Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


En rijen is plezant 69 vuile Vlaamse volkse liedjes, tot lering en vermaak van jong en oud

Dovnload 40.18 Kb.

En rijen is plezant 69 vuile Vlaamse volkse liedjes, tot lering en vermaak van jong en oud



Datum02.08.2017
Grootte40.18 Kb.

Dovnload 40.18 Kb.




En rijen is plezant

69 vuile Vlaamse volkse liedjes , tot lering en vermaak van jong en oud
bijeengebracht door Marita de Sterck, met tekeningen van Gerda Dendooven,

uitgeverij Van Halewyck, januari 2008

Inleiding
Ik was een jaar of vijf in 1960 en zong op de speelplaats van de kleuterschool in Niel bij de Rupel uit volle borst mee: Sarah, ik heb uw gat gezien, Sarah, ’t leek wel een wasmachien.

Of een naaimachien, een grasmachien, een wreed machien, een groot machien, een vuil machien… Daarover werden destijds vinnige discussies gevoerd, ook over het gat van Charel dat eveneens werd bezongen, tenminste als de volwassenen uit de buurt waren.

Zingen en springen, het liefst in groep, betekende altijd dolle pret. En het ging om dubbele pret als de liedjes in kwestie eigenlijk niet mochten. Het geluid werd gedimd zo gauw er opvoeders opdoken, om weer aan te zwellen zo gauw ze uit het gezicht en gehoor waren verdwenen.

Bij sommige liedjes was het me duidelijk waarom ze gerekend werden tot de ‘vuile manieren’. Andere liedjes leken zo onschuldig dat de verontwaardigde reacties van de volwassenen heel wat vragen opriepen. Maar we zongen destijds wel vaker liedjes met mysterieuze tekstlijnen. En we beten – ook toen al -- nog liever onze tong af dan luidop te vragen wat ze precies betekenden.

De oudere kinderen die de speelplaats met de kleuters deelden kwamen niet meer bij als ze ons hoorden zingen: En rijen is plezant, en rijen is plezant, rijen op een karreke zonder wielen… Ik pijnigde mijn hersens. Er was dus iets met dat karreke zonder wielen. Maar wat? Zo’n karreke leek onhandig, het zou dus wel een zot zicht zijn, maar om daar nu zo hard mee te lachen? Iets ouder hoorde ik op een trouwfeest, waar in de late uurtjes het stijlregister van de gezongen liedjes wel eens kantelde, dat liedje naadloos overgaan in: En hebt ge meubelen, en hebt ge huisgerief, dan moogt ge trouwen met uw lief! Toen ging er wel een lichtje branden.
Zoals veel kinderen heb ik een en ander opgestoken uit de fantasieën die dubbelzinnige liedjes op gang trokken, maar ik heb vooral genoten van de speelse, poëtische, humoristische wijze waarop die liedjes de vleselijke liefde in taal en klank en ritme probeerden te vatten. En van het feit dat ze verboden waren natuurlijk. Mijn hele kostschooltijd doken er vuile volkse liedjes op, tot lering en vermaak aan onze kant, tot verbijstering van de nonnen als ze een flard konden opvangen van een ondeugend lied waarin ze zelf als personage mochten meespelen. Maar de kermis was de geseling waard.

Op kamp met de Belgische Jeugdbond voor Natuurstudie, zong ik als puber ’s avonds vollen bak mee uit een liedbundel met de naam Barbertje, waarin linkse liederen en pittige volkse liedjes zusterlijk naast elkaar stonden. Ook al hadden de meesten onder ons toen al enige lijfelijke ervaring terzake opgedaan, het bleef plezant om er collectief uit volle borst over te zingen.


