Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Examenkatern Criminaliteit voor vmbo kgt

Dovnload 0.5 Mb.

Examenkatern Criminaliteit voor vmbo kgt



Pagina1/10
Datum01.08.2017
Grootte0.5 Mb.

Dovnload 0.5 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


\

Examenkatern Criminaliteit


voor vmbo


KGT


Annika Baars

Eveline Holla

Marcus Roggeveen
eindredactie

Theo Rijpkema

Theo Schuurman

DOCENTENHANDLEIDING


antwoorden op vragen en opdrachten

Examenkatern Criminaliteit


voor vmbo


KGT


Annika Baars

Eveline Holla

Marcus Roggeveen
vormgeving eindredactie

Vos Tekstverwerking Plus Theo Rijpkema



Theo Schuurman

DOCENTENHANDLEIDING


antwoorden op vragen en opdrachten

inhoudsopgave

Inleiding      5

1. Regels en rechten      7

2. Criminaliteit, een probleem?   14



Examenvragen    19

3. Ons beeld van criminaliteit    20

4. Oorzaken van criminaliteit    24

Examenvragen    30

5. Het strafrecht    31

6. Van politie naar officier    37

Examenvragen    44

7. Voor de rechter    45

8. Waarom straffen we?    54

Examenvragen    60

9. Het beleid van de overheid    61

10. Preventie    67

Examenvragen    71

Examenvragen voor alle hoofdstukken    72

Praktische opdrachten    73



inleiding
Geachte docent,
Hierbij treft u de uitwerkingen aan van alle vragen en opdrachten uit het examenkatern Criminaliteit voor KGT.
Graag wijzen wij u op het volgende:


  • De basistekst van de antwoorden op de vragen en opdrachten is zo geformuleerd dat deze eventueel gedicteerd kan worden. De cursief gedrukte tekst is bedoeld om u als docent extra suggesties aan te reiken in de vorm van een verdere toelichting, praktische voorbeelden en mogelijke discussievragen.




  • In sommige opdrachten wordt gevraagd naar de eigen mening van leerlingen. In die gevallen dient de uitwerking als een voorbeeld.




  • Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal examenvragen. Deze vragen zijn afkomstig uit eerdere examens op KGT-niveau.

Van dit les/werkboek is in het voorjaar van 2009 een nieuwe oplage gedrukt, waarbij het isb-nummer hetzelfde is gebleven.

Wij hebben van de gelegenheid gebruikgemaakt om in de nieuwe oplage kleine verbeteringen aan te brengen. Naast correcties van spelfouten en andere onvolkomenheden, gaat het om de volgende aanpassingen die, mede op verzoek van docenten, zijn opgenomen:


  • Door het hele boek heen zijn alle introteksten aan het begin van elk hoofdstuk vervangen door meer aantrekkelijke voorbeelden.




  • In sommige hoofdstukken is een vraag over de intro toegevoegd.




  • Waar mogelijk zijn foto’s iets vergroot.

In deze docentenhandleiding zijn deze wijzigingen waar nodig verwerkt.

Veel succes en gebruiksgemak toegewenst,

schrijvers en eindredactie



1 Regels en rechten




VRAGEN EN OPDRACHTEN blz. 9 en 10

1. Waarden zijn dingen die mensen belangrijk vinden in het leven.



Normen zijn afspraken hoe mensen zich moeten gedragen.

Normen worden ook wel gedragsregels genoemd.

Voorbeelden van waarden zijn: eerlijkheid, zelfstandigheid, trouw, gezondheid. Waarden worden meestal uitgedrukt in een enkel woord.

Normen zijn van waarden afgeleid. Van de waarde eerlijkheid kunnen bijvoorbeeld de volgende normen afgeleid worden: je mag niet stelen; je moet altijd de waarheid spreken.

Welke voorbeelden van de combinatie van waarden en normen kunnen de leerlingen nog meer noemen?
2. Waarden en normen worden overgedragen door: het gezin, de school, het werk, clubs en verenigingen, vrienden, de overheid (rechten en plichten) en de media.

Door de meningen van mensen om ons heen gaan we ons zelf een mening vormen over goed en fout.
3. Inventariseer de meningen van de leerlingen.

Juist doordat ongeschreven regels nergens zijn vastgelegd, kunnen ze niet worden afgeschaft. Deze regels zijn nuttig omdat ze je helpen om je te gedragen volgens de heersende normen. Een voorbeeld van een ongeschreven regel is het geven van een hand zodra je je voorstelt. Wanneer je geen hand geeft wordt dat als onfatsoenlijk beschouwd. De ongeschreven regels zijn cultureel bepaald. Voorbeeld: in China wordt de soep opgeslurpt, in Nederland is slurpen onfatsoenlijk.

