Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie

Dovnload 164.61 Kb.

Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden Faculteit der Economische Wetenschappen Bachelorscriptie



Pagina9/9
Datum05.12.2018
Grootte164.61 Kb.

Dovnload 164.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Conclusie


Met de invoering van de Wet banksparen is het mogelijk geworden om bij een bank of beleggingsinstelling fiscaal gefacilieerd te sparen of te beleggen voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen en de aflossing van de eigenwoningschuld. Anders dan de initiatiefnemers menen, is er hier niet zozeer sprake van een extra faciliteit, maar meer van een uitbreiding van de keuzemogelijkheden die de belastingplichtige heeft. De al bestaande faciliteiten zijn breder toegankelijk gemaakt. Voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler heeft men naast de lijfrenteverzekering nu ook de keuze uit een LSR of LBR. Voor de aflossing van de eigenwoningschuld biedt de SEW of de BEW nieuwe mogelijkheden naast de al langer bestaande KEW. Sinds 1 januari 2008 hebben verschillende banken en beleggingsinstellingen bankspaarproducten op de markt gebracht. In de praktijk blijkt ook dat steeds vaker gebruik gemaakt wordt van het banksparen. Het tegengaan van de hoge en ondoorzichtige kosten die verzekeringsmaatschappijen hanteerden, was in het bijzonder een belangrijke drijfveer bij de indiening van het wetsvoorstel. Uit vergelijkingen bleek vorig jaar dat de bankspaarproducten veelal goedkoper aangeboden worden dan de verzekeringsvarianten, maar dat banken niet per definitie doorzichtiger handelden dan de verzekeraars. Vanaf 2009 zorgt nieuwe regelgeving voor meer transparantie op het gebied van beloningen van tussenpersonen en de kosten die aanbieders hanteren. Hiervan zal iedere belastingplichtige profiteren ongeacht voor welk product hij kiest. Ondanks dat getracht is om het banksparen zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de fiscaal gefacilieerde verzekeringsproducten op dit gebied, bestaat er een aantal belangrijke verschillen. Bij bankspaarproducten is het overlijdensrisico niet gedekt en zal dit desgewenst extra verzekerd moeten worden. Gebeurt dit niet, dan kan vroegtijdig overlijden van de houder van een SEW of BEW ertoe leiden dat de eigenwoningschuld niet voldoende kan worden afgelost. Dit geldt te meer omdat de doorschuifregeling waar de langstlevende rekeninghouder gebruik van kan maken, slechts in een beperkte verhoging van de vrijstelling voorziet. Bij opbouw van oudedagsvoorzieningen via een LSR of LBR bestaat evenmin dekking voor het langlevenrisico, iets wat bij een lijfrenteverzekering wel het geval is. Anderzijds gaat een tegoed dat met een bankspaarproduct is opgebouwd nooit verloren bij overlijden van de rekeninghouder, omdat dit in zijn nalatenschap valt. Daarnaast gelden voor de bancaire nabestaandenlijfrente fiscaal niet dezelfde minimale uitkeringstermijnen als voor de nabestaandenlijfrente bij een verzekeraar. In een aantal situaties zijn de termijnen voor de bancaire variant aanzienlijk korter. Deze genoemde discrepanties zijn voornamelijk inherent aan het verschil in karakter tussen een verzekering en een bancair product. In de parlementaire behandeling is dan ook opgemerkt dat volledige aansluiting hierdoor niet mogelijk is130. Dit maakt het belang van goede advisering op dit gebied nog groter. We kunnen niet stellen dat voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen of aflossing van de eigenwoningschuld het banksparen per definitie een beter alternatief is dan de verzekeringen of andersom. Per individuele situatie zal beoordeeld moeten worden waar een belastingplichtige het meeste bij gebaat is. Het kostenaspect is daarbij zeker niet het enige dat telt, de juridische en fiscale aspecten spelen misschien nog wel een belangrijkere rol. Wel kunnen we concluderen dat de fiscale faciliëring van het banksparen van toegevoegde waarde is voor de belastingplichtige. Ook al doet het misschien wat aan ‘oude wijn in nieuwe zakken’ denken, binnen de bestaande faciliteiten heeft de belastingplichtige meer keuzemogelijkheden gekregen. Hierdoor is het mogelijk om voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen en de aflossing van de eigenwoningschuld nog beter af te stemmen op de behoeften en omstandigheden van het individuele geval. De wetgever zou de toegevoegde waarde voor de belastingplichtige verder kunnen vergroten door enkele aanpassingen door te voeren die een aantal praktische problemen zou verhelpen. In de literatuur is daarnaast herhaaldelijk geopperd het banksparen eveneens in de tweede pijler toe te laten. In die pijler zou de belastingplichtige immers ook gebaat zijn bij meer keuzemogelijkheden. Het is niet bekend of er in Den Haag plannen bestaan om aan deze oproep gehoor te geven, maar we kijken met interesse uit naar wat de toekomst ons nog meer brengen zal op dit gebied.

