zegt de Heere der heirscharen. Een vader hoeft toch niet aan zijn zoon te vragen: ‘Tel ik ook nog mee?’
De kinderlijke eerbied voor God en Zijn geboden is kennelijk zoek onder Israël. Een hemelse Vader vraagt naar Zijn eer van de kant van Zijn eigen volk.

Ben Ik dan een Vader? Dat kon Israël niet ontkennen. Het had van die God duizend en één Vaderlijke gunsten ontvangen had. En wij – u en ik - kunnen het ook niet loochenen. Want de Heere heeft in Christus al zo lang op de uitkijk gestaan, net als de vader in Jezus’ gelijkenis van de verloren zoon.


Maar als God dan een Vader is, waar blijft dan het kind met Zijn eer? De Heere vraagt er ons vandaag dringend om. En als u er uw leven op nakijkt over heel de breedte van het geestelijk – zedelijk - maatschappelijk bestaan, moet u dan niet als de verloren zoon met schaamte belijden, dat u de Naam van deze Vader door het slijk hebt gehaald?! ‘Vader, ik heb gezondigd...!’
En vindt u het dan niet groot, dat deze Vader er nog steeds Zijn eer in stelt om verloren zonen weer in gunst te ontvangen?! Geef Hem dan de eer van Zijn Naam, door u te laten redden van het verderf. Opdat het ook door Zijn Geest in u mag gaan leven: ‘Abba, Vader…!’
De Heere God vraagt om geëerbiedigd te worden

En dan de tweede vraag die de Heere stelt: Ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze?


Hoe men het ook wendt of keert, de Heere heeft het eigendomsrecht over Israël. Hij heeft niet alleen recht op kinderlijk ontzag, maar ook op hartelijke vreze van Zijn Naam. Ook van het laatste geldt, dat het van huis uit bij ons niet wordt gevonden. Integendeel, de moderne, mondig geworden mens eist zijn recht op om naar eigen inzicht te leven, in seksueel verkeer zonder huwelijksbasis, in abortus provocatus in geval van een ongewenst kind, in homoseksuali­teit, zogenoemde alternatieve relaties. Wij willen eigen baas zijn. Wij wensen overal inspraak in te hebben. Wij laten ons van nature niet knechten, niet door de wet van God, niet door de wet van ouders, niet door de wet van de staat. Gezag is bij ons helemaal niet ‘in’.
In zo’n wereld is de vreze des Heeren een zeldzame zaak. Daar heerst de mentaliteit van Ezau die gulzig ‘dat rode, dat rode daar’ (een bord linzensoep) opslorpt (Gen. 25:30). De mentaliteit van de mooie vrouwen uit Edom (Ezau’s nakomelingen) die ten tijde van Maléachi de huwelijken van de Israëlietische mannen kapot maakten door hen mee te tronen en hen te doen breken met God en gebod.
Alles hebben wat je hart begeert. Zonder God en zonder hoop in de wereld zijn. Zonder Christus, zonder bekering, zonder de vreze des Heeren. Dat lijkt een machtig ideaal. Maar het is in feite een leven, dat op één grote ontgoocheling uitloopt. Maléachi roept het volk terug tot Gods dienst, de priesters vooraan. ‘Ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze?! Zo spreekt de Heere der heir­scharen.’ Hij Die de allerhoogste Majesteit is en Wiens geboden de wandelpaden des levens zijn.
Van deze vraag kan een mens onderste boven raken. God komt om Zijn recht. Mag dat? Mag Hij Die al zo vaak bewezen heeft een Vader voor ‘wederhorigen’ te willen zijn, vragen, hoe het gesteld is met de vrees van Zijn Naam in uw leven? Nee, niet een slaafse vrees uit bang­heid voor straf. Maar een kinderlijke vrees uit liefde voor Hem Die het zo waard is om ons helemaal te hebben. Een kinderlijke gehoorzaam­heid aan Zijn geboden in een dagelijkse kruisiging van ons boze vlees. Voor wie God in Christus in het hart heeft leren kijken, is zo’n leven van eerbiediging van Gods geboden niet zwaar. ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?!’
Als de Heere ons vraagt waar Zijn eer is ons leven en als Hij ons vraagt naar de vreze van Zijn Naam , moeten we het antwoord op die vragen dan schuldig blijven? Of zal het zijn:
‘k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind,

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten



(Psalm 119:83 ber.).


1 Deze voordracht is een bewerking van een eerder in het Reformatorisch Dagblad verschenen meditatie.

2 De afbeelding is een schilderwerk van Duccio di Buoninsegna (1255-1319); tempera op paneel, 1308-’11 (museum Siena).

  • God de Vader vraagt om Zijn eer

  • Dovnload 13.45 Kb.