Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


End product Wing Lok

Dovnload 0.87 Mb.

End product Wing Lok



Pagina5/12
Datum05.12.2018
Grootte0.87 Mb.

Dovnload 0.87 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

Contents Anisia



Endeldarmkanker

Wat is endeldarmkanker?

In alle delen van de dikke darm kan kanker ontstaan: dikkedarmkanker. Ongeveer 75% ontstaat in de laatste delen van de dikke darm. Ongeveer een derde van alle tumoren in de dikke darm ontstaan in het allerlaatste deel: de endeldarm. Dit heet endeldarmkanker. Endeldarmkanker ontstaat bijna altijd uit een poliep in de darmwand. Een poliep is een goedaardige tumor. Poliepen kunnen kwaadaardig worden. Een kwaadaardig gezwel is kanker.



Hoe herken je endeldarmkanker?

In laatste deel van de dikke darm en de endeldarm is de ontlasting al ingedikt. Een tumor op deze plek kan de darm vrij snel verstoppen. U kunt hierdoor de volgende symptomen krijgen:



  • veranderingen in de stoelgang, bijvoorbeeld verstopping of afwisselende verstopping en vaak kleine beetjes diarree wat vaak erg sterk ruikt

  • zichtbaar bloed en/of slijm bij de ontlasting

  • krampende buikpijn

  • loze aandrang: het gevoel hebben te moeten poepen

  • een vol gevoel

  • gebrek aan eetlust

  • verandering van het ontlastingspatroon: bijvoorbeeld hoe vaak u moet poepen

  • winderigheid

Wat te doen bij endeldarmkanker?

U kunt de volgende behandelingen krijgen:



  • bestraling of chemoradiatie voor de operatie

  • darmoperatie

  • palliatieve operaties: een palliatieve behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering of het voorkomen van klachten

  • palliatieve chemo en/of doelgerichte therapie

  • palliatieve bestraling

Bij endeldarmkanker is een operatie de meest toegepaste behandeling. Vaak is een combinatie van deze behandelmethoden nodig.

Uw behandelend arts maakt samen met een aantal andere specialisten een behandelplan voor u. Zij gebruiken hiervoor landelijke richtlijnen en ze kijken naar:


  • het stadium van de ziekte

  • kenmerken van de tumor, bijvoorbeeld hoe kwaadaardig deze is

  • de plaats van de tumor

  • uw lichamelijke conditie

Wat nu?

De gevolgen waarmee u te maken krijgt, kunnen heel verschillend zijn. Soms hebben die met de ziekte zelf te maken. Soms met de behandeling. Ook uw leeftijd en lichamelijke conditie spelen een rol.

Voorbeelden van gevolgen waarmee u te maken kunt krijgen zijn:


  • angst voor terugkeer van de ziekte

  • onzekerheid over het verdere ziektebeloop

  • somberheid

  • vermoeidheid

  • veranderingen in uw uiterlijk

  • ongewenst gewichtsverlies of gewichtstoename

  • veranderingen in uw relatie

  • een andere beleving van seksualiteit

  • concentratieproblemen

  • leren omgaan met pijn

  • financiële gevolgen

Sommige gevolgen zijn tijdelijk en verdwijnen weer na de behandeling. Andere gevolgen gaan niet over. Ook als de ziekte niet meer terugkeert, zijn ze blijvend. Dit noemen we chronische gevolgen. Een bekende chronische klacht na de behandeling is vermoeidheid.

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over borstkanker kunt u kijken op de volgende website:



https://www.kanker.nl/endeldarmkanker

De informatie op deze pagina is afkomstig van www.kanker.nl, een informatieplatform met relevante en betrouwbare informatie over kanker(soorten). Het platform is een initiatief van KWF Kankerbestrijding, patiëntenbeweging LevenmetKanker en IKNL. Deze site is geraadpleegd op 17 december 2015.



Erfelijke borst- en eierstokkanker

Wat is erfelijke borst- en eierstokkanker?

Erfelijke borstkanker

Van alle mensen met borstkanker is bij 5 tot 10% een erfelijke aanleg de oorzaak van de ziekte. Bij erfelijke borstkanker ontstaat de ziekte gemiddeld op jongere leeftijd en bij meerdere familieleden dan wanneer borstkanker niet erfelijk is. Ook komt het bij erfelijke borstkanker vaker voor dat in beide borsten kanker wordt gevonden. Borstkanker komt bij ruim 13% van alle vrouwen in Nederland voor. Wanneer er in een familie 1 of 2 vrouwen borstkanker hebben (gehad), hoeft dat dus niet per se veroorzaakt te zijn door een erfelijke aanleg.  


Erfelijke eierstokkanker

Ongeveer 10% van de vrouwen met eierstokkanker krijgt de ziekte door een erfelijke aanleg. Eierstokkanker is een vrij zeldzame ziekte. Elke vrouw met eierstokkanker komt in aanmerking voor erfelijkheidsonderzoek. Er wordt dan DNA-onderzoek gedaan. Wanneer er geen erfelijke aanleg gevonden wordt, kan het gaan om:



  • Een familiaire vorm van eierstokkanker. De ziekte komt dan wel vaker voor in de familie, maar is er is geen erfelijke gen verandering gevonden die het risico op eierstokkanker vergroot.

  • Het gaat niet om een erfelijke vorm

Wordt er wel een afwijking in het DNA gevonden? Dan is het erfelijke eierstokkanker.



Hoe herken je erfelijke borst- en eierstokkanker?

