Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Eeuwse loge Op zoek naar het innerlijk behang van een loge en van haar leden

Dovnload 62.29 Kb.

Eeuwse loge Op zoek naar het innerlijk behang van een loge en van haar leden



Datum31.07.2017
Grootte62.29 Kb.

Dovnload 62.29 Kb.

Over de driften in een 18de eeuwse loge
Op zoek naar het innerlijk behang van een loge en van haar leden

O — mijn vriend — deze wereld is niet de echte.

Hans Lodeizen


M.J.M. de Haan
Misschien vindt u de gedachte dat de geschiedenis van een loge begint bij het beleg van Haarlem, of de onderhandelingen over het Twaalf Jarig bestand, of de Bataafse Republiek hoogst verwarrend. U hebt gelijk, dat is ze ook, daarom dit relaas.

Het voortreffelijke geschiedenisboek (als je het zo mag noemen) Verleden van Nederland, laat ons iets van die geschiedschrijving van nu zien. Geschiedschrijving van Geert Mak en zijn collega’s, van televisie-series als onlangs die over de Gouden Eeuw en zeer recent over de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog of de IJzeren eeuw . Soms bewonderenswaardig, als ze maar niet in politieke correctheid ten ondergaan tenminste.

Misschien vindt u het dan niet merkwaardig dat ik me schijn vast te bijten in een zin als ‘Koning Willem I was net zo koppig als zijn vader stadhouder Willem V weinig doortastend

was’. Maar ik ben opgevoed door een geschiedenisleraar van zeldzame allure, dr. August Cuypers, die me de uitspraak, misschien van Talleyrand, over de na Waterloo terugkerende Bourbons in Frankrijk leerde en deed onthouden: ‘Ils n’ont rien appris, ni rien oublié.’ Zo ging ook het idealisme van onze eerste (Bataafse) republiek ten onder. Ter zake.


Waarom zouden we denken dat een loge die aan in de 18de eeuw wordt gesticht iets met Hugo de Groot, die leefde van 1583 tot 1645, heeft te maken? Eenvoudig genoeg. De halve Nederlandse geschiedenis heeft met Hugo de Groot, overigens ook met Erasmus en Spinoza, te maken. De groep om Hugo de Groot die soms de Loevesteinse Factie heet, werd allengs de factie van de Ware Vrijheid, als ze niet bestaan had zou de Nederlandse vrijmetselarij een andere (ontstaans)geschiedenis gehad hebben. In elk geval is dát woord vrijheid van belang voor de vrijmetselarij.

Laten we ons kleine land met twee en een half miljoen bewoners bezien dat verdeeld was door twee groeperingen, de staatsgezinden en de prinsgezinden, dat zonder Oldebarneveldt, De Groot en Spinoza, de gebroeders de Witt, Joan Derk van der Capellen tot de Pol, geen vooruitstrevende, vrijzinnige, burgers zou hebben gekregen. Zoveel is zeker.


Niet in naam van Oranje?

Als in 1672 met meer dan alleen maar medeweten van de moord op de gebroeders de Witt stadhouder Willem III de zwartste bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis mee omslaat, lijkt de Bataafse vrijheid ver weg, maar met een stadhouderloos tijdperk, kwam ze toch dichterbij, al wordt de klok in 1747 weer teruggezet als het stadhouderschap erfelijk wordt verklaard en de Oranjes dat ambt in alle Provinciën bekleden. Intussen was dat na ruim honderd jaar wel een probleem geworden. Jan de Witt schreef in 1672 een bepaald niet oranje-vriendelijke ‘Deductie’ (een verhandeling of uiteenzetting zouden we nu zeggen) ‘Tot justificatie van de Acte van Seclusie, raeckende ’t employ vanden Prince van Oraigne’. In 1781 kwam er een tweede, niet minder indringende verhandeling in dezelfde zin met Joan Derk van der Capellen tot den Pol’s Aan het volk van Nederland.

En alweer: de ook Bataafse vrijheid is van belang voor het verstaan van het eerste woorddeel van het woord vrijmetselarij.
Amerika, ver weg en toch een beetje Holland

In 1781 erkennen de Staten van Friesland —nog vóór dat Frankrijk dat deed— het jonge Amerika. De Vierde Engelse Oorlog(1780-84) zal daar ook wel een halve oorzaak van zijn geweest.