Tijdens mijn literatuurstudies aan de universiteit van Gent stond de volkscultuur niet echt op het curriculum, al hield dialectoloog Johan Taeldeman destijds al een gloedvol pleidooi voor de rijke volkstaal en leerde ik dank zij Mieke Musschoot het werk smaken van Cyriel Buysse waarin volkszangers en volksliedjes opdoken. Ook de romans van Stijn Streuvels, over wie ik mijn thesis maakte, kwam ik intrigerende volkse liedjes tegen.

Toen ik antropologie studeerde, ging ik me toeleggen op initiatierituelen en op de verhalen die hierbij van generatie op generatie worden doorgegeven. 10.000 kilometer van huis trof ik gelaagde en gewaagde liedjes aan die me weer even in de positie van onwetende kleuter plaatsten. Bij groeirituelen in niet-westerse groepen geven de rijpere vrouwen aan de jonge meisjes vaak arbeidsliedjes door die de kadans van malen of stampen of hakken of spinnen volgen. Veel liedjes bezingen tegelijk ook de lichamelijke liefde in sprekende metaforen en geven het meisje een voorproefje van de geneugten en gevaren hieraan verbonden. Bij dat alles zorgen de liedjes ook en vooral voor onvoorstelbaar collectief zangplezier en smeden ze generaties en groepen aan elkaar. In de orale verhalen die in en rond deze initiatierituelen worden verteld zijn ook vaak liedjes verweven, om de motieven te onderlijnen, met het narratieve ritme en de spanningsboog te spelen, de personages te tekenen, de taal van de voorouders een plaats te geven...

Volksliedjes van bij ons en elders weerspiegelen niet alleen de muzikale traditie van de groep in kwestie, maar zeker ook een manier van samen leven en denken en voelen en taal zoeken. Ze trekken een lijn van het verleden naar het heden, maar naast die continuïteit is er ook ruimte voor flexibiliteit en variatie want menig zanger of verteller gaat op een creatieve manier aan de haal met het materiaal van de voorouders.
Terwijl ik opging in mijn antropologische research en in het schrijven van jeugdromans, klopten de volkse liedjes uit mijn eigen kindertijd op het raam om hun plek in mijn verhalen op te eisen. De overgrootvader uit Met huid en haar (Querido, 2004) leert Joppe de gepaste caféliedjes die een belangrijke rol spelen in hun relatie. Voor mijn historische roman Kwaad bloed (Querido, 2006) wou ik het niet houden bij de liedjes die ik destijds zelf had gehoord en gezongen maar ook breder speuren in het traditionele repertoire erotische volkse liedjes. Ik ging op zoek naar een dozijn speelse pikante liedjes uit grootmoeders tijd om ze te verweven met de groei van mijn hoofdfiguur van meisje tot vrouw in de jaren ‘50.

In december 2004 vroeg ik hierbij hulp aan Wim Bosmans, wetenschappelijk medewerker bij het Muziekinstrumentenmuseum (MIM) in Brussel, en aan volksliedkenner en –verzamelaar Roger Hessel uit Brugge.

Wim Bosmans, die met de groep Jan Smed volksmuziek brengt uit Brabant en omstreken, verzamelde traditionele muziek in het hele Vlaamse land en vooral in Midden-Brabant en de Antwerpse Kempen. Hij werkte bij het MIM jarenlang samen met de befaamde Hubert Boone op de afdeling volksmuziek. Ze publiceerden heel wat studies over volksinstrumenten in België. Zijn overzichtswerk Traditionele muziek uit Vlaanderen (Davidsfonds, 2002) was een eerste baken, terwijl hij me in de bibliotheek van het MIM wegwijs maakte in oude naslagwerken en verzamelbundels.