Symptomen van erfelijke borstkanker

Voelen uw borsten anders aan, dan u gewend bent en ziet of voelt u één van de volgende symptomen, dan is het verstandig om direct uw (huis)arts te raadplegen:



  • een ongewoon knobbeltje in de borst

  • schilfering en roodheid van de tepel of kuiltje in de borst

  • sinds kort ingetrokken tepel

  • strenge(tje) naar de tepel

  • vocht uit de tepel (bloederig, waterig, groen van kleur of melkachtig)

  • warm aanvoelende borst met een rode verkleuring van de huid

  • een slecht genezend plekje

  • pijnlijke, anders aanvoelende plek in de borst

  • zwelling in de oksel

Symptomen bij erfelijke eierstokkanker

Breidt eierstokkanker zich uit, dan kunt u last hebben van:



  • een opgeblazen gevoel of dikke buik: dit merkt u vaak doordat kleren niet goed meer passen

  • vol gevoel en/of moeite met eten

  • misselijkheid

  • bekken- of buikpijn

  • vaker dan normaal plassen

  • verstopping

  • Ook kunt u last hebben van vermoeidheid en gewichtsverlies, zonder duidelijke reden.

Wat te doen bij erfelijke borst- en eierstokkanker?

Erfelijke borstkanker:

De meest toegepaste behandelingen bij borstkanker zijn:



  • operatie

  • bestraling

  • chemotherapie

  • hormonale therapie

  • doelgerichte therapie

  • borstprothese en reconstructie


Erfelijke eierstokkanker:

U kunt de volgende behandelingen krijgen:



  • operatie

  • chemotherapie

  • doelgerichte therapie (targeted therapy)

Meestal is een uitgebreide operatie mogelijk en zinvol als start van de behandeling. Dit kunnen 2 verschillende operaties zijn: 



  • een stadiëringsoperatie, om het stadium vast te stellen

  • een debulkingsoperatie, om uitgebreide tumor te verwijderen

Vroeg stadium

Blijkt na de onderzoeken en de stadiëringsoperatie dat het om een stadium I of II tumor gaat, dan kan operatieve verwijdering voldoende zijn. U krijgt dan meestal geen chemotherapie.
Gevorderd stadium

Eierstokkanker geeft meestal pas in een later stadium klachten. De kans is daarom groot dat u eierstokkanker in stadium III of IV heeft. De therapie bestaat dan uit een operatie in combinatie met chemotherapie. 


Veel mensen krijgen een combinatie van de genoemde behandelingen. Uw behandelend arts legt uit welke behandeling het best bij uw situatie past. Als patiënt heeft u recht op goede en volledige informatie over uw ziekte en behandeling, zodat u hierover zelf kunt beslissen. Deze rechten zijn wettelijk vastgelegd. Vraag de arts of verpleegkundige om meer informatie.
Om een zo goed mogelijke behandeling te kunnen geven, is het onder andere belangrijk te weten:

  • welke kenmerken de tumor heeft

  • in welk stadium de borstkanker verkeert

  • of er sprake is van erfelijke belasting

  • of er uitzaaiingen zijn


Wat nu?

Erfelijke borstkanker:

Soms kunnen klachten al tijdens de behandeling ontstaan. Soms treden ze pas jaren na afloop van de behandeling op. Deze klachten noemen we late gevolgen. Onder late gevolgen verstaan we langdurige veranderingen die men ervaart op psychisch en/of lichamelijk gebied, door borstkanker en/of na de behandeling voor borstkanker, waardoor het dagelijks functioneren gehinderd wordt. Late gevolgen waarmee u te maken kunt krijgen, zijn:



  • vermoeidheid

  • zenuwpijn

  • lymfoedeem

  • cognitieve klachten zoals geheugen- en concentratiestoornissen

  • hartfalen 

  • overgangsklachten

Erfelijke eierstokkanker:

Voorbeelden van gevolgen waarmee u te maken kunt krijgen zijn:



  • angst voor terugkeer van de ziekte

  • onzekerheid over het verdere ziektebeloop

  • somberheid

  • vermoeidheid

  • veranderingen in uw uiterlijk

  • ongewenst gewichtsverlies of gewichtstoename

  • veranderingen in uw relatie

  • een andere beleving van seksualiteit

  • concentratieproblemen

  • leren omgaan met pijn

  • financiële gevolgen


Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over erfelijke borst- en eierstokkanker kunt u kijken op de volgende website: https://www.kanker.nl/bibliotheek/erfelijke-borst-en-eierstokkanker/wat-is/6811-erfelijke-borst-en-eierstokkanker



De informatie op deze pagina is afkomstig van www.kanker.nl, een informatieplatform met relevante en betrouwbare informatie over kanker(soorten). Het platform is een initiatief van KWF Kankerbestrijding, patiëntenbeweging LevenmetKanker en IKNL. Deze site is geraadpleegd op 17 december 2015.

Essentiele trombocytemie

Wat is essentiele trombocytemie?

Essentiële trombocytemie (ET) is een zeldzame aandoening van het beenmerg. Bij deze ziekte ontstaan er teveel bloedplaatjes. Met als gevolg een verhoogd risico op bloedstolsels in de aders (veneuze trombose) of slagaders (arteriële trombose). Essentiële trombocytemie wordt ook wel essentiële trombocytose genoemd.



Hoe herken je essentiele trombocytemie?

Essentiële trombocytemie ontstaat geleidelijk. Patiënten hebben vaak jarenlang geen symptomen. De afwijking komt vaak toevallig aan het licht bij een routinecontrole van het bloed.

