Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


End product Wing Lok

Dovnload 0.87 Mb.

End product Wing Lok



Pagina8/12
Datum05.12.2018
Grootte0.87 Mb.

Dovnload 0.87 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

Contents Lisette



De ziekte van Parkinson

Wat is Parkinson?
De hersenen regelen het bewegen zoveel mogelijk automatisch, net als een automatische piloot in een vliegtuig. Alle onderdelen worden vanzelf goed op elkaar afgestemd. Bij de ziekte van Parkinson gaat de ‘automatische piloot’ haperen, zodat het bewegen minder vanzelf gaat en bewuster moet gebeuren. De soepelheid verdwijnt en alleen de hoognodige bewegingen blijven over, zodat het totale bewegen verschraalt. Bovendien bestaat de neiging te weinig kracht te gebruiken waardoor de bewegingen vertragen, te klein blijven en moeizaam verlopen. Ook gaan delen van het lichaam soms beven. Dit komt doordat de hersencellen in de zogenaamde ‘zwarte kern’ (substantia nigra) in de hersenen beschadigd raken, waardoor er niet voldoende van de chemische stof in de zwarte kern wordt aangemaakt. En juist dopamine, een neurotransmitter, zorgt ervoor dat de we soepel bewegen.

De oorzaak van de beschadiging is onbekend al hoewel hierover inmiddels wel diverse theorieën zijn ontwikkeld. Parkinson is in zo’n 3 tot 4% van de gevallen erfelijk. Parkinson is niet besmettelijk.



Hoe herkent u de ziekte van Parkinson?
De klachten verschillen van persoon tot persoon en vaak ook van moment tot moment. Meestal zijn de eerste klachten vaag en worden deze in de loop van de tijd erger. Beven, stijfheid en bewegingstraagheid zijn kenmerkende klachten van de ziekte van Parkinson en geven moeite met het uitvoeren van dagelijkse bezigheden zoals uit bed komen, aankleden en schrijven.

Op den duur kunnen problemen met de houding ontstaan. Deze zijn vaak aanleiding tot evenwichtsproblemen en vallen.

Ook kunnen er andere klachten voorkomen, zoals kwijlen of een droge mond, moeite met plassen, klachten bij de stoelgang, een vettige huid, moeheid, stemmingsstoornissen (depressie), schommelingen van de bloeddruk en gedragsveranderingen.

Daarnaast kan er sprake zijn van cognitieve problemen. Dit zijn klachten van het geheugen, de aandacht en het denken. Voorbeelden hiervan zijn: vergeetachtigheid, concentratieproblemen, moeite hebben met begrijpen, overzicht houden en plannen van activiteiten. Dit betekent echter niet dat uw verstand wordt aangetast. Wel hebben mensen met Parkinson een verhoogde kans op dementie, vooral in de laatste fase van de ziekte.



Wat te doen bij de ziekte van Parkinson?
Medicatie
Bij de ziekte van Parkinson treedt een verstoring op van de werking van de cellen in de zwarte kern (substantia nigra); hierbij speelt opstapeling van het eiwit alpha-synucleine een belangrijke rol.  De cellen sterven langzaam af en er ontstaat een tekort aan dopamine in de hersenen. Hierdoor worden de regelcircuits in de hersenen verstoord. Dit veroorzaakt allerlei klachten in vooral het bewegingsapparaat (tremor, verstijven etc.).

Helaas is het nog niet mogelijk om het proces van eiwitstapeling en afsterven van de cellen te voorkomen.  Wel is er een dopamine vervangende behandeling mogelijk via medicijnen waardoor klachten (tijdelijk) verminderen. Voor welk medicijn (of combinatie van medicijnen) wordt gekozen hangt af van de aard van de verschijnselen, het effect van de medicijnen, de bijwerkingen op de korte en lange termijn, de leeftijd, de belasting voor de patiënt en de kosten.

De medicijnen die bij de ziekte van Parkinson worden gebruikt zijn in te delen in zeven groepen


Behandeling

Deep Brain Stimulation (DBS)
Als medicatie niet meer helpt of teveel bijwerkingen veroorzaakt kan hersenstimulatie (Deep Brain Stimulation (DBS)) overwogen worden, zelfs in een vroeg stadium van de ziekte. DBS is het meest effectief bij patiënten jonger dan 75 jaar.

DBS is een instelbare en omkeerbare behandeling waarbij één of twee geleidingsdraden via een kleine opening in de schedel in dieper gelegen hersenstructuren worden geplaatst, meestal in een gebied dat ‘nucleus subthalamicus’ heet. Deze draad of draden - afhankelijk van of er stimulatie aan één of twee zijden van het lichaam nodig is – word(t)(en) via een verlengkabel aangesloten op een klein apparaat dat ‘neurostimulator’ heet (vergelijkbaar met een pacemaker). De neurostimulator wordt tijdens de operatie onderhuids vlak onder het sleutelbeen of in de buikstreek geïmplanteerd.

Wanneer de neurostimulator wordt aangezet, produceert het elektrische pulsen die naar de hersenen worden gestuurd. Deze manier van elektrisch stimuleren leidt tot blokkering van de signalen die de oorzaak vormen van de motorische klachten bij de ziekte van Parkinson. De mate van stimulatie kan op de individuele patiënt worden aangepast.

Wat nu?

De ziekte is progressief. Dat wil zeggen dat de symptomen gaandeweg ernstiger worden. Genezing is (nog) niet mogelijk, maar wel zijn er medicijnen en behandelingen om de symptomen te bestrijden, waardoor de kwaliteit van het leven van de Parkinson patiënt verbetert.


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over de ziekte van Parkinson?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

https://www.parkinson-vereniging.nl/ (Geraadpleegd op 17-12-2015)

Huidaandoeningen
Psoriasis

Wat is Psoriasis?
Psoriasis is een niet-besmettelijke huidaandoening die gekenmerkt wordt door rode plekken met een witte schilfering. Naast pijn en jeuk kunnen er gewrichtsklachten optreden.

Hoe herkent Psoriasis?
Psoriasis komt in verschillende vormen voor. De meest voorkomende is psoriasis vulgaris, ‘gewone’ psoriasis. Deze vorm is herkenbaar aan de duidelijk begrensde, rode, schilferende plekken. Deze plekken komen vooral voor op de strekzijde van de ellebogen, knieën en op de rug boven de billen. Maar de plekken kunnen ook op andere delen van het lichaam voorkomen, bijvoorbeeld op de hoofdhuid. De Latijnse naam voor deze vorm is psoriasis capties.

Wanneer de grote huidplooien zijn aangedaan, spreekt men van psoriasis inversa ofwel omgekeerde psoriasis. Bij deze vorm ontbreken vaak de schilfers.

Bij veel mensen met psoriasis zijn de nagels ook aangetast. Nagelpsoriasis ofwel psoriasis unguium kan voorkomen op één nagel, maar ook op alle nagels van de handen en voeten. Vaak zitten er putjes in de nagelplaat en zijn er bruine verkleuringen te zien. Soms laat de nagel zelfs los.

Bij sommige mensen zijn de psoriasisplekken groot en zitten ze over het hele lichaam. Bij anderen gaat het om talrijke, druppelgrote plekjes. We spreken dan van psoriasis guttata. Druppelpsoriasis houdt meestal slechts enkele weken aan en ontstaat vaak door een aantoonbare prikkel, zoals stress of een infectieziekte (bijvoorbeeld keelontsteking).

Een andere weinig voorkomende vorm is de pustuleuze psoriasis ofwel puistjespsoriasis. Met vocht gevulde blaasjes (pustels) kunnen voorkomen op het hele lichaam (ook wel psoriasis Von Zumbusch genoemd) of alleen op de handpalmen en voetzolen (ofwel de ziekte van Andrews en Barber).

Bij psoriasis universalis doet de hele huid mee, die dan helemaal rood kan zijn. Deze vorm kan ernstig zijn, maar komt gelukkig weinig voor.