In die nieuwe staat, toen ver overzee, werd in 1787 een Nederlands sprekende loge opgericht, de ‘Holland Lodge’, met de onderscheidingskleur oranje. De loge werkte in het begin in het Nederlands maar moest de notulen in het Engels houden, anders wist hun Grand Lodge niet wat er in ‘nr 8’ met haar oranje regalia omging.

Weer aan de andere kant van de zee, in Duinkerken, ontstond een paar jaar later een loge van Hollandse vluchtelingen ‘Les Vrais Bataves’ met als onderscheidingskleuren, al een stuk beter, ‘rood wit en blauw’.


Wat hen bezig hield

Aan het eind van de 18de eeuw legt Joan Derk van der Capellen tot den Pol(1741-1784) zijn niet overal en vooral niet in de kringen van de stadhouder en adel gewaardeerde politieke ideeën, neer in een anoniem verschenen pamflet dat hier nog ter sprake komt. Omwille van zijn revolutionaire gedachtegoed moet hij zich terug trekken uit het openbare leven en legt hij zich toe op de studie van de wiskunde en klassieke auteurs. Hij beleeft het grootse genoegen aan het onderrichten van zijn dochtertje in die vakken .

Zijn we verre van zeker wat Van der Capellens lidmaatschap van de vrijmetselarij betreft , daarover bestaat geen twijfel bij de boeiende figuur van Johan Hendrik Swildens (1745-1809). Hij werd geboren in het Belgische Voerendaal of in Klimmen, studeerde in Groningen en verbleef enige jaren in Rusland. Op zijn terugreis werd hij ingewijd in de loge ‘Zum goldenen Pflug’ in Berlijn ( 8 Mei 1778). Tenslotte vond hij een degelijke maatschappelijke positie als hoogleraar en rector magnificus in Franeker.

Het in Duitsland bijna meer dan spreekwoordelijke boek over wellevendheid en goede manieren van de adellijke vrijmetselaar Knigge werd door hem in het Nederlands vertaald. Ook dit boek komt hierna nog even aan de orde. Zijn politieke en maatschappelijke belangstelling blijkt in het bijzonder uit zijn patriottische geschrift ‘De grondwettelijke herstelling’(1784); hij zette hij zich een tiental jaren later in voor een ‘Verklaring van de regten van den mensch en burger’.

Zijn politieke poëzie bevat onder andere een ‘Treur-lied’ op de dood van Van der Capellen tot den Pol (1784) en het gedicht ‘Aan de Amsterdamsche burgers op hoop van Vrede’(1783), waarin Amerika aan de Republiek ten voorbeeld wordt gesteld. Het is treffend dat achter de hoge verwachtingen van een aantal auteurs van ‘verlichtende’ liedjes voor het volk, waartoe ook Swildens behoorde, juist de bezorgdheid schuil ging voor de nauwelijks begrepen angst voor de politieke en economische benauwende positie van de Republiek en het gebrek aan ‘waarden en normen’ van de burgers!

Zuid-Hollandse steden zoals Haarlem, Den Brielle, Leiden, Gouda en Rotterdam en zelfs ‘het dorp’ Den Haag hadden hun loges in de Achttiende eeuw doorgaans gesierd met Franse namen en met namen waarin het woord ‘deugd’ wel een plaats vond. En niet verwonderlijk is dat de Haagse loges ook toen verschilden van de Amsterdamse.

Daarnaast moeten we niet vergeten dat al deze statigheid, geleerdheid en verhevenheid werd afgewisseld door de genoegens van het samenzijn van vertrouwde broeders, die in de vrijmetselarij grotendeels nog uit een en dezelfde maatschappelijke bovenlaag bijeen waren aan hun broedermalen. Niet alleen was de vrijmetselarij jong, ook haar leden waren jong. Zo was de vrijmetselarij, zoals een vooraanstaande Belgische vrijmetselaar, de Prins de Ligne het uitdrukte, óók een ‘grande branche d’amusement’ .

We zijn te haastig, onze 18de eeuwse voorgangers geven de voorkeur aan een kalmere gang door de tijd. We zijn evenwel onmiskenbaar al een paar maal dicht bij het jaar 1787 gekomen, het jaar dat vandaag centraal staat.

Een belangrijk ogenblik in de tijd, het voert ons naar Amerika en New York, het brengt ons weer naar Europa, Frankrijk dat de revolutie voelt naderen, Duitsland dat zal gaan denken en dichten, terwijl de Lage Landen ook af en toe zeuren over ‘verloren rijkdom die er nog steeds was.
Nederland, woonde hier Jan Salie?