Literatuurlijst


Bijnen, H.P.M., van, en Jacobs, L.M.P., Lijfrentesparen versus lijfrenteverzekering. Gelijkschakeling (bij overlijden) gerealiseerd?, WFR 2006/1355
Dietvorst, G.J.B., Geblokkeerd banksparen: evolutie of revolutie, WFR 2006/243
Dietvorst, G.J.B., Geblokkeerd banksparen: het vervolg, WFR 2006/939
Fiscale Encyclopedie Nederlandse Documentatie Fiscaal Recht
Jacobs, L.M.P., Banksparen: de nieuwe mogelijkheden, verschillen en keuzes, Belastingbrief 2008/02
Jansen – Van der Vliet, A., De bancaire lijfrente: nieuwe loot aan de stam van oudedagsvoorzieningen, Vakblad voor de MKB/CB-adviseur, 2008/05
Kastelein, M.E., Bancair sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld, Pensioen Magazine 2008/6-7
Kastelein, M.E., Enkele kanttekeningen bij de bancaire lijfrente, Pensioen Magazine 2008/5
Katz, M.L. en Rosen, H.S., Microeconomics, Third Edition, The McGraw-Hill Companies, 1998
Lavrijssen, P.P.M., Banksparen voor een individueel pensioen, Tribuut, Juni 2007
MoneyView, Advieswijzer Actueel, Banksparen volop in het nieuws, Deel 2: vragen en antwoorden met betrekking tot de SEW en BEW
Overduin, N.C., De bancaire lijfrente: niet alleen de prijs is anders!, Pensioen Actief 2009/03
Overmeire, E.R. van, Banksparen en grensarbeid; voorlopig geen invalbeurt, Belastingbrief 2008/06
Rienstra, E., en Dijk, M. van, Banksparen in de praktijk, Nibe-SVV, Amsterdam, 2009
Rooij, J.J. van, en Jacobs, L.M.P., Belastingplan 2009: splitsings- en afkoopproblemen bij lijfrente(sparen) opgelost?, WFR 2008/1127
Sillevis, L.W., Kempen, M.L.M. van, en Westen, G.W.B. van, Cursus Belastingrecht - Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer, 2009
Staats, G.M.C.M., Derde pijler moet serieus genomen worden!, WFR 2008/463
Staats, G.M.C.M., Wet Banksparen: een nieuwe dimensie van het eigenwoningsparen, Vakblad voor de MKB/CB-adviseur, 2008/3
Stam, R. en Willemen G, Erfrechtelijke en huwelijksrechtelijke aspecten van banksparen, Vermogende Particulieren Bulletin, 2008/5
Thomas, E., Banksparen en lijfrentes: appels en peren?, Tribuut, Juli 2009
Valk, E., Spaar- en beleggingsrekening eigen woning: de concurrentie wordt duur betaald, Pensioen Magazine, 2007/5


1 Kamerstukken II, 1997-1998, 25 810, nr. 2.

2 Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 106. Zie ook Kamerstukken II, 2005-2006, 30 432, nr. 6, p.2.

