Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie

Dovnload 164.61 Kb.

Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie



Pagina7/9
Datum05.12.2018
Grootte164.61 Kb.

Dovnload 164.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Aflossing eigenwoningschuld


Voor de aflossing van de eigenwoningschuld is er eveneens een aantal belangrijke aspecten die de keuze voor een SEW/BEW enerzijds of een KEW anderzijds kan beïnvloeden. Net als bij de opbouw van oudedagsvoorzieningen speelt ook bij de aflossing van de eigenwoningschuld het overlijdensrisico een grote rol. Bij een KEW bestaat de premie die betaald wordt uit een deel ter dekking van het overlijdensrisico en een deel dat wordt gespaard voor een uitkering bij leven. Bij een SEW of een BEW wordt de inleg geheel gebruikt voor het spaartegoed of de beleggingsrechten, er wordt geen risicopremie voor vroegtijdig overlijden aan onttrokken. Hierdoor bestaat de kans dat wanneer de rekeninghouder vroegtijdig komt te overlijden, er niet voldoende spaartegoed of beleggingsrecht is opgebouwd om de eigenwoningschuld mee af te lossen. Tegen dit risico kan de rekeninghouder zich eventueel bijverzekeren. Deze aparte overlijdensrisicoverzekering hoort dan in box 3 thuis in plaats van in box 1. Het voordeel daarvan is dat de begunstigde fiscaal niet verplicht is om de uitkering te gebruiken voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Dit is wel het geval voor een KEW, het uitgekeerde kapitaal bij overlijden moet aangewend worden ter aflossing van de eigenwoningschuld.
Een SEW kan meerdere rekeninghouders hebben en voor een BEW is het mogelijk dat er meerdere eigenaars zijn. De Wet IB gaat er in een dergelijk geval vanuit dat het tegoed of het beleggingsrecht in gelijke delen wordt toegerekend aan de rekeninghouders respectievelijk de eigenaren113. Civielrechtelijk en voor de heffing van de successierechten wordt daar echter aan voorbij gegaan en is de werkelijke eigendomsverhouding van toepassing. Deze fictie in de Wet IB kan in de praktijk tot ongewenste situaties leiden wanneer men bijvoorbeeld op huwelijkse voorwaarden is getrouwd en het aandeel in de SEW/BEW meer of minder bedraagt dan de 50% waar de fictie vanuit gaat. In sommige gevallen zou het dan ook beter zijn om twee aparte SEW’s of BEW’s af te sluiten. Stam en Willemen114 menen dat tijdens de behandeling van de Wet Banksparen de civielrechtelijke kant van het voorstel onderbelicht is gelaten. Zij wijzen er op dat indien de SEW of het BEW115 tot een (beperkte) huwelijksgoederengemeenschap behoort, na het overlijden van de rekeninghouder eerst deze goederengemeenschap verdeeld moet worden voordat de nalatenschap vastgesteld en vereffend kan worden. Pas na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kan worden vastgesteld of de SEW of het BEW in de nalatenschap van de overleden rekeninghouder valt. Als dat het geval is, is vererving aan de orde, met eventueel successierechtelijke gevolgen. De uitkering uit een KEW valt niet in de nalatenschap van de verzekerde, maar dat houdt niet automatisch in dat over de uitkering geen successierechten zijn verschuldigd door de begunstigde116. Dit is echter te voorkomen door de juiste premie- of polissplitsing toe te passen. Wanneer aan het vermogen van de overledene namelijk niets is onttrokken ter zake van de verkrijging, wordt de uitkering geacht niet krachtens erfrecht te zijn verkregen. Door de KEW-polis zo in te richten dat de premie voor de uitkering bij het overlijden niet ten laste komt van de erflater/verzekerde, maar van de begunstigde, wordt de heffing van successierecht voorkomen. Een dergelijke ‘truc’ is niet mogelijk voor de SEW of het BEW. Het opgebouwde tegoed valt na overlijden van rekeninghouder altijd in de nalatenschap, eventueel na verdeling van de goederengemeenschap. Of er daadwerkelijk successierechten betaald moeten worden, hangt af van wie de verkrijger is en de waarde van eventuele overige bestanddelen uit de nalatenschap die aan deze erfgenaam toekomen.
Wanneer één van de rekeninghouders overlijdt, zijn de gevolgen voor de inkomstenbelasting ook een belangrijk aandachtspunt. In dat geval wordt het gedeelte van de SEW/BEW dat aan de overleden rekeninghouder toebehoort in beginsel fictief gedeblokkeerd. Er vindt in box 1 afrekening plaats over het opgebouwde rendement bij de overledene zelf op het moment direct voorafgaand aan diens overlijden en het tegoed gaat over naar box 3. Wel is de vrijstelling van toepassing, ook al is niet voldaan aan de voorwaarden voor de minimale inlegtermijn. De langstlevende rekeninghouder heeft echter drie keuzemogelijkheden in een dergelijke situatie; 1. hij laat het gedeelte van de SEW/BEW dat toebehoort aan de overleden rekeninghouder deblokkeren en zet zijn eigen gedeelte voort, 2. hij laat de gehele SEW/BEW deblokkeren, of 3. hij zet de SEW/BEW in zijn geheel voort. Aan de hand van een voorbeeld zal verduidelijkt worden tegen welk probleem men aan kan lopen.