Voer een korte discussie over de stelling: Ongeschreven regels zijn in elke groep anders. Toch kun je je er maar beter aan houden, anders krijg je sneller problemen.
4. a. Rechtsregels zijn gedragsregels die in de wet staan. Ze gelden voor alle inwoners en bezoekers van een land.

Rechtsregels geven ook aan waar de overheid zich aan moeten houden.

b. Orde brengen in de maatschappij zodat iedereen weet wat mag en wat niet mag.

Als iedereen zich aan de regels houdt, dan wordt de maatschappij waarin wij leven ervaren als veilig en leefbaar.


5. Wanneer een groot deel van de bevolking de rechtsregels niet accepteert, worden wetten en ook de bestuurders niet meer serieus genomen. Er zullen dan conflicten ontstaan tussen bijvoorbeeld de burgers en de politie, die probeert de wet te handhaven.
6. De rechten van een verdachte staan in het Wetboek van Strafvordering: de regels van het strafproces.
7. Deze verklaring is opgesteld drie jaar na de Tweede Wereldoorlog. Men wilde misdaden die toen gepleegd zijn in de toekomst voorkomen.

Joden, zigeuners en homoseksuelen werden op grote schaal gediscrimineerd, gemarteld, in concentratiekampen gevangengezet en vermoord. Van eerlijke processen tijdens de Tweede Wereldoorlog was geen sprake, want deze groepen mensen werden beoordeeld (of veroordeeld) op afkomst, geloof en seksualiteit.
8. a. Rechtsregels worden aangepast omdat de samenleving verandert en daarmee ook de opvattingen van de mensen.

b. Nu is topless zonnen gewoon, vroeger was dat nog verboden. Vroeger waren cafés verplicht om te sluiten om 24.00 uur, nu zijn er tot ’s morgens vroeg nog afterparty’s.


9. In een rechtsstaat worden burgers beschermd tegen machtsmisbruik door de overheid. Ook de overheid is gebonden aan de wetsregels.

De burger moet beschermd worden; hij heeft bijvoorbeeld grondrechten en hij heeft kiesrecht.
10. In de grondwet staan de rechten die wij het belangrijkste vinden: het zijn voor een groot deel ‘grondrechten’ die onze individuele vrijheden beschermen.
11. Rechtszekerheid wil zeggen dat iedereen eerlijk, volgens vooraf vastgelegde procedures behandeld wordt door de overheid.
Let op: vraag 11 is vanaf de oplage van voorjaar 2009 gewijzigd. Nieuw antwoord:

11. Rechtszekerheid, omdat in een rechtsstaat elke burger weet wat hem te wachten staat bij het plegen van een delict.


12. Deze omschrijving is onjuist, want elk land heeft zijn eigen grondwet, Wetboek van Strafrecht, enzovoort.

Denk maar aan de verschillen in het toelaten van coffeeshops of de verschillen in (hoge) straffen.

Overigens geldt rechtsgelijkheid wel in alle landen die lid zijn van de EU.
13 a. Rechtshandhaving gaat over het controleren van de burger of hij zich wel aan de wet houdt.

Rechtsbescherming zorgt ervoor dat elke burger volgens de regels wordt behandeld zoals in de (grond)wet is vastgelegd.

b. Bij de misdaadbestrijding kan de overheid de rechten van personen soms (even) niet respecteren om de daders te op te sporen.



Privacy is een recht. Als de politie iemand verdenkt van vrouwenhandel, dan is een opsporingsmethode het afluisteren van de telefoon. De politie schendt het privacyrecht, maar kan daardoor wel de crimineel oppakken.
14. Trias politica wil zeggen het scheiden van de machten binnen de rechtsstaat. Zo wordt de macht van de overheid beperkt.

De machten zijn verdeeld in de wetgevende, uitvoerende en de rechterlijke macht. Verdeeld over beroepen zijn dat de minister, de politieman en de rechter.
Let op: vraag 14 is vanaf de oplage van voorjaar 2009 gewijzigd. Nieuw antwoord:

14. a. Antwoord vraag 14.

b. Uitvoerende macht, omdat zij een bekeuring geven aan passagiers. Ze voeren de wet uit.