Oudere studies, zoals die van Kossman betwijfelen al dat de 18de Eeuw het een saaie eeuw was. Ook de recente studies (Schama, Israel, Roosendaal bevestigen dat beeld niet. Een overvolle eeuw tussen Bach en Mozart, tussen Newton en Kant, Piëtisme en Rationalisme, monarchisten en democraten. Evenwel in de Noordelijke Nederlanden groeide de bevolking niet meer en bestond uit twee miljoen mensen, het zuiden groeide naar drie miljoen inwoners. De Hollandse steden kampten met een aanzienlijke leegstand en verval van huizen, ook Haarlem en Leiden.

In het al eerder genoemde boek Het verleden van Nederland krijgt het beeld nog een ander coloriet. Het was een land waarin de randstad eigenlijk het enige dichter bevolkte gebied was. Steden en dorpen in de overige windstreken waren moeilijk te bereiken en die landstreken waren dun bevolkt, veelal onontgonnen.
Batavieren en een prinses in de polder

In ons kleine landje wordt de latere Willem V (1748-1806), althans bij naam ingezet om populariteit te verwerven in een verdeelde samenleving van prins- en staatsgezinden. Hij of zijn omgeving voegde immers aan zijn voornaam Batavus toe. Eigenlijk moet hij net als in het begin van de 19de eeuw prins Frederik op ’s vaders wenk als vrijmetselaar de eenheid van het nieuwe koninkrijk ondersteunen.

Veel haar schijnt déze Bataaf niet op zijn door een val in zijn jeugd ontbrekende voortanden hebben gehad. Dat wordt juist zijn echtgenote Wilhelmina van Pruissen toegedicht. Op haar minst was ze een kordate vrouw. We moeten wel oppassen niet weer gelijk een overdreven Kenau ten tonele te voeren, maar ze was iemand van daadkracht en gezond verstand en kwam uiteindelijk als koninginmoeder aan de Heemsteedse Dreef in Haarlem terecht. Ze ontmoette er een oude bekende uit Goejanverwellesluis, Cornelis Jan de Lange, waarover later nog meer, die ze voor een diner had uitgenodigd. Ze begroette hem, deze keer met een glimlach en deelde hem mee dat hij deze avond haar gevangene zou zijn. Misschien hebben ze samen een sigaar gerookt …

Willem V was in 1787 al ontslagen door de Staten van Holland als opperbevelhebber. Hij had zich teruggetrokken in Nijmegen, behaaglijk dicht en veilig bij de grens met Duitsland. Zijn echtgenote wilde echter terugkeren naar Den Haag. Ze werd tussen Haastrecht en Boenderpas (volgens sommigen zo genoemd omdat Napoleon er twee decennia later een ‘bon repas’ genuttigd zou hebben) in Goejanverwellesluis (Afb.1) een etmaal gegijzeld. Daardoor kreeg ze op een niet onbelangrijk punt in de geschiedenis van ons land in het eind van de 18de eeuw het Pruisische leger met 20.000 Pruisische man achter de Hollandse zaak. Ze was nu eenmaal een nichtje van Frederik de Grote.



Deze storm in een glas Oranjebitter vond plaats op 28 juni 1787, toen ze op weg naar Den Haag werd gearresteerd door een Gouds vrijkorps onder commando van Cornelis Johan de Lange, wel genoemd als vrijmetselaar. Het incident is pikant, de prinses in verzekerde bewaring tussen de kazen maar ook hier is het woord vrijkorps even meer van belang. We hebben het wel steeds over Bataven, maar voor dat de ware vrijheid van Johan de Witt de Bataafse vrijheid is, moeten we na Goejanverwellesluis nog een jaar of tien wachten. Intussen wijkt, als gezegd, een tamelijk groot aantal patriotten uit naar Duinkerken om daar elkaar te treffen in ‘ballingschap’, als gezegd, in de loge ‘Les Vrais Bataves’ die ze er oprichtten.

Een belangrijk pamflet

Al in 1781 was het beroemde, als bij toverslag wijd en zijd over de provinciën verspreide, anti-orangistische pamflet van Joan Derk van der Capellen tot den Poll verschenen onder het mom dat het in Oostende, niet ver van Duinkerken, was gepubliceerd. (Afb. 2). Het had tenminste één merkwaardig gevolg, het deed een groot aantal vrijkorpsen ontstaan waarin de burgerij zicht oefende in soldaatje spelen, ter verdediging van het vaderland, overigens ook alweer verenigingen die zich tooiden met het voorvoegsel ‘vrij’. Zoals de vrijmetselarij.