Naarmate de ziekte voortschrijdt en het aantal bloedplaatjes toeneemt, zal het bloed sneller stollen door samenklontering van de bloedplaatjes. Dit kan stoornissen veroorzaken in de kleine bloedvaatjes met als gevolg:


  • hoofdpijn

  • tintelingen, ernstige pijnen (erythromelalgie) of blauwkleuringen (cyanose) in handen, vingers, voeten of tenen.

  • problemen met zien: wazig zien, blinde vlekken hebben of lichtflitsen zien

Wat te doen bij essentiele trombocytemie?

Essentiële trombocytemie is niet te genezen, maar met een goede behandeling leven mensen met deze ziekte nog vele jaren, vaak meer dan 15 tot 20 jaar. De behandeling verschilt per persoon.

U krijgt altijd medicijnen tegen trombose (aspirine® of ascal®). Daarnaast kunt u nog 1 van de volgende behandelingen krijgen:


  • chemotherapie met hydroxycarbamide of busulfan

  • immunotherapie met interferon-alfa

  • behandeling met anagrelide

Verschillende artsen maken samen voor u een behandelplan. Zij gebruiken hiervoor landelijke richtlijnen.

Bij het bepalen van de behandeling kijken zij altijd naar uw medische verleden. Hebt u bijvoorbeeld eerder trombose of een hart- of vaatziekte gehad? Ook kijken ze naar risicofactoren, zoals:


  • hoge bloeddruk

  • suikerziekte

  • roken

  • verhoogd cholesterolgehalte

  • leeftijd

Op basis van de risicofactoren, wordt u ingedeeld in een risicogroep. De behandeling wordt hierop aangepast.

Wat nu?

Essentiële trombocytemie kan verschillende gevolgen hebben:



  • Trombose. Door het verhoogde aantal bloedplaatjes is er een toegenomen risico op een bloedstolsel in de aderen of de slagaderen (trombose). Dit betekent dat er ook een toegenomen kans is op een hartinfarct of een herseninfarct. Ook is er een risico op trombose van de buikaderen. Een bloedstolsel in de buikaderen leidt tot vergroting van de lever en milt, leverfunctiestoornissen maar veroorzaakt soms ook `spataderen´ van de slokdarm (slokdarmvarices). Vanuit deze ‘spataderen’ kan een bloeding ontstaan. De kans op trombose wordt groter naarmate u ouder bent en ook het aantal bloedcellen (rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes) meer verhoogd is.

  • Een verhoogde kans op bloedingen als het aantal bloedplaatjes hoger ligt dan 1.500 miljard per liter bloed. Bij sommige patiënten met heel hoge bloedplaatjes kan een tekort ontstaan aan de vonWillebrand factor met een verhoogde kans op bloedingen. Dit kan zich uiten in bloedneuzen, bloedend tandvlees, blauwe plekken of hevige menstruatie.

  • Door stoornissen in de bloedcirculatie in de organen in de buikholte, kunnen pijnaanvallen optreden.

  • Een klein deel van de patiënten heeft een vergrote milt.

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over essentiele trombocytemie kun u kijken op de volgende website: https://www.kanker.nl/bibliotheek/essentiele-trombocytemie/wat-is/7531-essentiele-trombocytemie



De informatie op deze pagina is afkomstig van www.kanker.nl, een informatieplatform met relevante en betrouwbare informatie over kanker(soorten). Het platform is een initiatief van KWF Kankerbestrijding, patiëntenbeweging LevenmetKanker en IKNL. Deze site is geraadpleegd op 17 december 2015.

Ewingsarcoom

Wat is ewingsarcoom?

Een ewingsarcoom is een gezwel in of bij het bot of in het steunweefsel. Dit gezwel is kwaadaardig en zaait in 20-25% van de gevallen uit naar andere botten, het beenmerg of de longen. Het sarcoom is vernoemd naar zijn ontdekker, professor James Ewing. Een ewingsarcoom ontstaat:



  • meestal in het bot. Het kan in het hele lichaam voorkomen, zowel in platte botten (het bekken en de ribben) als in de pijpbeenderen (het dijbeen, scheenbeen en de bovenarm). 

  • soms in de weke delen (spieren en bindweefsel) 

Deze vorm van kanker komt het meest voor bij kinderen en pubers, maar kan ook bij jongvolwassenen voorkomen. Het is niet duidelijk uit wat voor cellen het ewingsarcoom ontstaat. Omdat het ewingsarcoom meestal in bot- of steunweefsel voorkomt, worden deze tumoren onder bottumoren of wekedelentumoren ingedeeld.



Hoe herken je ewingsarcoom?

De eerste klacht van ewingsarcoom is vaak pijn, vooral ‘s nachts. De pijn zit meestal rond of in het bot. Soms is een zwelling te zien. Ook kunt u last hebben van moeheid, gebrek aan eetlust, gewichtsverlies en koorts. Ligt de tumor dicht bij een gewricht? Dan kunt u bepaalde bewegingen nog maar beperkt maken. Bijvoorbeeld uw arm of been strekken. Door de tumor kan het bot verzwakt zijn. Dit kan een botbreuk veroorzaken.



Wat te doen bij ewingsarcoom?

U kunt de volgende behandelingen krijgen:



  • chemotherapie

  • een operatie 

  • bestraling

Vaak krijgt u een combinatie van deze behandelingen:



  • Eerst krijgt u chemotherapie om de tumor kleiner te maken. 

  • Daarna krijgt u een operatie waarbij de tumor verwijderd wordt. Is een operatie niet mogelijk, dan wordt de tumor plaatselijk bestraald.

  • Na de operatie of bestraling krijgt u een nabehandeling met chemotherapie om de resterende kankercellen te doden. 