Wat te doen bij Psoriasis?
Psoriasis komt dus in verschillende vormen voor. De huidafwijkingen zijn vaak zo herkenbaar dat de huidarts (dermatoloog) meestal direct de diagnose kan stellen. Om de ernst van de psoriasis te bepalen, gebruikt hij de zogeheten PASI-score. PASI staat voor Psoriasis Area and Severity Index ofwel psoriasisindex voor uitgebreidheid en ernst. De huidarts gebruikt de PASI-score om het effect van een behandeling te meten.
Uitwendige behandelingen
Zalven bijvoorbeeld Corticosteroïden, Calcipotriol en calcitriol, Calcipotriol/betamethason, Ditranol en Salicylzuur.
Medicijnen

Psoriasis kan ook met medicatie behandeld worden. Nadeel is dat deze medicatie ferme bijwerkingen heeft, voorbeelden zijn Methotretexaat(MTX), Neoral, Neotigason en Fumaarzuur.
Licht therapie

De behandeling met licht is ontstaan uit de positieve ervaringen van patienten met zonlicht. Er wordt van verschillende soorten licht gebruik gemaakt. UV-B, PUVA en laserlicht zijn inzetbaar bij de behandeling van psoriasis.
Wat nu?

Bij iedereen is het beloop van de ziekte anders. Het is tot op heden nog niet mogelijk om psoriasis te genezen. Het doel van de behandeling is een zo lang mogelijke tijd met zo min mogelijk klachten, zowel huid als gewrichtsklachten.


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over Psoriasis?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

www.psoriasisvereniging.nl (Geraadpleegd op 17-12-2015)

Oogaandoeningen

22 Oogmelanoom

Wat is een oogmelanoom?

Een oogmelanoom is een melanoom in het oog. Het wordt ook wel uveamelanoom of oculair melanoom genoemd. De meeste oogmelanomen komen voor bij mensen tussen de 50 en 70 jaar. Melanomen kunnen op verschillende plaatsen in het oog ontstaan.



Een oogmelanoom ontstaat uit de pigmentcellen van de uvea. De uvea is een laag van de oogwand die ligt tussen het netvlies en de harde oogrok (sclera).


Over de oorzaak van melanomen in het oog is weinig bekend. De tumor komt heel soms in bepaalde families voor in combinatie met huidmelanomen.


Hoe herkent u een oogmelanoom?
De eerste symptomen van een melanoom in het oog kunnen zijn: 

Wat te doen bij een oogmelanoom?

Heeft u symptomen die kunnen passen bij een oogmelanoom, ga dan naar uw huisarts. Deze zal u mogelijk verwijzen naar een oogarts. Het onderzoek om de diagnose oogmelanoom te stellen bestaat uit een uitgebreid oogheelkundig onderzoek. De volgende onderzoeken kunnen plaatsvinden:

  • oogspiegelen: beoordeling van het netvlies

  • echografie van het oog: om de dikte van het melanoom te meten

  • fluorescentie-angiografie

  • gezichtsveldonderzoek: dit meet de omvang van de beperking in het gezichtsveld

Bij de behandeling van het oogmelanoom staat het uitschakelen van de tumor voorop. Het behoud van het zicht komt op de tweede plaats. Er bestaan diverse behandelmethoden. Welke behandeling u krijgt, is onder meer afhankelijk van:

  • de grootte, de plaats en dikte van de tumor

  • het functioneren van uw andere oog

  • uw leeftijd en conditie

  • en in sommige gevallen uw persoonlijke voorkeur

U kunt een van de volgende behandelingen krijgen:

  • ruthenium bestraling: dit is een inwendige bestraling

  • stereotactische bestraling: dit is een uitwendige bestraling

  • protonenbestraling: dit is een uitwendige bestraling

  • verwijdering van het oog: een ander woord hiervoor is enucleatie

Wat nu?
De behandeling van een oogmelanoom vindt bijna altijd plaats in het LUMC (Leids Universitair Medisch Centrum). Een team van oogartsen en radiotherapeuten maken samen voor u een behandelplan. De arts bespreekt de behandeling(en) en de mogelijke bijwerkingen met u.
Is de behandeling afgerond? Dan krijgt u nog een tijd nazorg. Een ander woord voor nazorg is controle of follow-up. 

De nazorg bestaat uit bezoeken aan uw specialist, de verpleegkundig specialist of de huisarts. U kunt soms ook nazorg van meerdere artsen krijgen. Bijvoorbeeld als u bent geopereerd en bestraald. U gaat dan de ene keer naar de chirurg en de volgende controle naar de bestralingsarts.


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over een oogmelanoom?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

https://www.kanker.nl/bibliotheek/oogmelanoom/wat-is/1008-oogmelanoom (Geraadpleegd op 17-12-2015)


23 Opticusatrofie

Wat is Opticusatrofie?
Het beeld dat in het oog gevormd wordt van de buitenwereld, wordt in het netvlies omgezet in elektrische signalen die door de oogzenuw worden doorgestuurd naar het achterste gedeelte van de hersenen (visuele schors) waar interpretatie van het beeld, het eigenlijke zien, plaatsvindt. De oogzenuw (Latijn: nervus opticus; Engels: optic nerve) is dus de verbindingskabel tussen het oog en de visuele schors, het hersengedeelte waarmee we zien.  

De oogzenuw bestaat uit meer dan een miljoen fijne elektriciteitsdraden, de oogzenuwvezels.   De kop van de oogzenuw (Latijn: papil) is bij oogspiegelen zichtbaar in het oog als een rose schijfje waaruit bloedvaten ontspringen. Beschadiging van de oogzenuw heeft meestal tot gevolg dat het aantal vezels vermindert en dat de doorbloeding van de oogzenuw verslechtert. Daardoor wordt de oogzenuw dunner en verandert de roze kleur van de papil in bleekroze of wit.


Bleke papil: opticusatrofie. Wanneer de oogzenuw beschadigd raakt, wordt het zien slechter. Afhankelijk van de mate van beschadiging kan dit variëren van een geringe verandering in  het zien tot slechtziendheid of zelfs blindheid. 
Hoe herkent u Opticusatrofie?
Opticusatrofie heeft een verandering in het zien tot gevolg.  Afname van het scherpe zien, wazig zien, uitval van gezichtsveld, verminderd contrastzien, afwijkend kleurenzien, een zekere mate van kokerzien en afwijkende pupilreacties zijn verschijnselen die in meerdere of mindere mate aanwezig zijn.  



Wat te doen bij Opticusatrofie?

Soms is de oorzaak van opticusatrofie het gevolg van een bekende aandoening. Vaak zal de oorzaak echter niet onmiddellijk duidelijk zijn. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om het functieverlies van de oogzenuwen in kaart te brengen. Het aanvullende onderzoek kan bestaan uit:



  • meten van het contrastzien 

  • het kleurenzien

  • het gezichtsveld

  • VEP (visually evoked potentials), dit is een soort hersenfilmpje om de functie te bepalen van de oogzenuw.

Al deze onderzoeken zijn volstrekt pijnloos.

Omdat bij het oogonderzoek alleen de papil in het oog zichtbaar is, wordt het onderzoek vaak aangevuld met een scan van de oogkassen en/of de hersenen. Op grond van uw medische voorgeschiedenis en de bevindingen bij oogheelkundig onderzoek kan uw oogarts besluiten u voor nader onderzoek door te verwijzen naar de neuroloog, de internist of de klinisch geneticus (erfelijkheidsdeskundige).


Behandeling

Behandeling van opticusatrofie is niet mogelijk, de schade kan niet hersteld worden. Sommige oorzaken van opticusatrofie kunnen soms wél behandeld worden zodat de schade beperkt blijft. Wanneer geen behandeling mogelijk is, zal uw oogarts u doorverwijzen naar een van de slechtzienden‐instellingen voor het aanpassen van hulpmiddelen, zoals filterglazen, loepen etc.


Wat nu?