De 18de eeuw was wat Engelsen wel zeggen een ‘clubable’ tijd. Wie het al een enkele maal genoemde boek Verleden van Nederland over de 18de eeuw leest, zit als vrijmetselaar op het puntje van zijn stoel. Steeds maar meer genootschappen ter beschaving, verheffing en Verlichting worden beschreven. Maar historici houden nu eenmaal niet van vrijmetselarij ook al is die net als andere (18de eeuwse ) genootschappen eigenlijk best wel gelukkig door háár verdiensten. Aan het eind van dat welgeschreven hoofdstuk over de 18de eeuw vinden we de vrijmetselarij nog steeds niet terug. Hoe dicht ze ook aansluit op genootschappen, vrijkorpsen, maatschappijen en sociëteiten die hun traditionele gebruiken koesteren, die symbolen hanteren als de vrijheidsboom en die op hun revers zilveren schopjes dragen om te getuigen van het planten van die boom van een nieuwe tijd, zoals vrijmetselaren zich tooiden met hun zilveren troffeltjes en andere werktuigen om zich op te maken aan het werk aan ‘wereld en leven als een te voltooien bouwwerk’.

Ze dronken desnoods thee, elk uit met hun eigen symbolen gesierde theepotten, van keurig Wedgwood met patriottische symbolen of van Franse makelij gedecoreerd met passer en winkelhaak. (Afb. 3 en Afb. 4) In contrast én overeenkomst, elk met zijn eigen aard. De Hollandse steden hadden die genootschappen tot nut van iedereen (en vermaak, ook al wordt ‘kunst door arbeid verkregen’), maar het zijn in Utrecht de ‘muses ante omnia dulces’. Haarlem had zijn Hollandse Maatschappij der wetenschappen sinds 1752, en Teyler’s genootschappen, opgericht in 1756, net als de loge ‘La Vertu’ in Leiden haar werkzaamheden begint, en er tien jaar later de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ziet oprichten.
Het wonder van de Bataafse Staatsregeling

Aan het eind van de eeuw bezint Nederland zich op de vernieuwing van staat en samenleving en schrijft haar eerste moderne grondwet . Eén man die aan deze grondwet voor de Bataafse Republiek meewerkte, maakte ook deel uit van de commissie die de Vrijmetselarij in dezelfde jaren een nieuw wetboek zal geven, Jacob Abraham de Mist. Er waren overigens meer vrijmetselaren die deze Staatsregeling tot stand hielpen brengen, 22 procent van de leden van de vergadering die de wet vaststelden, waren vrijmetselaar.

De moderne tijd laat zich ook in het nieuwe maçonnieke wetboek zien: Als gevolg van de ontstane Omwenteling van 1795 kwam de Groot Loge niet eerder bijeen dan 4 juni 1797. In deze laatst genoemde bijeenkomst werd een commissie ingesteld ter herziening van het Wetboek Du Bois. Die commissie werkte onder voorzitter Jacob Abraham de Mist, die zich later Uitenhage de Mist zou mogen noemen. Al tijdens de volgende vergadering van de Groote Loge op 27 december van dat zelfde jaar werd een ontwerp door de commissie gepresenteerd. Dit ontwerp werd aan de loges gestuurd voor commentaar. De commissie werkte snel, want na de commentaren gehoord te hebben, diende zij tijdens de vergadering van het Groot Oosten 28 juni 1798 een definitief ontwerp in. dat vervolgens door de vergadering werd goedgekeurd. Op voorstel van de loge ‘Les Vrais Bataves’ werd het wetboek gedrukt. Het verschilde aanzienlijk van zijn voorgangers, er sprak een zakelijke, rationele, taal uit. Wellicht overeenstemming met de veranderde tijden. Bijna geheel weggelaten waren de ‘Oude Plichten’ en alleen een soort van grondwet of reglement was overgebleven. Niet duidelijker kon de overgang naar nieuwe tijd worden weergegeven.
Vrijheid van vereniging

Het is opmerkelijk, als in het begin van de 18de eeuw de eerste Loge in Rotterdam ontstaat, wordt ze prompt verboden, nog jaren later blijven de ‘heren van de wet’ hun bedenkingen houden. De inventaris van loge ‘Le Véritable Zèle’ ontlokt aan een bezoeker de gedachte dat het allemaal gaat om ‘wiskundige oefening benevens een burgerpraatje’. Er wordt in de loop van de eeuw door de overheden wel getwijfeld of de vrijmetselarij alleen maar met de beschouwing van de bouwkunst bezig is. Als ‘La Vertu’ in 1756 wordt opgericht, gaat dat in een Leiden vol van genootschappen en sociëteiten onder de rook van een universiteit kennelijk zonder moeilijkheden, als De Mist een paar jaar later in Kampen ‘Le Profond Silence’ opricht moet hij discrete stilzwijgendheid betrachten, want er zijn bezwaren in het stadje aan de IJssel. Het lukt evenwel ook daar om de loge tot stand te brengen.