Met vuur bracht Roger Hessel de wereld van de marktzangers voor mij tot leven. Die marktzangers trokken destijds rond om op markten en pleinen zowel wereldbranden als lokale gebeurtenissen, van moorden tot liefdesperikelen, te bezingen. Dit alles ter informatie en vermaak, terwijl ze bijhorende ‘vliegende blaadjes’ verkochten of scènes op rolprenten en plakkaten aanwezen, zodat de toehoorders konden volgen en meezingen. Terecht werden ze door Hessel in zijn onvolprezen gelijknamige studie ‘de filosofen van de straat’ genoemd. In één adem las ik na dat boek ook zijn lijvige standaardwerk Lionel Bauwens, de onvergetelijke Tamboer (Brugge, Schoonbaert, 1984) over de marktzanger Tamboer uit Eeklo, die in blauwe boerenkiel, met pet, accordeon, brede gebaren en sprekende mimiek, zijn marktliederen zong en enorm populair was tussen de twee wereldoorlogen. Zoon van ouders die hem de volkse liedjes voorzongen, heeft Roger Hessel zijn leven lang opzoekingswerk gedaan rond het levende volkse lied. Zijn bundel Het volkslied in West-Vlaanderen (Brugge, Hessel, 1980) bevat o. a. een schat aan erotische volkse liedjes die hij noteerde bij oude zangers en vooral zangeressen. Onvermoeibaar en gepassioneerd timmert deze wandelende encyclopedie van het volkse lied verder aan nieuwe publicaties. In voorbereiding zijn o. a. een boek over het erotische lied en een boek over volksliedjes over wielrenners.


De liedjes die uiteindelijk in Kwaad bloed zijn terecht gekomen konden mij én mijn lezers van diverse leeftijden zozeer charmeren dat het plan rijpte om een liedjesbundel samen te stellen die een breed publiek van jong en oud zou kunnen bekoren. Tijdens de persvoorstelling hadden zanger Rufijn De Decker en accordeonist Geert van Snick van de groep Balladeus de in het boek opgenomen liedjes gezongen en hadden ook de jonge mensen in de zaal aangenaam verrast gereageerd. Ze erkenden dat die liedjes uit de oude doos veel eigentijdse songteksten overtroffen in vrijmoedigheid en poëtische kracht en dat het geweldig was om ze samen te zingen. Ze hadden genoten van deze intergenerationele plezierverbintenis.

Ook vandaag zingen jonge mensen in groep nog altijd, al dan niet stiekem, pikante liedjes. Mijn kinderen zingen bij de scouts niet alleen ‘Toujours, porom pompom, toujours, porom pompom, ma mère, gepakke peire !’ maar ook liedjes als:



Ik kom klaar

ik kom klaar

ik kom Klaartje halen

gaan we neu

gaan we neu

gaan we neuriën…

met mijn pik

met mijn pik

met mijn picknickmandje …

Maar ook jongeren merken het kwaliteitsverschil op tussen dit olijke eigentijdse straatliedje en de sterkere en rijpere traditionele erotische straat-, markt- en café-chantant-liederen die drijven op de kracht van het suggestieve, tenminste als die jongeren deze liedjes ooit te horen of te lezen krijgen. Maar ze kennen ze doorgaans niet.

Nog even en de overgrootouders en grootouders die van huis uit nog traditionele volkse liedjes leerden zingen, zijn er niet meer om ze uit eerste mond voor te zingen. Nog even en er is geen kennisoverdracht meer en een levende traditie dreigt verloren te gaan. Veel waardevol materiaal is ook niet in boekvorm bekend bij het brede publiek en zeker niet bij de jonge generatie, omdat pikante liedjes in nogal wat bloemlezingen, en zeer zeker in collecties bestemd voor de jeugd, uit de boot vielen. De basiswerken van kenners als Roger Hessel bereiken helaas maar al te weinig het grote lezerspubliek. En in sommige hoogculturele middens en educatieve milieus wordt spijtig genoeg nog altijd neergekeken op volkscultuur, alsof een diversiteit in stijlregisters niet een voorwaarde is voor een boeiend cultureel landschap. Hoeveel jongeren leren vandaag op school over volkszangers als Tamboer of Karel Waeri?
Misschien is de tijd nu rijp voor een bundel vuile Vlaamse liedjes waaraan ook jonge mensen plezier zouden kunnen beleven, nu het woord ‘vuil’ weer in is in de jongerentaal, net als het woordje ‘voos’, en ontdaan van moraliserende bijklanken, nu zelfs de medische wetenschap stelt : “Een beetje vuil versterkt het immuunsysteem.”

