Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie

Dovnload 164.61 Kb.

Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie



Pagina3/9
Datum05.12.2018
Grootte164.61 Kb.

Dovnload 164.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Opbouw oudedagsvoorzieningen


In Nederland kennen we een pensioenstelsel met drie pijlers. De eerste pijler bestaat uit de overheidsvoorzieningen zoals de AOW, Anw en de WIA. De tweede pijler wordt gevormd door voorzieningen uit de factor arbeid, het pensioen dat opgebouwd wordt via de werkgever. De derde pijler bestaat uit aanvullende regelingen die een belastingplichtige zelf aangaat, waarbij de lijfrenteverzekeringen een voorname plaats innemen.
Reeds halverwege de 19e eeuw werd er gesproken over lijfrentecontracten. De eerste voorstellen tot aftrekbare lijfrentepremies en belastbare uitkeringen werden aan het einde van die eeuw gedaan. Met de komst van de Wet IB 1914 werd de lijfrentepremieaftrek ook daadwerkelijk mogelijk. De mogelijkheid tot aftrek van lijfrentepremies was gelimiteerd. Tijdens de invoering van de Brede Herwaardering in 1992 werd gesproken over een natuurlijk maximum. Dit hield in dat iedere belastingplichtige zelf kon bepalen wat hij aan lijfrentepremieaftrek opvoerde voor een goede oudedagsvoorziening. Er was nogal wat kritiek op dit natuurlijk maximum, het systeem zou niet goed doordacht zijn. Uiteindelijk is het zover dan ook niet gekomen31 en werden de aftrekmogelijkheden juist beperkt. De invoering van de Wet IB 2001 is van groot belang geweest voor de lijfrenten. Gezien de doelstellingen van onder meer tariefverlaging en verbreding van de belastinggrondslag, moest de lijfrentepremieaftrek verder beperkt worden. In het huidige systeem is aftrek van lijfrentepremies voor een oudedagsvoorziening enkel mogelijk voor zover er sprake is van een pensioentekort32.
      1. Pensioentekort


Een belastingplichtige heeft te maken met een pensioentekort als hij in een jaar minder opbouwt dan nodig is om aan het einde van zijn werkzame leven te beschikken over een maatschappelijk adequaat geachte oudedagsvoorziening. De norm hiervoor is gesteld op 70% van het laatstverdiende of gemiddelde salaris. Het pensioentekort moet worden aangetoond op grond van berekeningen van de jaar- en/of reserveringsruimte33. De jaarruimte is het bedrag dat een belastingplichtige, die aan het begin van het betreffende kalenderjaar nog geen 65 jaar is, mag aftrekken vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar. Met behulp van de volgende formule kan de jaarruimte berekend worden: 0,17 PG – 7,5A – F.
PG staat voor premiegrondslag, het gezamenlijke bedrag dat een belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar genoten heeft uit winst uit onderneming34, belastbaar loon, belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en periodieke uitkeringen en verstrekkingen verminderd met een bedrag van € 11.345 (2009)35. Dit laatste bedrag is de zogenoemde AOW-franchise. Hierover kan geen pensioen worden opgebouwd en daarmee ook geen fiscaal gefacilieerde lijfrentevoorziening worden gevormd. De AOW-uitkering zal te zijner tijd voorzien in dit gat. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 155.827 (2009) in aanmerking genomen. De factor A in de formule staat voor de in aanmerking te nemen pensioenaangroei36 in het voorafgaande kalenderjaar. Pensioenverzekeraars zijn verplicht jaarlijks een opgave te doen van deze factor A aan de belastingplichtige van wie de pensioenaanspraken aldaar worden verzekerd37. De vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken is gesteld op 7,538 keer de factor A. In de formule staat F voor eventuele dotaties aan de oudedagsreserve voor zover deze de verplichte afname overtreffen39.
De reserveringsruimte40, ook wel inhaalruimte genoemd, is de jaarruimte die een belastingplichtige in de zeven voorafgaande jaren geheel of gedeeltelijk niet heeft gebruikt. De belastingplichtige heeft de gelegenheid om binnen deze ruimte alsnog de premieaftrek te benutten. De omvang van de reserveringsruimte is echter beperkt, te weten tot 17% van de premiegrondslag41 met een maximum van € 6.703 (2009). Voor belastingplichtigen die bij het begin van het betreffende kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt dit maximum verhoogd tot € 13.238 (2009). De niet-benutte jaarruimte uit de voorafgaande zeven jaren wordt geacht te worden benut in de volgorde waarin deze is ontstaan. De niet-benutte jaarruimte kan daarom uiterlijk in het achtste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarop de jaarruimte betrekking heeft, nog tot aftrek leiden.
      1. ‘Drukken op’


Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn aftrekbaar als deze op de belastingplichtige ‘drukken’42. Wat hieronder in dit verband moet worden verstaan, is niet toegelicht bij de behandeling van dit wetsartikel. In de literatuur wordt wel aangesloten bij de betekenis van het begrip ‘drukken op’ voor de buitengewone lasten onder het regime van de Wet IB 196443. Voor de uitgaven voor inkomensvoorzieningen zou dit betekenen dat de desbetreffende premie ten laste van de belastingplichtige moet komen en door hem moet worden gedragen. Het gaat erom dat de belastingplichtige de premie zelf moet betalen. In de jurisprudentie is aan de ‘drukken op’ eis van de Wet IB 1964 steeds meer inhoud gegeven. Ervan uitgaande dat deze jurisprudentie ook van toepassing is op de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, wordt een aantal zaken duidelijk. De belastingplichtige mag de betaalde premie niet kunnen dekken met een bedrag dat hij speciaal hiervoor van een ander gekregen heeft. Heeft de belastingplichtige echter zonder speciaal oogmerk een geldbedrag geschonken gekregen en voldoet hij uit zijn eigen middelen de lijfrentepremies, dan drukken deze uitgaven wel op de belastingplichtige44. Ook is er sprake van op de belastingplichtige drukkende uitgaven in het jaar van premiebetaling als hij een lening heeft afgesloten of een voorschot heeft verkregen om daarmee de premie te betalen45. Ingeval een derde rechtstreeks de premie aan de verzekeraar betaalt voor de belastingplichtige en daarmee op hem een vordering krijgt, is voor belastingplichtige pas sprake van een op hem drukkende uitgave voor inkomensvoorzieningen op het tijdstip dat hij deze schuld aflost46.
      1. Het begrip lijfrente


Premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort kwalificeren als uitgaven voor inkomensvoorzieningen47. Deze premies zijn fiscaal aftrekbaar in box 1, de uitkeringen zullen te zijner tijd aldaar belast worden. Oudedagslijfrenten, nabestaanden-lijfrenten en tijdelijke oudedagslijfrenten zijn aan te merken als lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort48. Het begrip lijfrente is gedefinieerd als een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden49. De definitie van het begrip levensverzekering luidt50: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. In dat artikel wordt weer verwezen naar het Burgerlijk Wetboek51, waar een levensverzekering wordt omschreven als ‘de in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd’. De Nederlandsche Bank is belast met de uitvoering van de Wft en bepaalt de inhoud van het begrip levensverzekering. In het rapport van de werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB52 zijn nadere criteria opgenomen over de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze houden samengevat in dat van een levensverzekering pas sprake kan zijn als de verzekeringnemer/begunstigde een gerede kans heeft dat de overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde rendement (de zogenoemde bonus). Voor de toepassing van de Wet IB 2001 moet aangesloten worden bij de uitleg die De Nederlandsche Bank geeft aan het begrip levensverzekering53.
Een lijfrente is een bijzondere vorm van een recht op periodieke uitkeringen, derhalve geldt ook de zogenoemde onzekerheidseis54. Het totale beloop van de termijnen moet afhankelijk zijn van een onzekere factor, wat bij afhankelijkheid van het leven van een natuurlijk persoon de sterftekans van de verzekerde persoon is. De Hoge Raad heeft bepaald dat de kans op het zich voordoen van de onzekere gebeurtenis tenminste 1 procent moet zijn55. De periodieke uitkeringen van een lijfrente dienen vast en gelijkmatig te zijn, wat inhoudt dat tussen de uitkeringen steeds een gelijk tijdsverloop moet zitten en de uitkeringen allemaal even hoog moeten zijn. Wel is toegestaan dat het bedrag van de uitkeringen geïndexeerd wordt56. Sinds 1 januari 2003 is de eis dat de periodieke uitkeringen vast moeten zijn wat verzacht. Als voldaan wordt aan bij ministeriële regeling te stellen regels mogen lijfrentetermijnen ook luiden in andere dan geldeenheden, bijvoorbeeld in fracties van een beleggingsportefeuille57. In de polisvoorwaarden van de lijfrente moet vastgelegd zijn dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen. Dit verbod is in de wet opgenomen om te voorkomen dat een belastingplichtige premieaftrek geniet waarmee een eenmalige uitkering gefacilieerd wordt. Handelt men in strijd met dit verbod, dan worden alle betaalde premies en het behaalde rendement bij de belastingplichtige (verzekeringnemer) als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen en belast in box 158. Met ingang van 2009 is het wel toegestaan om kleine lijfrenten op fiscaalverzachtende wijze af te kopen59.
Zoals genoemd worden oudedagslijfrenten, nabestaandenlijfrenten en tijdelijke oudedagslijfrenten aangemerkt als lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort. Een oudedagslijfrente is een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige zelf, welke uiterlijk ingaan in het jaar waarop hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden60. Van een nabestaandenlijfrente komen de termijnen toe aan een natuurlijk persoon en gaan in bij overlijden van de belastingplichtige of zijn (gewezen) partner. Komen de termijnen toe aan een van hun bloed- of aanverwanten, welke niet de (gewezen) partner is, dan eindigen deze termijnen bij overlijden van de gerechtigde of wanneer deze de leeftijd van 30 jaar bereikt. Indien de termijnen toekomen aan een ander dan een bloed- of aanverwant, dan is de minimale looptijd van de termijnen vijf jaar. De tijdelijke oudedagslijfrente kent eveneens een looptijd van minimaal vijf jaar en de termijnen komen toe aan de belastingplichtige zelf. De termijnen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt en moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt. Het gezamenlijke bedrag aan termijnen van de tijdelijke oudedagslijfrenten mag niet meer belopen dan € 20.097 (2009) per jaar.
      1. Premieaftrek


Premies voor gefacilieerde lijfrenten worden alleen in aanmerking genomen indien zij verschuldigd zijn aan een toegelaten aanbieder zoals in de wet gedefinieerd61. De premies komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend, voor zover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag62. Het uitgangspunt is daarbij dat een premie voor een levensverzekering alleen dan op het tijdstip van premiebetaling fiscaal aftrekbaar is wanneer deze is betaald voor een verzekering die juridisch tot stand is gekomen vóór het tijdstip van premiebetaling63. Onder premies voor lijfrenten vallen niet enkel periodiek vervallende betalingen, maar ook eenmalige koopsommen64. Er bestaat een mogelijkheid tot terugwenteling voor premies die betaald worden in de eerste drie maanden van een kalenderjaar. Voor deze premies bestaat de keuze uit aftrek in het huidige jaar of aftrek in het voorgaande kalenderjaar65.

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Pensioentekort
  • ‘Drukken op’
  • Het begrip lijfrente
  • Premieaftrek

  • Dovnload 164.61 Kb.