En dan stuit ‘Vicit Vim Virtus’ in dezelfde tijd op een verbod van de Haarlemse Schout. In 1788 vraagt een aantal Haarlemmers toestemming aan de schout van Haarlem, Josias Eckhardt, om een vrijmetselaarsloge op te richten. Deze schout vertrouwt het niet en verbiedt de oprichting. Hij is bang voor een patriottische samenzwering. Zijn opvolger, schout Daniel Lodewijk Hogguer, geeft toestemming en zo kunnen de broeders beginnen. Kort daarna richten zeven broeders de loge op en vragen op 8 mei de Grote Loge om een constitutiebrief.

Een paar jaar later als de Bataafse vrijheid daagt, kunnen ze kennelijk ten volle profiteren van de nieuwe wind die op zal steken in de nieuwe wetgeving, als vrijheid van vereniging in zicht komt.

Al in het midden van de eeuw had de Amsterdamse vrijmetselaar Rousset de Missy getuigd in zijn commentaar op Locke dat er in Nederland geen plaats was voor aristocratie, alleen voor burgers. De Bataafse Republiek zal hem, in elk geval enige tijd, gelijk geven. En al koopt in de 19de eeuw een stroman nog het gebouw van de Leidse loge ‘la Vertu, de vrijheid van vereniging, vastgelegd in een wijze constitutie, voorkomt voortaan juridische obstakels. Misschien dat we om onze benaming

‘vrijmetselarij’ te verklaren een grootste gemene deler kunnen bepalen bijvoorbeeld dankzij het voorvoegsel ‘vrij’ in de namen van hier genoemde genootschappen en verenigingen. Bij Hugo de Groot en zijn kring, staat het vrije denken voorop, dat niet geknecht moet worden door een stadhouder. De Bataven wensen de vrijheden van de republiek aan te mogen hangen en hun vrijkorpsen niet te onderwerpen aan het vorstelijk gezag van een erfelijk staatshoofd. Bij de terugkeer van de Oranjes wordt van de nieuwe soevereine vorst Willem I een wijze constitutie gevergd. Belangrijke adviseurs overtuigen hem er van dat dat zeker het behoud van staatkundige vernieuwingen, wetgeving, politiek en militair belangrijke personen uit het recente verleden moest mogelijk maken.

Aan het verstaan van het begrip vrijheid werkten we, maar dat sluit geen ondeugden uit.
Een ondeugd in het verschiet?

De geschiedschrijving van de vrijmetselarij heeft heel wat te danken aan het werk van de onderzoeker van de 18de eeuw prof. dr. Hanou. Hij onderzocht ook het archief van de Haarlemse loge ‘Vicit Vim Virtus’ en stuitte op uitzonderlijke documenten Het zijn formulieren die bij de inwijding moesten worden ingevuld wanneer de kandidaat in de donkere kamer zijn levensgang en de redenen om toe te treden overdacht. Merkwaardig genoeg antwoordt een groot deel van deze inwijdelingen als antwoord op de vraag wat hun voornaamste ondeugd is ‘driftig’ te zijn! Een klein deel van de antwoorden verwijst ook naar driften die van sexuele aard zijn. Maar het gaat toch vooral om onbeheerste emotie in het algemeen. Hanou komt tot de conclusie dat de naam van de loge als ‘Deugd overwint drift’ opgevat kan worden. Drift was in het laatste decennium van de Achttiende Eeuw kennelijk een ondeugd waaraan men zich bij uitstek stoorde. Misschien kwam dit vooral, omdat immers de net verworven rede en redelijkheid het maar slecht kan vinden met de onzekerheid die juist emoties veroorzaken. Ook De Mist wijdt er in zijn ‘Aanspraak aan de Grote Loge’ een passage aan.

Er is in deze een verdere raadsman en wel de Duitse jonkheer Adolph Knigge . Zijn naam werd de aanduiding voor het genre boeken dat ons de weg in de etiquette kan wijzen, ik groeide op met de fameuze mevrouw Groskamp-Ten Have. Knigge vat echter zijn werk grondiger op in het raam van de Verlichting en is zeker ook een verstandige filosofische gids.