En het blijft een prachtig woord wat klankwaarde en betekenisrijkdom betreft.

In deze bundel bracht ik mijn 69 favoriete pikante volkse Vlaamse liedjes samen.

Ik geef eerlijk toe dat ik bij de selectie vooral mijn goesting heb gevolgd, met in mijn achterhoofd de vraag : wat blijft volgens mij, ook in een boek, nog altijd overeind als speelse, literaire, poëtische verkenning van het erotische, voor een breed publiek, ook van jonge mensen?

De 69 traditionele liedjes in deze bloemlezing weerspiegelen een bonte diversiteit, van zot naar tragisch, en bieden naast subversief zangplezier ook heel wat boeiende metaforen. De impliciete suggestieve erotische beeldspraak (zoals de kaars in de lantaarn, de vogel in de kooi, de koele wijn die wordt geschonken en gedronken…) kon en kan door elke luisteraar of lezer, jong of oud, zelf ingevuld worden op geheel eigen wijze.

Wie het schoentje past, trekke het aan...

De groeibevorderende kracht van metaforen, van literaire gelaagdheid en meerduidigheid voor jonge mensen is een van mijn stokpaardjes als antropoloog geworden. Net als veel volksverhalen zijn ook veel volkse liedjes doordrongen van een waarheid over het leven en de liefde die nergens anders geraapt kan worden. Suggestieve beelden kunnen het hoofd, hart en ziel van jonge mensen uitdagen om er hun betekenis in te zoeken. Metaforen en impliciete passages vragen immers altijd om een persoonlijke invulling. Ze stimuleren het fantaseren, het zich voorstellen en dus het creatieve denken. Wat niet werkelijk aanwezig is maar wel rondwaart tussen de lijnen, prikkelt het denken en voelen. Elke luisteraar of lezer van deze liedjes kan een spel van interactieve selectiviteit spelen met hun gelaagdheid. Hij of zij kan een plek geven en opnemen waar zij of hij aan toe is, of nog even laten liggen en opschorten wat al te verontrustend lijkt, tot zijn of haar tijd daar is. Betekenis kan ook opgepakt worden zonder dat ze geëxpliciteerd wordt, daarom wordt hier ook nergens een poging gedaan om de beeldspraak in de liedjes uit te leggen. De kracht van hun dubbelzinnigheid kan uitgerekend voor jonge pubers (en die puberteit valt alsmaar vroeger) en adolescenten een belangrijke rol spelen, omdat ze ruimte laat aan eigenheid en individueel groeitempo. Literaire gelaagdheid en meerduidigheid kunnen in deze fase van kwetsbare nieuwsgierigheid een vitale rol spelen op emotioneel vlak, niet los van de toenemende literaire competentie maar precies in interactie ermee. Het suggestieve blijft een van de grote krachtpunten van literatuur en ik reken deze liedjes zeker tot de literatuur.
De liedjes hebben uiteraard ook hun historisch-documentaire waarde, ze geven een inkijk in hoe het dagelijkse leven van onze voorouders eruit zag, in hoe ze de lichamelijke liefde beleefden en bezongen. Maar ik ervaar ze anno 2008 niet als hopeloos gedateerd, maar nog altijd als origineel sexy en plezant gedurfd. Ik zou willen dat mijn en andermans kroost deze liedjes leren kennen en dat ze er de schoentjes uit opvissen die hen passen.