15. Stropdas voor Bos blz. 10


a. Wouter Bos houdt zich niet aan de fatsoensnorm (de etiquette) in de Eerste en Tweede Kamer.

Het is hier een ongeschreven regel om netjes gekleed te gaan. Een stropdas wordt ‘netjes’ gevonden.

b. Voor Bos is de waarde vrijheid erg belangrijk.



Veel mannen vinden het dragen van een stropdas vervelend. Een stropdas is warm en knelt.

Voer een korte discussie over de stelling: Ministers moeten het goede voorbeeld geven en altijd een stropdas dragen.

16. Welk woord weg? blz. 11


Deze opdracht behoort tot de zogenaamde ‘Thinking skills’, ofwel denkvaardigheden. Kenmerkend is de nadruk op het leerproces. Daarom wordt aangeraden om een korte nabespreking te houden, waarin u het werken aan deze opdracht met de leerlingen evalueert.
Doel

Als leerlingen voor een toets leren, koppelen ze vaak de betekenis van een begrip alleen aan de definitie of de omschrijving in het lesboek. Door middel van deze oefening leren leerlingen de begrippen meer inhoudelijke betekenis en onderlinge samenhang te geven. Andere niet-cognitieve doelen van dit soort denkvaardigheden zijn samenwerking en zicht krijgen op het eigen leerproces.
Instructie en didactische tips

U legt de opdracht uit aan de hand van een eigen voorbeeld. U zet bijvoorbeeld de woorden klasgenoot - docent - conciërge - politieagent op het bord. In een leergesprek legt u uit dat je politieagent kunt wegstrepen omdat deze persoon niet direct met school is verbonden en de andere drie wel.

Laat zien dat er ook een andere mogelijkheid is. Je kunt ook het woord klasgenoot wegstrepen omdat de andere drie personen een betaald beroep hebben of omdat de andere drie personen door hun functie een bepaalde macht hebben.
Aanvullende opmerkingen

- Het is belangrijk dat leerlingen tijdens de opdracht met elkaar overleggen. Leg daarom de nadruk op het werken in tweetallen of in groepjes.

- Benadruk ook dat zij duidelijk moeten opschrijven waarom zij een bepaald woord hebben weggestreept omdat u daar na afloop op zal terugkomen.

- Vermeld dat er meestal meer goede antwoorden mogelijk zijn.

- Geef aan hoeveel tijd de leerlingen voor de totale opdracht krijgen. Dit is afhankelijk van het niveau van de klas. De ervaring leert dat het tempo van leerlingen bij deze opdracht flink uiteen kan lopen.

- Geef aan dat ze de begrippen mogen opzoeken in het lesboek.

- Help alleen als dat absoluut noodzakelijk is.
Nabespreking

In een korte nabespreking komen de doelen van deze oefening nadrukkelijk naar voren: je afvragen hoe je (samen)werkt, hoe je leert en hoe je keuzes maakt.

Stel in de nabespreking zo mogelijk het volgende aan de orde:

- Hoe zijn jullie te werk gegaan?

- Waarom hebben jullie juist dat ene woord weggestreept?

- Hoe hebben de andere tweetallen het probleem aangepakt?

- Welk tweetal heeft een ander woord weggestreept en waarom?

- Wat vinden leerlingen van de antwoorden van anderen?
Stimuleer dat leerlingen in de nabespreking uitvoerig antwoorden. Stel open vragen en onderbreek de leerling niet met het antwoord dat u in gedachten hebt.

Sluit het gesprek af met een samenvatting, zodat de essentie van deze opdracht duidelijk wordt.
Omdat het leerproces zelf centraal staat, is de opdracht niet geschikt voor het geven van cijfers.
Voorbeelden van antwoorden

1. Computer hacken hoort niet in het rijtje thuis, omdat dit de enige overtreding (het enige criminele gedrag) is in het rijtje.

Homohuwelijk hoort niet in het rijtje in thuis, omdat het geen verbod of gebod is.

2. Vrijheid hoort niet in het rijtje thuis, omdat dit het enige grondrecht is in het rijtje.

Niet stelen hoort niet in het rijtje thuis, omdat dit een norm is; de andere drie zijn waarden.

3. Rechter hoort niet in het rijtje thuis, omdat dit de enige persoon is die rechterlijke macht heeft. De overigen hebben uitvoerende macht.

4. Burgemeester hoort niet in het rijtje thuis, omdat hij de enige van de drie is die zelf regels kan maken, de andere drie moeten alleen regels uitvoeren.