3 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 432, nr. 2. Voorstel van wet van de leden Depla en B.M. de Vries houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten om te komen tot aftrekbare uitgaven voor oudedagsvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht.

4 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 432, nr. 8.

5 Kamerstukken II, 2005-2006, 30431, nr. 2, p. 2.

6 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 432, nr. 2.

7 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 432, nr. 10.

8 Art. 3.116, Wet IB 2001.

9 Belastingplichtige heeft geen vrije keuze om te opteren voor de regels voor de KEW, wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, gelden deze regels van rechtswege. Wenst men niet onder het KEW-regime te vallen, moet ervoor gezorgd worden dat niet aan de desbetreffende voorwaarden wordt voldaan.

10 Hiervoor is het niet van belang of is gekozen voor het fiscaal partnerschap van art. 1.2, Wet IB 2001.

11 Voor de vrijstelling van art. 3.118, Wet IB 2001 geldt een termijn van minimaal 20 jaar, zie onderdeel 2.2.2.

12 Kamerstukken, 21 198, nr. 9, onderdeel 9, p. 20-21 en besluit van 28 april 2009, nr. CPP2008/1118M, onderdeel 3.4.2.

13 Zie voor uitzonderingen het besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/737M, onderdeel 2.3.2.

14 Art. 3.116, zesde lid, Wet IB 2001.

15 Art. 3.116, derde lid, Wet IB 2001.

16 Zoals opgenomen in art. 3.116, tweede lid, Wet IB 2001, zie onder 2.2.1.

17 Behoudens voor zover de verzekering in het kader van het aangaan of beëindigen van een huwelijk of van een duurzame gezamenlijke huishouding wordt omgezet in een of meer andere soortgelijke verzekeringen voor een of beide echtgenoten of voor een of beide personen die bedoelde gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd.

18 Art. 3.116, vierde lid, Wet IB 2001. De heffing wordt opgelegd in de vorm van een conserverende aanslag, art. 2.8, tweede lid, Wet IB 2001. Op grond van art. 25, zesde lid, IW 1990 en art. 1g Uitv.regeling IW 1990 wordt onder voorwaarden uitstel van betaling verleend.

19 Art. 3.118, Wet IB 2001.

20 Art. 3.118, vierde lid, Wet IB 2001.

21 Art. 3.118, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001.

22 Art. 3.118, tweede lid, Wet IB 2001.

23 Art. 3.118, eerste lid, Wet IB 2001. Deze twee bedragen bestaan niet naast elkaar. In het bedrag van de vrijstelling na 20 jaar is eveneens het bedrag van de vrijstelling na 15 jaar opgenomen.

24 Art. 3.118, derde lid, Wet IB 2001. Dit betreft niet alleen een eerder genoten vrijstelling KEW, maar ook een eerder genoten vrijstelling SEW en/of BEW.

25 Art. 1.2 jo. art. 2.17, Wet IB 2001.

26 Besluit van 28 april 2009, nr. CPP2008/1118M, onderdeel 4.1.

27 Art. 3.118, zevende lid, Wet IB 2001.

28 Besluit van 28 april 2009, nr. CPP2008/1118M, onderdeel 4.3.

29 Dit is niet aan de orde in de gevallen zoals genoemd in art. 3.118, tweede lid, Wet IB 2001. In die situaties is de vrijstelling toch van toepassing, ook al heeft de uitkering niet gediend als aflossing van de eigenwoningschuld en zijn er niet tenminste 20 jaar of tot het moment van overlijden jaarlijks premies voldaan.