Persoonlijk word ik ook keer op keer geraakt door hun emotionele eerlijkheid, door de creatieve manier waarop vorm is gegeven aan onze wensdromen én nachtmerries rond de liefde, de kleine kantjes incluis, aan de onstilbare verlangens die we delen over de grenzen van ruimte en tijd en sociale klassen heen.

Een selectie als deze geeft natuurlijk ook aanleiding tot boeiende conversaties over waar en wanneer iets te plat of vulgair wordt, over de grenzen van wat er nog mee door kan en wat er echt over gaat, grenzen die beweeglijk blijken in tijd en ruimte en die ook altijd veel vertellen over onszelf. Want zowel de argumenten van de aanstootnemers als die van de aanstootgevers bieden intrigerende en veelzeggende denkstof. Wim Bosmans zegt hierover: “Het is ook zo dat de zangers vroeger een onderscheid maakten tussen de expliciete vuile liedjes à la ‘Schele Vanderlinden’, ‘Stieren dat zijn wij’ en ‘De keizer van China’, die vooral in soldatenkantines en in studentenclubs werden/worden gezongen, en de suggestieve, metaforische erotische liederen, die niet aanstootgevend werden geacht voor onbegrijpende kinderoren.”

De hedendaagse lezer zal wellicht opmerken dat alle opgenomen liederen alleen gaan over de vrijages tussen een man en een vrouw, dat de homo-erotische liefde ontbreekt, dat nergens wordt gezongen over solo- of groepsseks, over perverse seks,... Voor alle duidelijkheid: niet de bloemlezer heeft deze liedjes eruit gebonjourd, ze waren op veelzeggende wijze niet aanwezig in het bronmateriaal, zoals ik ook in niet-westerse initiatieverhalen en –liedjes bijna uitsluitend materiaal aantrof over erotiek waaruit in principe ook kinderen zouden kunnen voortkomen. Ook op het terrein van het vrijmoedige erotische lied duiken dus grenzen op.


Met de verwijzingen bij de opgenomen liedjes naar uitgaven in boekvorm, naar lp’s en cd’s, met de bibliografie en discografie achteraan wil ik ook de noeste arbeid van zoveel gedreven verzamelaars en muzikanten in de kijker plaatsen. Want vandaag de dag bougeert er in Vlaanderen een en ander op het terrein van de volksmuziek. Een aantal belangrijke voortrekkers van de folkrevival uit de jaren ’60 en ’70 zijn nog actief bezig met volksmuziek. Wannes van de Velde timmert al sedert 1966 aan een rijk oeuvre met zowel traditionele liedjes in de streektaal als eigen liederen. Hubert Boone, bezieler van de groepen De Vlier, Het Brabants Volksorkest en Limbrant, brengt traditionele muziek die hij heeft opgetekend in Brabant en de Kempen. Sedert 1968 verzamelt ’t Kliekske (Herman Dewit, Rosita Tahon, Oswald Tahon en Wilfrid Moonen) bij de oudere generatie liederen, dansen en instrumenten en de groep brengt tot vandaag die rijke traditie op de scène en op cd. Op initiatief van Herman Dewit werden jaarlijkse volksmuziekstages gestart. De stages in Gooik blijken niet alleen populair, maar ook vruchtbaar. Jonge muzikanten, o. a. de groep Laïs leerden hier de volksmuziek kennen. De groep Jan Smed uit Sint-Lambrechts-Woluwe, genoemd naar een traditionele Vlaamse paardans, knoopt sedert hun start in 1969 aan bij de streekeigen volksmuziektraditie. Paul Rans, producer bij Klara, die in de jaren ‘70 diverse platen opnam met de groep RUM, nu zanger-luitspeler in Rans, Rans & Flagel, en in projecten met Wouter Vandenabeele, Gerry De Mol & Didier François en de Camerata Trajectina, brengt traditionele liederen, o. a. uit het Gruuthuse Handschrift en het Antwerps Liedboek. In samenwerking met het Davidsfonds heeft hij ook de prestigieuze reeks van acht cd's ‘Traditionele muziek uit Vlaanderen’ samengesteld, waar zowat alle grote namen uit de volksmuziek aan meegewerkt hebben. Willem Vermandere laat zich inspireren door volkse liedjes uit de westhoek. In Gent brengt Walter de Buck naast eigen werk de liedjes van de 19e-eeuwse café-chantant-zanger Karel Waeri. Karelke Waeri, ook wel de Gentse Béranger genoemd, klaagde in zijn maatschappijkritische café-chantant-liederen op onnavolgbare wijze de corruptie van de heersende klasse aan en bezong in zijn ‘vetjes’ op uitdagende en amusante manier allerhande erotische avonturen. Erik Wille (groep Erik Wille) en Rufijn De Decker (groep De Veske Voljeir en Balladeus) vertolken tot op de dag van vandaag Waeri’s repertoire en gaan nog altijd actief op zoek naar het levende volkse lied. Met hun groepen brengen ze markt- en café-chantant-liederen uit de Vlaamse zangtraditie, vaak aan de hand van zelfgeschilderde plakkaten en rolprenten. Walter Evenepoel (groep Arjaun en medewerker Muziekmozaïek), Jan de Smet (De Nieuwe Snaar), Marc Hauman (groep Hauman & de Moeite), Olla Vogala, Laïs, Ambrozijn, Kadril … allemaal putten ze op hun eigen creatieve manier uit de rijke Vlaamse liederentraditie.