De prognose is afhankelijk van de onderliggende oorzaak. Er kan sprake zijn van een stabiele vorm van slechtziendheid na een doorgemaakte oogzenuwontsteking, van een acute verslechtering met gedeeltelijk herstel of van een langzame verslechtering.


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over Opticusatrofie?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/item?urlProxy=/patienten/patientenvoorlichting/patientenvoorlichting2/opticus-atrofie&objectSynopsis=#smTuK1WjAitR9TCRvqbXog (Geraadpleegd op 17-12-2015)

24 Pterygium en Pinguecula

Wat zijn Pterygium en Pinguecula?
Van een pterygium is sprake wanneer het bindvlies, de conjunctiva, dat het wit van het oog bedekt, in een driehoekige vorm in en overhet hoornvlies, het heldere deel aan de voorkant van het oog, gaat groeien. Meestal groeit een pterygium vanuit de neuszijde van de oogbol over het hoornvlies. Hoewel er sprake is van groeiend weefsel en er bij de behandeling soms bestraling plaatsvindt, is dit géén kwaadaardige aandoening.
Een pinguecula is een witgele zwelling in het bindvlies van het oog aan de neuszijde(vaker dan aan de slaapzijde) van de oogbol. Het is in feite geen opeenhoping van vet maar van eiwit(fragmenten). Het komt bij een groot deel van de bevolking voor, vaker naarmate men ouder wordt, en meer bij personen die veel buiten zijn (geweest). Het is een goedaardige verandering van het bindvlies. Er vindt geen ingroei in het hoornvlies plaats zoals bij een pterygium.
Hoe herkent u Pterygium en Pinguecula?
In de meeste gevallen heeft men geen last van het pterygium. Soms is er sprake van chronische irritatie en wordt het oog rood ter plaatse van het pterygium. De in- en overgroei van het hoornvlies kan resulteren in een veranderende cylindersterkte van de bril en verminderd zicht. Als het pterygium zo groot is dat het voor de pupilopening is gegroeid zal het zich ook verminderd zijn. Af en toe treedt er dubbelzien op door een pterygium.
Wat te doen bij Pterygium en Pinguecula?

Pterygium

Als het oog geïrriteerd is geraakt (door zonlicht, wrijven, zwemmen of ontsteking van het pterygium), kan het nodig zijn te behandelen met kunsttranen of ontstekingsremmende druppels. Bij groei over het hoornvlies met toenemende cilindersterkte of, toenemende irritatie ondanks druppels en zeker bij groei naar de pupilrand toe is het aangewezen het pterygium operatief te verwijderen.


Meestal wordt er bij de verwijdering van het pterygium een van de volgende aanvullende behandelingen toegepast omdat dit de terugkeer van het pterygium voorkomt.
Tijdens de operatie:


  • Een transplantaat van bindvlies van hetzelfde oog naar het operatiegebied

  • Toediening van littekenremmers in het operatiegebied

  • Een lamellair hoornvlies transplantaat.

Na de operatie:

  • Geven van littekenremmers(corticosteroid) in druppelvorm

  • Soms wordt er bestraling toegepast.

Ondanks deze aanvullende behandelingen kan in een enkel geval het pterygium toch weer terugkomen.
De operatie vindt meestal onder plaatselijke verdoving plaats in dagbehandeling. De eerste dagen na de operatie is het oog meestal pijnlijk. Daarna kan het nog geïrriteerd zijn door ‘zand’-gevoel. De oogarts schrijft meestal oogzalf voor ter vermindering van de klachten en ter genezing van het operatiegebied.
De pijn moet in de loop van een aantal dagen of weken afnemen. Enige roodheid ter plaatse waar het pterygium zich voordien bevond is normaal en in het algemeen een goed teken. Toename van pijnklachten na de operatie of pussige uitvloed uit het oog is echter een reden om contact op te nemen met uw oogarts of zijn/haar waarnemer.
Pinguecula

Behandeling is niet nodig, behalve bij irritatie; dan worden vaak kunsttranen of ooggel voorgeschreven. Een enkele keer is er sprake van een lokale ontsteking; dan kunnen antibiotica en/of ontstekingsremmende oogdruppels voorgeschreven worden. Operatieve verwijdering is maar zelden zinvol.


Wat nu?

Ondanks aanvullende behandelingen kan in een enkel geval het pterygium toch weer terugkomen.


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over Pterygium en Pinguecula?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:



http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/item?urlProxy=/patienten/patientenvoorlichting/patientenvoorlichting2/pterygium-en-pinguecula&objectSynopsis=#TRn33TXQGS2mFkNfWrglmg (Geraadpleegd op 17-12-2015)

25 Refractie afwijkingen

Wat zijn refractie afwijkingen?
Er zijn maar weinig ogen volmaakt gemiddeld en daarom hebben heel veel mensen refractie‐ afwijkingen.  Bij een refractieafwijking kan het oog zelf het invallende licht niet goed genoeg breken om het beeld van een voorwerp precies en scherp op het netvlies laten vallen. De meeste refractieafwijkingen ontwikkelen zich op de kinderleeftijd en kunnen daarna verergeren, maar soms ook verbeteren. We onderscheiden de volgende soorten refractieafwijkingen:


  1. Bijziendheid (myopie)

Bij bijziendheid worden de binnenvallende lichtstralen te sterk gebroken. Ze komen dan niet samen op het netvlies, maar vóór het netvlies. Dit treedt op als het oog te lang is (en dus het netvlies te ver weg ligt van hoornvlies en lens), of het hoornvlies te bol is (en dus te sterk breekt). Op het netvlies ontstaat hierdoor geen scherp beeld meer van een voorwerp veraf. Een voorwerp dichtbij kan men echter wel beter zien, vandaar de naam: bijziendheid.

  1. Verziendheid (hypermetropie of hyperopie)

Is het oog te kort of het hoornvlies te vlak, dan vindt afbeelding van een voorwerp veraf plaats achter het netvlies. Het binnenvallende licht wordt niet sterk genoeg gebroken. Het beeld is niet direct scherp, maar door (onwillekeurig) de oogspieren in te spannen (te accommoderen) , kan het beeld toch scherp op het netvlies afgebeeld worden. Voor dichtbij kijken moet er dan zelfs nog meer geaccommodeerd worden. De extra inspanning om scherp te stellen voor zowel veraf als dichtbij kan vermoeidheidsklachten en hoofdpijn veroorzaken. Dit neemt vaak toe in de loop van de dag, zeker bij veel lezen of computerwerk. Soms lukt het scherpstellen helemaal niet goed genoeg meer en is er ook al een bril nodig om veraf scherp te kunnen zien.

  1. Astigmatisme

Astigmatisme ontstaat als de lichtbreking in het oog in de ene richting anders is dan in de andere richting. Ook dit levert een onscherp beeld op. Meestal is de oorzaak hiervan dat het hoornvlies niet helemaal precies bolvormig maar enigszins ovaalvormig is (vergelijk een voetbal t.o.v. een rugbybal). Astigmatisme treedt meestal op samen met bijziendheid of verziendheid.

  1. Ouderdomsverziendheid (presbyopie)

Bij het ouder worden vermindert het vermogen van de inwendige oogspieren en de ooglens lens om scherp te stellen (te accommoderen) naar dichtbij. Ongeveer vanaf het veertigste levensjaar begint dit verschijnsel op te treden. We noemen dit ouderdomsverziendheid.  De meeste mensen die tot dan toe geen bril nodig hadden, merken dat zij  tekst die ze willen lezen verder van zich af moeten houden.  Kleinere letters worden daardoor echter minder goed leesbaar. Een leesbril kan deze problemen verhelpen. (Een computerbril is vergelijkbaar maar heeft een iets andere werkafstand).
Hoe herkent u refractie afwijkingen?

Refractie afwijkingen worden vastgesteld door een oogarts of opticien maar het wordt vaak opgemerkt door het gaan knijpen met de ogen om iets scherp te kunnen zien of wanneer het zicht tijdens het sporten slechter wordt.