17. Welk woord ontbreekt? blz. 11


1. In Groot-Brittannië rijdt het verkeer links.

2. Vroeger mochten in Nederland homo’s niet met elkaar trouwen, nu wel.

Ook goed is bijvoorbeeld België, Canada, Spanje, Zuid-Afrika, Noorwegen, Zweden en Engeland. Ook deze landen erkennen het homohuwelijk.

Vraag: waarom is dit voor Spanje heel bijzonder?

3. Sinds januari 2005 moet iedereen van veertien jaar en ouder een identiteitsbewijs bij zich hebben.

4. Amerika is een land waar je gemakkelijk een vuurwapen kunt kopen.

Ook goed is België en de landen van de vroegere Sovjet-Unie en voormalig Joegoslavië.

18. Welke foto weg? blz. 11
Voorbeelduitwerking:

Foto c hoort er niet bij omdat deze als enige niet de trias politica verbeeldt.

A is de rechterlijke macht, b verbeeldt de Tweede Kamer dus de wetgevende macht en de politie op d is onderdeel van de uitvoerende macht.

Foto b hoort er niet bij omdat de andere drie heel direct te maken hebben met het opsporen en straffen van een crimineel.

In de Tweede Kamer gaat het ook over heel andere dingen dan criminaliteit.

19. Zoek de fout blz. 12


1. De belangrijkste rechtsregels staan in het Wetboek van Strafrecht de grondwet.

2. In een rechtsstaat wordt de overheid worden de burgers beschermd tegen machtsmisbruik van burgers de overheid.

3. In een rechtsstaat worden ministers altijd gekozen door middel van verkiezingen benoemd.

4. Het ministerie van Justitie, het ministerie van Defensie en het Openbaar Ministerie houden zich bezig met criminaliteitsbestrijding.



Het ministerie van Justitie vanuit de wetgevende macht en het Openbaar Ministerie vanuit de uitvoerende macht.

20. Grondwet of strafrecht? blz. 12


1. Welk wetsartikel komt uit de grondwet? A

Welke zin komt uit het Wetboek van Strafrecht? B



‘Gelijkheid’ in zin A is een grondrecht, zin B beschrijft de strafmaat naar aanleiding van een criminele daad.

2. Welk wetsartikel gaat over rechtsbescherming? A

Welk wetsartikel gaat over rechtshandhaving? B

De grondwet beschermt de rechten van burgers.

Rechtshandhaving gaat over het controleren van de burger.

21. Nieuwe rechtsregels blz. 12


Computers: het is strafbaar om te hacken; ook het bezit van kinderporno op je computer is verboden.

Terrorisme: het is strafbaar om terreuraanslagen voor te bereiden.

Horeca: de openingstijden zijn verruimd; je mag niet meer roken in de horeca.

Milieu: veel producten ‘met een stekker’ hebben een verplichte verwijderingsbijdrage.

Auto’s: ook op de achterbank is het verplicht gordels te dragen.

22. Rechtsbescherming of rechtshandhaving? blz. 13







RB of RH + toelichting

De politie mag je niet zomaar oppakken.

RB; de overheid verplicht de politie een reden te geven voordat zij een verdachte arresteert.

Een overvaller verdwijnt voor drie jaar in de gevangenis.

RH; in het Wetboek van Strafrecht staat hoeveel jaar gevangenisstraf een overvaller krijgt.

Iemand is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is.

RB; dit is ter bescherming van de burger.

Een agent vertelt de verdachte dat hij recht heeft op een advocaat.

RB; de verdachte is verzekerd van een eerlijk proces.

Een illegaal gekraakt pand wordt ontruimd.

RH; de politie handhaaft de orde.

Dronken automobilisten kunnen worden veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.

RH; de strafmaat staat beschreven in het Wetboek van Strafrecht.

Diefstal kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar.

RH; de strafmaat staat beschreven in het Wetboek van Strafrecht.

De politie mag niet zomaar naar je identiteitsbewijs vragen.

RB; zomaar vragen naar een ID-bewijs schendt de privacy.


Voer een korte discussie over een van de punten in deze opdracht. Voorbeelden:

- Moet de strafmaat voor dronken rijden worden verhoogd, ja of nee?

- Vind je dat de politie altijd moet kunnen vragen naar je ID?

23. Zoek de zinsdelen bij elkaar blz. 13




In een rechtsstaat worden

c.

Burgers beschermd tegen de macht van de overheid.

Het algemeen kiesrecht is

e.

een politiek grondrecht

Het recht op onderwijs is

a.

een sociaal grondrecht.