30 Besluit van 28 april 2009, nr. CPP2008/1118M, onderdeel 4.3.

31 Kamerstukken II 1988-1989, 21 198, nr. 9 en 10.

32 Art. 3.124, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

33 Art. 3.127, Wet IB 2001.

34 Vóór toevoegingen aan en afnemingen van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek. Hier wordt evenmin rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling van art. 3.79a, Wet IB 2001.

35 Art. 3.127, derde lid, Wet IB 2001.

36 Art. 3.127, vierde lid, Wet IB 2001. In de huidige wetgeving wordt de pensioengroei niet meer als factor A aangeduid, zoals dat in de Wet IB 1964 het geval is, maar in de fiscale praktijk wordt deze term nog steeds gebezigd.

37 Art. 15, eerste lid, Uitvoeringsbesluit IB 2001.

38 Bij de behandeling van de Wet IB 2001 is dit als volgt toegelicht: 15% (opbouwpercentage, inmiddels 17%) maal 40 (opbouwperiode), maal 10/7 (de pensioenaangroei vertegenwoordigt 70% van het inkomen), maal ongeveer 88%. Met de laatste factor 88% wordt bij benadering rekening gehouden met het feit dat het bij het belastbare loon gaat om een inkomen na aftrek van pensioenpremies. Kamerstukken, 26 727, nr. 3, p. 167.

39 Art. 3.127, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001.

40 Art. 3.127, tweede lid, Wet IB 2001.

41 Zoals gedefinieerd in art. 3.127, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

42 Art. 3.1, tweede lid, onderdeel i jo. art. 3.124, eerste lid, aanhef Wet IB 2001.

43 Voor art. 6.1, eerste lid, Wet IB 2001 is wel toegelicht dat beoogd wordt aan te sluiten bij de betekenis van het begrip ‘drukken’ voor de buitengewone lasten onder het regime van de Wet IB 1964, zie Kamerstukken II, 26 727, nr. 7, p. 96.

44 Zie HR 4 januari 1989, nr. 25.807, BNB 1989/47 en HR 18 september 1985, nr. 23.191, BNB 1986/31, beiden inzake art. 46, eerste lid, Wet IB 1964.

45 HR 28 mei 1969, nr. 16.146, BNB 1969/147 en HR 12 juni 1974, nr. 17.351, BNB 1974/187, beiden inzake art. 46 Wet IB 1964.

46 HR 28 november 1956, nr. 13.022, BNB 1957/25.

47 Art. 3.124, eerste lid, onderdeel a Wet IB 2001.

48 Art. 3.125, Wet IB 2001. Bij de omzetting van een oudedagsreserve (art. 3.128, Wet IB 2001) of stakingswinst (art. 3.129, Wet IB 2001) in een lijfrente kunnen eveneens premies als bedoeld in art. 3.124, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 in aanmerking worden genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Deze mogelijkheden vallen buiten het bereik van deze scriptie.

49 Art. 1.7, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Met ingang van 1 januari 2008 is daar ook onderdeel b aan toegevoegd; ‘een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht’.

50 Art. 3.117, Wet IB 2001.

51 Art. 7:975 BW.

52 Rapport van 4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525.

53 Besluit van 3 juni 2008, nr. CPP2008/287M, onderdeel 2.1.1.

54 Behalve in de situatie als bedoeld in art. 3.125, derde lid, Wet IB 2001.

55 HR 30 oktober 1991, nr. 27 215, BNB 1992/5. Bij bijzondere omstandigheden kan een lager percentage acceptabel zijn, Hof Den Haag 8 januari 1980, nr. 142/78, BNB 1980/166.

56 HR 8 oktober 1975, nr. 17 615, BNB 1976/50.

57 Art. 1.7, derde lid, Wet IB 2001.

58 Art. 3.133, Wet IB 2001. Daarnaast is er tevens 20% revisierente verschuldigd ingevolge art. 30i, eerste lid, onderdeel b jo. tweede lid Awr.

