Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie

Dovnload 164.61 Kb.

Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie



Pagina6/9
Datum05.12.2018
Grootte164.61 Kb.

Dovnload 164.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Een vergelijking


De Wet Banksparen moest een einde maken aan de gedwongen winkelnering bij verzekeringsmaatschappijen die over het algemeen hoge en diffuse kosten in rekening brengen. In eerste instantie was enkel de fiscale faciliëring van banksparen voor opbouw van oudedagsvoorzieningen opgenomen. De initiatiefnemers van het voorstel wensten de oudedagsparaplu uit te breiden met een faciliteit in de derde pijler en zo vooral zelfstandig ondernemers, zzp-ers en freelancers meer keuzemogelijkheid te geven, omdat zij afhankelijk zijn van pensioenopbouw in de derde pijler. In de literatuur is echter aangehaald dat het banksparen niet als een éxtra faciliteit in de derde pijler is aan te merken. Dietvorst107 noemt terecht dat het banksparen een gelijkschakeling met lijfrenten betreft, het is in wezen een toegelaten uitvoeringsmogelijkheid van de lijfrente. De LSR en het LBR zijn immers opgenomen in de lijfrentedefinitie. Het systeem van banksparen ten behoeve van de oudedagsvoorzieningen werkt ook nagenoeg hetzelfde als voor de lijfrenteverzekering. Als er sprake is van een pensioentekort zijn de ingelegde bedragen onder voorwaarden aftrekbaar, is de aanspraak onbelast en worden de termijnen bij uitkering in de heffing betrokken. Eveneens geldt het verbod op afkoop, vervreemding en zekerheidsstelling. Dit wil echter niet zeggen dat er geen verschillen bestaan tussen de bancaire lijfrente en de lijfrenteverzekering. Bij de aflossing van de eigenwoningschuld geldt dit evenmin voor de SEW/BEW enerzijds en de KEW anderzijds. Beide systemen worden hierna met elkaar vergeleken door een aantal belangrijke verschillen op een rij te zetten. Tevens wordt aandacht besteed aan het effect dat de invoering van het banksparen in de maatschappij gehad heeft.
    1. Overlijdensrisico en langlevenrisico