Hij stamde uit een verarmd adellijk geslacht en verloor zijn beide oude ouders al vroeg. Hij studeerde enkele jaren rechten in Göttingen. De adellijke Knigge, aanhanger van de Franse revolutie, zag, zoals veel van zijn tijdgenoten af van het voeren van het woordje von in zijn naam, dat zijn adellijke afkomst aanduidde. In 1796 stierf Knigge op de leeftijd van vier en veertig jaar.

Het boek, Über den umgang mit Menschen wijdt het tweede hoofdstuk aan Den Umgang mit sich selber. Ook driftigheid is een belangrijk onderwerp van Knigge.

De leden van ‘Vicit Vim Virtus’ konden zonder taalkundige problemen kennis nemen van Knigge’s werk, want de vergeten maar geenszins onbelangrijke geleerde, de vrijmetselaar J.H.Swildens, hier voor al genoemd, vertaalde zijn werk in het Nederlands . Laat ons een zien wat Knigge over drift, misschien voortvloeiend een van de hoofdzonden, meestal met het Latijnse woord ‘ira’ aangeduid, heeft te zeggen. In het derde hoofdstuk van zijn boek spreekt Knigge over jähzornige’ mensen. Ze beledigen andere mensen niet opzettelijk ze kunnen de heftigheid van hun temperament niet in de greep houden. Maar ze betreuren wat overhaastig en in drift door ze wordt gezegd en doen. Wie ze in hun woede flegmatiek bejegent, loopt het gevaar dat ze zich nog erger beledigd voelen dan wanneer men ze weerspreekt.

In de inleiding van zijn Wetboek zegt ook De Mist het een en ander over de deugd dat hier ter zake kan doen: ‘Aan allen, die prys stellen op de beoeffening van allerlei Deugden, en met Ons het geheele Menschdom wenschten te vormen tot één Huisgezin, Kinderen van éénen Vader !!! Dat zy tot Ons toetreden, die zich alzo gevoelen! Dat zy aan Ons, en wy weder aan hun, behulpsaam zyn in het verbeteren van alle die onvolmaaktheden, die Ons te samen, ook met de beste vooneemens, als Menschen aankleeven, en dat zy dan, maar ook niet eerder, hun oirdeel vellen over eene Order, die niet kan beoirdeeld worden, als door hun, die in dezelve behoorlyk zyn ingelyfd. Dan zullen zy zien, dat Onze Loges geene Tempelen zyn. voor Afgoden-dienaars, Ongodisten, of scheurzieke Twiststookers, noch Plaatsen waar men aen de Ondeugd [Blz. 10] wierookt, maar stille verzamelingen van Menschenvrienden en Broederen, die, verre van ’t gewoel, en wars van luidruchtige vermaaken, dan eens de dwaasheid der wereld belachen, dan eens derzelver verkeerdheden betreuren, maar, die alle één en onveranderlyk doel hebben, om her nuttige met het aangenaame te paaren en door betragting en aanpryzing van Deugd en Broederliefde, zich zelven, en, ware het mooglyk, het geheele Menschdom gelukkig te maken! […]’.

In zijn Aanspraak over het nieuwe wetboek voor de vrijmetselarij heeft De Mist nog een belangrijke toevoeging over de betekenis van het gelijk van de wet en de broederlijke vergevingsgezindheid: ‘Het is niet groot, altyd de wet in te roepen, en niet dan voor dwang te wyken, — zeventigmaal zeven-maal zynen Broeder te vergeven, verdient oneindig meer toejuiching, en geeft aan eene edele ziel meer inwendig genoegen, dan de volledigste triumph der Wet’. De Mist schrijft daar ook nog: ‘Maar als men de broederlyke misverstanden telkens tot onderwerpen eener omslachtige, mondelinge of schriftelijke plaidoie maaken wil, −als men by het behandelen dier verschillen, de reegelen eener beschaafde opvoeding begint te vergeeten – als men, in de hitte der driften elkanders eer en goeden naam, ook in de burgerlyke Maatschappy onschendbaar met vuile of lage uitdrukkingen bezwadderd, dan verdient onze Order niet langer den zagten naam van Broederschap […]’. (De volledige tekst van Jacob de Mist’s Aanspraak, is uitgegeven in M.J.M. de Haan, De Bataafse Revolutie en wakkere burgers. Amstelveen 2014, blz. 63 e.v.)
Zo komen we misschien dichter bij zijn verwijzing naar Matteüs 18: 21-35 in de begeleidende brief van De Mist’s Aanspraak. Het gaat om de beroemde gulden regel die enkele decennia later in de ‘Afdeeling van den Meestergraad’wordt opgenomen: ‘doe aan een ander, zoals ge wenst dat een ander aan u doet’. Misschien gaat een maçonnieke vertaling van de naam van ‘Vicit vim virtus’ meer in de richting van ‘wijsheid overwint kracht of geweld’? Of interpreteer ik teveel naar de 19de eeuwse opvattingen? Hoe dan ook die ergernis van onze voorgangers over driftige discussies, is misschien of meer dan dat de oorzaak van de afkeuring van twistgesprekken of die nu over godsdienst en politiek of iets anders gaan.

