Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie

Dovnload 164.61 Kb.

Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie



Pagina5/9
Datum05.12.2018
Grootte164.61 Kb.

Dovnload 164.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Opbouw oudedagsvoorzieningen


Voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen heeft de invoering van het banksparen eveneens tot een uitbreiding van de mogelijkheden geleid. Waar men in de derde pijler vooral op lijfrenteverzekeringen was aangewezen, is het nu ook mogelijk om gefacilieerd te sparen of te beleggen voor een oudedagsvoorziening. Hiertoe kunnen bedragen worden gestort op een geblokkeerde lijfrentespaarrekening (hierna: LSR) of worden overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een lijfrentebeleggingsrecht (hierna: LBR). Onder een LBR wordt verstaan: een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die beleggingsinstelling. Onder voorwaarden worden de gestorte of overgemaakte bedragen gelijkgesteld met betaalde premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort83 en kunnen ze derhalve als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen84. De uitkeringen worden te zijner tijd belast in box 1. Het spaartegoed of het beleggingsrecht wordt niet in aanmerking genomen voor de rendementsgrondslag van box 3.
      1. Voorwaarden LSR/LBR


Zoals gezegd moeten de LSR en het LBR geblokkeerd zijn. De rendementen die behaald worden met de gestorte of overgemaakte bedragen moeten bijgeboekt worden op de LSR onderscheidenlijk worden aangewend ter verkrijging van een LBR. Het tegoed op de spaarrekening of de waarde van het beleggingsrecht kan enkel worden gedeblokkeerd ter verkrijging van een (tijdelijke) oudedagslijfrente of een nabestaandenlijfrente dan wel ter verkrijging van een uitkering in termijnen85. Tevens moeten de spaarrekening en het beleggingsrecht aangehouden worden bij een toegelaten instelling86. Voor een LSR kwalificeert als toegelaten kredietinstelling een financiële onderneming die ingevolge de Wft in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze onderneming de verplichting ingevolge de LSR voor de heffing van de Vpb rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen87. Voor een LBR is sprake van een toegelaten beheerder van een beleggingsinstelling als het om een financiële onderneming gaat die ingevolge de Wft in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling mag uitoefenen en gevestigd is in Nederland88. Andere ondernemingen of instellingen die bevoegd optreden als kredietinstelling of beheerder van een beleggingsinstelling kunnen zich als toegelaten aanbieder van een LSR en LBR laten aanwijzen onder voorwaarden die door de Minister van Financiën gesteld zijn89.
      1. De afbouwfase


Al genoemd is dat er na de opbouwfase van een LSR of een LBR slechts een tweetal mogelijkheden is. Allereerst kan deblokkering plaatsvinden voor de aankoop van een oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente of tijdelijke oudedagslijfrente90. Daarnaast is het ook mogelijk om het spaartegoed of het beleggingsrecht te laten uitkeren in vaste, gelijkmatige termijnen met gelijke tussenperioden van ten hoogste een jaar. Uit de wettekst valt af te leiden dat een combinatie van de aankoop van een lijfrente en uitkering in termijnen ook is toegestaan91. Het spaartegoed of het beleggingsrecht wordt uiterlijk gedeblokkeerd in het jaar waarin de houder van de LSR of het LBR (hierna: rekeninghouder92) de leeftijd van 70 jaar bereikt93. Wanneer men ervoor kiest om het tegoed uit te laten keren in termijnen, dan moeten we een onderscheid maken tussen de situatie dat de rekeninghouder nog leeft op het moment dat de termijnen gaan lopen en de situatie dat de rekeninghouder niet meer leeft op dat moment. Ingeval de rekeninghouder nog leeft bij aanvang van de termijnen, moet het tegoed aan hemzelf worden uitgekeerd en geldt daarvoor het volgende minimum aantal jaren94.

Rekeninghouder

Minimale uitkeringsduur

Jonger dan 65 jaar95

20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de rekeninghouder jonger is dan 65 jaar op het moment dat de eerste termijn wordt uitgekeerd.

65 jaar of ouder

  • 5 jaar indien de uitkering per kalenderjaar niet meer bedraagt dan € 20.097 (2009), óf

  • 20 jaar

In de situatie dat de rekeninghouder overlijdt en er nog geen termijnen uitgekeerd zijn, komt het spaartegoed of het beleggingsrecht toe aan zijn erfgenamen die het hen toekomende deel moeten gebruiken voor een nabestaandenlijfrente. Deze nabestaandenlijfrente kan zowel bij een bank als bij een verzekeraar worden aangegaan. De civielrechtelijke gerechtigheid tot de nalatenschap is bepalend voor wat een erfgenaam toekomt. Wanneer er geen testament is, geldt het wettelijk erfrecht. De wet schrijft voor dat de termijnen direct96 na het overlijden van de rekeninghouder moeten ingaan en uitgekeerd moeten worden aan een natuurlijk persoon97. De fiscale faciliteit is derhalve niet van toepassing als de termijnen toekomen aan bijvoorbeeld een ANBI98. Kiest de erfgenaam voor een uitkering in termijnen bij de bank, dan gelden fiscaal de volgende verplichte looptijden.