De totale behandeling duurt ongeveer 1 jaar. 



Wat nu?

Voorbeelden van gevolgen waarmee u te maken kunt krijgen zijn:



  • angst voor terugkeer van de ziekte

  • onzekerheid over het verdere ziektebeloop

  • somberheid

  • vermoeidheid

  • veranderingen in uw uiterlijk

  • ongewenst gewichtsverlies of gewichtstoename

  • veranderingen in uw relatie

  • een andere beleving van seksualiteit

  • concentratieproblemen

  • leren omgaan met pijn

  • financiële gevolgen

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over ewingsarcoom kun u kijken op de volgende website: www.kanker.nl/ewingsarcoom



De informatie op deze pagina is afkomstig van www.kanker.nl, een informatieplatform met relevante en betrouwbare informatie over kanker(soorten). Het platform is een initiatief van KWF Kankerbestrijding, patiëntenbeweging LevenmetKanker en IKNL. Deze site is geraadpleegd op 17 december 2015.

Galblaaskanker
Wat is galblaaskanker?
Galblaaskanker is een vorm vam kanker die onstaat in de galblaas. Galblaaskanker is een zeldzame vorm van kanker. Het komt meestal op latere leeftijd voor en komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.
Hoe herken je galblaaskanker
De precieze oorzaak van galblaaskanker is nog niet bekend. Er zijn maar weinig patiënten met deze ziekte waardoor het moeilijk is om hier onderzoek naar te doen. Er zijn wel een aantal risicofactoren voor galblaaskanker bekend:

  • overgwicht

  • galstenen

  • hoge leeftijd

  • poliepen in de galblaas

  • chronische galblaasontsteking

De symptomen van de ziekte zijn vaak maar vaag aanwezig, waardoor de ziekte pas laat wordt ontdekt. De volgende symptomen kunnen voorkomen bij galblaaskanker:

  • gewichtsverlies

  • verlies van eetlust

  • geelzucht

  • vermoeidheid

  • pijn in de buik (rechtsboven)


Wat te doen bij galblaaskanker?

De behandeling die je krijgt verschilt per persoon. Er zijn verschillende mogelijkheden. De meest uitgevoerde behandeling is het verwijderen van de galblaas. Soms krijg je naast of in plaats van de operatie ook chemotherapie of bestraling. Chemotherapie of bestraling worden in het geval van galblaaskanker alleen gebruikt om symptomen te verminderen als genezing niet meer mogelijk is. Als de afvoer van gal door de tumor verstoord is en leidt tot geelzucht wordt er een stent in de galblaas geplaatst. Dit is een leine buisje wat de doorgang van gal mogelijk maakt.

Wat nu?

De prognose van galblaaskanker hangt af van uw persoonlijke situatie. Daarnaast hangt het af van het stadium van de tumor en het moment van de diagnose. Hoe later de diagnose hoe minder gunstig de diagnose. Vaak zit de tumor dan al in een gevorderd stadium.


Wie is het aanspreekpunt?
Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.
Voor meer informatie:
Voor meer informatie over galblaaskanker kun u kijken op de volgende website:

http://www.gezondheidsplein.nl/aandoeningen/galblaaskanker/item35718



Hoornvliestransplantatie

Wat is hoornvliestransplantatie?

Als een hoornvlies troebel en/of onregelmatig is geworden kan het zicht worden hersteld door

transplantatie, dat wil zeggen vervanging, van het hoornvlies. Dit kan plaatsvinden als het netvlies en

de oogzenuw goed functioneren. Een troebele ooglens, ook wel staar genoemd, is geen bezwaar.

Vaak kan de staar ook geopereerd worden, regelmatig ook wel tegelijk met de

hoornvliestransplantatie. Voordat overgegaan wordt tot transplantatie zal soms eerst nog m.b.v. een

harde contactlens geprobeerd worden verbetering van het zicht te bewerkstelligen. Maar zo’n

contactlens kan ook wel eens niet meer helpen, of het gebruik ervan kan niet worden verdragen.



Hoe herken je hoornvliestransplantatie?

Verwondingen van buitenaf kunnen het hoornvlies blijvend beschadigen. Dit kan bijvoorbeeld

gebeuren door scherpe voorwerpen (messen, scharen), maar ook door verbrandingen en etsende

stoffen (zuren, logen), en met name ook door verwondingen door vuurwerk. Het dragen van een

veiligheidsbril had in de meeste van deze gevallen hoornvliesbeschadiging en dus slecht zicht kunnen

voorkomen.

Hoornvliestroebelingen en ‐vervormingen kunnen ook optreden ten gevolge van een ziekte. Een

belangrijke oorzaak is een infectieziekte. Voorbeelden hiervan zijn een bacterieontsteking, die soms

kan optreden bij het dragen van contactlenzen, of een Herpes‐virus‐ontsteking van het hoornvlies.

Een andere groep aandoeningen die hoornvliestroebeling veroorzaken zijn erfelijke aandoeningen.

Keratoconus, een spitser en steiler wordende vervorming van het hoornvlies, is een voorbeeld van

een aandoening die verslechtering van het zicht veroorzaakt vooral door vervorming van het

hoornvlies. Uw oogarts kan u vertellen welke hoornvliesaandoening bij u de oorzaak is van de

verslechtering van uw zicht.



Wat te doen bij hoornvliestransplantatie?

Het principe van een hoornvliestransplantatie is, dat er een rond schijfje uit het zieke hoornvlies

wordt verwijderd en wordt vervangen (getransplanteerd) door zo’n zelfde schijfje uit een helder

donorhoornvlies.