Een belangrijk uitgangspunt van de rechtsstaat is

d.

de vrijheid van het individu.

Ministers en ambtenaren beschikken over

b.

de uitvoerende macht.

24. Onafhankelijke rechters blz. 13


a. De rechters zijn onafhankelijk omdat zij op die manier kunnen controleren dat zowel burgers als de overheid zich aan de wet houden.

b. Inventariseer de antwoorden van de leerlingen. Houd over enkele voorbeelden een klassengesprek.



Voorbeeld:een verdachte van moord wordt schuldig bevonden en krijgt gevangenisstraf. Achteraf blijkt hij toch onschuldig te zijn. Deze persoon zal dan de staat aanklagen voor zijn oneerlijke behandeling. Bekend voorbeelden zijn de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak.

25. Scheiding der machten blz. 14







wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht?

Politie

uitvoerende macht

Parlement

wetgevende macht

Ministers

wetgevende macht en uitvoerende macht

Rechters

rechterlijke macht

Officier van justitie

uitvoerende macht

Openbaar Ministerie

uitvoerende macht

Minister van Justitie

wetgevende macht en uitvoerende macht

26. Welke macht? blz. 14




taak

macht

Zorgen dat de Leerplichtwet wordt uitgevoerd.

uitvoerende macht

Bestraffen van een school die zich niet aan de Leerplichtwet houdt.

rechterlijke macht

Vaststellen van het aantal uren wiskunde dat minimaal op een school moet worden gegeven.

wetgevende macht

Een ernstig gesprek hebben met een veertienjarige leerling die regelmatig spijbelt.

uitvoerende macht

Veroordelen van een minister die fraude heeft gepleegd.

rechterlijke macht

Voorlichting geven aan alle Nederlanders als er een nieuwe belastingwet komt.

uitvoerende macht

Stemmen over een nieuwe wet.

wetgevende macht

Beoordelen of werknemer P. door zijn baas mag worden ontslagen.

rechterlijke macht



Begrippen hoofdstuk 1 blz. 15 en 16
Normen zijn afspraken over hoe mensen zich tegenover elkaar behoren te gedragen.
Waarden zijn opvattingen over wat mensen goed en waardevol vinden.
Ongeschreven regels staan nergens op papier en noemen we ook wel fatsoensnormen.
Geschreven regels zijn regels die in reglementen of wetten staan.
Criminaliteit is alles wat door de wet strafbaar is gesteld.
Een delict is een strafbaar feit.
In het Wetboek van Strafrecht staan veel strafbare feiten omschreven.
Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens is het verdrag waarin de belangrijkste regels staan die de rechten van de burgers moeten beschermen.
Identificatieplicht betekent dat iedereen van veertien jaar en ouder aan de politie of andere toezichthouders een geldig identiteitsbewijs moet kunnen laten zien.
Grondrechten zijn rechten die we zo belangrijk vinden, dat ze in de grondwet staan vermeld.
Een rechtsstaat is een staat waarin burgers worden beschermd tegen machtsmisbruik en willekeur door de overheid.
Burgerrechten zijn wetsregels die de burger beschermen tegen willekeur van de overheid.
Rechtszekerheid wil zeggen dat elke burger weet wat hem te wachten staat als hij een delict pleegt.
Rechtsgelijkheid betekent dat iemand bij het plegen van een delict niet anders zal worden behandeld of bestraft dan iemand anders.
Rechtshandhaving betekent dat de overheid mensen dwingt om zich aan de regels te houden.
Democratie is een staatsvorm waarbij wij als burgers invloed hebben op de politieke besluitvorming.
Trias politica is de scheiding van de machten in een rechtsstaat.
Wetgevende macht is in handen van de regering en het gekozen parlement: zij maken de wetten waaraan burgers en overheid zich moeten houden.
De uitvoerende macht is in handen van de regering: zij zorgt ervoor dat regels worden uitgevoerd en nageleefd.
Rechterlijke macht is in handen van onafhankelijke rechters die beoordelen of wetten goed worden nageleefd.
Onafhankelijke rechtspraak wil zeggen dat rechters helemaal zelfstandig kunnen werken.
In het Wetboek van Strafvordering staan de regels van een strafproces.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • DOCENTENHANDLEIDING antwoorden op vragen en opdrachten Examenkatern Criminaliteit
  • DOCENTENHANDLEIDING
  • 1 Regels en rechten

  • Dovnload 0.5 Mb.