In 1992 werd het Muziekinstrumentenmuseum van Brussel (MIM) als vierde departement toegevoegd aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Het museum exploreert en ontsluit de oude, moderne, wereld- en volksmuziek voor het grote publiek, ook voor kinderen en jongeren. Aan de universiteit van Leuven heeft Professor Stefaan Top jarenlang vanuit zijn volkskundeseminaries studenten gestimuleerd om op onderzoek te gaan naar het levende volkslied en een omvangrijk archief aangelegd. In het Gemeenschapscentrum De Cam in Gooik, waar ook zangavonden worden georganiseerd, is een Volksinstrumentenmuseum opgericht, waar ook geanimeerde rondleidingen voor kinderen worden aangeboden. Muziekmozaïek, eind 2001 in Gooik ontstaan uit de fusie tussen de Volksmuziekfederatie en Jazz Vlaanderen, is in Vlaanderen hét aanspreek- en steunpunt geworden voor al wie bezig is met folk en/of jazz. Ze organiseren cursussen en evenementen, publiceren tijdschriften, boeken en cd's, en bezitten een documentatiecentrum met partituren, vliegende blaadjes, oude veldopnamen, cd's, vakliteratuur,... Op initiatief van Johan Taeldeman, emeritus hoogleraar Nederlandse Taalkunde van de Universiteit Gent, dialectoloog en volksmuziekliefhebber, en van Walter Evenepoel, muzikant en medewerker van Muziekmozaïek, heeft zelfs de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren in het voorjaar van 2007 in Gent vier avonden georganiseerd rond het volkslied in Vlaanderen, waarbij vorsers, zangers en muzikanten een overzicht brachten, van het Antwerps Liedboek van 1544 tot het levende volkslied van vandaag.

In 2002 verscheen de achtste en laatste cd uit de eerder genoemde reeks ‘Traditionele muziek uit Vlaanderen’, gewijd aan de hedendaagse volksmuziek in Vlaanderen, waarbij invloeden uit andere culturen en muziekgenres opduiken. In die zin biedt de volksmuziek ook nu een intrigerende spiegel van de samenleving waaruit ze groeit.
In het kielzog van deze gedreven initiatieven wil ik met dit boek proberen om het traditionele erotische lied onder de aandacht te brengen bij een breed publiek van jong en oud. Ik heb zeker niet de pretentie om een bijdrage tot de vakliteratuur te willen leveren, dit boek is geen wetenschappelijke editie. De liedjes spreken voor zich, ze worden niet uitgelegd. Slechts een beperkte rij woordverklaringen werd toegevoegd, vooral ten grieve van hedendaagse jongeren. Middelnederlandse liedjesteksten die te veel context en uitleg behoefden, zijn hier niet opgenomen.