Er zijn verschillende types van hoornvliestransplantaties. Bij de meeste types transplantaties wordt

het schijfje donorhoornvlies met hechtingen rondom vastgemaakt in uw eigen hoornvlies. In de

bijlage worden in het kort de belangrijkste types hoornvliestransplantaties besproken en toegelicht

met schematische weergaven. Elk type transplantatie heeft zijn eigen eigenschappen en zijn eigen

voor‐ en nadelen. Het type transplantatie dat in uw geval gekozen is of zou kunnen worden, hangt af

van de oorzaak van uw hoornvliesprobleem en van de voorkeur voor/ervaring met de diverse types

transplantaties van uw oogarts. U kunt het beste met uw oogarts bespreken welk type transplantatie

er in uw geval kan worden toegepast. Voor nog meer technische details over de types

hoornvliestransplantatie kunt u ook het beste met uw eigen oogarts overleggen.

Of de operatie onder narcose of onder plaatselijke verdoving plaatsvindt, is van meerdere factoren

afhankelijk. Dit geldt ook voor de vraag of u rond de operatie in het ziekenhuis wordt opgenomen of

dat deze in dagbehandeling plaatsvindt. Soms zijn meerdere opties mogelijk. Dit kunt u het beste

voor de operatie met uw oogarts bespreken.

Wat nu?

Het oog is na een hoornvliestransplantatie blijvend kwetsbaar. Dit geldt voor alle types

hoornvliestransplantatie in meer of mindere mate. Vermijd daarom te allen tijde wrijven, duwen en

stoten tegen het oog.

Het beste is om met name de eerste weken na de operatie het oog extra te beschermen, overdag

met een bril, eventueel zonder sterkte in het glas (“vensterglas”), en 's nachts met een

beschermkapje.

Soms treedt er een afstotingsreactie op het donorhoornvlies op, waardoor het opnieuw troebel kan

worden (afstoting betekent dus niet: loslaten) . Deze afstoting kan op ieder moment optreden, soms

nog jaren na de transplantatie. Verschijnselen van afstoting kunnen zijn:



  • pijn of irritatie aan het oog,

  • roodheid van het oog,

  • waziger gaan zien,

  • gevoeligheid voor licht.

Afstoting kan op ieder moment, dus ook nog jaren na de operatie, optreden.

Als er een hechting los is gaan zitten geeft dat vaak het gevoel alsof er een vuiltje in het oog zit. Een

loszittende hechting kan, onbehandeld, soms leiden tot een ontsteking (infectie) in of een

afstotingsreactie op het donorhoornvlies.



Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over hoornvliestransplantatie kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/hZ/qN/hZqNT5AucRzikqbxE0zByg/Hoornvliestransplantatie-2010.pdf



Intravitreale injecties

Wat zijn intravitreale injecties?

Een intravitreale injectie is een injectie met geneesmiddel in het glasachtig lichaam van het oog. Het oog

bestaat van buiten naar binnen uit de harde oogrok (sclera), het vaatvlies (de choroidea), het netvlies (de retina) en de oogbol is gevuld met een waterige geleiachtige substantie (het glasachtig lichaam). Zie de figuur. Intravitreale injecties worden toegepast bij ziektes van het net‐ en vaatvlies. Doordat het geneesmiddel heel dicht bij net‐ en vaatvlies wordt ingespoten en daarna binnenin het oog vrij lange tijd (weken tot maanden) aanwezig blijft, is er maar een heel kleine hoeveelheid van nodig.

Hoe herken je intravitreale injecties?

Intravitreale injecties worden o.a. toegepast bij leeftijdsgebonden maculadegeneratie, bij bepaalde vormen van diabetische retinopathieen na sommige vormen van bloedvatafsluiting in het netvlies.



Wat te doen bij intravitreale injecties?

Advies is minimaal 1 dag tevoren geen make‐up te dragen.

De procedure is niet in alle instellingen waar intravitreale injecties worden toegepast exact hetzelfde.

Het volgende is daarom een voorbeeld:

Op de dag zelf wordt het oog gedruppeld met onder andere verdovende druppels en gedesinfecteerd. Er

wordt daarna een ooglidspreider geplaatst zodat het oog open blijft staan. Het geneesmiddel wordt

geïnjecteerd. U kunt nu een soort vliegjes (net als mouches volantes, zie ook de NOG folder ‘Vlekken en

flitsen’) zien, dit is het ingespoten geneesmiddel en het zien van deze vlekjes is dus normaal. Vervolgens

kan er antibiotica (een druppeltje of zalf) in het oog gedaan worden.

U wordt gecontroleerd door uw oogarts volgens afspraak.

Met name de injecties met vaatgroeiremmers (anti‐VEGF‐middelen) moeten meestal een aantal keer,

vaak zelfs heel regelmatig, worden herhaald.



Wat nu?

  • Oogdrukverhoging direct na de injectie komt zelden voor, indien dit geconstateerd wordt dan zal

  • de oogarts dit direct behandelen.

  • oogdrukverhoging op de lange termijn; een regelmatig voorkomende bijwerking na inspuiten van corticosteroïden. Bij vaatgroeiremmers komt deze complicatie nauwelijks voor.

  • Infectie: zeldzaam; bij minder dan 2 op 1000 injecties. Als het oog na verloop van tijd roder en/of

  • lichtschuw en/of pijnlijk wordt moet, u uw arts zo snel mogelijk waarschuwen.

  • Een rood vlekje op het oogwit direct na de injectie is daarentegen vaak een gevolg van dat er bij

het injecteren een klein oppervlakkig bloedvaatje in het bindvlies is geraakt. Dit kan gelukkig

geen kwaad.