Wat te doen bij refractie afwijkingen?

Wil men bij een brekings‐ of refractieafwijking het beeld toch scherp op het netvlies krijgen dan heeft men een refractie correctie nodig. Hiervoor zijn er verschillende mogelijkheden.  




  1. Bril

De oudste en eenvoudigste manier om refractieafwijkingen te corrigeren is een bril. Om bijziendheid te verhelpen voorziet men de bril van negatieve lenzen (“min‐ glazen”); bij verziendheid voorziet men de bril van positieve lenzen (“plus‐ glazen”). Om bijkomend astigmatisme te verhelpen kunnen   de glazen daarnaast ook  voorzien worden van een zogenaamde cilindercorrectie. Als er tegelijk sprake is van een refractieafwijking voor veraf èn ook van ouderdomsverziendheid, zijn er brillen verkrijgbaar met glazen voor verte‐correctie, met daarin een extra leesgedeelte geslepen. Dat kan zichtbaar zijn als een streepje of maantje onderin het brillenglas.  Er zijn ook brillen waarbij dit leesgedeelte onzichtbaar is en waarbij er bovendien naast leessterkte ook  overgangssterktes zijn voor de afstanden tussen “veraf” en “dichtbij” : het zogenaamde “multifocaal type”.

  1. Contactlenzen

Een tweede mogelijkheid bestaat uit contactlenzen, die op het hoornvlies geplaatst worden.    De 2 meest gebruikte types contactlenzen zijn:  

1. harde zuurstof doorlaatbare lenzen: dit zijn kleinere en dus hardere lenzen met een langere levensduur;

2. zachte lenzen: deze lenzen zijn wat groter van doorsnede en ze zijn flexibeler  en zachter omdat ze water opnemen. De flexibiliteit verbetert het draagcomfort. Een nadeel van zachte lenzen is dat er een verhoogd risico op infectie bestaat, zeker wanneer deze lenzen dag en nacht achtereen gedragen worden. Goed schoonhouden en op tijd vervangen is in ieder geval altijd erg belangrijk. Er zijn dag‐, week‐, maand‐ en half jaars‐ vervangsystemen


  1. Operatie

Als derde mogelijkheid voor correctie van refractieafwijkingen bestaan er behandelingen en operaties. Met een laser kan het hoornvlies van het oog (als ware het een brillenglas of contactlens) in de juiste sterkte geslepen worden.  Ook is het mogelijk om door middel van een operatie in het oog een kunstlens aan te brengen in het oog, vóór of in plaats van de eigen lens.
Wat nu?

Indien men de bril of contactlenzen niet kan of wil dragen, kan refractiechirurgie een alternatief zijn. Refractiechirurgie wil zeggen dat door middel van een operatieve ingreep (een deel van een) refractieafwijking permanent wordt gecorrigeerd, waardoor mensen minder afhankelijk worden gemaakt van een hulpmiddel als bril of contactlenzen. 


Wie is het aanspreekpunt?

Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.


Meer weten over refractie afwijkingen?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/item?urlProxy=/patienten/patientenvoorlichting/patientenvoorlichting2/refractieafwijkingen-niet-scherp-zien-ten-gevolge-van-refractie-afwijkingen&objectSynopsis=#d9v_IVd2Z9aC6QWIisamwA

(Geraadpleegd op 17-12-2015)



26 Refractie chirurgie

Wat is refractie chirurgie?
Ongeveer 25% tot 35% van de bevolking heeft een zogenaamde refractieafwijking (= brekingsafwijking) van het oog. Het grootste deel van deze personen is bijziend, een kleiner deel is verziend. Zowel bijziend‐ als verziendheid kunnen ook   gepaard gaan met een cilinderafwijking. 

Indien men de bril of contactlenzen niet kan of wil dragen, kan refractiechirurgie een alternatief zijn. Refractiechirurgie wil zeggen dat door middel van een operatieve ingreep (een deel van een) refractieafwijking permanent wordt gecorrigeerd, waardoor mensen minder afhankelijk worden gemaakt van een hulpmiddel als bril of contactlenzen.  

Indien men overweegt een refractiechirurgie te laten verrichten is het belangrijk dat men realistische verwachtingen heeft en dat men begrijpt dat de uitkomst van refractiechirurgie niet altijd voldoende is te voorspellen. Naast de meer strikte richtlijnen zoals hieronder genoemd spelen vaak andere overwegingen een rol, zoals beroep, vrijetijdsbesteding, leeftijd etc.

Om in aanmerking te komen voor refractiechirurgie gelden de volgende voorwaarden:


-De leeftijd van 18 jaar of ouder met een stabiele bril- of contactlens sterkte.
-Er is een goede algemene gezondheid.
-Geen andere ernstige oogheelkundige aandoening.
-Voldoende op de hoogte zijn van de verschillende mogelijkheden van refractie chirurgie.
-Informed consent: de complicaties, bijwerkingen en beperking van refractie chirurgie.
-Geen ingreep tijdens de zwangerschap.

Welke vormen van refractie chirurgie zijn er?

  1. Excimer laserbehandeling van het hoornvlies

Excimer laserbehandeling is wereldwijd nog steeds de meest toegepaste vorm van refractiechirurgie. De excimer laserbehandeling wordt uitgevoerd onder plaatselijke verdoving met druppels. De excimer laser produceert een geconcentreerde bundel ultraviolet licht die microscopisch kleine hoeveelheden weefsel van het hoornvlies doet verdampen. Zodoende kan de hoornvlieskromming plaatselijk worden veranderd (afgevlakt) en dus het brekend vermogen van het hoornvlies aangepast. Daardoor kan bij‐ of verziendheid en/of astigmatisme worden gecorrigeerd. Er zijn twee hoofdvormen van excimer laserbehandeling: de oppervlakkige behandelingen PRK (Photorefractieve Keratectomie) en (epi‐)LASEK (Laser Epitheliale Keratomileusis); en de diepere behandeling, de LASIK (laser in‐situ Keratomileusis). Er zijn nauwelijks verschillen tussen de verschillende technieken in de refractieve sterktes die hiermee kunnen worden behandeld. 

  1. Flex en SMILE: refractiechirurgie aan het hoornvlies m.b.v. de femto-second laser. Presbyope implants.

Met behulp van de femto-second laser kunnen niet alleen flapjes gemaakt worden t.b.v. LASIK, maar kunnen ook ‘lensjes’ van het weefsel uit het binnenste van het hoornvliesweefsel gesneden worden, waarmee ook weer de refractieafwijking gecorrigeerd kan worden. Bij FLEX gebeurt dit nadat eerst een (LASIK-achtige) flap gesneden is; bij SMILE wordt alleen het weefsel lensje gesneden en daarna via een ‘tunneltje’ uit het hoornvlies verwijderd. Beide technieken zijn nieuwe ontwikkelingen van de laatste jaren. De resultaten op de wat langere termijn zijn daarom nog niet bekend. Wel is de verwachting, dat hiermee de voorspelbaarheid van de ingreep verbetert. Mogelijk is de range van refractieafwijkingen die hiermee gecorrigeerd kan worden anders dan bij de excimer laserbehandelingen. Ouderdomsbijziendheid kan deels ook met een dergelijke procedure behandeld worden door een klein ringetje met een centrale opening voor de pupil ( een zogenaamde ‘corneal inlay’) in het hoornvlies in te brengen, vaak in beide ogen.

  1. Kunstlens Implantatie (bij eigen lens).

Bij kunstlens implantatie wordt de noodzakelijke correctie aangebracht door een kunstlens binnen in het oog te plaatsen via een sneetje in het oog. Afhankelijk van het type kunstlens wordt deze voor of achter het regenboogvlies geplaatst. In Nederland wordt voornamelijk gebruik gemaakt van drie typen lenzen: de Artisan Lens, de Artiflex Lens en de Intra-oculaire contactlens. Alle drie de lenzen zijn er ook in de ‘torische’variant waarme cilindersterkte gecorrigeerd kan worden.