59 Art. 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001. Hierover is geen revisierente verschuldigd.

60 Art. 3.125, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

61 Art. 3.126, Wet IB 2001.

62 Art. 3.130, eerste lid, Wet IB 2001.

63 Besluit van 2 november 2006, nr. CPP2006/2362M, onderdeel 7. Voor deze voorwaarde zijn in hetzelfde besluit een tweetal versoepelingen geformuleerd.

64 Zie art. 3.128 en 3.129, Wet IB 2001.

65 Art. 3.130, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

66 Art. 3.116a, tweede lid, Wet IB 2001.

67 Voor de vrijstelling van art. 3.118, Wet IB 2001 geldt een termijn van minimaal 20 jaar, zie onderdeel 3.1.2.

68 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 432, nr. 10, p. 8.

69 Art. 1:1, Wft.

70 Art. 3.116a, derde lid, Wet IB 2001.

71 Kamerstukken I, 2007-2008, 30 432, nr. C, p. 13-14.

72 Art. 1:1, Wft. De definitie van beleggingsmaatschappij luidt ingevolge hetzelfde artikel ‘een rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of verkrijgt teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen’. De definitie van beleggingsfonds luidt ‘een niet in een beleggingsmaatschappij ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen’.

73 Art. 25, vijfde lid, Wet Vpb 1969 jo. art. 9.2, vijfde lid, Wet IB 2001.

74 Art. 3.116a, eerste lid jo. art. 3.116a, zesde lid, Wet IB 2001.

75 Art. 3.116a, vierde lid, Wet IB 2001.

76 Behoudens voor zover sprake is van vervreemding of verdeling in het kader van het aangaan of beëindigen van een huwelijk of van een duurzame gezamenlijke huishouding en de spaarrekening of het beleggingsrecht wordt gecontinueerd als SEW respectievelijk BEW.

77 Art. 3.116a, vijfde lid, Wet IB 2001. De heffing wordt opgelegd in de vorm van een conserverende aanslag, art. 2.8, tweede lid, Wet IB 2001. Op grond van art. 25, zesde lid, IW 1990 en art. 1g Uitv.regeling IW 1990 wordt onder voorwaarden uitstel van betaling verleend.

78 Art. 3.116a, vierde lid, onderdeel f jo. onderdeel b, Wet IB 2001.

79 Besluit van 28 april 2009, nr. CPP2008/1118M, onderdeel 2.5.

80 Art. 3.118a, Wet IB 2001.

81 Antwoorden Kennisgroep Verzekeringsproducten op helpdeskvragen ‘Lijfrentesparen en Eigen Woning Sparen’, onderdeel B.5., op www.belastingdienstpensioensite.nl.

82 Antwoorden Kennisgroep Verzekeringsproducten op helpdeskvragen ‘Lijfrentesparen en Eigen Woning Sparen’, onderdeel B.7., op www.belastingdienstpensioensite.nl.

83 Art. 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001. Zie hiervoor onder 2.2.1.

84 Binnen de grenzen van het bepaalde in artikel 3.127 tot en met 3.129, Wet IB 2001.

85 Art. 3.126a, eerste lid, onderdeel a en b, Wet IB 2001.

86 Art. 3.126, Wet IB 2001 is uitdrukkelijk niet van toepassing op de bedragen die overgemaakt zijn ten behoeve van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht, zie artikel 3.126a, eerste lid, laatste volzin, Wet IB 2001.

87 Art. 3.126a, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

88 Art. 3.126a, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001.

89 Art. 3.126a, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001.

90 Het moet gaan om een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, Wet IB 2001. Zie hiervoor onder 2.2.3.

91 Zie art. 3.126a, vierde lid, Wet IB 2001; ‘Voor zover het tegoed van de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht niet is aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in art. 3.125, dient het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar te worden uitgekeerd.’ Zie in dit verband ook G.J.B. Dietvorst, Geblokkeerd banksparen; het vervolg, WFR 2006/939, onderdeel 4.2.