  • Soms is het oog binnen enkele uren na de injectie pijnlijk. Dit kan het gevolg zijn van uitdroging

of zelfs lichte beschadiging van het hoornvlies tijdens de injectie. Dit reageert in het algemeen

snel op antibioticadruppels of ‐zalf, de pijn zal hiermee snel verminderen en de beschadiging is

dan gelukkig ook niet blijvend.


  • Netvliesloslating: zeldzaam.

  • Glasvochtbloeding: zeldzaam.

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over intravitreale injecties kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/wE/3C/wE3CthKvnhvEO8Oa7qRkvw/foldertekst--Intravitreale-injectie-2014.pdf



Keratoconus

Wat is Keratoconus?

Keratoconus is een aandoening waarbij de vorm van het hoornvlies (synoniem: de cornea) afwijkend is;

in plaats van de normale, regelmatige koepelvorm is de koepel uitgezakt, soms zelfs kegelvormig (zie

illustratie:links normaal, rechts keratoconus). De oorzaak is een afwijkende structuur van het

hoornvliesweefsel, waardoor het zijn stevigheid en zijn dikte verliest. Meestal is deze aandoening

dubbelzijdig, maar de ernst van de aandoening kan links en rechts verschillen.



Hoe herken je Keratoconus?

Mensen met een keratoconus hebben vaak een allergische aanleg of eczeem, ervaren hun ogen als gevoelig en hebben vaak jeuk aan hun ogen. Omdat het hoornvlies het belangrijkste brekende medium van het oog is, heeft deze vormafwijking grote gevolgen voor het gezichtsvermogen. De sterkte van het oog verandert en er ontstaat een astigmatisme.



Wat te doen bij Keratoconus?

Met een brilcorrectie is deze afwijking vaak onvoldoende te corrigeren. Harde, zuurstofdoorlatende

contactlenzen zijn dan de eerste keuze voor de correctie van refractieafwijkingen bij keratoconus. Zij

vormen een nieuw regelmatig oppervlak. Voor keratoconus bestaan diverse gespecialiseerde keratoconus lenzen. Als een oog te gevoelig reageert op een harde zuurstofdoorlatende lens, kan een piggy‐back systeem worden gebruikt, een harde lens bovenop een zachte lens. Daarnaast is soms een grote lens nodig (sclera lens), die op het witte gedeelte (de sclera) van het oog rust. Als lenzen niet meer worden verdragen, kunnen intracorneale ringen worden overwogen, de contactlenstolerantie kan met deze intracorneale ringen verbeteren. De volgende stap is een gedeeltelijke of gehele hoornvliestransplantatie Na een hoornvliestransplantatie kan een bril worden aangemeten, maar

het kan ook nodig zijn om weer contactlenzen te gebruiken. Dit zullen altijd harde zuurstofdoorlatende

lenzen zijn. Overigens is een behandeling met de excimer laser is niet mogelijk bij een keratoconus. Evenmin zijn er oogdruppels die de oorzaak wegnemen. Een nieuwere techniek is collageen cross‐linking. Cross linking is niet bedoeld als alternatief voor bovengenoemde middelen ( bijv. contactlenzen) om de visus te verbeteren , maar als een aparte behandeling om te voorkomen dat de vervorming van het hoornvlies verder toeneemt. Het doel van deze methode is om met behulp van een vitamine B preparaat en ultraviolet licht het collageenweefsel van het stroma ‐het middelste deel van het hoornvlies‐ te versterken, waardoor de verdere uitstulping van de conus kan worden afgeremd of gestopt. Deze methode wordt alleen gebruikt bij significante toename van de krommingsafwijkingen van de cornea.



Wat nu?

Soms ontstaan er littekens in het hoornvlies die het gezichtsvermogen verder

verminderen. Soms kan een oog te gevoelig reageren op een harde zuurstof doorlatende lens, of zijn lenzen helemaal niet meer te verdragen. Dan moet er gekozen worden voor een andere methode.

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over keratoconus kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/LQ/5a/LQ5a6_U0J8kLUPopufj_Ew/NOG-foldertekst-Keratoconus-2013.pdf



Macula degeneratie

Wat is macula degeneratie?

Maculadegeneratie is een aandoening die meestal begint na het 50e levensjaar en daarom

leeftijd gerelateerd is (leeftijdsgebonden maculadegeneratie LMD). Het is een aandoening van

het centrale gedeelte van het netvlies, de macula lutea, of gele vlek, waardoor het centrale

scherpe zien wordt aangetast. De aandoening kan leiden tot slechtziendheid door afname van

het centrale zien. Er kan een ernstige visuele handicap ontstaan met verstrekkende gevolgen

voor beroep, hobby’s en activiteiten van het dagelijkse leven. Zoals in een fototoestel de film de lichtgevoelige laag is, zo is het netvlies de lichtgevoelige laag van het oog. Het centrale deel van netvlies (de macula) zorgt voor het waarnemen van kleine details. Dit wordt mogelijk gemaakt doordat in het centrum de grootste concentratie aan contrast‐ en kleurzien cellen (de kegeltjes) aanwezig is. Het overige deel van het netvlies zorgt voor het perifere zien (de grootste concentratie aan staafjes): bijvoorbeeld bewegingen kunnen met dit deel van het netvlies juist goed onderscheiden worden. Denk aan het opmerkzaam worden dat iemand met de auto of de fiets van rechts op je afkomt, daarna wordt er pas met het centrum van het netvlies naar gekeken en is er de gewaarwording van wat er precies te zien is. Het afsterven van de kegeltjes wordt maculadegeneratie genoemd. Het scherpe zien neemt af en er ontstaat midden in het beeld een vlek. De rest van het netvlies blijft dus wel werken, zodat men in staat blijft om zijn weg in huis en daar buiten min of meer zelfstandig te kunnen vinden, ook al mist men dan scherpte bij het zien.
Er zijn twee soorten macula degeneratie:
De 'droge' LMD