  1. Refractie lens exchange (vervangen van de eigen lens)

Bij een refractieve lens exchange wordt uw eigen (heldere) lens verwijderd en vervangen door een kunstlens. Deze operatie is qua techniek in feite identiek aan een staaroperatie waarbij een troebele lens verwijderd wordt. De behandeling wordt verricht bij zowel hoge bijziendheid als verziendheid en wordt meestal toegepast bij mensen boven de 40 jaar.
Bij deze operatie worden verschillende soorten kunstlenzen gebruikt. Meestal wordt de sterkte van de kunstlens zo berekend dat men in de verte zonder bril scherp kan zien. Het vermogen van de eigen lens om te accommoderen (scherpstellen voor dichtbij) raakt de mens na zijn veertigste jaar langzaam kwijt, maar is bij implantlenzen geheel afwezig. Een leesbril is dan zeker nodig, tenzij bij de operatie een multifocale lens wordt geïmplanteerd. Hierdoor kan de behoefte aan zowel een leesbril als vertebril worden verminderd.

Het vooronderzoek

De behandelend oogarts zal, eventueel samen met een optometrist, een volledig oogheelkundig onderzoek verrichten. Tijdens dit onderzoek wordt er navraag gedaan naar de algemene gezondheid, medicijngebruik en allergieën. Er zullen meerdere afspraken worden gemaakt om de juiste sterkte van de ogen te bepalen.  


Hierbij is het van belang dat de contactlenzen geruime tijd niet zijn gedragen:  
-2 weken voor zachte en
-3‐4 weken voor harde zuurstof doorlatende contactlenzen.  
Afhankelijk van de vorm van refractiechirurgie zullen een aantal aanvullende onderzoeken worden gedaan. Verder worden de pupillen wijd gedruppeld om de ogen ook van binnen goed te bekijken. Hierdoor kan men enkele uren tot ca. 1 etmaal wazig gaan zien. Daarom is het af te raden zelf met de auto te komen. 
De behandeling
De laserbehandelingen vinden onder druppelverdoving plaats en dus niet met een injectie met een spuit. Het laseren zelf gaat heel snel. De totale behandeltijd neemt incl. voor‐ en nazorg  in het algemeen een uur in beslag.
Voor operaties met een implantlens geldt dat ze meestal in dagbehandeling worden verricht. Afhankelijk van de vorm van refractiechirurgie, de wens van de klant en eventuele medische noodzaak zal de behandeling onder druppel‐ of plaatselijke verdoving plaatsvinden of onder gehele narcose. De totale behandeltijd neemt over het algemeen 2 tot 3 uur in beslag. Dit is inclusief voorbereiding (zoals onder andere druppelen) en nazorg.
Nazorg

Na de behandeling moet men enige tijd een aantal leefregels in acht nemen, met name het veelvuldig druppelen is erg belangrijk. Bij de PRK en LASEK behandeling krijgt men pijnstillers en een tijdelijke zachte contactlens die functioneert als verbandlens. Werkhervatting is meestal mogelijk na drie à vier dagen tot 1 week. Het kan ook ongeveer een week duren totdat autorijden weer mogelijk is. Het herstel van het gezichtsvermogen is na een LASIK behandeling sneller.   Bij een lensimplantatie heeft men vaak na een aantal dagen al een goed zicht. De eerste weken na de behandeling zal men een aantal malen worden gecontroleerd door de behandelend oogarts. De controles gaan meestal tot 1 of 2  jaar na de behandeling door.  


Na implantatie van Artisan, Artiflex of ICL lenzen is het van belang om nog vele jaren lang bepaalde aspecten van het hoornvlies, de eigen lens en/of de oogdruk te blijven controleren. U hoort voor de behandeling van uw oogarts wat u kunt verwachten rond de behandeling. Wanneer er klachten zijn moet u direct contact op kunnen nemen met uw eigen behandelend oogarts of diens plaatsvervanger.  
Wat nu?
De resultaten van refractiechirurgie zijn tegenwoordig goed te voorspellen en blijven jarenlang stabiel. Dit betekent echter niet dat in alle gevallen de sterkte tot nul wordt gecorrigeerd. Het kan dus soms zijn dat men nog een lichte bril of contactlenzen nodig heeft na de behandeling.   Daarnaast is het met de meeste behandelingen niet mogelijk om (volledig) te corrigeren voor een leesbril.  
Wat zijn de risico’s en bijwerkingen?
Men moet zich realiseren dat refractiechirurgie een medische ingreep is. Bij elke ingreep kunnen er complicaties optreden. Ook kunnen er bepaalde neveneffecten zijn.   Enkele algemene neveneffecten en complicaties zijn:  

1. Pijn: voornamelijk bij de PRK en LASEK behandelingen

2. Onder‐ en over correctie van de sterkte. Dit kan doorgaans met een aanvullende behandeling gecorrigeerd worden.  

3. Het dragen van een leesbril kan bij alle vormen van refractie‐chirurgie, ook die welke een deel van de ouderdomsbijziendheid hopen te corrigeren, onder bepaalde omstandigheden nodig blijven. 4. Halo ́s en strooilicht: de eerste weken of maanden kunnen kringen en strepen rondom lichtbronnen gezien worden. In de meeste gevallen is dit dus een voorbijgaand effect. 3. Nachtblindheid: soms kan het voorkomen dat u overdag goed kan zien maar ́s avonds in het duister toch een geringe brilsterkte nodig heeft om scherp te zien.  

4. Droge ogen: de ogen kunnen na excimer laserbehandeling gevoeliger zijn en/of droger aanvoelen.  

5. Infectie: Bij elke ingreep kan een infectie of ontsteking optreden. In het slechtste geval komt het hierbij voor dat er een vermindering van het zicht optreedt. De kans hierop is echter klein.  

6. Bij lensimplantatie bij de eigen lens zijn er specifieke risico’s gerelateerd aan het type implantlens. Denk aan beslag op de lens, staarontwikkeling, hogere oogdruk, en achteruitgang van het hoornvlies. Vraagt u hier uw oogarts naar.

7. Bij de refractive lens exchange zijn de risico’s vergelijkbaar met de risico’s na een staaroperatie. (Zie hiervoor de NOG‐folder: Staar. )

8. Multifocale lenzen kunnen de bij 4. genoemde halo’s en strooilicht veroorzaken. Ook de bij 5. genoemde nachtblindheid, of verminderd contrast zien (bijv. kleur op kleur) kunnen voorkomen. Specifiek voor (LASIK en femto‐LASIK  is dat er complicaties kunnen optreden met de gesneden flap, bijvoorbeeld verschuiven of loskomen van de flap. Dit kan tijdens het snijden of de rest van de behandeling gebeuren, maar soms ook nog op de langere termijn, bijvoorbeeld bij een letsel van het oog. In het algemeen is de kans hierop vrij klein.
Wie is het aanspreekpunt?
Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.
Meer weten over refractie chirurgie?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website:

http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/item?urlProxy=/patienten/patientenvoorlichting/patientenvoorlichting2/refractiechirurgie&objectSynopsis=#WafTUuMnO9poL5vwwGDgLA (Geraadpleegd op 14-01-2016)

27 Retinitis Centralis Serosa (RCS)

Wat is RCS?
Om RCS te begrijpen is het nodig te weten hoe het netvlies is opgebouwd. Het netvlies is een dunne laag weefsel die de binnenkant van het oog bekleedt; het is de 'gevoelige laag' van het oog. Het vangt licht op en zendt signalen naar de hersenen. Het netvlies is goed te ver‐ gelijken met een filmpje of lichtgevoelige chip in een fototoestel. Het netvlies bestaat uit verschillende lagen; de diepste laag bestaat uit pigmentcellen (pigmente‐ pitheel). Nog dieper, maar niet meer tot het netvlies behorend, ligt het vaatvlies: een bloedrijke structuur.