Er kriebelt nog een interpretatie. Haarlem moest na dapper verzet toezien hoe de Spanjaarden huishielden en Ripperda, de moedige bevelvoerder, ombrachten. Hielden ze in de naam van hun loge vast aan die moed, geestkracht, die ‘virtus’ die uiteindelijk met morele moed geweld overwint? De trouw om te doen wat je op jouw plaats in de samenleving moet doen? Of raken we dan teveel aan pietas, plichtsgetrouwheid, de kenmerkende deugd van Aeneas?

Ik kan de Haarlemmers niet antwoorden. Ik ben een Leidenaar, bij ons liep het anders na het beleg, maar ook in Leiden voert haar oudste Loge de deugd in haar naam. Of moeten we als vrijmetselaar de kracht in ons zelf onderwerpen aan wijsheid. Blijven we liever met Virtus dicht bij Anderson’smoral law’?
We reisden dan door de wereld en de tijd, van de ‘Holland Lodge’ in New York, naar Franse Revolutionairen, naar gevluchte Bataven in Duinkerken, naar de heldere Bataafse Staatsregeling, naar Hollandse steden die een nieuwe tijd zochten. We worden even opgehouden tussen Haastrecht en Boenderpas in Goejanverwellesluis, maar de reis gaat voort. We kwamen af en toe het woord vrij tegen, mischien wel met juist die nuances van de betekenis die we in het woord vrijmetselarij vinden.

We hadden ook nog naar Rome kunnen gaan waar paus Clemens XII in 1738 in zijn bul ‘In eminenti specula’ vrijmetselaren als liberi muratori, letterlijk dus als vrije metselaars aanduidt. Of hij het woord liberus als hier iets positiefs ziet, waag ik te betwijfelen. Hij acht vrijmetselaren in elk geval gekluisterd door een verschrikkelijke en ongepaste eed. Een vertaling als opstandig zou de bedoeling meer weergeven. In elk geval niet de vrijheid of onafhankelijk die de afgescheiden Nieuwe Vrije Loges in Amsterdam na de opvolging van prins Frederik door prins Willem Alexander bedoelden. Bij hun terugkeer in onze Orde kozen ze de naam ‘Nos Vincit Libertas’, ons bindt de vrijheid, met een andere connotatie van de betekenis van het woord liberus uit de pauselijke bul.

In het prachtige museum van de vrijmetselarij in Brussel, in een waardig oud herenhuis, trof men bij de zo geslaagde restauratie in een aan de tuin gelegen kamer, onder vele lagen 19de eeuwse wandbekleding een rest van met de hand gedrukt behang uit de 18de eeuw. Het had uitzonderlijke groentinten waarin de kleuren van de tuin zich spiegelden. Het behang was met houten gesneden blokken met de hand gedrukt met een motief dat ongetwijfeld hoorde bij het stijlvolle oude huis. De indruk die behang op een mens kan maken, trof ik ook aan in een relaas van een Rotterdammer, die zich het geschilderde behang in zijn ouderlijk huis herinnert, dat in het bombardement van 1940 verloren ging. (Mr. H.J. Knottenbelt, ‘De Boompjes’, in: Rotterdammers over Rotterdam, Herinneringen aan een verdwenen stad. Rotterdam 1946, blz. 53.)