Een belangrijk verschil met het banksparen is dat een verzekeraar in de opbouwfase extra overlijdensdekking kan bieden en in de afbouwfase een dekking van het langlevenrisico. Bovendien kan een verzekeraar eveneens verdere opbouw bij arbeidsongeschiktheid dekken. Deze risico’s kunnen niet gedekt worden bij een bank en zullen daarom desgewenst nog extra verzekerd moeten worden indien men kiest voor bankspaarproducten. Dietvorst haalt in het eerder genoemde artikel dan ook aan dat de wijze waarop de LSR en het LBR is vormgegeven, strikt genomen niet past als oudedagsvoorziening. De gedachte van de wetgever bij pensioen en lijfrenten is immers dat het een levenslange inkomensvoorziening moet zijn. Het banksparen kan aan die voorwaarde niet voldoen, omdat het langlevenrisico niet gedekt kan worden. Dit is bij een verzekeraar wel het geval, een levenslange oudedagslijfrenteverzekering eindigt pas door het overlijden van de verzekeringnemer. Bij de bancaire oudedagslijfrente stoppen de termijnen op het moment dat het tegoed verbruikt is, rekening houdend met de minimale uitkeringsduur van 20 jaar, eventueel vermeerderd met het aantal jaren dat de rekeninghouder108 jonger is dan 65 jaar op het moment dat de eerste termijn wordt uitgekeerd. Indien de rekeninghouder langer leeft dan deze periode en hij in zijn bestaan afhankelijk is van de uitkeringen, kan dit tot problemen leiden. De bancaire lijfrentevoorziening is eveneens niet altijd geschikt als nabestaandenvoorziening. Wanneer men vroegtijdig overlijdt en slechts een klein kapitaal gespaard is, zal het saldo niet toereikend zijn voor een adequate nabestaandenvoorziening. Dit risico zal desgewenst ook apart verzekerd moeten worden.
Het feit dat bij een bancaire lijfrente de totale omvang en de duur van de uitkeringen niet afhankelijk is van het leven van de rekeninghouder, in tegenstelling tot een lijfrenteverzekering, kan anderzijds ook als voordeel worden aangemerkt. Het tegoed op een LSR of van een LBR wordt altijd volledig uitgekeerd aan de houder, zijn nabestaanden of erfgenamen. Na overlijden van de rekeninghouder, komen de uitkeringstermijnen toe aan zijn erfgenamen. Ingeval van een lijfrenteverzekering eindigt deze bij overlijden van de verzekeringnemer en vervalt een nog resterend ‘tegoed’, tenzij bij het aangaan ervan een nabestaandenlijfrente apart is meeverzekerd. Bij een lijfrenteverzekering profiteert de verzekeraar in principe van het vroegtijdig overlijden van de verzekeringnemer, bij een bancaire lijfrente zijn het de erfgenamen die profiteren van het vroegtijdig overlijden van de rekeninghouder. De erfgenamen van een overleden houder van een LSR of LBR hebben de keuze om met het tegoed een nabestaandenlijfrente bij een bank aan te gaan of bij een verzekeraar. Voor deze twee opties gelden fiscaal echter verschillende uitkeringstermijnen. Een nabestaandenlijfrente bij een verzekeraar kent voor de partner en niet-verwanten van de overledene een minimale uitkeringsduur die verband houdt met het 1%-sterftekanscriterium. Voor deze verkrijgers geldt bij de bank een minimale duur van vijf jaar. Bloedverwanten zijn bij een verzekeraar gebonden aan een levenslange uitkering of, wanneer de bloedverwant jonger is dan 30 jaar, een uitkering tot de 30-jarige leeftijd. Bij een bank geldt voor bloedverwanten een minimale termijn van 20 jaar, waarbij een bloedverwant jonger dan 30 jaar ook de keuze heeft voor een termijn van minimaal 5 jaar, maar uiterlijk tot de 30-jarige leeftijd. Dit fiscale verschil in uitkeringstermijnen kan in bepaalde situaties een aanzienlijke uitwerking hebben. Het banksparen wordt in de literatuur dan ook wel een interessant instrument voor successieplanning genoemd. Dit geldt te meer doordat de bancaire lijfrente geen maximale duur kent. Wanneer een belastingplichtige met een groot spaartegoed of aanzienlijk waardevol beleggingsrecht bij aanvang van de afbouwfase voor een zeer lange uitkeringsperiode kiest, wordt met een deel van het tegoed in feite een nabestaandenvoorziening gecreëerd. Op die manier kan vermogen worden overgedragen aan erfgenamen zonder de heffing van successierecht. Indien de termijnen toekomen aan minderjarigen wordt er feitelijk zelfs ook geen of nauwelijks inkomstenbelasting geheven109. We kunnen ons afvragen of dit de bedoeling is geweest van de initiatiefnemers, zij wilden met hun voorstel immers voorzien in een extra mogelijkheid voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen en voor de aflossing van de eigenwoningschuld110. Vermeld moet worden dat het ‘nalaten’ voor een lijfrenteverzekering eenvoudiger te regelen is dan voor de bancaire lijfrente. Op de verzekering wordt een begunstiging aangetekend waarmee doorgaans direct duidelijk is aan wie het kapitaal toekomt bij overlijden van de verzekerde. De begunstigde verkrijgt na overlijden van de verzekeringnemer een geheel zelfstandig recht, buiten de nalatenschap om. Bij het banksparen is het nalaten wat minder gemakkelijk te realiseren. Omdat bij een LSR of LBR ingeval van overlijden de uitkeringstermijnen toekomen aan de erfgenamen, zal hiervoor het een en ander goed geregeld moeten zijn bij de notaris, met alle kosten die daarmee gepaard gaan. Indien er geen testament is opgesteld, geldt het wettelijk erfrecht. De nalatenschap zal dus eerst moeten worden verdeeld, voordat duidelijk is wie de rechthebbende is van het spaartegoed of de beleggingsrechten. Daarbij kan het zo zijn dat de termijnbedragen toekomen aan meerdere erfgenamen, met als eventueel gevolg dat er meerdere kleine lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten ‘ontstaan’. Dit neemt veel administratieve lasten met zich mee en bovendien hebben erfgenamen nadat de LSR of LBR verdeeld is en de termijnen zijn ingegaan geen recht op de eenmalige deblokkeringsmogelijkheid voor kleine lijfrenten111. Om dit te voorkomen, is in de parlementaire behandeling opgemerkt dat in een dergelijk geval de uitkeringen mogen worden toebedeeld aan één van de erfgenamen. Dit moet vooraf echter wel vastgelegd zijn, wat in de praktijk als belastend wordt ervaren. Het zou praktischer zijn als de erfgenamen dit zelf kunnen verdelen. Indien er van tevoren niets is vastgelegd en de erfgenamen onderling toch besluiten de termijnen toe te bedelen aan één erfgenaam, treden de fiscale sancties in werking. Zoals reeds gezegd, is een lijfrenteverzekering een rechtstreeks recht dat – anders dan een LSR of LBR – niet in de nalatenschap valt. Ingeval een nalatenschap een negatieve waarde heeft, is het daarom mogelijk de nalatenschap te verwerpen, maar de uitkering uit lijfrenteverzekering wel te accepteren. Dit is niet mogelijk ingeval van een LSR of LBR, een negatieve nalatenschap kan het tegoed van de spaarrekening of het beleggingsrecht (gedeeltelijk) ‘opslokken’.
Het banksparen biedt wel extra flexibiliteit als de (gewezen) partner van de rekeninghouder komt te overlijden. Onder voorwaarden mag de rekeninghouder ervoor kiezen in die situatie (ook) zijn eigen tegoed te laten uitkeren. De termijnen moeten binnen zes maanden na het overlijden van de (gewezen) partner ingaan en een looptijd hebben van minimaal vijf jaar. Met deze faciliteit kan eventueel inkomensverlies als gevolg van het overlijden van de (gewezen) partner worden opgevangen. Op deze wijze kan de minimale uitkeringsduur flink worden gekort. De rekeninghouder mag op het moment van overlijden beslissen of hij zijn eigen tegoed wel of niet laat uitkeren, dit hoeft hij niet van tevoren overeengekomen te zijn met de bank. Deze extra mogelijkheid bestaat niet in het regime van lijfrenteverzekeringen. Daar moet van tevoren een overlijdensdekking op het leven van de (gewezen) partner overeengekomen zijn, het is niet mogelijk om een keuze te maken op het moment van overlijden. Bovendien moet bij een verzekeraar de minimale looptijd voldoen aan het 1% sterftekanscriterium. Anderzijds is de regeling dat de uitkeringen uit een (tijdelijke) oudedagslijfrenteverzekering tot 70% van het oorspronkelijke bedrag mogen afnemen na het overlijden van de (gewezen) partner112 niet overgenomen voor het banksparen.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Overlijdensrisico en langlevenrisico

  • Dovnload 164.61 Kb.