De heer X en mevrouw Y hebben samen een eigen woning met een eigenwoningschuld van € 275.000. Tevens hebben ze een en/of rekening die fiscaal als SEW wordt aangemerkt. Hierop wordt maandelijks een dusdanig bedrag gestort dat aan het einde van de looptijd van de hypothecaire lening voldoende saldo beschikbaar is om deze schuld mee af te lossen. Na een aantal jaar overlijdt mevrouw Y. Het tegoed op de SEW bedraagt op dat moment € 50.000. De heer X en mevrouw Y hebben nog nooit eerder gebruik gemaakt van hun life-timevrijstelling.
Indien de heer X kiest voor optie 1 of 2, zal het gedeblokkeerde saldo volledig onder de vrijstelling vallen. Hiervoor is wel vereist dat het vrijgekomen bedrag gebruikt moet worden om de eigenwoningschuld mee af te lossen en dat er gedurende de volledige contractperiode jaarlijks bedragen zijn gestort binnen de bandbreedte 10:1. Onder optie 1 wordt € 25.000 gedeblokkeerd, waarvoor de vrijstelling van mevrouw Y gebruikt wordt. De heer X zet zijn gedeelte van de SEW voort, met ongewijzigde looptijd en bandbreedte, en behoudt zijn eigen vrijstelling volledig. De eigenwoningschuld wordt € 250.000, welke op de einddatum vermoedelijk niet volledig afgelost zal kunnen worden met het saldo van de SEW. Onder optie 2 wordt € 50.000 gedeblokkeerd, waarvan de helft onder vrijstelling van mevrouw Y valt en de andere helft onder de vrijstelling van de heer X. Voor de heer X resteert dan een vrijstelling van € 122.500 (uitgaande van bedrag 2009). De eigenwoningschuld bedraagt na aflossing € 225.000, er zal een alternatieve manier gezocht moeten worden om deze te zijner tijd af te lossen. Kiest de heer X voor optie 3 dan zal hij de SEW ook voor het deel van mevrouw Y voortzetten. De gehele SEW blijft in stand, met de ongewijzigde looptijd/bandbreedte van beide partners samen. Bij deblokkering op de einddatum kan de heer X ook gebruik maken van de vrijstelling van mevrouw Y, echter maar voor € 25.000. De vrijstelling bedraagt namelijk maximaal de hoogte van het tegoed op de SEW dat aan mevrouw Y toekwam ten tijde van haar overlijden117. Het gevolg is dat de heer X op de einddatum over een vrijstelling van € 172.500 (plus indexatie van zijn eigen vrijstelling) beschikt. Als het verwachte rendement op de SEW gerealiseerd wordt, zal aan het eind van de looptijd een bedrag van € 275.000 gedeblokkeerd worden. Het gevolg is dat het rentebestanddeel in het positieve verschil tussen het gedeblokkeerde bedrag en de totale vrijstelling progressief belast zal zijn in box 1 bij de heer X118. Hierdoor zal hij met de SEW niet de volledige eigenwoningschuld kunnen aflossen. Wanneer de heer X en mevrouw Y in deze situatie voor een KEW hadden gekozen, was dit probleem niet aan de orde geweest. In dat geval hadden zij een kapitaal verzekerd van € 275.000 dat tot uitkering zou komen op de einddatum of bij eerder overlijden van één van de partners. Op het moment dat mevrouw Y overlijdt, komt de KEW tot uitkering en is hierover geen box 1-heffing verschuldigd. De vrijstelling van de heer X wordt namelijk verhoogd met de vrijstelling van mevrouw Y119. Beiden hadden nog niet eerder gebruik gemaakt van hun life-timevrijstelling, zodat derhalve een totale vrijstelling van € 295.000 van toepassing kan zijn. Over de uitkering van € 275.000 is hierdoor geen box 1-heffing verschuldigd en de volledige eigenwoningschuld kan worden afgelost. Dit voorbeeld maakt een belangrijk verschil tussen de KEW en de SEW/BEW duidelijk waar een belastingplichtige zich goed van bewust moet zijn. Jacobs 120 geeft aan dat de doorschuifregeling van de SEW/BEW meer mogelijkheden zou bieden als de wetgever bepaald had dat de langstlevende als extra vrijstelling SEW/BEW meekreeg de totale niet-benutte vrijstelling SEW/BEW van de overleden rekeninghouder, gemaximeerd op het bedrag dat uiteindelijk zou zijn opgebouwd. In het voorbeeld van de heer X en mevrouw Y zou dat betekenen dat de heer X ter zake van het gedeblokkeerde spaarbedrag aan het einde van de looptijd een extra vrijstelling van € 127.500121 zou krijgen in plaats van € 25.000.
1   2   3   4   5   6   7   8   9


Dovnload 164.61 Kb.