Deze vorm begint als kleine bleekgele afzettingen, 'drusen' genoemd, die zich beginnen op te

hopen in de macula. Het optreden van deze drusen gaat samen met vermindering van het

aantal kegeltjes in de macula, waardoor het zien zal verslechteren. Dit is een sluipend en zéér

langzaam verlopend proces, waarbij het vele jaren kan duren, voordat het zien achteruit gaat.

Gewoonlijk zijn beide ogen min of meer gelijk aangedaan.

Het is bij droge LMD belangrijk dat u in de gaten houdt of er vertekening gaat optreden in de

beelden van de omgeving zoals een bocht in een raamkozijn of regel van een schrift. Dit kan

wijzen op het ontstaan van de 'natte' vorm.
De 'natte' LMD of exsudatieve macula degeneratie

De natte LMD ontstaat als bloedvaatjes achter de macula gaan groeien, waarbij vocht en bloed

in ‐ of onder het netvlies terecht komt (daarom wordt dit ‘natte’ LMD genoemd). Deze lekkage

beschadigt de lichtgevoelige cellen in het netvlies, wat een snelle en ernstige achteruitgang van

het gezichtsvermogen veroorzaakt. Uiteindelijk ontstaat een litteken in de macula met verlies

van het centrale zien als gevolg.



Hoe herken je macula degeneratie?

Voor het vaststellen van LMD test de oogarts eerst uw gezichtsscherpte. Verder kan men met een bladzijde met ruitjespatroon testen of er vervormingen of vlekken in het centrale gezichtsveld bevinden. Dit wordt de Amslertest genoemd. Deze test is zeer geschikt voor zelfcontrole thuis. Indien u vervormingen waarneemt, dient u binnen een week door een oogarts te worden gezien, zo nodig via verwijzing van uw huisarts. Na verwijden van de pupil door het indruppelen van de ogen kan de oogarts met een lamp en een vergrootglas het volledige netvlies en in het bijzonder de macula onderzoeken. Dit onderzoek wordt "oogspiegelen" genoemd. Meestal is aanvullend onderzoek noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld een scan (OCT ) of een Fluorescentie Angiografie.



Wat te doen bij macula degeneratie?

De behandeling van LMD is meestal alleen maar mogelijk in het vroege stadium van de 'natte'

vorm van LMD. In de meeste gevallen kan een stabilisatie van de visus bereikt worden, in een

minderheid van de patiënten verbetert de gezichtsscherpte en in een deel van de patiënten

gaat de visus toch achteruit. Sinds een aantal jaar worden, indien er sprake is van de natte vorm, vaatgroei remmende geneesmiddelen (anti‐VEGF) toegediend door middel van een injectie in het oog. Dit is een intravitreale injectie (zie folder intravitreale injectie).

Voorbeelden van anti‐VEGF middelen zijn Avastin (bevacuzimab), Lucentis (ranibizumab), en

Eylea (aflibercept) Door deze middelen stopt het nieuwe vat met lekken en groeien, waardoor verdere achteruitgang tegengegaan wordt en, al is het in een minderheid van de gevallen, een

verbetering in gezichtsscherpte kan optreden. Er is gebleken dat de injectie minimaal 2‐3 keer

toegediend moet worden, hierna wordt volgens de landelijke richtlijn leeftijdsgebonden

maculadegeneratie geïnjecteerd, soms duurt de totale behandeling enkele maanden tot jaren.

Photodynamische therapie (PDT) kan succesvol zijn bij een beperkte groep van patiënten met

natte MD. Bij deze therapie worden alleen de lekkende bloedvaten behandeld. De achteruitgang van de gezichtscherpte wordt door deze behandeling afgeremd. De geschiktheid

voor deze behandeling wordt bepaald aan de hand van een fluorescentie angiogram.

Soms kan voor een combinatie van PDT en vaatgroei remmende geneesmiddelen (zie verder) gekozen worden. Met de klassieke laserbehandeling worden lekkende bloedvaatjes gedicht en wordt verdergaande lekkage en achteruitgang van gezichtsvermogen voorkomen. Echter, ook hiervoor komt maar een gering aantal patiënten voor in aanmerking. Operatieve behandeling van natte LMD lijkt in zeer geselecteerde gevallen een gunstig resultaat te kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de behandeling met Tissue Plasminogen Activator (TPA) en intravitreale injectie met gas bij een bloeding onder de gele vlek, Maar



Wat nu?

Naarmate er meer kegeltjes in de macula verloren gaan, begint uw gezichtsvermogen te

veranderen. Bij de droge LMD vallen er geleidelijk aan kleine stukjes uit het beeld weg en kan er

ook geringe beeldvervorming optreden. Heel langzaam zal het gezichtsvermogen minder

worden. Bij de natte vorm van LMD raken de beelden flink vervormd, er vindt vaatnieuwvorming plaats onder/ in het netvlies (subretinale neovascularisatie). Deze nieuwe bloedvaten zijn zwak en leiden tot lekkage in en onder het netvlies, waardoor de gezichtsscherpte snel afneemt. Uiteindelijk leidt natte LMD tot een “vlek “ in het centrum van het blikveld. De meeste mensen met LMD behouden een redelijk perifeer gezichtsvermogen. Volledige blindheid, niets meer kunnen zien, komt daarom nauwelijks voor bij LMD.

Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over macula degeneratie kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/B_/oV/B_oVnVDEz2zgVT5mnU4Ung/2014-Maculadegeneratie-folder-met-aanpassing--richtlijnfv.pdf



Laserbehandeling van het oog

Wat is een laserbehandeling van het oog?

Een laser is te beschouwen als een soort speciale gloeilamp, maar dan een gloeilamp die een heel

dunne, felle en zuivere lichtstraal uitzendt. Via een microscoop kan deze lichtstraal gericht worden om in

het oog een brandplekje te geven of weefsel te snijden. Laserstralen hebben niets te maken met röntgenstralen of radioactiviteit.



Wat te doen bij een laserbehandeling van het oog?

1. Scheurtjes in het netvlies

Gaatjes of scheurtjes in het netvlies kunnen leiden tot een netvliesloslating (ablatio retinae). Dit

kan worden voorkomen door deze gaatjes of scheurtjes op hun onderlaag vast te "lassen" met

een laser. De behandeling is soms wat gevoelig en duurt 10 tot 20 minuten.


2. Suikerziekte in het oog

Suikerziekte (diabetes mellitus) kan afwijkingen aan het netvlies geven (diabetische

retinopathie). Met de laser is het mogelijk de beschadiging van het netvlies te vertragen of tot

stilstand te brengen (niet: te herstellen) en zo het gezichtsvermogen zo goed mogelijk te

bewaren, soms gecombineerd met injecties in het glasachtig lichaam (zie folder 'Intravitreale

injecties'). Afhankelijk van de aard van de afwijkingen zijn één of meer laserbehandelingen

nodig. Aangezien de beschadiging van het netvlies door suikerziekte gedurende langere tijd kan

doorgaan, kan aanvullende behandeling later nodig zijn.



De behandeling kan wat gevoelig zijn, vooral als grote delen van het netvlies gelaserd moeten

worden en duurt 10 tot 20 minuten. Wanneer ook de ‘gele vlek’ gelaserd moet worden, kunt u na

de behandeling vlekjes in uw gezichtsveld zien die blijvend zijn.

3. Hoge oogdruk

Hoge oogdruk kan leiden tot een toenemende, blijvende beschadiging van de oogzenuw

(glaucoom). Dit veroorzaakt verkleining van het gezichtsveld en leidt uiteindelijk tot blindheid.

Een te hoge oogdruk kan verschillende oorzaken hebben. Bij het z.g. open kamerhoekglaucoom,

kan met de laser de 'afvoer' van het oog verbeterd worden (laser‐trabeculoplastiek). Bij het z.g.

gesloten kamerhoekglaucoom maakt men de afvoer van het oog vrij door met de laser een klein

gaatje te maken in het regenboogvlies (laser‐iridotomie). Dit kan vaak ook in het acute stadium

(acuut glaucoom) gedaan worden.

De behandeling duurt 10 tot 20 minuten en is vrijwel pijnloos.
4. Andere aandoeningen

Meerdere afwijkingen van het netvlies kunnen aanleiding zijn voor laserbehandeling, b.v. een

afsluiting van een bloedvat in het netvlies. Dit om te voorkomen dat er zich nieuwe bloedvaten

gaan vormen in het oog, en soms om vocht in de gele vlek (macula‐oedeem) te doen

verminderen. Zie ook de NOG‐folders 'Arteriële vaatafsluiting' en 'Veneuze afsluiting'.

5. Hechtingen in het oog na een glaucoomoperatie kunnen met de laser pijnloos losgemaakt

worden.
6. Nastaar

Na een staaroperatie (cataractoperatie) kan vertroebeling van het lenszakje van de oude lens

ontstaan. De gezichtsscherpte vermindert dan weer. Men spreekt in zo'n situatie van nastaar.

Met een laser kan een opening in het lenszakje "gesneden" worden.



De behandeling duurt enkele minuten en is pijnloos.

Hoe gaat een behandeling in zijn werk?

U hoeft thuis geen speciale voorbereidingen te treffen. Op de polikliniek wordt de pupil meestal met

oogdruppels wijd gemaakt; alleen bij de laser‐iridotomie wordt de pupil juist met druppels vernauwd.

Daarvoor moet u tenminste een half uur voor de behandeling aanwezig zijn. Het oog wordt verdoofd

door een druppel.

Bij de behandeling wordt een contactlensje op het hoornvlies geplaatst en vastgehouden door de

oogarts. De laserstralen worden door deze lens heen gericht op de afwijking die behandeld moet

worden.


Wat nu?

Direct na de behandeling ziet men vaak minder scherp door de lichtflitsen en de oogdruppels die men

heeft gehad. Zelf autorijden is dus niet mogelijk! Begeleiding, ook wanneer men met het openbaar

vervoer of met de taxi is gekomen, is aan te bevelen. In geval van pijn na de behandeling kan men een

pijnstiller (bijvoorbeeld paracetamol) nemen en het oog sluiten. Wanneer de pijn langer dan 12 uur

duurt, wordt u verzocht contact op te nemen met uw oogarts.



Wie is het aanspreekpunt?

Raadpleeg uw huisarts bij klachten. Deze kan u eventueel doorverwijzen naar een specialist indien nodig.



Voor meer informatie:

Voor meer informatie over laserbehandelingen van het oog kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/patientenvoorlichting2/laserbehandeling-van-het-oog



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


Dovnload 0.87 Mb.