92 Tenzij anders vermeld, wordt onder rekeninghouder zowel de houder van een LSR als een LBR verstaan. In de wet wordt de rekeninghouder van een LSR en de houder van een LBR aangeduid als en gelijkgesteld met een verzekeringnemer, art. 3.126a, derde lid, Wet IB 2001.

93 Art. 3.126a, vierde lid, onderdeel a, ten 1o, Wet IB 2001. In dat jaar dienen ook uiterlijk een oudedagslijfrente en een tijdelijke oudedagslijfrente in te gaan, zie art. 3.125, eerste lid, onderdeel a en c, Wet IB 2001.

94 Art. 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

95 De wet spreekt van een uitkering die ingaat vóór het kalenderjaar waarin de rekeninghouder 65 jaar wordt.

96 Hier wordt een periode van een jaar als redelijke termijn aangemerkt, Kamerstukken II, 2006-2007, 30 432, nr. 14, blz. 12. Wanneer de verkrijger nog recht heeft op een Anw-uitkering, mag de ingang van de termijnen uitgesteld worden tot het jaar waarin dit recht afloopt, zonder dat daaraan fiscale consequenties zijn verbonden.

97 Art. 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001.

98 Als de lijfrentetermijnen reeds waren ingegaan op het moment van overlijden van de rekeninghouder, lijkt het wel mogelijk dat de termijnen toekomen aan een ander dan een natuurlijk persoon. Art. 3.26a, zesde lid, Wet IB 2001 stelt namelijk geen nadere eisen aan de persoon van de erfgenaam. Stam en Willemen menen in Erfrechtelijke en huwelijksrechtelijke aspecten van banksparen, Vermogende Particulieren Bulletin, 2008/5 dat dit nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. In het advies van de Raad van State en de reactie daarop door de indieners wordt immers genoemd dat het wetsvoorstel zowel voor de opbouw- als de afbouwfase voorziet in een regeling als de spaarder vroegtijdig overlijdt, het tegoed in termijnen wordt dan overgemaakt aan een erfgenaam, zijnde een natuurlijk persoon (Kamerstukken II, 30 432, nr. 4, p. 2).

99 Een bloed- of aanverwant - niet zijnde de (gewezen) partner - in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn.

100 Art. 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001.

101 Kamerstukken I, 2007-2008, 30 432, nr. C, p. 2-3.

102 Art. 32, eerste lid, ten 5o jo. vijfde lid, SW. Wel moet rekening gehouden worden met de zogenoemde inkortingsregeling van art.32, derde lid, SW 1956.

103 Art. 3.126a, vierde lid, onderdeel a, ten 4o, Wet IB 2001.

104 Art. 3.107a, Wet IB 2001. Dit maximum geldt echter niet voor de jaren 2001 tot en met 2008, voor die jaren mogen de niet in aftrek gebrachte bedragen volledig in mindering gebracht worden op de uitkeringstermijnen. Hetzelfde geldt voor lijfrenteverzekeringen, hier wordt met ingang van 2009 ook geen splitsing meer gemaakt. De termijnen worden volledig in box 1 betrokken, waarbij niet afgetrokken premies daarop in mindering mogen komen, rekening houdend met het maximum van € 2.269.

105 Art. 3.133, Wet IB 2001. Tevens is er 20% revisierente verschuldigd op grond van art. 30i, eerste lid, onderdeel b jo. tweede lid Awr.