Erfgenaam

Minimale uitkeringsduur

Familielid99 jonger dan 30 jaar

Keuze tussen

  • 20 jaar óf

  • 5 jaar, maar uiterlijk tot 30-jarige leeftijd

Familielid99 30 jaar of ouder

20 jaar

Overigen (waaronder de (gewezen) partner)

5 jaar


Voorbeeld: De heer X heeft als aanvulling op zijn oudedagsvoorziening een bancaire lijfrente. Als hij op 60-jarige leeftijd overlijdt, zijn de termijnen nog niet ingegaan. Het saldo op de LSR valt in zijn nalatenschap en komt toe aan zijn erfgenamen, een zoon van 32 en een dochter van 26 jaar. De termijnen voor de zoon hebben een verplichte looptijd van minimaal 20 jaar. De dochter kan echter kiezen; een uitkering met een looptijd van minimaal 20 jaar óf een uitkering met een looptijd van 4 jaar.
Als de rekeninghouder overlijdt tijdens de afbouwfase, dat wil zeggen dat de uitkeringstermijnen al lopen, dan gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen100. De hoogte en de resterende looptijd van de uitkeringen blijven hetzelfde, alleen de verkrijger wijzigt. Het kan voorkomen dat de termijnbedragen toekomen aan meerdere erfgenamen, wat als gevolg zou kunnen hebben dat het spaartegoed of het beleggingsrecht verdeeld moet worden over meerdere aparte lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten met ieder een klein saldo. In de parlementaire behandeling is opgemerkt dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat de uitkeringen ook slechts op één dan wel enkele van de erfgenamen kunnen overgaan, mits dit vooraf is vastgelegd101. Over de verkrijging van de aanspraken op het lijfrentespaartegoed of de lijfrentebeleggings-rechten is geen successierecht verschuldigd102, de termijnen worden bij de verkrijger zelf belast in box 1. Bij het overlijden van de (gewezen) partner van de rekeninghouder bestaat er een extra mogelijkheid om de LSR of het LBR te laten deblokkeren103. De termijnen moeten dan binnen zes maanden na het overlijden van de (gewezen) partner uitgekeerd worden aan de rekeninghouder zelf en de minimale uitkeringsduur bedraagt vijf jaar. De rekeninghouder kan een eventueel inkomensverlies dat is ontstaan door het overlijden van zijn (gewezen) partner door deze fiscale faciliteit opvangen.
Het is denkbaar dat een rekeninghouder in een jaar slechts een gedeelte van de gestorte of overgemaakte bedragen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking heeft genomen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een groter bedrag gestort of overgemaakt wordt naar een LSR of LBR dan er op basis van de berekeningen van het pensioentekort aftrekbaar is. Ook is het mogelijk dat de aftrek van de gestorte of overgemaakte bedragen verzuimd is. Voorheen moesten in een dergelijke situatie de uitkeringstermijnen worden gesplitst. Het gedeelte van de termijnen waarvoor de gestorte of overgemaakte bedragen in aftrek waren gebracht, werden inclusief rendement volledig belast in box 1. Het resterende gedeelte werd inclusief rendement betrokken in box 3. Met ingang van 2009 wordt deze splitsing niet meer gemaakt en worden de termijnen volledig belast in box 1, ook al is een deel van de gestorte of overgemaakte bedragen daarvoor niet in aftrek gebracht. De verkrijger mag de niet in aftrek gebrachte bedragen wel in mindering brengen op de uitkeringstermijnen met een maximum van € 2.269 per jaar dat de aftrek verzuimd is of de gestorte of overgemaakte bedragen (gedeeltelijk) niet aftrekbaar waren104.
Wanneer de voorwaarden voor een LSR of een LBR geschonden worden, gelden de sanctiebepalingen die ook van toepassing zijn op een lijfrenteverzekering105. Alle betaalde premies - dus ook de premies die niet in aftrek zijn gebracht - en het behaalde rendement worden als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen en belast in box 1. Tevens is er over dit bedrag 20% revisierente verschuldigd. Doordat niet meer voldaan wordt aan alle voorwaarden, wordt de spaarrekening of het beleggingsrecht verplaatst van box 1 naar box 3, alwaar het betrokken wordt in de vermogensrendementsheffing. Als de termijnen te zijner tijd uitgekeerd worden, zijn deze dan niet meer belast met IB. Met ingang van 2009 is het wel mogelijk om een klein tegoed op een LSR of op een LBR in één keer uit te keren zonder fiscale sancties106.


1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Voorwaarden LSR/LBR
  • De afbouwfase

  • Dovnload 164.61 Kb.