Deze bundel bevat zowel oraal als geschreven materiaal. Er zijn de liedjes die ik zelf heb gehoord en gezongen, maar ook veel anonieme liedjes die door hedendaagse deskundigen als Roger Hessel, Wim Bosmans, Rufijn De Decker… uit de volksmond zijn opgetekend of in liedschriften werden gevonden, want nog altijd valt er op het veld veel boeiend materiaal te sprokkelen.

Een groot aantal liedjes zijn geplukt uit de bundels bijeengebracht door volksliedverzamelaars uit de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw, zoals Edmond de Coussemaker, Jan Bols, Albert Blyau en Marcellus Tasseel, Lambrecht Lambrechts, Pol Heyns (de pionier van de veldopnamen in Vlaanderen, die vanaf 1936 in opdracht van de NIR veldopnamen maakte met zijn fonograaf), Theophiel Peeters, Richard Vankenhove en Adhémar Lepage … De twee laatste volkskundigen bundelden meer dan 300 Gentse straatliedjes en voorzagen ze van commentaar, waarbij ze zich uitvoerig excuseerden voor de meer ondeugende staaltjes, die ze ook niet altijd durfden af te drukken, zinnen en woorden werden wel eens vervangen door puntjes.

Ook marktliederen als die van Tamboer, die op vliegende blaadjes zijn verschenen, en een aantal café-chantant-liederen, als de ‘vetjes’ van Karel Waeri, postuum bijeengebracht door zijn zoon en in 1899 gepubliceerd door weduwe Waeri, zijn in dit boek opgenomen.

De liedjes staan in alfabetische volgorde, geclasseerd op het eerste woord uit de titel, ook als dat een lidwoord is. Omdat liedjes niet alleen gelezen maar ook gezongen moeten worden is bij elk liedje een muzieknotatie opgenomen. Waar die niet terug te vinden was, is een melodie aangegeven die teruggaat op de zangwijze uit die tijd. Wilfrid Moonen van ’t Kliekske, docent diatonisch accordeon aan de muziekschool in Gooik, zorgde voor de muzieknotaties in dit boek.
Ik ben slechts een vrouw van het woord, zonder de hulp van de gedreven navorsers en muziekverzamelaars en van de echte muzikanten had ik dit boek nooit kunnen maken.

Mijn dank gaat allereerst uit naar Roger Hessel, gepassioneerd verzamelaar én zanger van volkse liedjes; naar Wim Bosmans van het Muziekinstrumentenmuseum (MIM) in Brussel die de volksmuziek een plaats geeft in zijn wetenschappelijk werk én als leraar; naar Rufijn de Decker die in talloze liedjesschriften het volkse repertoire van Ninove en omstreken verzamelt en het met gloed op de scène brengt, geïllustreerd met zelfgeschilderde volksprenten; naar Herman Dewit, collectioneur van volksliederen en -melodieën en instrumenten; naar Walter Evenepoel, zanger en tekstschrijver van Arjaun en stafmedewerker bij Muziekmozaïek; naar Erik Wille, een van de boegbeelden van de hedendaagse Vlaamse marktzangers die de populairste volksliederen van 1850 tot 1920 weer op de scène brengt; naar Paul Rans, producer bij Klara en zanger-luitspeler bij diverse ensembles, en naar de mensen van Muziekmozaïek, voor hun waardevolle hulp bij deze selectie.

Uiteraard wil ik Wilfrid Moonen bedanken die ervoor zorgde dat dit boek ook zal klinken.