106 Art. 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001. Hierover is geen revisierente verschuldigd.

107 Dietvorst, G.J.B., Geblokkeerd banksparen: evolutie of revolutie, WFR 2006/243.


108 Onder rekeninghouder wordt ook verstaan de houder van een lijfrentebeleggingsrecht, tenzij anders vermeld.

109 Er van uitgaande dat deze minderjarigen zelf nog geen of weinig inkomen hebben.

110 Zie Cursus Belastingrecht, Inkomstenbelasting, onderdeel 3.7.4 Lijfrentespaarrekening en lijfrentebeleggingsrechten. De initiatiefnemers van de Wet Banksparen hebben immers ook niet voorgesteld de bancaire variant voor bijvoorbeeld een alimentatielijfrente of lijfrente voor invalide kinderen mogelijk te maken, daar waar de verzekeraar wel een toegelaten uitvoerder is.

111 Art. 3.126a, vijfde lid, Wet IB 2001 spreekt namelijk van een LSR of LBR waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan.

112 Art. 3.125, tweede lid, Wet IB 2001.

113 Art. 116a, zevende lid, IB jo. art. 17bis, Uitv.regeling IB.

114 Stam, R. en Willemen G, Erfrechtelijke en huwelijksrechtelijke aspecten van banksparen, Vermogende Particulieren Bulletin, 2008/5.

115 Hetzelfde geldt overigens voor een LSR of een LBR.

116 Zie de fictie van art. 13, SW.

117 Anderzijds wordt de vrijstelling ook begrensd door het bedrag aan life-timevrijstelling dat nog resteerde voor mevrouw Y op het moment van haar overlijden. In het voorbeeld is er echter vanuit gegaan dat beiden nog nooit eerder gebruik hebben gemaakt van hun life-timevrijstelling.

118 Of er daadwerkelijk sprake is van een positief verschil zal afhangen van de indexatie van de eigen vrijstelling van de heer X.

119 Mits aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan zoals in art. 3.118, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen. Op grond van art. 3.118, zevende lid, Wet IB 2001 betreft de verhoging maximaal de life-timevrijstelling die voor mevrouw Y nog resteerde. Tevens kan de verhoging van de vrijstelling niet groter zijn dan het totale bedrag dat als gevolg van het overlijden van mevrouw Y wordt uitgekeerd.

120 Jacobs, L.M.P., Banksparen: de nieuwe mogelijkheden, verschillen en keuzes, Belastingbrief 2008/02.

121 De hoogte van de extra vrijstelling is afhankelijk van de indexatie van de eigen vrijstelling van de heer X. Als we uitgaan van het bedrag van 2009 bedraagt de extra vrijstelling; € 275.000 (hoogte uitkering) - € 147.500 (vrijstelling de heer X) = € 127.500.

122 Art. 3.119, Wet IB 2001 en art. 3.124, eerste lid, Wet IB 2001.

123 Lavrijssen, P.P.M., Banksparen voor een individueel pensioen, Tribuut, Juni 2007.

124 Kastelein, M.E., Bancair sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld, Pensioen Magazine 2008/6-7.

125 Katz, M.L. en Rosen, H.S., Microeconomics, Third Edition, The McGraw-Hill Companies, 1998, chapter 11.


126 ‘Adviseurs verzwijgen banksparen’, Het Parool, 2 september 2008. Dit artikel leidde tot Kamervragen, Kamerstukken II, vergaderjaar 2008-2009, Kamervragen 133.

127 Staats, G.M.C.M., Fiscaal gefaciliteerd sparen bij banken; zijn banken transparanter dan verzekeraars?’, circulaire.

128 http://www.banksparenkeuze.nl/nieuws/moneyview-vergelijkt-bankspaarproducten-met-bestaande-verzekeringsoplossingen-2.html.

129 http://www.banksparenkeuze.nl/nieuws/banksparen-groeit-ondanks-lage-provisie.html en http://www.banksparenkeuze.nl/nieuws/banksparen-deert-verzekeraars-niet.html.

130 Kamerstukken II, 2005-2006. 30 432, nr. 6, p. 5.



Bachelorscriptie J.H.P. Stigter

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Literatuurlijst

  • Dovnload 164.61 Kb.