De restaurateurs van het statige Brusselse huis lieten het behang opnieuw maken en de kamer kreeg weergaloos haar oude karakter, met die groene sfeer van een tuinkamer, terug, zo is het ook met ons vandaag gegaan, we hebben onder al die lagen van de tijd iets van het innerlijk van onze voorgangers teruggevonden, misschien wel zoiets als wat de dichter Hans Lodeizen ‘het innerlijk behang’ noemde.
Wie wil begrijpen hoe het eind van de 18de eeuw worstelde met revolutie, verlichting en christelijke religie, vindt bij uitstek in Buinster’s magistrale behandeling van Hiëronymus van Alphen, een beschrijving van een tweestrijd van moraal en rede, van deugd en een gevaarlijk revolutionair krachtenspel. Ook de Mist, grondlegger van de Bataafse Staatsregeling worstelde met dat probleem, als vrijmetselaar was voor hem toewijding aan de Opperbouwmeester des Heelals de grondslag van de 8 beoefening de deugden. Onze voorgangers kenden die tweespalt, maar de deugd moest winnen.

Het lijkt of ik tussen en achter alle geciteerde woorden een broeder van 225 jaar geleden in de ogen kijk. Hij zoekt, in het spoor van Anderson, met de overwinning van de ‘moral law’, fatsoenlijke, brave, eerlijke mensen, mensen die hij zonder de vrijmetselarij niet had leren kennen.

Misschien moet ik hem nog even vertellen over die adoptieloge, ‘La Juste’, waar vrouwen en mannen elkaar ontmoetten, een kleine reis met de trekschuit verwijderd van Haarlem? En verder? ‘Vicit Vim Virtus’ koos voor haar comparitie zaal, aan de tuinzijde van haar gebouw de kleur celadon, een warm en helder lindengroen, zoals de Loge ‘La Vertu’ die koos als onderscheidingskleur.

Er is iets met behang, vooral het innerlijke.


Afb. 1 Tekening van Cornelis Johan de Lange van Wijngaerden. Met aan de bovenzijde de aanduiding Goejanverwellesluis. De koets en de twee sjezen zijn aan het eind van de weg zichtbaar. Een van de leden van het Goudse vrijkorps

houdt de wacht in het grote huis aan de rechterzijde. De Prinses werd naar Schoonhoven gebracht om daar te overnachten.



Afb. 2 Joan Derk van der Capellen tot den Pol was zo verstandig zijn pamflet ‘Aan het Volk van Nederland’ anoniem te publiceren en deed het voorkomen of het, in Oostende was geschreven, niet ver overigens van Duinkerken, waar 30.000 patriotten een goed heenkomen zochten voor de Pruisische troepen.



Afb. 3 Er werd deftig en politiek verantwoord thee gedronken, door de prinsgezinden uit een Wedgwood pot met een Oranjeboom en het stadhouderlijk echtpaar gesierd.

Afb. 4 Vrijmetselaren kregen uit Frankrijk hún theepot gesierd met passer en winkelhaak.

Geraadpleegde bronnen
- Noord-Hollands Archief, archieftitel: Vrijmetselaarsloge Vicit Vim Virtus onder het Groot-Oosten de Nederlanden te Haarlem: www.noord-hollandsarchief.nl

- Archiefdienst voor Kennemerland, Het archief van de Vrijmetselaarsloge Vicit Vim Virtus 1788-1987, inventarisnummer 3672, of verkort als: AVK, Het archief van de Vrijmetselaarsloge Vicit Vim Virtus.
-
Vicit Vim Virtus 1788-1938. Gedenkboek uitgegeven door de achtbare loge 'Vicit Vim Virtus' in het O. van Haarlem bij de gelegenheid van haar 150-jarig bestaan, 12 mei 1788-12 mei 1938. Haarlem, 1938

- bron: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 16. Stichting Jacob Campo Weyerman, Amsterdam 1993

- 200 Jaar vrijmetselarij in Haarlem, ‘Vicit Vim Virtus’1788-1988. 200 jaar vrijmetselarij in Haarlem 'Vicit Vim Virtus' 1788-1988. Overdruk uit Thoth, tijdschrift voor vrijmetselaren, jaargang 1988, Leerlingnr. 2.

- OVN, De Stichting ter bevordering van wetenschappelijk Onderzoek naar de geschiedenis van de Vrijmetselarij in Nederland: www.stichtingovn

- Orde loges en gebouwen, Willem J. Akkermans, uitgave ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stichting Maconniek Bouwfonds.








  • Niet in naam van Oranje
  • Amerika, ver weg en toch een beetje Holland
  • Nederland, woonde hier Jan Salie
  • Batavieren en een prinses in de polder
  • Het wonder van de Bataafse Staatsregeling
  • Een ondeugd in het verschiet

  • Dovnload 62.29 Kb.