Al bij het prille collectioneren zag ik tekeningen van Gerda Dendooven bij deze liedjes opduiken. Stijlvol en gedurfd speelt ze met de impliciete stijlregisters. Zonder haar werk zou dit boek niet hetzelfde zijn.

Last but not least wil ik uitgever André Van Halewyck bedanken voor de onmiddellijke enthousiaste reactie op het concept.
Een bloemlezer is slechts een schakeltje in een ketting.

Dat geldt zeer zeker voor wie materiaal uit de volkscultuur verzamelt.

Dit boek wordt gedragen door zovele monden en ogen en oren.

Ik heb de wereld van de volksmuziek mogen ervaren als een ontzettend genereuze wereld.

Het was dus een feest om dit boek te mogen samenstellen.

Als ik deze plezierverbintenis zou kunnen delen,

als deze bundel een brokje volkscultuur weer in de aandacht zou brengen bij jong en oud,

als deze bloemlezing kansen zou creëren op onvervalst zangplezier,

is mijn plezier helemaal compleet.

Marita de Sterck, november 2007

INHOUD
Aanzoek

Dat klein topje deugd

De boerinne met de vinkjes

De borstelmarchand

De drie mamerekens

De grendel en de klink

De jager

De jager en zijn wild

De lepels

De liereman

De molenaarszoon

De mosselman

De notenkraker

De palingvisser

De pruimen

De pruimendief

De snuifdoos

De stekelare of de keersepanne

De stoop

De vogel en de muit

De waterplas

Den Etterbeekschen Kermis / ‘K kwam het lest met mynen minnaer

Den houtenman / Een mirakel

Die benauwd is van de blaad’ren

Een meisje van zeventien jaar

En hij heeft zijn lief vermoord

En rijen is plezant

Fri Fra Fransken

Het kuise nonnetje

Het loze vissertje

Het mislukte offensief

Het naaimachien

Het Preekmijnheerken

Het speelhof van Louise
Het vliegmachien / In zijne aeroplaan


Houd uw kanneke vaste

Iedere jongen moet het weten,

Ik heb een bloemeke geplukt

Ik leerde Marieke per auto rijden

Ik reed op Anna hare fiets

In het park van de nachtegaal

Jagen is mijn plezier

k Heb een vogeltje gevangen


Lied van mijn kloten


Lied van ’t haantje

Marleentje
Mijn allerliefste meisje
Na de nacht van trouwen


O Ja Ja

O Madeleine

Onze Jan die kwam eens

Pier heeft ne prijsvogel zitten        

Sanderjon en de boerin

Streep, streep, en onder hare reep
’t Lanteerntje

t Pluimken



t Vliegerke

Twee emmertjes

Van Cupidoken

Van den Knapzak

Van in mijn jonge jaren

Van ’t ruitertje

Viool en fluit/Adam en Eva in ’t aardsch paradijs
Vrijersliedje


Warme garnars

Wup wup

Ze heeft een pakske

Zeg Mijnheer, uwen haane kraait niet meer

Ziet de boerinnen

  • INHOUD Aanzoek Dat klein topje deugd De boerinne met de vinkjes De borstelmarchand De drie mamerekens
  • De mosselman De notenkraker De palingvisser De pruimen De pruimendief De snuifdoos
  • Den Etterbeekschen Kermis / ‘K kwam het lest met mynen minnaer Den houtenman / Een mirakel Die benauwd is van de blaad’ren
  • Het loze vissertje Het mislukte offensief Het naaimachien Het Preekmijnheerken
  • Ik heb een bloemeke geplukt Ik leerde Marieke per auto rijden Ik reed op Anna hare fiets In het park van de nachtegaal
  • Marleentje Mijn allerliefste meisje Na de nacht van trouwen O Ja Ja O Madeleine Onze Jan die kwam eens
  • Zeg Mijnheer, uwen haane kraait niet meer Ziet de boerinnen

  • Dovnload 40.18 Kb.