Eén van de functies van het pigmentepitheel is het voorkómen van lekken van vocht uit het vaatvlies naar het netvlies.


Bij RCS is het pigmentepitheel verzwakt. Vocht kan door de zwakste plek (de 'lekplek') heen sijpelen en tilt het bovenliggende gedeelte van het netvlies op. Er vormt zich een vochtblaas. De oorzaak van de verzwakking van het pigmentepitheel is onbekend, maar RCS komt vaker voor bij patiënten die corticosteroïden gebruiken; ook stress is een risicofactor.

Hoe herkent u RCS?
Door de vochtblaas ziet de patiënt vervormd (metamorfopsie) en lijken voorwerpen kleiner dan ze zijn (micropsie). Vaak wordt er ook een vlek waargenomen. De gezichtsscherpte is ook vaak verminderd en kan verbeterd worden met een positieve lens.

Wat te doen bij RCS?

De diagnose kan vaak gesteld worden door oogspiegelen alleen: uw ogen worden ingedruppeld zo‐ dat de pupillen wijder worden waarna de oogarts het netvlies kan beoordelen. Met een OCT [optical coherence tomography] wordt een scan van het netvlies gemaakt, waarbij alle lagen van het netvlies zichtbaar zijn (zie illustraties boven) en de hoeveelheid vocht geëvalueerd kan worden. Wanneer RCS niet over gaat of voor een 2e of 3e keer ontstaat worden er foto's gemaakt met inspuiten van een contrastvloeistof in een ader [fluorescentieangiogram] zodat de plek waaruit het vocht lekt gevonden kan worden.


RCS geneest meestal vanzelf na enkele weken tot maanden. Een enkele keer wordt de lekplek die met fluorescentieangiogram gevonden is met laser behandeld om de genezing te bespoedigen; dit kan alleen wanneer de lekplek niet te dicht bij de gele vlek (het belangrijkste deel van het netvlies) ligt. Dan kunnen foto dynamische therapie (PDT, dit is een ander soort laserbehandeling) of injecties in het glasachtig lichaam (zie folder 'Intravitreale injecties') overwogen worden. De rol van oogdruppels of andere medicijnen is onduidelijk.
Wat nu?

Wanneer RCS is genezen blijft er vaak een klein littekentje in het netvlies over. De aandoening kan wel terugkomen, ook in het andere oog, waarbij in een enkel geval de gezichtsscherpte blijvend ver‐ mindert.


Wie is het aanspreekpunt?
Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.
Meer weten over RCS?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/Xw/7f/Xw7fEoJjmw93s5HdHUqQVw/Retinitiscentralisserosa2013.pdf(Geraadpleegd op 14-01-2016)



28 Retinitis Pigmentosa

Wat is Retinitis Pigmentosa?
Retinitis pigmentosa (ook wel TRD (tapetoretinale  dystrofie) genoemd) is eigenlijk niet één ziekte maar een verzamelnaam voor een groep ziekten die gekenmerkt wordt door slecht zien in het donker (nachtblindheid) en zeer geleidelijke beperking van het gezichtsveld, die uiteindelijk leidt tot kokerzien. De  ernst en het beloop kunnen heel erg wisselen: soms zijn de symptomen al op kinderleeftijd duidelijk, soms wordt de ziekte pas op middelbare leeftijd vastgesteld. Wij gaan ervan uit dat de aanleg om de ziekte te krijgen  in alle gevallen erfelijk bepaald is. Het gaat hierbij om verschillende vormen van erfelijkheid, waarbij de kans om de aandoening over te dragen op eventuele kinderen varieert van zeer gering (minder dan 1%) tot vrij aanzienlijk (maximaal 50 %). Er is onlangs een landelijk onderzoek naar de verschillende vormen van RP gestart, het RP5000‐project, met de uitkomsten van dit onderzoek hoopt men meer inzicht te krijgen in alle verschillende vormen van RP.  

Hoe herkent u Retinitis Pigmentosa?
Wanneer RP in de familie voorkomt zal men dikwijls de symptomen (kokerzien, nachtblindheid, verminderde gezichtsscherpte) herkennen en zal de oogarts vaak gemakkelijk de diagnose kunnen bevestigen, door naar het netvlies te kijken met de oogspiegel en gezichtsveldonderzoek te laten doen. Bij het gezichtsveldonderzoek wordt gekeken of er delen van het gezichtsveld (boven, beneden, opzij) niet goed functioneren. Wanneer de aandoening niet in de familie voorkomt, wordt de diagnose vaak in een later stadium gesteld: door het zeer langzame beloop past de patiënt zich bijna ongemerkt aan.   Pas achteraf realiseert hij/zij zich dat  de symptomen er soms al meer dan tien jaar of langer waren. In deze gevallen zal de oogarts behalve een gezichtsveldonderzoek soms ook een ERG (electroretinogram) laten maken om zeker te zijn van de diagnose. Bij  dit onderzoek wordt de elektrische activiteit geregistreerd die het netvlies na een lichtflits‐stimulatie uitzendt. Na  verdovende en pupilverwijdende druppels worden dunne draadjes op het oog of op de onderoogleden bevestigd en moet de patiënt een tijd in het donker zitten. Het onderzoek neemt ruim een half uur tot drie kwartier in beslag. Dit kan soms voor kinderen belastend zijn. Ook kunnen de ogen na afloop van het onderzoek wat geïrriteerd zijn. In het kader van het RP5000‐project worden nog extra onderzoeken gedaan, zoals speciale foto’s.  

Wat te doen bij Retinitis Pigmentosa?

Helaas is er tot dusver geen effectieve behandeling voor RP. Voor enkele (nogal zeldzame) vormen van RP is gentherapie mogelijk. Men is en blijft echter druk bezig met het zoeken hiernaar. Deze inspanningen zouden mogelijk in de nabije toekomst tot een effectieve therapie leiden.


 
Heeft het zin om voor controle naar de oogarts te blijven gaan? Hoewel de oogarts de kwaal niet kan wegnemen, kan hij of zij soms toch helpen.   
- Het controleren van de brilsterkte is natuurlijk zinvol, om uw gezichtsvermogen zo goed mogelijk te benutten. Zonodig kan de oogarts  u verwijzen voor extra hulpmiddelen (loupes etc.).  
- Verder komt bij RP vaak staar voor. Deze staar kan worden geopereerd, waardoor het zicht binnen het kleine gezichtsveld soms aanzienlijk kan verbeteren. RP patiënten hebben geen hoger operatierisico dan gewone staarpatiënten, maar de afweging om wel of niet te opereren, kan moeilijk zijn: in hoeverre is de staar en in hoeverre is de RP verantwoordelijk voor de achteruitgang van het gezichtsvermogen? Het resultaat van de operatie is daardoor vaak moeilijk te voorspellen.  
- Soms daalt de gezichtsscherpte door ophoping van vocht in de gele vlek (macula‐ oedeem). Hiervoor kan de oogarts een soort plaspil, Diamox, geven. Dit middel heeft nogal wat bijwerkingen en helpt lang niet altijd.  
- Tenslotte komt bij een zeer klein percentage van RP‐patiënten een verhoogde oogdruk voor. Aangezien dit ook meestal relatief makkelijk (met oogdruppels) kan worden behandeld, is de controle van de oogdruk van belang om (onnodige) schade te voorkomen.  
Wat nu?
Omdat het beloop van RP zo variabel kan zijn is er geen  zekere uitspraak te doen over de prognose. In principe is er sprake van een een langzame,  geleidelijke achteruitgang. Soms lijken er periodes van “stilstand “ op te treden, helaas soms ook van snellere achteruitgang. Vaak is de gezichtsscherpte tot op redelijk hoge leeftijd goed, zodat lezen geen groot probleem geeft. Wel is de patiënt door het zeer kleine gezichtsveld toch gehandicapt, bijvoorbeeld bij het lopen door een winkelstraat of bij het oversteken. Autorijden wordt op den duur onmogelijk. Het gelijktijdig aanwezig zijn van het goed zien van details en het niet zien van grote obstakels wordt door de omgeving soms moeilijk begrepen. Het is belangrijk dit aan familie, vrienden en collegae  uit te leggen. Het blijkt vaak moeilijk met de onzekerheid over de toekomst te leven. Het is normaal dat de patient na het vernemen van de diagnose een periode nodig heeft om zijn/haar veranderde toekomstbeeld te verwerken.  
Wie is het aanspreekpunt?
Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.
Meer weten over Retinitis Pigmentosa?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/6V/f1/6Vf1UlVzWmt9oS-hOTjhjQ/Retinitis-pigmentosa-versie-2012.pdf (Geraadpleegd op 14-01-2016)



29 Retinoblastoom

Wat is een Retinoblastoom?
Retinoblastoom is een zeldzame vorm van oogkanker, die bij kinderen onder de vijf jaar voorkomt. Meestal wordt de ziekte al vóór de leeftijd van twee jaar vastgesteld. 
Deze ziekte is een vorm van oogkanker die ontstaat in het netvlies (retina). Het netvlies ligt als een dunne laag tegen de binnenkant van de oogbol aan. Het behoort tot het zenuwweefsel en is via de oogzenuw verbonden met de hersenen. In het netvlies bevinden zich lichtgevoelige cellen, die (licht)beelden opvangen. Die beelden worden in de hersenen verwerkt, waardoor we ons bewust worden van wat we zien. 

De netvliescellen ontstaan al heel vroeg in de zwangerschap doordat cellen zich delen. Soms gaat er om onbekende reden bij zo'n celdeling iets fout en raakt de aanmaak van normale cellen verstoord. Er worden dan abnormale cellen geproduceerd, die zich ongeremd gaan delen. Zo kan de aanleg tot een kwaadaardige tumor (kanker) in het netvlies ontstaan.



Hoe herkent u een Retinoblastoom?

De eerste symptomen die door ouders of verzorgers gezien worden zijn meestal een "vreemde" verkleuring van het oog of de pupil, ook wel kattenoog genoemd. Soms zal scheelzien van één oog het eerste verschijnsel zijn. Het doet vrijwel nooit pijn.

In het vroegste stadium kan de ziekte alleen worden herkend aan de hand van uitgebreid oogonderzoek. Dit laatste gebeurt bij kinderen bij wie op grond van familiegegevens een kans bestaat dat ze retinoblastoom gaan krijgen.

Wat te doen bij een Retinoblastoom?
Er zijn meerdere behandelingsmogelijkheden en ieder kind krijgt een behandeling op maat. Dit betekent dat afhankelijk van de grootte en plaats van de tumor de beste behandeling voor uw kind wordt bepaald. Hierbij houden de artsen rekening met de korte- en lange termijn effecten van de behandeling én van de ziekte. De meest toegepaste behandelingen zijn

Enucleatie  
Als de tumor meer dan de helft van het netvlies heeft aangetast en/of er levensgevaar dreigt wanneer het oog behouden blijft, is de enige mogelijkheid om het oog te verwijderen (enucleatie). Als deze ingreep nodig is bereiden de oogartsen en verpleegkundigen u en uw kind daar zorgvuldig op voor. 

Enucleatie gebeurt onder narcose. Het oog wordt verwijderd en een kunststof bolletje wordt ingebracht om de holte op te vullen. Na vier tot zes weken, als de wond goed genezen is, wordt er een kunstoog aangemeten door de prothesemaker (ocularist).



Laser- of cryocoagulatie 
Deze methoden zijn geschikt voor kleine tumoren in het oog. Als er kleine tumortjes zijn in het centrum van het netvlies kunnen die worden gelaserd. De tumor wordt dan met een laserstraal via de pupil verhit en vernietigd. De tumor verandert in een litteken. Lasercoagulatie kan alleen of in combinatie met chemotherapie (tumorchemoreductie) worden toegepast

Als de tumoren aan de rand van het netvlies zitten, wordt gebruik gemaakt van plaatselijke bevriezing of cryocoagulatie (cryo = koud). De bevriezing van -60° C gaat zonder het oog te openen door het bindvlies heen. Met een koud staafje wordt de tumor vanuit de buitenkant van het oog zo bevroren dat die afsterft. Op de plek waar ooit een tumor heeft gezeten en een litteken is ontstaan functioneren de netvliescellen niet, waardoor de patiënt slechter kan zien.



Chemotherapie 
Onder chemotherapie wordt een behandeling verstaan met celgroeiremmende of celdodende medicijnen, zgn. cytostatica. Er zijn vaak meerdere chemotherapie behandelingen nodig. Deze medicijnen kunnen in verschillende vormen worden toegepast

-Tumorchemoreductie


Chemotherapie kan middelgrote tumoren in het oog doen krimpen en wordt in dat geval toegepast in combinatie met lasertherapie, cryocoagulatie of een radioactief schildje.  

-Thermochemotherapie


Een paar uur voorafgaande aan de laserbehandeling wordt chemotherapie gegeven zodat het effect van de chemotherapie en de laser elkaar versterken. 

-Preventieve Chemotherapie


Chemotherapie wordt ook toegepast als aanvullende behandeling. Dit gebeurt nadat een oog is verwijderd en bij pathologisch-anatomisch onderzoek blijkt dat de tumor diep in het vaatvlies of in de oogzenuw is gegroeid. Het doel van de chemotherapie is om een kleine kans op uitzaaiingen verder te verkleinen. Preventief (uit voorzorg) worden zes kuren chemotherapie gegeven, zodat er later geen uitzaaiingen ontstaan.

-Intra-arteriële chemotherapie


Een relatief nieuwe therapie is de intra-arteriële chemotherapie. Dit is een behandeling die door de neurointerventie radioloog wordt uitgevoerd. In de lies wordt een slangetje, een zogenaamde catheter ingebracht. De catheter wordt via de liesslagader opgevoerd naar de slagader van het oog. Dan wordt via de catheter chemotherapie toegediend. Op deze manier krijgt alleen het oog chemotherapie en blijft de rest van het lichaam grotendeels gespaard van chemo. De behandeling wordt meerdere malen herhaald (in totaal ongeveer drie tot zes keer), totdat de tumor is verdwenen. Er zijn maar weinig tumoren geschikt voor deze behandeling.
Bestraling
Retinoblastoom kan behandeld worden met bestraling (radiotherapie). Dit kan plaatselijk worden toegediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een radioactief schildje, of uitwendig worden toegepast. Deze behandelmethoden worden in Essen (Duitsland) uitgevoerd. 

-Radioactief schildje


Dit is een vorm van bestraling waarbij een radioactief schildje aan de buitenkant van het oog wordt gehecht, ter hoogte van de tumor aan de binnenzijde. Dit is alleen mogelijk bij kleine tot middelgrote tumoren. De schildjes moeten een aantal dagen blijven zitten om de tumorcellen zoveel mogelijk te vernietigen. Deze methode kan ook worden gebruikt als het oog al eerder behandeld is, maar er zich toch opnieuw tumorcellen in dit gebied bevinden (dat wordt een recidief van de ziekte genoemd).

-Uitwendige bestraling


Bij uitwendige radiotherapie wordt geprobeerd de tumor te vernietigen met behulp van bestraling. Als beide ogen ernstig zijn aangetast worden de ogen uitwendig bestraald. Omdat de tumorcellen van een retinoblastoom zeer gevoelig zijn voor bestraling, is deze behandeling bij veel kinderen effectief. Hierbij wordt het oog (de ogen) vijfentwintig keer bestraald met een lage dosis in vijf weken tijd. De bestraling vindt plaats onder narcose. Uitwendige bestraling is een goede therapie en soms de enige mogelijkheid het zicht te behouden. Er zijn helaas ernstige bijwerkingen zoals vervorming van de oogkas, staar (troebele lens), bloedingen in het oog of droge ogen. Later in het leven is er een kleine kans op een ander soort tumor in het bestralingsgebied.
Wat nu?
Helaas is het meestal zo dat kinderen met retinoblastoom slechtziend zijn aan één en soms twee ogen. Dit hangt er van af of één of twee ogen zijn aangedaan en waar in het oog de tumor gelokaliseerd is.

Overige lange termijn gevolgen zijn afhankelijk van de behandeling.

De behandeling van retinoblastoom kan onder andere bestaan uit chemotherapie. Als het kind chemotherapie gehad heeft zal langdurige controle bij de kinderoncoloog plaatsvinden, ook na beëindiging van de behandeling. De kinderarts bespreekt met u wat de gevolgen van de chemotherapie zullen zijn.

Late gevolgen van bestraling zijn alleen van toepassing wanneer er sprake is geweest van uitwendige bestraling. De lange termijn gevolgen zijn onder andere staar (cataract), droge ogen, bloedingen in het netvlies (bestralings-retinopathie), botgroei achterstand in de oogkas, verhoogde kans op nieuwe vormen van kanker in het bestralings gebied. Dit laatste lijkt alleen van toepassing op kinderen die in het eerste levensjaar uitwendig zijn bestraald.

Bij kinderen met de erfelijke vorm van retinoblastoom bestaat er een iets verhoogd risico op andere tumoren elders in het lichaam gedurende het hele leven (tweede primaire tumoren). Regelmatige (jaarlijkse) controle bij de oncoloog is nodig om eventuele klachten in een vroeg stadium te onderzoeken.
Wie is het aanspreekpunt?
Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.
Meer weten over een Retinoblastoom?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website: http://www.retinoblastoom.nl/ (Geraadpleegd op 14-01-2016)



30 Scheelzien (strabismus)

Wat is Strabismus?
Scheelzien is een afwijking van de stand van de ogen, waarbij de ogen niet op hetzelfde punt gericht zijn. Het ontstaat meestal op kinderleeftijd, maar kan ook bij volwassenen optreden. Deze informatie gaat uitsluitend over het gewone scheelzien, waarbij de oogspieren normaal functioneren. Deze vorm van scheelzien komt voor bij 3 ‐ 5% van de bevolking . Wanneer de beide ogen niet op hetzelfde punt gericht staan treedt er dubbelzien op. Schele kinderen hebben de mogelijkheid het beeld afkomstig uit het oog met de afwijkende stand in hun hersenen te onderdrukken ( er treedt suppressie op) Als steeds hetzelfde oog scheel kijkt en onderdrukt wordt, dan kan dit oog lui (amblyoop) worden . Het oog kan dan niet meer scherp zien en de persoon ziet geen diepte. De voornaamste reden om scheelzien al op jonge leeftijd op te sporen is een eventueel lui oog op tijd te ontdekken en met grote kans op succes te behandelen.

Hoe herkent u Strabismus?
Een flinke scheelziensafwijking is duidelijk zichtbaar. Maar er zijn ook kleine scheelziensafwijkingen, die niet of nauwelijks opvallen en daardoor minder ernstig lijken. De gevolgen zijn echter gelijk, maar een kleine afwijking kan alleen door gericht onderzoek worden ontdekt. Het is mogelijk dat de afwijking al langere tijd bestaat en dat er sprake is van een zeer slechtziend lui oog. Wanneer het scheelzien pas op oudere leeftijd optreedt is de kans op een lui oog klein. In dat geval kan het beeld van het afwijkende oog minder gemakkelijk worden onderdrukt. Er zal dan dubbelzien optreden. Het kind knijpt dan vaak één oog dicht, houdt de hand voor het oog of klaagt over dubbelzien. Ook kan het kind door verminderd dieptezien last krijgen van onzekere bewegingen: dit uit zich in ernaast grijpen, misstappen of gebrekkig afstand kunnen schatten bij balspelen.  

Wat te doen bij Strabismus?
De behandeling van scheelzien en/of van een lui oog kan langdurig zijn. In de meeste gevallen komt het kind als er geen oogafwijkingen zijn onder behandeling van de orthoptist die de oogarts ook adviseert bij zijn/ haar beslissing tot een oogspieroperatie. In het algemeen wordt ernaar gestreefd eerst het luie oog te behandelen voordat de eventuele oogspiercorrectie wordt uitgevoerd.  

Behandeling van het luie oog omvat de volgende methoden:


1. Afplakken of afdekken van het goede oog, om het zien van het luie oog te verbeteren.
2. Zo nodig voorschrijven van een bril om het beeld dat het luie oog ontvangt maximaal scherp te krijgen.
3. Voorschrijven van een bril bij een hoge verziendheid (positieve brilsterkte) omdat het kind daardoor een verbetering van de oogstand kan krijgen.
4. In enkele gevallen is het nodig oogdruppels voor te schrijven. Bij al deze behandelingen zijn regelmatige controles nodig om de resultaten te kunnen vaststellen. Bij deze controles kan de oogarts het resultaat van de behandeling met de ouders bespreken.
De oogspieroperatie
Bij een deel van de schele kinderen zal vroeg of laat worden besloten tot "rechtzetten". Er wordt dan een oogspieroperatie verricht, waarbij de oogspieren die aan de buitenkant van de oogbol vastzitten, verzwakt worden of versterkt door ze te verplaatsen of in te korten. Dit kan aan een of aan beide ogen gebeuren. Kinderen worden altijd onder algehele anesthesie geopereerd. Per ziekenhuis verschilt het of het kind voor de operatie moet worden opgenomen of dat de ingreep in dagbehandeling plaatsvindt. Na de operatie zullen de ogen rood en wat gezwollen en pijnlijk zijn. Er kunnen oogdruppels worden voorgeschreven. De eerste dagen na de operatie kan het kind beter niet in de zandbak spelen. Ook wordt zwemmen vlak na de operatie ontraden wegens infectiegevaar. In de meeste gevallen heeft de operatie voldoende cosmetisch resultaat. Soms is een tweede operatie noodzakelijk, bijvoorbeeld bij een duidelijke onder‐ of overcorrectie. Bij oogspieroperaties op oudere leeftijd is het erg belangrijk tevoren goed te onderzoeken in hoeverre er kans bestaat op dubbelzien na een operatie. Soms zijn de hersenen zo goed aangepast aan de bestaande schele oogstand dat het onmogelijk is een cosmetisch storend scheelzien te corrigeren zonder dubbelzien te veroorzaken. In dat geval moet van een operatie worden afgezien
Wat nu?

Wanneer scheelzien al op jonge leeftijd ontstaat is er zelden sprake van dubbelzien. Het dubbelbeeld wordt in de hersenen onderdrukt. Als het beeld van hetzelfde oog enige tijd achter elkaar wordt onderdrukt, dan ontwikkelt het scherpzien van dit oog zich niet goed en gaat het gezichtsvermogen achteruit. Men spreekt dan van een lui oog. Wanneer de ogen beurtelings scheel kijken is de kans op een lui oog klein. Een lui oog kan al op zeer jonge leeftijd ontstaan en gaat niet vanzelf over. Wel kan het worden verholpen als er tijdig met de behandeling wordt begonnen, in elk geval voor het zesde jaar, maar bij voorkeur eerder. Behandeling van een lui oog na de puberteit is niet meer mogelijk. Ook een speciale bril of laserbehandeling aan het luie oog zal het oog niet in belangrijke mate beter laten zien.


Wie is het aanspreekpunt?
Wanneer u symptomen of klachten ervaart is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met uw huisarts. Deze verwijst u mogelijk door naar een medisch specialist.
Meer weten over Strabismus?

Voor meer informatie kunt u kijken op de volgende website: http://www.oogheelkunde.org/uploads/cJ/nT/cJnTqT5ZLgYIw5m9-yAdUA/Scheelzien--Strabismus-JO-2012.pdf (Geraadpleegd op 14-01-2016)



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12


Dovnload 0.87 Mb.